Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars

‘De wereldbevolking raakt op drift, een nieuwe volksverhuizing’

Ooit, toen de Germanen en Hunnen massaal door Europa trokken, betekende dat de ondergang van het Westromeinse rijk. Nu beweegt zich een nieuwe volksverhuizing richting het rijke westen. Tussen de vijf en vijftien miljoen Slaven maken zich reisklaar. Op termijn zullen vijfentwintig miljoen ontheemden uit Afrika de Middenlandse Zee oversteken.
Wat doet dit continent? Dat wapent zich koortsachtig tegen de invasie om te voorkomen dat de geschiedenis van vijftienhonderd jaar geleden zich herhaalt.
Langs de oostgrens, waar het ijzeren gordijn is neergehaald, staat nu aan déze kant een muur van militairen. In het zuiden grendelen landmacht en marine de kusten af. Een grimmig fort. Maar geen enkel fort in onneembaar. ‘De immigranten komen toch, als het niet legaal is dan komen ze illegaal. ‘

Het vriest acht graden. De jonge militair, die door de Oberleutnant wordt aangesproken met Stellvertreter, stampt zijn voeten warm op de harde aarde. Hij leent me zijn verrekijker en wijst naar twee schimmen die bewegen in de nevel boven het niemandsland voor ons. Onrustig beweegt het landschap sterk vergroot op en neer. Bos met brede stroken landbouwgrond, restanten van hekken waar kort geleden nog manshoog prikkeldraad aan bevestigd was. Toen stonden de militairen daar, nu staan ze hier. Een heuvel die verdwijnt in het niets. Ineens zie ik twee mannen, jongens nog. Onbarmhartig trekt de kijker hen naar me toe. De een draagt een spijkerjack en slaat de armen kruiselings om zich heen om de kou te verdrijven. Ik zie hem gebaren maken in onze richting. Hij zegt iets tegen zijn metgezel die half verscholen gaat achter een bosje. Dan rennen ze weg, door het niemandsland tussen Hongarije en Oostenrijk in zuidelijke richting.
De Stellvertreter roept een aantal onverstaanbare woorden naar een geïmproviseerd wachthuisje, hoog in een boom aan de rand van het bos, waar twee nóg jongere dienstplichtigen dag en nacht uitzien over het grensgebied. Eén van hen meldt zich in het gangbare onderdanige militaire jargon boven aan de trap. Over zijn schouder hangt een Sturmgewehr 77, rondom zijn middel is een patronengordel gegespt. Hij is achttien en zegt later – als ik naar boven geklommen ben – dat hij zich dood verveelt. Zijn maat zit in een veel te grote legerjas achter een tafel met een veldtelefoon en voert de opdracht van de Stellvertreter uit. Een bericht in staccato gaat naar een andere wachthuisje, driehonderd meter verder langs de grens. Als het nodig is zal het bericht eindeloos worden herhaald. Van post naar post, over een afstand van tweehonderdenvijftig kilometer langs een kordon van drieduizend militairen. ‘Twee Aussiedler richting zuiden. ‘ Een vossejacht met ongelijke kansen.

De snel elkaar opvolgende conferenties over de komende vluchtelingengolf, verraden de nerveusiteit van de autoriteit. Genève, Praag, Malta, Straatsburg, Boedapest. De Raad van Europa heeft deze keer Wenen uitgekozen voor een ontmoeting van ministers uit de bedreigde landen. De oorlog in de Golf is een week oud. De luchthaven van Wenen is een vesting. De aan- en afvoerwegen zijn gebarricadeerd. De politie controleert met honden en automatische wapens. Dertig procent van de passagiers laat het afweten, bevangen door vliegangst. Ook rijke, beschaafde landen hebben zo hun onaangenaamheden.
De bijeenkomst van de ministers van binnenlandse zaken, justitie en immigratie, wordt gehouden in het pompeuze ‘UN-city’ even buiten Wenen. Hoge betonnen torens gebouwd in de vorm van een schelp die met sluizen verbonden zijn met de buitenwereld. Niemand komt hier binnen zonder op z’n minst een bezoekerspas. En omdat het buiten zo hectisch is, is de bewaking vandaag verdubbeld. Eigenlijk is dit het perfecte tijdstip voor een conferentie als deze, omdat de dames en heren deelnemers nu heel even zelf de kilheid en vijandschap voelen die vluchtelingen op zoek naar geluk gemeenlijk ondergaan.
Op tafel ligt een gedegen studie van Europees ambtenaar Jean-Claude Chesnais. Hij voorspelt een ‘lange periode van chaos’ en een ‘economische exodus naar Eldorado’. Natuurlijk zijn er nog wat onzekerheden. Is dit tijdsgewricht écht het begin van het einde van de ideologische confrontatie? Gaat de Sowjet-Unie écht ernst maken met het afbreken van zijn militair apparaat? Dan, ja dan zullen achttien miljoen burgers in de wapenindustrie op korte termijn zonder werk zijn. Dan zal het totaal aantal werklozen in de Sowjet-Unie de veertig miljoen benaderen. Dan zullen vrijwel zeker anderhalf miljoen emigranten per jaar de Sowjet-republieken verlaten. En dat is nog maar het begin van de exodus.
Over vijf jaar telt de Sowjet-Unie 45 miljoen jonge mensen tussen de 15 en 25 jaar. De helft heeft geen schijn van kans op werk. Er zullen tenslotte zoveel mensen het land willen verlaten dat West-Europa tot de hardste maatregelen zal moeten overgaan om hen tegen te houden. Alleen de mooiste, de beste, de sterkste en de minst-veeleisende hebben een kans binnengelaten te worden. Met hen kunnnen de West-Europese landen goede sier maken op een moment dat zij zelf, gehandicapt door vergrijzing en een chronisch tekort aan jonge arbeidskrachten, handen tekort komen. Maar het optimisme van Chesnais is bedriegelijk.
‘De beweging van grote aantal mensen die arme landen ontvluchten om naar rijke en veilige landen te komen, zal de komende jaren een van de belangrijkste vormen van wereldomspannende wederzijdse afhankelijkheid zijn, ‘ schreef Francis Fukuyama, beleidsadviseur van het ministerie van buitenlandse zaken in de Verenigde Staten.

