Woordenlijst
Bandijk – Een dijk die de rivier binnen zijn winterbed houdt, is een bandijk of winterdijk.
Benedenrivierengebied – Het door Rijn en Maas gevoede rivierengebied ten westen van de lijn Schoonhoven, Werkendam, Dongemond, inclusief Hollands Diep en Haringvliet, zonder de Hollandse IJssel.
(Binnen)berm – Een extra verbreding aan de landzijde van de dijk om het dijklichaam extra steun te bieden en/of om zandmeevoerende wellen te voorkomen.
Binnendijk – Een binnendijk verdeelt een polder in compartimenten, zodat de polder bij dijkdoorbraak gedeeltelijk volloopt.
Binnendijks – Binnendijks ligt het tegen overstromingen beschermde land
Bovenrivierengebied – Het door Rijn en Maas gevoede rivierengebied ten oosten van de lijn Schoonhoven, Werkendam, Dongemond. De waterstanden worden daar niet beinvloed door het getij van de Noordzee.
Buitendijks – Buitendijks land wordt niet beschermd door dijken en ligt aan de kant van de rivier of de zee.
Binnentalud – Hellend vlak van het dijklichaam aan de binnenkant van de dijk
Binnenteen – de onderrand van het dijklichaam aan de binnenkant van de dijk: de overgang van de dijk naar het maaiveld.
Buitentalud – Hellend vlak van het dijklichaam aan de buitenkant van de dijk, de rivierzijde.
Coupure – Onderbreking in de waterkering, bijvoorbeeld voor een doorgang naar een stad of veerpont, die bij hoog water afgesloten dient te worden met vloedbalken.
Damwand – Een wand van stalen schermen in de dijk;zie ook erosiescherm
Debiet – De totale hoeveelheid rivierwater die op een bepaalde plaats per seconde passeert wordt het debiet genoemd. Het debiet wordt uitgedrukt in kubieke meters. De hoeveelheid water die passeert wordt bepaald door de waterstand, de breedte van de rivier en de stroomsnelheid.
Drainage-kist – een constructie waarbij aan de binnenzijde van de dijk een laag grof zand wordt aangebracht. De laag moet vocht dat door de dijk naar binnen sijpelt versneld afvoeren. De constructie voorkomt dat het water zich ophoopt tegen woningen die aan de binnenzijde tegen het talud zijn gebouwd.
Dromer – In gebieden waar landaanwinning in fasen heeft plaatsgevonden, ligt soms achter de waker (de hoofdwaterkering) en de slaper (de voormalige hoofdwaterkering) nog een dijk: de dromer. Deze dijk heeft meestal geen waterkerende functie meer, vaak ligt er een weg op. Soms kunnen meerdere dromers achter elkaar liggen: in de Dollard liggen er zeven.
Dijkgraaf – Voorzitter van de dijkstoel, het dagelijks bestuur van een waterschap. Te vergelijken met een burgemeester
Dijkringgebied – Een gebied dat door een gesloten stelsel van waterkeringen beveiligd is tegen overstroming.
Dijkstoel – het dagelijks bestuur van een waterschap(zie waterschap)
Erosiescherm – Een verticale wand die in gedeeltes van de dijk wordt aangebracht om het waterkerend vermogen te vergroten.
Golfoverslag – Het verschijnsel waarbij water over de kruin van de dijk loopt, terwijl de waterstand lager is dan de kruin: het water wordt opgezwiept door golven ten gevolge van wind of scheepvaart.
Heemraad – dagelijk bestuurder van een waterschap, te vergelijken met een wethouder.
Hoofdgeërfde – lid van het bestuur van een waterschap
Hoofdingeland – lid van het bestuur van een waterschap
Hoogheemraad – dagelijk bestuurder van een hoogheemraadschap
Hoogheemraadschap – waterschap met in het algemeen de zorg voor zeeweringen en dijken in het deltagebied
Kade – kleine dijk
Kistdam – aan elkaar gekoppelde stalen damwandschermen die aan weerszijden van de de weg in de dijk worden gedreven. Een deel van deze damwandprofielen blijft boven de dijk uitsteken. Het wordt later toegedekt met aarde waarop tenslotte de nieuwe weg komt.
Kruin – hoogste punt van een dijklichaam
Kribben – Haaks op zomerdijken of rivieroevers steken op veel plaatsen korte dwarsdammen de river in: de kribben. Deze remmen de stroomsnelheid af, zodat er minder erosie aan de zomerdijken of oevers ontstaat. In het midden van de rivier stroomt het water daardoor sneller, waardoor daar weinig slib wordt afgezet. De bedding behoudt haar diepte, wat gunstig is voor de scheepvaart.
Kwel – Bij kwel stroomt het water onder de dijk door van buitendijks naar binnendijks land. De dijk en de laag direct daaronder zijn van klei en daardoor slecht doorlatend. De zandlaag daaronder laat meer water door. In tegenstelling tot wellen treedt dit water niet geconcentreerd uit en wordt geen zand meegevoerd.
