Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars

‘Vietnam, terug op de plaats van de misdaad’

Ineens zit hij naast me. Een mooie, broze man met zachtmoedige ogen die verdriet hebben gezien. Onhoorbaar, bijna sluipend is hij naderbij gekomen. Zwijgend, als vanzelfsprekend, brengt de vrouw van het eethuis verse thee en een extra kom voor de rijst. Beneden, in de rivier de Saigon, werpen twee vissers in smalle, ranke boten hun netten uit. De verte rondom is groen en roerloos. Jonge bomen staan in een savanne-achtig landschap waar vroeger jungle was. Voor het eerst na weken is er weer stilte. Aan de westelijke horizon, waar Cambodja begint, ligt als een grote molshoop een slapende vulkaan.

Dit is het district Cu Chi, honderd kilometer van Ho-Chi-Minh-stad, door het volk nog steeds hardnekkig Saigon genoemd. Hier, in het stroomgebied van de gelijknamige rivier, groef de Vietcong in de Amerikaans-Vietnamese oorlog een 265 km lang ondergronds tunnelnet – schakel in de legendarische Ho-Chi-Minh-route die van Noord-Vietnam, via Laos en Cambodja naar Zuid-Vietnam ging. En hier bewaren de Vietnamezen, met gevoel voor geschiedenis, hun tunnels voor het nageslacht. Ze vormen een museum voor toeristen die aarzelend komen. En het is een bedevaartplaats voor een aantal Amerikaanse ex-GI’s die geteisterd worden door berouw en spijt. De gangen, hier en daar aangepast voor de bezoekers en versterkt met cement, zijn voor een groot deel nog in tact. Twee uur lang volg ik een éénarmige oorlogsveteraan. Hij brengt me in de ondergrondse vertrekken van de toenmalige opperbevelhebber Mai Chi Tho – nu minister van binnenlandse zaken van Vietnam, machtig, behoudend en permanent in conflict met zijn collega op buitenlandse zaken, Nguyen Co Thach, die liberaler is. Aan de lemen wand hangen de oude veldtelefoon en een gasmasker. In een tweede vertrek staat een overjarige schrijfmachine en is een hangmat gespannen. Luchtroosters, kleiner dan de gleuf van een brievenbus en aan de oppervlakte verborgen achter stenen en het groen van restanten oerwoud, zorgen voor ventilatie. Het rookkanaal van de vuurplaats in de keuken is een vernuftig afvoersysteem dat voorkomt dat buiten ook maar enige spoor te zien is van het ondergrondse leven. Bukkend, hurkend en kruipend door een gang dieper in de grond, volg ik mijn gids, tot ik gek van benauwdheid me naar boven worstel. Een beetje spottend zegt de veteraan dat bij de rondleiding ook nog een derde tunnel inbegrepen is. Die ligt nóg dieper onder de grond en kan alleen schuivend op de buik worden afgelegd.
Buiten op het terrein rondom de verborgen tunnelingangen liggen delen van afgeschoten Amerikaanse vliegtuigen en het onderstel van een helicopter. Een jeep staat weggezakt in de grond en in de bomen hangen legerhelmen alsof het laatste gevecht gisteren gehouden is. In een houten hut wordt vruchtensap geschonken. En als souvenir worden tot olielampjes omgebouwde handgranaten verkocht.