Wat staat Europa bijvoorbeeld te wachten als binnen de Sowjet-Unie de zo lang onderdrukte gevoelens van rivaliteit, nationalisme en frustratie uit hun krochten komen? Hoeveel mensen zullen binnen de Sowjet-Unie zelf niet op drift kunnen raken als broodoproer, verlies van baan en etnische tegenstellingen tot ondraaglijke spanningen voeren? De Poolse Amerikaan Brzezinski, veiligheidsadviseur van de Noordamerikaanse president Jimmy Carter, voorspelt ‘een slagveld van volkeren’. Er zijn 290 miljoen Sowjets, de helft van hen bestaat uit Russen. Ongeveer 25 miljoen Russen woont buiten Rusland, ongewenst in een vijandige omgeving van andere Sowjet-republieken. Nog eens 40 miljoen Sowjets leven elders in de republiek, buiten hun etnisch thuisland – ook omgeven door gevoelens van haat en jaloezie. Hun aanwezigheid roept volgens Brzezinski nationalistische verlangens op – ze kunnen er zelf als eerste slachtoffer van worden. Dat is inmiddels begonnen. Op reis naar Wenen doe ik het centrum van de Wereldraad van Kerken in Genève aan. Er zijn veel geruchten. Er ciculeren gegevens over volksverplaatsingen die regelrecht ingegeven zijn door paniek. De Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen in Genève is net zoveel partij als de Sowjet-onderhandelaar W. J. Scherbakow die weet dat hoe dramatischer de voorspellingen zijn, hoe gewilliger de westelijke landen zullen investeren in Oost-Europa. Maar natuurlijk kan geen wereldlijke organisatie tippen aan het fijnmazig netwerk van gelovigen en informanten waarover de kerken tot in de diepste uithoeken van het Sowjet-imperium beschikken.
Drs. Frans Bouwen, secretaris van de werkgroep vluchtelingen van de Wereldraad van Kerken, overhandigt de laatste informatie: een groot aantal Russen – tienduizenden – is inmiddels al op weg van de Centraal-Aziatische Republieken naar de eigen Russische republiek. Zoals dat gaat bij massale verhuizingen ‘duwen’ de vluchtelingen andere lotgenoten voor zich uit. Dat betekent dat andermaal tienduizenden Russen de republiek Rusland verlaten om hun geluk te beproeven in Polen, Tsjechoslowakije en West-Europa. Ik krijg van Bouwen, zoals een kerkelijke functionaris betaamt, de gebruikelijke pastorale vermaning: ‘bittere armoede’, ‘verwrongen drift naar weelde’, ‘mensen die het produkt van een zieke wereld zijn en die tóch blijven komen, of Europa het goedkeurt of niet’. Zijn gegevens zijn er niet minder om. Later, op bezoek bij een grenspatrouille van de Oostenrijkse Bundeswehr, meldt een koerier de commandant dat er ‘zeventigduizend Russen in Boedapest klaar staan voor vertrek. ‘ Laten we, in alle omnvolmaaktheid, concluderen dat de continenten hevig in beweging zijn.