Kwelkade – Op enkele plaatsen staat achter de bandijk zoveel kwel, dat dit apart moet worden tegengehouden. Tussen de bandijk ligt dan een ongeveer vijftig centimeter hoge kwelkade die het kwelwater opvangt.
Kwelsloot – Als de waterstand in de rivier hoger is dan de grondwaterstand binnendijks, ontstaat overdruk in de zandlaag. Als gevolg daarvan stroomt het water opwaarts door de kleilaag, waardoor het kwelwater in een, evenwijdig aan de dijk gegraven, binnendijkse kwelsloot opwelt of uittreedt in het maaiveld.
Kwelwater – Kwelwater dat onder de dijk door stroomt, kan een nuttige functie hebben. Als het water binnendijks hoger komt te staan geeft dat een tegendruk tegen de dijk, waardoor de stabiliteit van de dijk groter wordt.
Maatgevende hoogwaterstand – De waterstand die als uitgangspunt wordt genomen voor het ontwerpen van de versterking van primaire waterkeringen. Het begrip wordt afgekort als MHW.
NAP – Normaal Amsterdams Peil. Hoogte ten opzichte van het ‘Amsterdams Peil’, de gemiddelde zomervloedstand van het IJ voor Amsterdam toen dat nog in vrije verbinding stond met de Zuiderzee.
Niet waterkerend object – Objecten op of in de dijk die geen waterkerende functie hebben, zoals leidingen, woningen, gemalen en bomen.
Onderloopsheid – zie piping
Overlopen – Als de waterstand in de rivier hoger is dan de kruin van de dijk, loopt het water het achterland in.
Polder – Een door waterscheidingen begrensd gebied waarin de waterstand kan worden beheerst.
Polderdistrict – zie waterschap
Polderschap – zie waterschap
Piping – Ontstaat vanuit punten waar de grondwaterstroming uittreedt. Vaak in een slootbodem. Als zo’n bodem slechts door een dunne kleilaag is gescheiden van een doorlatend watervoerend zandpakket, kan de slootbodem openbarsten door de waterdruk. Het uittredende kwelwater kan vervolgens zand meevoeren dat dan als een krater rondom de wel wordt gedeponeerd. Soms kan het gaan om enkele kubieke meters zand. Bij piping ontstaat een doorgaande ondergrondse verbinding (pipe of pijp) als gevolg van een zandmeevoerende wel onder de dijk door. Dit kan leiden tot ondermijning van de dijk. Wordt ook wel onderloopsheid genoemd.
Primaire waterkering – Een waterkering die beveiliging biedt tegen overstroming. Deze waterkering kan behoren tot het stelsel dat een polder door dijken omringd of ligt voor een door dijken omringd gebied.
Polderjongen – Jongen die geen hotelkamer durft te huren om met zijn meisje te slapen
Putten – Putten zijn meertjes in de uiterwaarden die ontstonden door winning van rivierklei. De steenovens waar de rivierklei wordt gebakken tot baksteen staan in de uiterwaarden. Ook door zand- en grindwinning ontstaan putten.
Rivierduinen – Rivierduinen zijn natuurlijke, aan het eind van de IJstijd gevormde zandheuvels. In het Land van Maas en Waal en de streek bij Nijmegen komen nog rivierduinen voor.Vroeger waren er veel meer rivierduinen, maar deze zijn door erosie en zandwinning verdwenen. Restanten van rivierduinen, stukken zandgrond in een kleilandschap, heten donken. Deze zijn op veel meer plaatsen te vinden, zoals in de Betuwe, het Land van Maas en Waal, de Bommelerwaard (bij Hurwenen bijvoorbeeld) en in het Land van Heusden en Altena.
Schaardijk – rivierdijk die onmiddellijk aan het zomerbed van een rivier grenst.
Slaper – De dijk die achter de hoofdwaterkering (waker) ligt in gebieden waar in het verleden landaanwinning heeft plaatsgevonden, heet de slaper. Dit is de dijk die vroeger als hoofdwaterkering heeft gefungeerd. Meestal wordt de saper onderhouden, omdat die zijn rol als waterkering alsnog moet spelen op het moment dat de water bezwijkt. Soms wordt de slaper met opzet doorgestoken als er bijveerbeeld veel woningen zijn gebouwd tussen waker en slaper. Anders zouden deze huizen bij doorbraak van de waker onderlopen.
Spijkerwand – een stalen damwandscherm dat in de voet van de dijk wordt aangebracht om de kleimassa van de dijk als het ware aan de ondergrond vast te ‘spijkeren’.De wand zorgt ervoor dat het betaande buitetalud na de dijkverhoging stabiel blijft.
Uiterwaarden – Het land tussen de dijk en de rivier heet uiterwaarden. De uiterwaarden vormen de winterbedding van de rivier. Het is ruimte voor de rivier om te kunnen ‘ademen’, bij hoog water lopen ze onder. ’s Zomers, bij een lage waterstand, blijven de uiterwaarden droog. De uiterwaarden worden gebruikt als grasland en er wordt klei, zand en grind gewonnen.