Aan de oever van de Saigon-rivier vraagt de man, die naast me is komen zitten, naar het doel van het bezoek. Hij heeft een zachte, melodieuze stem. Hij praat met de rust die hoort bij het land. Hij fascineert en verwart.
Ik heb per trein en auto drieduizend kilometer door Vietnam gereisd en ik meen precies te weten waarover dit verhaal zal moeten gaan. Maar nu die wonderlijke man het naast me vraagt weet ik het niet. Ik stamel wat over de Ho-Chi-Minh-route achter me, de heroïek en het drama van de Vietcong.
Hij zegt: ‘Ik ben een Vietcong. ‘ Hij spreekt niet in de verleden tijd. Hij zegt: ‘Ik ben een Vietcong. ‘ Hij stelt zich voor als Nguyen Quang Tiep. Hij is adjunct-directeur van het tunnelmuseum in Cu Chi. Hij vervolgt zonder dat ik hoef te vragen, zacht voor zich uit pratend: ‘Acht jaar heeft het Zuidvietnamese leger me opgesloten in een gevangenis die een hol in de grond was. Toen ik vrijkwam heb ik me gemeld bij de Vietcong. Op deze plaats werk ik al dertig jaar. De Amerikanen hebben dit gebied het stempel ‘witte zone’ gegeven. Niets mocht overeind blijven, al het leven aan de oppervlakte moest ophouden. De jaren ’67, ’68 en ’69 waren het ergst. Eén keer moesten we vijfentwintig dagen in de tunnels blijven, vijfentwintig dagen van vierentwintig uur. De grond dreunde en trilde onder de bombardementen. Dag in dag uit werden Agent Orange en andere herbiciden boven ons uitgestort. Toen we de tunnels konden verlaten, waren de bossen en de plantages verdwenen. De Amerikaanse soldaten hebben iedereen vermoord, vrouwen en kinderen (hij gebruikt het woord ‘massacrer’). In die drie jaar zijn hier meer dan tienduizend Vietnamese soldaten gedood. Ik heb ze zelf helpen begraven, vrienden, duizenden vrienden. ‘
Zo nu en dan stokt zijn stem. Het terras bij het eethuis is een kleine oase met tien, twintig oude bomen in een – zo ver het oog reikt – lege, groene vlakte. ‘Toen ik hier begon was Cu Chi één grote jungle. Vorig jaar zijn hier voor het eerst zestig Amerikanen op bezoek geweest die ons toen moesten doden. Ze waren ontroerd. Ze huilden als kinderen. Ze hebben me vergeving gevraagd. Ik heb het hen vergeven. ‘
Hij zwijgt, staart voor zich uit en herinnert zich weer zijn vraag over het doel van de bezoeker. Hij vertelt over de oorlogen van Vietnam tegen de Fransen, de Amerikanen, de Rode Khmer die Cambodja terroriseerde, tegen de Chinezen die Vietnam een lesje wilden geven voor het verjagen van Pol Pot: ‘Daarom is Vietnam nu een arm land. Daarom hebben we zoveel problemen. ‘
Ik voel dat hij zeggen wil, wees behoedzaam bij het oordelen.

Maar is het nu werkelijk vrede? In ‘The Nation’ uit Bangkok – die tegenwoordig al een dag later in Hanoi te koop is en dat is prettig want voor de brave, gecensureerde Vietnamese pers bestaan veel taboes – lees ik dat de Khmer Rouge 92 Vietnamese bosarbeiders in Cambodja heeft vermoord. Khmer-leider Son Sann waarschuwt in de ‘Bangkok Post’ voor een ‘eeuw durende oorlog’ als de door Vietnam gesteunde Cambodjaanse regering geen begin maakt met de ontwapeningsplannen van de Verenigde Naties gezet.
Het is aan de vooravond van het zevende congres van de communistische partij in Vietnam. De sfeer is licht gespannen. Volgens de ‘Vietnam Courier’ – een engelstalige regeringskrant met zorgvuldig georkestreerde berichten – beraden ‘vijandelijke krachten onder wie Vietnamese reactionairen in het buitenland, sabotageplannen rondom het partijcongres’. Hanoi heeft de zusterpartij in Moskou gevraagd een kleine delegatie te zenden om de kosten beperkt te houden. Cuba, de loyaalste bondgenoot, heeft nog helemaal geen invitatie gekregen. Zó krap zit Vietnam bij kas. Sinds de ineenstorting van het communisme in Oost-Europa en het bijna-bankroet van de Sowjet-Unie, is Vietnam zijn laatste geldschieter kwijt. Moskou heeft een vordering van naar schatting tien miljard dollar op Hanoi. De relaties met China zijn breekbaar. En de Verenigde Staten vinden dat Vietnam dieper op de knieën moet, méér compromissen, gebaren en excuses moet maken voor zijn rol in Cambodja, kortom een zwaardere gang naar Canossa moet ondernemen. Het Amerikaanse embargo dat dateert van 1975 blijft daarom van kracht. Het isolement in volkomen.
Nguyen van Nhan van het ministerie van informatie wil eerlijk zijn: ‘We hebben zoveel interne problemen dat we alles willen doen om de Verenigde Staten zover te krijgen dat ze ons hulp gaan geven. Maar we hebben Cambodja niet in de hand, soms luistert de regering in Phnom Penh naar ons en soms niet. Het zevende partijcongres gaat er vanuit dat in 1992 vrije verkiezingen zullen worden gehouden in Cambodja. Wat kunnen we nog meer doen? ‘