Als ik me vervolgens weer op Jean-Claude Chesnais concentreer, begrijp ik dat sommige migranten meer gelijk zijn dan anderen. In de Sowjet-Unie (en Polen en Roemenië) wonen drie miljoen ‘volksduitsers’ – mensen door een speling van het lot geboren uit originele duitsers. Zij zullen de komende tijd geruisloos naar Duitsland verhuizen.
Het is vrijwel zeker dat van de drieeneenhalf miljoen Armeniërs in de Sowjet-Unie grote aantallen naar de Verenigde Staten en Frankrijk zullen vertrekken. Vooral die Armeniërs die leven in Azerbeidzjan en Georgië – tezamen een miljoen. Zij zullen gemakkelijker kunnen vertrekken, dankzij de netwerken van familie en vrienden in het westen.
Voorts leven nog anderhalf miljoen Joden in de Sowjet-Unie die volgens Chernais zeker een inreisvisum zullen krijgen voor de Verenigde Staten en Israël – hoewel alweer Frans Bouwen van de Wereldraad van Kerken waarschuwt dat de allerarmste Joden en de allerarmste Armeniërs het ‘fatale lot wacht van de internally displaced’ – de ontheemden die voor geen enkele hulp in aanmerking komen.
Maar welk lot wachten Sowjets die niet over netwerken van relaties beschikken in het westen? De Russen die andere Russen voor zich uit duwen? Wat gebeurt er – om een dwarsstraat te noemen – met de honderdduizenden Turken in Duitsland die hun baan hebben moeten afstaan aan richting westen getrokken mensen uit de voormalige DDR en aan arbeiders uit Polen? Waar moeten de zevenhonderdduizend Turken blijven, afstammelingen van Ottomaanse bezetters, die nu op voet van oorlog leven met de ‘autochtone’ bevolking van Bulgarije. Hoe kunnen de drie tot vier miljoen zigeuners zich verbergen voor de racistische vreemdelingenhaat in de Sowjet-Unie en haar voormalige satellieten? En welke behandeling wachten de Roemenen van wie er volgens de krant ‘Romania Libera’ inmiddels 800. 000 uit eigen land zijn vertrokken en die nog steeds vertrekken? De Martinkazerne in Eisenstadt is een troosteloos koud en hol gebouw dat keizer Frans Jozef nog liet bouwen voor zijn kadetten. Sinds een paar maanden is hier het hoofdkwartier gevestigd van vierduizend dienstplichtigen die de gendarmerie assisteren bij het bewaken van de grens. Kort geformuleerd luidt de opdracht: vluchtelingen vangen. De commandant is een jonge man met de rang van luitenant-kolonel. Hij is zichtbaar verguld dat de Bundeswehr in het neutrale Oostenrijk eindelijk iets zinnigs te doen heeft. En meteen is de waardering van het publiek met punten gestegen. ‘Sinds een paar maanden kan ik weer in uniform op straat lopen zonder dat ik word aangestaard en nageroepen. Wij worden weer op onze waarde geschat, ‘ zegt de Gustav Mááller, adjudant van de commandant en beroepsmilitair.
De commandant legt uit wat de militairen aan de grens niét mogen doen. Ze mogen niet schieten – alleen in geval van zelfbescherming. Ze mogen niet met honden patrouilleren. En ze zullen – zoals weidelijke jagers betaamt – na een achtervolging van tweehonderd meter de vluchtelingen de mogelijkheid laten te ontsnappen. Trouwens, het is vrijwel zeker dat zij na een tocht van veertig, vijftig kilometer door het bergland, toch nog zullen worden opgepakt door de gendarmerie die op landweggetjes een tweede linie vormt.
Het inschakelen van het leger was tenslotte onvermijdelijk, zo vertelt de commandant. Na de val van Ceaucescu kwam in Roemenië een exodus van hongerige, gelukzoekende mensen op gang die via Hongarije de weg naar Oostenrijk vonden. In weekeinden kwamen er soms meer dan vijfhonderd illegaal de grens over. Tenslotte maakten ze de wegen onveilig, zegt de commandant: ‘Meisjes en vrouwen konden zelfs niet meer alleen door de wijngaarden lopen, bang dat ze lastig gevallen werden. ‘ Vervolgens stak het gerucht op over criminaliteit. In het grensgebied van Burgerland, waar de tijd veertig jaar stilstond en de wereld eindigde bij het prikkeldraad aan de Hongaarse grens, verdween plotseling een auto. Zomaar. De commandant herinnert zich het voorval nog levendig: een vrouw had haar BMW bij de supermarkt gezet. Toen ze terugkwam waren de nummerborden verwisseld voor een Hongaars kenteken en had ze het nazien. Vervolgens dook het fenomeen van ‘schleppers’ op, bende ronselaars uit Hongarije die de Roemeense vluchtelingen hun laatste geld afhandig maakten en hen via sluipwegen Oostenrijk binnenbrachten.
Die gebeurtenissen waren voldoende het parlement te overtuigen dat vrijheid z’n grenzen heeft. Zo werd een muur van mensen opgericht tegen de vreemdelingen en is het weer redelijk rustig in Burgerland. Negentig procent van de illegalen zou nu worden tegengehouden. De meisjes en vrouwen wagen zich weer op de velden, nu met zelfgebakken apfelstrudel en gugelhupf om de soldaten hun dankbaarheid te tonen. Er zijn zelfs comité’s van huisvrouwen opgericht die voor de eenzame militairen de was doen. Ach, wat kan het leven goed zijn. Met Oberleutnant Mááller rijd ik later door het grensgebied. Rijp bedekt de golvende wijnvelden zo ver het oog ziet. Langs de wegen staan keurige sneeuwhekken. De merkwaardig diep naar achteren gebouwde huizen zijn onberispelijk en schoon. Ooit, in het begin van de jaren dertig, was dit het gebied waar het Heimatfront van de facist Dollfuss tot bloei kwam. Maar Burgerland revancheerde zich in 1956 door uit verachting voor het communisme en in een vlaag van menslievendheid 200. 000 Hongaren op te vangen. In 1968 werd dat herhaald tegenover vluchtelingen uit Tsjechoslowakije. Maar toen stond de wereld achter Oostenrijk en reisden negen van de tien migranten door naar het buitenland. In het begin van de jaren tachtig kwamen dertigduizend Polen aan. De gastvrijheid was al aanmerkelijk minder. Vorig jaar passeerden twintigduizend Roemenen de grens van Oostenrijk. Toen bereikte de barmhartigheid een limiet. Wat is het verschil tussen een Roemeen die tijdens en na Ceaucescu zijn land verliet? Niemand hoeft meer z’n verwerpelijkheid te demonstreren tegenover het communisme want het is exit. Een Roemeense vluchteling heeft nog steeds honger, kou, is zonder werk, zonder medische hulp en voelt nog steeds de barbarij van een verrot systeem. Maar er is geen land meer dat die vluchteling wil opnemen.
In het gehucht Klingenbach stoppen we bij een tot militair kamp omgebouwd zwembad. Buiten staat een kermis. Warm ingepakte kinderen joelen bij de suikerspinnen. In bont geklede vrouwen eten worst. Bij het kleedlokaal van het zwembad staan soldaten op wacht. Ze eten lekkernijen die het dorp heeft gebracht. Ik tref het slecht, zeggen ze. Het is te koud om te vluchten. Een uur geleden is één Roemeen gepakt die probeerde tussen twee wachthuisjes door de grens over te komen. Zodra transport beschikbaar is zal hij volgens afspraak met de Hongaarse autoriteiten, worden overgeleverd aan de Hongaarse grenspolitie. Zoals elke keer verbazen de militairen zich erover hoe gelaten em schuldeloos zo’n vluchteling zich laat oppakken. Ik ga naar binnen en met een schok herken ik de jongen in het spijkerjack die gisteren wegrende door het niemandsland. Hij is zeventien en komt uit Boekarest. Hij eet bruin brood en drinkt een kannetje thee dat hem door de militairen is aangereikt. Hij is gedeeltelijk te voet, gedeeltelijk per trein hierheen gereisd. Als ik hem aandachtig bekijk zie ik een kind nog dat niet weet wat hem overkomt. Voorzichtig zeg ik hem dat hij weer terug moet naar Roemenië. Hij kijkt me vol onbegrip aan, schrikt en begint te huilen.

Ooit, toen Europa nog eenderde van de wereldbevolking telde, trokken reizigers erop uit om rijkdommen in andere werelddelen te vergaren. Het waren, om nog eens de ronde taal van de jaren zestig te gebruiken, eeuwen van uitbuiting, kolonialisme, roof en onderdrukking. Dit continent werd er rijk door. De Europeanen waren meesters in het bouwen van forten. Vanuit fort Goree, op de Kaapverdische eilanden, werden rendabele slaventochten ondernomen. Toen al werden de beste arbeidskrachten geselecteerd. In ‘Ségou’ van Maryse Condé gaat de kleinzoon van El-Hadj Omar – die een bloedige jihad streed – op bezoek bij het Franse fort aan de bovenloop van de Senegal. Hij ziet een grote vierkante vesting met kantelen en schietgaten, die door een overdekte weg werd verbonden met een tweede wal. De bouwers hadden vooral gezorgd voor maximale beschutting en veiligheid aan de flanken, zodat zij door niets verrast konden worden. Het controleerde grote delen van zwart Afrika.
Intussen zinkt West-Europa snel weg naar een onbetekenende demografische enclave. Over tien jaar zullen op dit deel van de aardbol nog 3 procent van alle wereldburgers leven – voornamelijk grijs, oud en burgerlijk.
Met de fantasie gaat het ook snel bergafwaarts.
Want opnieuw grijpt Europa terug naar de succesformule van honderden jaren geleden. Weer wordt een fort gebouwd, nu om het eerder gewonnen aardse goed te beschermen. En ergens in het centrum van het fort ligt het illustere plaatsje Schengen van waaruit – aanvankelijk in het geheim – wordt vastgesteld wie wel en wie niet het Koninkrijk mogen binnengaan.