Uitgekiend ontwerp – Afwijkende dijkprofielen en technische constructies in de dijk, waardoor het ontwerp afwijkt van het gewone ruime dijkprofiel dat bestaat uit klei en zand.
Verenigde Vergadering – vergadering van hoofdingelanden of hoofdgeërfden die de dijkstoel, het dagelijks bestuur van een waterschap, controleren. Te vergelijken met een gemeenteraad
Verhang – De snelheid van het water wordt niet alleen beinvloed door het verval, maar ook door de vorm van de bedding, de loop van de rivier en de hoeveelheid water. Het verhang is het aantal meters verval tussen twee punten gedeeld door de afstand tussen die meetpunten. Het hoogteprofiel van een rivier kan in een grafiek worden weergegeven: de verhanglijn.
Verval – Het verschil in hoogte dat het rivierwater overbrugt heet verval. Het verval in berggebieden is groot, maar in het Nederlandse laagland is het verval gering. Hoe groter het verval, hoe sneller het water stroomt.
Verweking – Water dat onder de dijk stroomt via de zandlagen en door de afdekkende, slecht waterdoorlatende, kleilaag wordt geperst, leidt tot verweking van deze afdekkende kleilaag.
Werklijn – De werklijn is de grafiek die het Ministerie van Verkeer en Waterstaat hanteert voor het bepalen van de ontwerpafvoer voor de versterking van dijken.
Waakhoogte – De hoogte van de kruin boven de optredende waterstand.
Waker – In gebieden waar in het verleden landaanwinning heeft plaatsgevangen, zoals in Groningen, Friesland en de Zuidhollandse eilanden, wordt de hoofdwaterkering de waker genoemd.
Waterschap – een doelcorporatie belast met de zorg van bedijkingen en ontwatering en soms het beheer van wegen. De laatste jaren is bij die taken ook de zorg voor de waterkwaliteit gekomen. Een polderdistrict of polderschap, een boezemwaterschap en een hoogheemraadschap zijn allemaal waterschappen. De boezemwaterschappen zijn vooral gericht op de zorg voor de boezems, de kanalen, bruggen en sluizen. Een hoogheemraadschap heeft in het algemeen tot taak de zorg voor zeeweringen en gebieden die binnen de delta vallen.
Een waterschap heeft een dagelijks bestuur met een dijkgraaf als voorzitter(te vergelijken met een burgemeester) en heemraden(te vergelijken met wethouders van een gemeente). Dat dagelijks bestuur wordt de dijkstoel genoemd. De dijkstoel wordt gecontroleerd door hoofdingelanden of hoofdgeërfden (dat hangt af van de streek) die de functie hebben van raadsleden in een gemeente.
Waterstanden – De waterstanden geven aan hoeveel het water boven Normaal Amsterdams Peil (NAP) staat. Het gemiddeld peil van de Rijn is 10,95 meter in de winter en 9.25 meter in de zomer. Het gemiddelde winterpeil van de Maas is 40.30 meter, in de zomer staat het water anderhalve meter lager. Waterstanden worden voortdurend gepeild op talloze plaatsen langs de rivieren waar peilschalen staan.
Wel – Geconcentreerde uitstroming van kwelwater door een gat of langs een paal in de afdekkende kleilaag. Een wel kan zand meevoeren uit de ondergrond. Dit kan zo onbeheersbaar worden, dat dit leidt tot piping.
Wiel – een kolk aan de binnenkant van de dijk die bij een overstroming in het verleden is achtergebleven. Een wiel dat bekend is om zijn schoonheid is het Wiel van Schoonrewoerd
Winterbed – De rivieren voeren in de winter veel meer water mee dan in de zomer (meer neerslag, smeltende sneeuw, minder verdamping, minder vochtopname door planten). Om die grote hoeveelheid water in het zomerbed te houden, zouden zeer hoge dijken nodig zijn. Daarom is de oplossing gezocht in de breedte: de uiterwaarden. De brede geul die zo ontstaat heet winterbed.
Winterdijk – Het water in de rivieren komt ’s winters soms zo hoog te staan dat dijken nodig zijn om de rivier in zijn bedding te dwingen. De hoge dijken aan de buitenkant van het winterbed heten winter- of bandijken.
Wiel – Een wiel is een meertje dat is gevormd door een doorbraak van een winterdijk. De herstelde dijk ligt meestal in een kronkel om de wiel heen. Een wiel wordt ook kolk of waai genoemd.
Zomerbed – De geul waardoor de rivier onder normale omstandigheden stroomt heet het zomerbed.
Zomerdijk (of zomerkade) – Langs het zomerbed van de rivier worden soms zomerdijkjes aangelegd om te voorkomen dat de uiterwaarden te vaak onderlopen.