Als ik ’s middags in Hanoi arriveer hangt in hotel Hoa Binh (vrede) omder de handvol buitenlanders een enigszins nerveuse stemming. Een Australische veefokker, die op kosten van het ontwikkelingsfonds van de Verenigde Naties(UNDP) een congres over melk- en slachtvee bijwoont in Hanoi, stelt me met gedempte stem op de hoogte van de recente moord op een Rus. De man is door een Vietnamese voorbijganger op de Hang Da markt, de drukte plaats van de stad, met een fles benzine overgoten en daarna in brand gestoken. Het incident gebeurde op 16 mei. Een paar dagen na het bezoek van partijleider Nguyen van Linh en premier Do Muoi (inmiddels is de laatste de eerste opgevolgd en Van Linh is met pensioen) aan Moskou, waar de twee uitleg kregen over het beëindigen van de hulp aan Vietnam en de deplorabele positie van de Sowjet Unie. De moord zou een represaille kunnen zijn. Er zijn ook geruchten dat de verkeerde man is gedood en dat eigenlijk een Bulgaar het slachtoffer had moeten worden. Een Duitser, die voor rekening van de FAO (de voedsel- en landbouworganisatie van de Verenigde Naties) de vergadering van veehouders bezoekt, zegt dat vandaag iemand hem op straat dreigde met een steen. De heren hebben besloten alleen nog in gezelschap de stad in te gaan. Buiten is het 38 graden. De stad zindert, de straten lijken één grote vrijmarkt. Alles en iedereen is in beweging, koopt en verkoopt, consumeert en produceert of maakt geluid.
Honderdduizenden fietsers, bromfietsers, fietstaxi’s krioelen achteloos door elkaar. Alleen als je een mierenhoop heb bestudeerd kan je een systeem ontdekken: zolang niemand een onverwachte beweging of een plotselinge zwenking maakt gaat alles goed. Langs elk trottoir staan vrouwen met brood, vruchten, groenten en eetstalletjes of soms alleen maar met twee pakjes sigaretten en drie komkommers. Soms – als politie wordt gesignaleerd – pakken vrouwen haastig hun handel op en verdwijnen. Maar dat komt omdat zij niet betaald hebben voor een ventvergunning. Er zijn hele straten met textiel, specerijen, plastic, vis en vlees en met vitrines waarin opgemaakte taarten met fel gekleurd glazuur staan.
De fietstaxi van Phung Gia Viet rijdt me door het Hoan Kiem district, waar 200. 000 mensen op enkele honderden vierkante meters wonen. Elke huiskamer is een cafe of een winkel. In smalle stegen hurken de mensen neer om zich te wassen, hun afwas of behoefte te doen. De met hulp van de Fransen – die een razendsnelle rentree zijn begonnen na hun vertrek uit Dien Bien Phoe – gebouwde overdekte Dong Xuon-markt, staat barstensvol met handelswaar. Ik begrijp niets van het communisme in dit land.