Oostenrijk is een voorpost van het fort, bedoeld om de flank naar het oosten te beschermen. Maar als een vluchteling daar vijf keer is gestrand en via de Hongaarse beambten terug gestuurd, zoekt hij de zesde keer vanzelfsprekend een andere route. Ik begrijp van de commandant in de Martinkazerne dat zijn troepen elk moment geroepen kunnen worden ook de grenzen met Tsjechoslowakije en Joegoslavië af te sluiten. Vanuit die richting komen via een omweg mensen uit Afrika en Azië veiligheid zoeken in Europa. Via zijn parochiale boodschappers hoort Frans Bouwen van de Wereldraad van Kerken, over groepen Somaliërs die via de Sowjet-Unie naar Finland op weg zijn, tegengehouden worden in de Baltische staten en vervolgens afbuigen naar Polen. Er zijn Koerden, Angolezen en Irakezen die via Hongarije, Tsjechosklowakije en Polen naar het westen komen. Groepen Iraniërs die ik het Oostenrijkse Burgerland ontmoet hebben via Turkije en Joegoslavië het westen bereikt. Op de grensweg tussen het Roemeense Morativa en het Joegoslavische Vrsac staan volgens ‘Liberation’ lange rijen hoog opgetaste auto’s van Russen die naar het westen willen.

Tegenover zoveel drang en vindingrijkheid stelt Europa nieuwe beperkende maatregelen. Ook landen die zich koesteren in de schaduw van het fort moeten hun aandeel leveren.

De Hongaarse ambassade in Wenen is een zwaar oud gebouw met brede, beslagen deuren die toegang geven tot een binnenplaats. Toch is het al jaren geleden dat de volkswoede zich tegen deze vesting keerde. In een alkoof ontmoet ik mevrouw dr. Judit Tóth, jong, socialist en adviseur van de Hongaarse minister van binnenlandse zaken. Ze vertelt van de druk die de westerse landen op Hongarije uitoefenen om kordate actie te ondernemen en de grenzen te sluiten voor vluchtelingen. Hongarije is sinds november vorig jaar lid van de Raad van Europa, en daar moet iets tegenover staan.
Maar mevrouw Tóth zegt pertinent dat Hongarije geen soldaten zal zetten aan de grens met de Oekraïne en Roemenië. ‘Wij weten tot welke consequentie dat kan leiden. ‘ Wel is er voortdurend informeel beraad tussen Hongarije, Tsjechoslowakije, Polen en Yoegoslavië over hoe de grensbewaking moet worden aangepakt. Ze is juist terug van een bijeenkomst in Praag waar besloten is de grenzen met de Sowjet-Unie beter te gaan bewaken. ‘Maar we beschikken natuurlijk niet over de middelen en het materiaal die de westelijke landen ter beschikking hebben. ‘ Mevrouw Tóth zegt dat haar minister niets voelt voor een visumregeling voor Roemenen, ‘dat strookt niet met de pas verworven vrijheid. ‘ En verder hoopt ze vurig dat de twee miljoen Hongaren in Roemenië, de enkele honderdduizenden in de Oekraïne en nog eens zoveel in andere grensgebieden volhouden te blijven waar ze zijn: ‘We geven hen geld, we helpen hen zoveel mogelijk en we moedigen hen aan in godsnaam te blijven waar ze zijn. Wij hebben op dit moment nog zoveel problemen op te lossen. ‘

Aan de zuidflank van het fort nemen de spanningen snel toe. In Algeciras eist de Spaanse grensbewaking vijfduizend peseta’s borg voor elke dag die een burger uit de Maghreb-landen op dit continent wil doorbrengen. De autoriteit gedraagt zich als de cherubijn met het vlammig lemmer. Driekwart van de reizigers wordt onverbiddelijk teruggestuurd. De naïviteit van de functionarissen is kinderlijk groot: alsof mensen in hun drang te oveerleven zich laten weerhouden door een aantal teleurstellingen.
De Utrechtse hoogleraar H. B. Entzinger vergeleek de Middenlandse Zee eens met de Rio Grande – de scheiding tussen Mexico en Noord-Amerika, tussen arm en rijk, tussen onmacht en macht, tussen niets en alles. Maar de Middenlandse Zee is, tot dusver althans, gemakkelijker over te steken dan de Rio Grande waar prikkeldraad, hondenbrigades en mobiele brigades de immigranten tegenhouden. Als ik met de staatssecretaris van justitie mr. A. Kosto spreek, vertelt hij me over zijn contacten met de collega uit Italië die vertelt: ‘Iedere nacht landen wel bootjes met migranten op de kust. Die mensen blijven natuurlijk niet in Italië. Die trekken de Pyreneëen over naar Frankrijk. ‘ En de Italiaanse collega vertelt ook over de Siciliaanse vissers die in overleg met de regering in Tunis, in de Tunesiche wateren mogen vissen. Maar regelmatig komen ze niet terug met vis maar met Tunische migranten die in Sicilië tegen betaling aan land worden gezet. En Kosto herinnert zich het woord uit de Schrift die hij bestudeerde tijdens een studie theologie: eens zal ik u tot vissers van mensen maken.
De journaliste Marjon van Royen, tot voor kort correspondente in Italië, schreef gedreven over de manier waarop Afrikanen uit Noord- en zuidelijk Afrika als slaven in Italië worden behandeld. Vorig jaar besloot de regering in Rome vijftigduizend soldaten van land- en zeemacht in te schakelen bij het tegenhouden van illegale vluchtelingen. De mensen die er niettemin in slagen binnen te komen worden behandeld als zwart vuil, uitgebuit door tomaten- en perzikkwekers, gepest door de Italianen – die zelf dertig jaar geleden nog en masse naar het noorden van Europa trokken op zoek naar werk – en getreiterd door racisten.
Het zal nog erger worden.

De hoogste ambtenaar op het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen in Genève is Jonas Widgren. Zweed, cynisch, provocerend maar niets verhullend over de toekomst die komt. Hij neemt ook de Rio Grande als vergelijkingsmateriaal: ‘Alleen als je zelf gezien hebt hoe die jonge mensen daar keer op keer door de Noordamerikaanse grenspolitie gevangen worden genomen, kan je begrijpen hoe sterk de menselijke kracht is. ‘
Hij noemt twee ontwikkelingen die versterkt naar de misère voeren.
Terwijl tien jaar geleden nog jaarlijks veertig miljard dollar van het rijke noorden naar het arme zuiden ging, gaat de geldstroom – via rentebetalingen – nu andersom. Terwijl de economie in de industriële landen groeit, wordt de derde wereld alsmaar armlastiger. Nooit was het percentage hulp zo laag, volgens Widgren is het gedaald met vijftig procent: ‘Het vooruitzicht voor de 800 miljoen absoluut arme mensen beneden de Sahara is wanhopig. Door de verminderde hulp worden zij teruggeworpen naar het niveau van 1960. ‘ Of, zoals de Wereldbank het uitdrukt, hun inkomen dat nu al beneden het bestaansminimum zit, zal met twintig procent dalen.
Nooit was de onverschilligheid zo groot. Zoals ook het lamentabele voorstel van premier R. F. M. Lubbers getuigt, om de ontwikkelingshulp van Nederland met een miljard gulden te verlagen. Terwijl door de wereld dagelijks een miljard dollar wordt uitgegeven aan een lichtzinnig begonnen oorlog in de Golf die tenslotte alleen maar verliezers zal opleveren, daalt de medemenselijkheid tot het niveau van de oertijd.
In ‘The European Challenge’ schetst Widgren voorts wat er buiten de horizon van de Nederlandse staatsman intussen gebeurt:
– De bevolking van de Maghreb-landen(Marokko, Algerije, Tunesië) zal omstreeks de eeuwwisseling twee keer zo groot zijn als die van Frankrijk (58 miljoen). Volgens bevolkingsdeskundigen zullen de komende decennia 25 miljoen mensen uit Noord-Afrika vertrekken. Griekenland, Spanje en Italië ervaren die exodus nu al.
– Egypte zal in één generatie groeien van vijftig tot honderd miljoen inwoners. De bewoonbare oppervlakte van het land beslaat in grootte een land als Zwitserland. Om van een redelijke toekomst verzekerd te zijn zou Egypte jaarlijks een half miljoen banen erbij moeten krijgen. Maar noch een economische ‘boom’, noch mathusiaanse kuisheid zullen kunnen voorkomen dat miljoenen Egyptenaren hun land moeten verlaten.
– Turkije zal rondom 2000 het grootste aantal inwoners hebben van de Europese landen van de Organisatie voor Economische samenwerking en ontwikkeling(OESO). Tien jaar later zal het anderhalf keer zoveel inwoners hebben als Duitsland. Op dit ogenblik profiteert Turkije nog van miljarden DM’s die via de anderhalf miljoen Turken in Duitsland naar hun geboorteland worden overgemaakt. Maar wat gebeurt er als Duitsland hen vervangt door ‘áábersiedlers’ uit de voormalige DDR en Polen? Volgens Widgren is Europa traag in begrip hoe de economie van Turkije verstoord zou raken door het gemis aan die ‘economische brandstof’.
– Over twintig jaar zullen de landen beneden de Sahara een miljard mensen tellen. Ontheemden, mensen op drift. Een miljoen Ghanezen trekt periodiek uit Nigeria naar Togo. Anderhalf miljoen Eritreërs in Soedan, honderdduizenden Zuid-Soedanezen in Ethiopië. Vluchtelingen uit Somalië en Liberia op zoek naar veiligheid. De nieuwe nomaden. Nog verplaatsen die volkeren zich voor een groot deel binnen Afrika. Maar volgens de push-and-pull theorie van de demografen is het onvermijdelijk dat zij andere mensen aan de grens in beweging brengen, die weer de bewoners van de Maghreb-landen dwingen de Middenlandse Zee over te steken.
– Latijns-Amerika zal de komende tien jaar met 85 miljoen mensen groeien terwijl in diezelfde tijd het gemiddelde inkomen met zes procent zal dalen.
Tegelijkertijd schrompelt, zoals gezegd, het aantal mensen in Europa terug tot drie procent van de wereldbevolking en beweegt het percentage van de Verenigde Staten zich in dezelfde richting.
Zo wordt de verhouding: zes procent rijken tegen de rest.

Vanuit het ministerie van justitie in Den Haag overziet staatssecretaris mr. A. Kosto de wereld rondom hem. Eigenlijk is het midden in het fort nog het behaaglijkst toeven: ‘Nederland is redelijk ombufferd. Vanuit het oosten is Duitsland het eerste opvangland. In het zuiden houden Italië en Frankrijk de wacht richting Noord-Afrika. Maar wij hebben natuurlijk onze zeehavens en Schiphol. Het zal wel met de kwaliteit van de luchthaven te maken hebben dat hier zoveel Tamils uit Sri Lanka, Ghanezen, Somaliërs en mensen uit de hoorn van Afrika komen. ‘
In de Verenigde Staten is het zover dat immigratie-ambtenaren een inkomend vliegtuig binnengaan om de passagiers te schiften op welkome en niet welkome gasten. De luchtvaartmaatschappij die het gewaagd heeft illegalen naar Noordamerika te vliegen, krijgt vervolgens een zware boete. Die moet de onderneming dwingen een volgende keer nauwkeurig z’n passagiers te selecteren. Is Nederland al zover?
Kosto zegt dat dit in Nederland (nog) niet kan omdat de wet dit verbiedt: ‘Ik kan luchtvaartmaatschappijen niet beboeten. Wat ik wel doe is regelmatig indringende gesprekken met hen voeren omdat zij gehouden zijn zich ervan te vergewissen of de papieren van de passagiers toereikend zijn. ‘
Dat houdt in dat luchtvaartmaatschappijen documenten moeten gaan controleren. Dat kan toch niet?
Kosto: ‘Nee, niet controleren maar ze moeten zich in samenspel met de luchthaven van vertrek ervan vergewissen dat de papieren van de passagiers toereikend zijn. ‘
Dat komt toch op hetzelfde neer?
Kosto: ‘Als ze weten dat passagiers op Schiphol geen toegang krijgen dan is dat hun probleem. Dan moeten ze die mensen weer mee terugnemen. Ik zeg dan, u voert passagiers aan zonder papieren, dat is uw verantwoordelijkheid, u neemt ze mee terug. ‘
En dat heeft succes?
Kosto: ‘Een paar keer zijn vliegtuigen niet aan de slurf afgehandeld maar op het platform. Dat is hoogst onaangenaam voor een maatschappij omdat het lang duurt en passagiers hun aansluiting missen. Nu het slecht gaat met het luchtvervoer dreigt het gevaar dat maatschappijen coulanter worden ten aanzien van passagiers die meewillen.
En met bepraten redt u het nog?
Kosto: Ja, wat ik met overleg kan bereiken doe ik liever dan met dreigementen en boetes. Er is ons gezegd dat een stroom vluchtelingen uit het oosten over de weg op ons afkomt. Maar de werkelijkheid is nog steeds dat de stroom vluchtelingen op Schiphol groeit. Binnen de afspraken van Schengen hebben we ons verplicht de grenzen scherp te controleren. Dat doe ik met Schiphol. ‘
Heeft u niet een beetje het Hansje Brinker-gevoel?
Kosto (monter): ‘Nee hoor, Nederland kan zich niet veroorloven geen beleid te voeren. Ik ben geroepen die grote stroom een beetje tegen te houden. ‘
Even later, nadenkend: ‘Ik zal ermee doorgaan zolang ik die opdracht heb. Ik ontveins niet dat de feitelijke ontwikkelingen buiten de beleidskaders gaan groeien. Maar ik kan niet versagen en zeggen dit is hopeloos. Ik zie het probleem wel in volle omvang, ik ben geen illusionist. ‘