‘Drie jaar geleden stond Hanoi nog vol rijen wachtende mensen. Er waren vrijwel uitsluitend staatswinkels en aan alles was een gebrek. Toen werden de barrières voor vervoer tussen de provincies onderling opgeheven en binnen een jaar was er geen rij meer te zien. Overal ontstonden wilde markten, hele straten werden geblokkeerd door handelende mensen, ‘ zegt Siep Littooy – als landbouwdeskundige verbonden aan de Iers-Nederlandse ontwikkelingsorganisatie Cidse in Hanoi. Zijn assistente Nguyen Thi Phuong Mai: ‘Tot 1989 subsidieerde de staat vrijwel alles. Die subsidie is nu weggevallen. De staat helpt alleen nog met een beetje subsidie bij interest op leningen en verder betaalt de overheid de inentingen tegen tbc en malaria. Voor de rest moeten we ons zelf helpen. ‘
Terwijl de internationale pers bericht over de onveranderde dogma’s in Havana en Hanoi, als laatste bastions van het aftandse staatssocialisme, wordt hier in Vietnam al enige tijd op ernstige wijze de hand gelicht met de marxistische leer. Is dit dan doi moi, de Vietnamese perestroika? Eigenlijk is het al begonnen met de introductie van het contractsysteem begin 1980, toen een deel van de landbouw werd uitbesteed aan individuele families. Daarop werden de interprovinciale grenzen opgeheven, het stukloon ingevoerd. Boeren kunnen voor dertig jaar grond van de staat pachten tegen een huurprijs gebaseerd op de ligging, de bereikbaarheid en de vruchtbaarheid van het land. Er wordt een opbrengst vastgesteld en twintig procent daarvan moet aan de staat worden afgedragen. De rest mogen de boeren zelf houden – een prikkel om het beter te doen. Tenslotte werden de subsidies afgeschaft. Er is nu zelfs sprake van enige burgerlijke vrijheden. De kranten schrijven – na goedkeuring van de censors – over corruptie van partijbonzen en legerfunctionarissen. Vietnamezen kunnen vrijelijk praten met buitenlanders – zonder dat ze dit, zoals nog maar kort geleden, op het politiebureau moeten melden.

Stilzwijgend is Vietnam zo overgeschakeld naar vrijhandel. Voor de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds(IMF) zijn inmiddels alle voorwaarden aanwezig om Vietnam gul van leningen te voorzien. Maar helaas. De Verenigde Staten zijn tegen. En bangelijk scharen een reeks westelijke partners zich achter de Verenigde Staten. Zoals Nederland, waar bijvoorbeeld Van den Broek de luchtvaartmaatschappij Transavia de voet dwars zette om een vliegtuig uit te lenen aan het nooddruftige Vietnam Air voor het vervoer op de binnenlandse luchtlijnen. Nu is een toestel van Skandinavian Airlines ingezet. Diplomaten uit oost-Europa, die de economische politiek in Vietnam ademloos en jaloers volgen, noemen Vietnam al ‘de vijfde draak’. Vietnam staat, zeggen zij, aan de vooravond van dezelfde spectaculaire ontwikkeling die eerder dertig jaar geleden in Hongkong, Maleisië, Taiwan en Korea begon.
Georgi Vasilev, secretaris op de Bulgaarse ambassade in Hanoi, zegt: ‘Maar vergis je niet, de communistische partij heeft nog alles in handen. De staat vormt het gezicht en het gedrag van de massa. En trek ook niet te snel conclusies uit de handelswaar die je ziet. Die is voor een groot deel Vietnam binnengesmokkeld via China en Thailand. Want zelf produceren is voor Vietnam nog steeds uiterst moeilijk. ‘
Dat is een kwestie van tijd, meent Graham Jones een mijningenieur uit Australië. Ik ontmoet hem in een pension in de Nguyen Du straat waar hij wacht op de uitslag van een concessieaanvraag. Hij buigt zich samenzweerderig naar me over en toont de cijfers: ‘Er zit drieeneenhalf miljard ton anthraciet in de grond. Er zijn grote hoeveelheden bauxiet en grafiet. Er zit voor een vermogen aardolie in de grond. De goudmijnen in het midden van het land zijn nog maar in het begin van exploitatie. Vietnam wacht een geweldige toekomst. Over tien jaar is het land net zover als Taiwan nu is. ‘
Maar welke misère staat de Vietnamezen eerst nog te wachten?