Zo zijn de meeste checkpoints in kaart gebracht. Het fort is nog niet helemá áá ál voltooid. Nog even en dan zullen Italië, Spanje en Portugal zich onderwerpen aan het ‘Verdrag van Schengen’ en zich verplichten hun grenzen te sluiten voor asielzoekers en economische vluchtelingen. ‘Dat kunnen ze natuurlijk niet’ zegt Kosto adrem. ‘Het is onmogelijk die lange kustlijn te controleren. ‘
Verplicht Nederland zich dan bijvoorbeeld Spanje en Italië te gaan assisteren?
Even aarzelt Kosto: ‘Ik ben daar niet bereid ja op te zeggen. Ik heb mijn collega van buitenlandze zaken er nog niet over gehoord. Het zou me niet verbazen als die vraag op een keer komt. ‘
Emeritus hoogleraar prof. dr. H. Meijers (volkerenrecht en internationale betrekkingen) legt in het laatste nummer van het Nederlandse Juristenblad uit dat de belofte van ‘open’ (binnen)grenzen in 1992 een mythe is: er komt meer uitbreiding dan afschaffing van grenscontroles. De controlerende bevoegdheden van de autoriteiten nemen toe. In het tweede Verdrag van Schengen dat vorig jaar werd getekend, zullen vreemdelingen niet alleen moeten voldoen aan de Nederlandse voorwaarden maar ook aan die van Duitsland, Frankrijk en de rest. Op die manier ‘wordt de controle gecumuleerd’. Iemand die in Duitsland een gevaar voor de openbare orde oplevert maar in Nederland niemand in de weg zit, mag hier toch niet blijven. Als één land weigert, geldt dat voor de hele club. Meijers: ‘Omdat alle westeuropese staten binnenkomst van een zo’n klein mogelijk aantal asielzoekers nastreven, is elke staat geneigd zijn omstandigheden voor asielzoekers een pietsje ongunstiger te maken dan die van zijn buurman. Op zijn beurt doet hij dat ook. ‘ Zo ontstaat een ‘neerwaartse spiraal’ in mededogen.
‘Een serie van restrictieve maatregelen in het nadeel van mensen in nood, ‘ zegt Frans Bouwen van de Wereldraad van Kerken geprangd. Op termijn zullen de Skandinavische landen en Zwitserland de directieven van Schengen overnemen. En intussen worden Hongarije en Tsjechoslowakije vriendelijk doch beslist onder druk gezet de geest van Schengen te volgen. Ze zullen er wel bij varen.

In Wenen komt de conferentie van de Raad van Europa kreunend tot een eind. Zwitserland zit vol tot aan de rand. Frankrijk kan alleen nog gekwalificeerde arbeidskrachten gebruiken. De Duitsers hebben even alle aandacht nodig voor de eigen minderheden. De Zweedse minister meent dat de tijd van ‘grootschalige asylpolitiek’ definitief voorbij is. En Nederland is geen immigratrieland.
Het beste nieuws komt nog van de Sowjet-delegatieleider W. J. Scherbakow die aankondigt dat de ‘pasjeswet’, die Sowjetburgers op 15 februari vrijheid van reizen beloofde, nog even zal worden uitgesteld. Een zucht van verlichting gaat op bij de gedelegeerden die, nog maar kort geleden, het staatssocialisme verdoemden om zijn tragische starheid en het onthouden van vrijheid van reizen aan zijn burgers.
Ontgoocheld vat Caritas-directeur Helmut Schááller ( ‘ik mis bij warmhartigheid, een humane toon’) de teneur van het congres samen: Europa is vol.
Jonas Widgren in Genève had gehoopt dat ‘die vulgaire discussie’ over ‘vol’ en ‘overbevolkt’ achterwege had kunnen blijven. Hij prefereert een gesprek over bevolkingsopbouw en economische noodzaak. Hij vraagt zich af wat Europa straks denkt te gaan doen als hier nog drie procent van de wereldbevolking woont en oude mensen het straatbeeld bepalen. ‘Wie is er beschikbaar voor werk en baan, nodig om Europa te kunnen laten concurreren? Wie gaat er voor de oudere mensen zorgen in de ziekenhuizen? Wie nemen het werk van de econonomen en de ecologen over? ‘ Daarvoor zijn mensen van overal hard nodig.
Het ziet er zo nobel uit dat Duitsland zes miljoen volksduitsers uit Oost-Europa – vooral Mennonieten uit Kazachstan – opneemt. Maar volgens Jean-Claude Chesnais is dat aantal precies gelijk aan de zes miljoen baby’s die sinds 1972 te weinig geboren zijn in Duitsland.
De Oostenrijker Rainer Máánz, lid van de Akademie van Wetenschappen, wil om die reden een liberale immigratiepolitiek in zijn land. Hij zegt: ‘De terugloop in geboorten is niet meer te stoppen. Wij zouden in Oostenrijk minimaal 25. 000 mensen moeten binnenhalen om het vergrijzingsproces tot staan te brengen. Oostenrijk is een immigratieland maar de politici willen dat niet laten horen. Wat Oostenrijk en Europa nu doen is heel dom, ze laten de Verenigde Staten en Canada de beste vluchtelingen selecteren en de mensen die niemand wil blijven hier. Wij moeten geen vluchtelingenpolitiek meer voeren maar een immigratiepolitiek. ‘ Vol? Ik vervoeg me bij dr. H. B. Entzinger, hoogleraar in de studies van de multi-etnische samenleving in Utrecht, lid van de werkgroep demografie van de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid. Hij zegt: ‘In 1900, toen er vijf miljoen mensen waren werd gezegd: Nederland is vol. In 1950 woonden er tien miljoen en weer werd hetzelfde gezegd. Nu zijn er vijftien miljoen. En weer hetzelfde verhaaal. ‘
Voor Entzinger gaat veel hypocrisie schuil achter het ach-en-wee geroep over de stroom vluchtelingen die deze richting uitkomt: ‘Zodra hier voor migranten geen mogelijkheden voor bestaan meer zijn, houdt de stroom vanzelf op. De economie is gebaat bij flexibiliteit en in eigen omgeving is die verdwenen. Dat is in de hand gewerkt door zoveel rechtszekerheid te scheppen dat verstarrring optrad op de arbeidsmarkt. En die verstarring leidt tot inventiviteit bij de werkgevers. Nu zouden in Nederland 80 tot 100 duizenden illegalen zijn. Ik hou niet zo van zulke ferme getallen. Feit is dat als een toelatingsbeleid streng is, de mensen illegaal binnenkomen – want hoe dan ook, de migratie gaat door. Als het toelatingsbeleid minder streng is dan komen ze legaal. ‘ Terloops herinneren we ons het pleidooi van de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) voor een basisinkomen: ‘Zo’n regeling biedt in elk geval flexibiliteit en je voorkomt ermee dat de rechten van arbeiders steeds verder verminderen. ‘
Entzinger houdt van behoedzaamheid: ‘Met een onderwerp over migranten maak je jezelf niet populair. Het vluchtelingebeleid staat of valt met een brede overeenstemming in de maatschappij. Stel dat ik zeg, over tien jaar zullen hier vijftien miljoen Sowjets verblijven – wat binnen de EEG gezegd wordt. De bevolking zal dan zeggen: dat nooit. Barrieres zullen hoger worden, zo’n voorspelling zal zich tegen de mensen keren die hier al verblijven. Het is het effect van de januskop in de literatuur. Maar als je niets zegt dan zeggen anderen het met de kans dat nuances verdwijnen. Moet je optimaal informeren, harde informatie geven? Ik weet het niet zo goed. Maar je kan de ontwikkelingen ook niet doodzwijgen. ‘
Duidelijk is hij over Nederland. ‘Wat is dat eigenlijk? Ik maak daar geen probleem van, we hebben altijd een vlottende bevolking gehad. Erfgoed? Dat zegt me heel weinig. Als een staatsgrens ook een scheidslijn is van van rijk en arm dan krijg je tegenstellingen. De Rio Grande tussen Mexico en de Verenigde Staten is daar een duidelijk voorbeeld van. Zodra er mensen in Noordamerika nodig zijn voor de druivenpluk wordt het voltage van de afscheiding vermindert. Ik ben daar heen cynisch over. ‘
Entzinger zegt: ‘Er staat ons nog veel te wachten. Dan maar barrières hoger maken? Dat zie ik niet zitten. De volksverhuizing in het verleden ging niet zo snel als in de geschiedenisboekjes staat. Tenslotte werd de bevolking door elkaar gehutseld. Hoe heeft Europa niet zijn stempel op de Verenigde Staten gedrukt? ‘
Aan het eind van de negentiende eeuw kwam een massbeweging op gang waardoor tenslotte 45 miljoen Europeanen naar de andere kant van de oceaan verhuisden. Entzinger: Ouderwetse noties van ras, huidskleur en religie bestaan niet meer. De dominantie van het westen verdwijnt. Is het niet onnatuurlijk dat een werelddeel waarin straks nog drie procent van de bevolking woont zo de geschiedenis bepaald heeft? ‘

Verbeten hoor ik mijn gesprekspartners soms zeggen dat de economische vluchtelingen plaatsen bezetten die de échte vluchtelingen toekomen – ‘iedereen die gegronde vrees heeft voor vervolging in zijn land van oorsprong op grond van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep’ (Vluchtelingenverdrag van Genève, 1951).
Maar intussen wordt die échte vluchteling meer en meer geselecteerd op basis van puur opportunmisme. De Noor Thorvald Stoltenberg, die eind vorig jaar uit Genève vertrok als Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen, zei (in NRC/Handelsblad 16-11-’90) over de steeds gieriger interpretatie van de Conventie van 1951: ‘Als het westen dezelfde normen zou toepassen bij de beoordeling van asielzoekers nu, als destijds tijdens de toestroom van Oosteuropeanen na de tweede wereldoorlog, dan zou iedereen toegelaten moeten worden. ‘
Nederland is daar ook een goed voorbeeld van. Alex Voets van de ‘stichting Vluchtenlingenwerk’ heeft het nagekeken. Tot omstreeks 1975 werd tachtig procent van alle mensen die asiel vroegen erkend. Toen ging het om duizend aanvragen per jaar. Vorig jaar werd tachtig procent á áfgewezen – maar in 1990 dienden dan ook 21. 000 vluchtelingen een aanvraag in voor asiel. Alex Voets zegt: ‘Zonder paniek te willen zaaien durf ik te zeggen dat de aantallen asielzoekers verder zullen toenemen en we moeten uitgaan van veertig tot vijftigduizend over een paar jaar. ‘ Zijn dat vooral ‘ongegronde aanvragen’ – zoals Kosto meent? Of is het een gevolg van het ‘ziekteproces van de wereld’ (de Wereldraad van Kerken). Is een politiek verdreven Somaliër een échte- en een hongerige Somaliër een ‘would be’ vluchteling? En hoeveel kans heeft vandaag de dag nog een échte vluchteling?
– Mevrouw M. doet verhaal van ondergegane martelingen:
‘Ik werd gedurende mijn eerste arrestatie mishandeld. Ik kreeg klappen op mijn rug en in mijn gezicht. Ik werd aan mijn haren getrokken. Ik heb aan die mishandeling een beschadiging overgehouden in mijn oog. ‘
-‘Bij mijn tweede arrestatie ben ik geslagen en kreeg ik stroomstoten oip mijn lichaam toegediend. Ik werd in een ton gezet met uitwerpselen, water en urine. Ook werd ik geslagen met natte handdoeken en geschopt. Ik heb hier verder niets aan overgehouden en hoefde me niet onder doktersbehandeling te laten stellen. ‘
-Dan zegt de landsadvokaat: ‘Het relaas van eiseres roept de nodige vraagtekens op, zodat de geloofwaardigheid van haar verklaringen in het geding is’
-De president van de rechtbank volgt in het vonnis de landsadvokaat: ‘. . . . voorshands heeft eiseres dan ook niet aannemelijk gemaakt dat zij gemarteld is op de haar gestelde wijze. . . . ‘
-( Uit ‘de zaak van mevrouw M. , Chileense’ in ‘Het nadeel van de twijfel’, een uitgave van Amnesty International)

Op de conferentie in Wenen vroeg de vertegenwoordiger van de Heilige Stoel nog vertwijfeld de Conventie van 1951 uit te breiden met de categorie vluchtelingen die slachtoffers zijn van burgeroorlogen en ecologische rampen. Zijn oproep ging verloren in geroezemoes. Elk jaar, zegt Jonas Widgren, groeit de Sahara met een nieuw stuk woestijn dat gelijk is aan de oppervlakte van Zwitserland: ‘Waarom verlieten tien miljoen mensen hun dorpen in Ethiopië, Niger en Tsjaad. Waarom raken mensen op drift omdat de tropische bossen waarin en waarvan zij leven worden omgehakt? En hoeveel mensen zullen ontheemd raken omdat het water omhoog komt door het stijgen van de temperatuur. ‘
Hoe groot is het verschil tussen economische, ecologische en ‘echte’ vluchtelingen?

In de hoop antwoorden op die vragen te krijgen, reis ik af naar Genève – de stad waar beschaafde bureaucraten al het leed van de wereld verzamelen op files. Meteen beland ik in een demonstratie van onmacht. De oorlog in de Golf is enkele dagen oud. Op het hoofdkwartier van de Verenigde Naties wordt een persconferentie gegeven om de honderden in Genève geaccrediteerde journalisten een overzicht te geven van de vluchtelingen, de nood en de hulp. œAanwezig zijn in willekeurige volgorde de UNHCR(vluchtelingen), UNDRO(rampenhulp), UNDOP(bijstand vluchtelingen), Centrum voor Mensenrechten, Unicef(hulp aan kinderen), de FAO(voedsel) wordt vertegenwoordigd door de ILO(arbeid) en de vertegenwoordigster neemt de gelegenheid te baat om te zeggen hoe vervelend het is dat de FAO nog altijd in Rome zit, de WHO(gezondheidshulp), en nog een handvol anderen. Het Internationale Rode Kruis is er ook maar dat houdt z’n mond omdat ‘uitspraken uitgelegd kunnen worden als politiek, en daar houden we ons niet mee bezig’.
De organisaties die wel spreken doen dat nietszeggend. Eén vertegenwoordiger meent te weten dat drie miljoen Turken uit het grensgebied van hun land op weg zijn naar het binnenland – die opmerking wordt ’s andere daags gedesavoueerd. Een andere gelooft dat Iran de grenzen heeft geopend voor vluchtelingen, maar een derde zegt dat het juist Syrië is. Een oudere journalist in de zaal die nog ouderwetse nauwkeurigheid betracht, eist vervolgens op luide toon dat de vertegenwoordigers van de VN-bureau’s die het woord voeren eerst langzaam hun naam zullen spellen. Daar gaat veel tijd inzitten.

Gelukkig kom ik Jeff Crisp tegen die nog altijd met veel inzet en hartstocht bij het Hoge Commisariaat voor de Vluchtelingen werkt. Nu is hij in een mismoedige stemming: ‘De internationale organisaties voor de bescherming van vluchtelingen verkeren in een crisis. We kunnen het niet aan. Zelfs het principe van het toekennen van asiel wordt bedreigd. We moeten een heel nieuwe strategie gaan ontwikkelen. In plaats van met de gevolgen van de ellende in de wereld moeten de VN-bureau’s zich gaan bezig houden met de oorzaken. ‘
Maar zo’n uitspraak, weet Crisp zelf, is vloeken in de kerk. Want hij en zijn collega’s op het Hoge Comissariaat zijn in een volstrekt afhankelijke positie. Er zijn een paar landen die jaarlijks zorgen dat de 500 miljoen dollar van de begroting van het Hoge Commissariaat er komen. Dat zijn voornamelijk de Westeuropese landen en de Verenigde Staten. En die willen niets weten van een uitbreiding van de Conventie van 1951 en nog minder van een andere strategie: niets oorzaken, niets preventie. Het Hoge Commissariaat moet voor tenten en eten zorgen en erop toezien dat de landen het verdrag van Geneve nakomen.
Het Hoge Commissariaat is ook niet in de positie zijn donors te kapittelen – op straffe gekort te worden in inkomsten. Crisp doet het toch: ‘In Europa en Noordamerika is sprake van een toenemende negatieve houding tegen asielzoekers en vluchtelingen. Dat uit zich in allerlei beperkende maatregelen die de migranten moet afschrikken. Strenge visum-bepalingen, boetes aan luchtvaartmaatschappijen die illegale vreemdelingen binnen brengen, ze komen zelfs de conventie van 1951 niet meer na. ‘ Het Hoge Commissariaat mag zich uitsluitend bemoeien met de vluchtelingen waarover de Conventie van 1951 spreekt, dat zijn er achttien miljoen. Maar ook dat gaat steeds moeizamer. In 1980 had het Hoge Commisariaat nog 60 dollar voor elke vluchteling beschikbaar, dat is nu verminderd tot 38 dollar – dollars die intussen aanmerkelijk in waarde gedaald zijn. Geldgebrek was de reden dat het vorig jaar zes maanden duurde voor de organisatie hulp kon bieden aan Liberiaanse vluchtelingen in Cá“áte d’Ivoire en Guinea.
Maar goddank is sinds kort een ingenieuze oplossing bedacht om het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen en andere VN-bureau’s een breder werkterrein te geven: ‘early warning’. Dat is een syteem om vroegtijdig massabewegingen van vluchtelingen te ontdekken. Zelfs de Raad van Europa sloot zich in Wenen bij die rage aan door te besluiten een ‘uitkijkpost’ voor Oost-Europa op te richten. Zo ongeveer het verschil tussen weerberichten oude- en nieuwe stijl: Je weet nu al drie dagen eerder dat er regen op komst is.

Ik word zo mismoedig van de professionele hulpverleners van de Verenigde Naties, zeg ik tegen Frans Bouwen van de Wereldraad van Kerken/Conferentie van Europese Kerken.
‘De ellende is’, zegt hij, ‘dat ze praten over vluchtelingen of het zakken aardappelen zijn. Maar het gaat om mensen waar goede en natuurlijk slechte bijzitten. ‘ Bouwen zegt dat het Hoge Commissariaat niets weet over Oost-Europa. Hij bood hen zijn hulp aan. Nooit meer iets van gehoord. De Wereldraad van Kerken wilde in VN verband praten over uitbreiding van de Conventie van Genève met andere categorieën vluchtelingen. Nooit antwoord terug ontvangen. Bouwen: ‘Het vervelende is dat binnen die VN-bureau’s vooral nagedacht wordt over de maatschappelijk positie van de ambtenaren. ‘ En: ‘Er is in de wereld nog één supermacht en dat zijn de Verenigde Staten. En de Verenigde Naties zijn geheel in handen van die ene supermacht. Ik begin nu te beseffen wat die Nieuwe Wereld Orde van Bush inhoudt. ‘
Theo van Boven, die opstandig was binnen het Centrum voor Mensenrechten en op aandrang van de Verenigde Staten verwijderd werd, zegt: ‘De Verenigde Naties functioneert meer en meer als het instrument van de Verenigde Staten. Ik herinner me nog hoe de Amerikaanse ambassadeur in Genève nauwkeurig het stemgedrag van de verschillende landen bijhield als het over mensenrechten ging. Als een land niet overeenkomstig de belangen van de Verenigde Staten stemde, werd dat genoteerd en tenslotte tot uitdrukking gebracht in korting op ontwikkelingsgeld en hulp. ‘

Vrij Nederland, 2 maart 1991

Polderpers