Het is avond op de boulevard van Tran Tien in het centrum van Hanoi. Langs de kant van de straat, waar duizenden jonge mensen rondrijden op knetterende bromfietsen, zit een meisje van twintig met een kind van twee. Ze heeft voor zich een houten bak met drie pakjes sigaretten en twee kopjes waarin ze koffie schenkt. Er brandt een walmende olielamp. Na een uur zit ze er nog. Ik vraag om een sigaret en geef haar duizend Dong (25 cent). Dat is veel te veel maar ik rook helemaal geen sigaretten. Dan lacht ze, zo mooi en zo droevig dat ik, als de nacht al lang is gevallen, haar weer om een sigaret vraag. Tegen de gevels slapen gezinnen die geen huis hebben. Een kind van vier met een baby op de rug bedelt om geld. Langs het Hoan Kiem meer in de centrum van de stad – waaruit volgens de legende in de vijftiende eeuw een gouden schildpad omhoog kwam om het zwaard terug te halen waarmee koning Le Thai To de Ming-dynastie verdreef – doemt uit de duisternis een fel opgemaakt meisje op dat zegt: ‘I like fucking. ‘
Sinds de bizarre ontmoeting tussen Friedman en Marx, vertoont Hanoi inmiddels alle overeenkomsten met Taipeh op Taiwan, zoals ik die stad tien jaar geleden zag. Het schrappen van subsidies heeft dramatische gevolgen. Iedereen moet nu zelf betalen voor gezondheidszorg en medicijnen maar veel mensen kunnen dat niet. Na openlijk protest van artsen en journalisten in kranten, is de maatregel iets verzacht. Ook mensen zónder geld moeten hulp kunnen krijgen. Maar de praktijk is inmiddels zo dat de mensen met het meeste geld het eerst geholpen worden. Een hoogleraar in Hanoi en een chirurg in Ho-Chi-Minh-stad zeggen dat het betalen van geld ‘onder de tafel’ een vaste praktijk is geworden. En als betalende patiënten niet in het ziekenhuis behandeld kunnen worden, wenden ze zich na de werkdag tot een arts die dan tijd heeft voor een particuliere praktijk.
Analfabetisme – waarover Vietnam ooit meldde dat het was uitgebannen – komt weer voor. Volgens het dagblad ‘Giai Phong’ (Bevrijd Saigon) gaan drie miljoen kinderen niet naar school. Het totaal analfabeten zou al dicht bij de negen miljoen liggen. Volgens de media in Vietnam komt dat door de nieuwe economische vrijheid: ouders houden hun kinderen thuis om op de rijstvelden te werken.
Door het wegvallen van subsidies gingen eerder veel (staats)bedrijven failliet en kwamen veel mensen op straat. En worden door de veranderde verhoudingen met de Sowjet-Unie de fabrieken die overeind waren geblevengetroffen. Dat betekent een nieuwe industriële crisis die een half miljoen banen kost. Textielfabriekjes moeten sluiten of hebben nog maar tien dagen werk per maand. Het leger (‘Verslagen door de overwinning’, meldt de Far Eastern Economic Review van 13 juni) ontbeert de steun van de Sowjet-bondgenoot node en en heeft 600. 000 van de 1. 2 miljoen dienstplichtingen naar huis gestuurd.
In Oost-Europa loopt het contract af voor 200. 000 Vietnamese gastarbeiders – 40. 000 zijn al uit de voormalige DDR met een fooi weggejaagd – die in eigen land de kost moeten gaan verdienen. En uit Irak en Koeweit zijn ook al zestienduizend werkzoekenden gearriveerd.
De lonen zijn schandalig laag. Artsen en textielarbeiders verdienen niet veel meer dan twintig gulden per maand (80. 000 Dong) – soms maar de helft en soms met wat meer dienstjaren en geluk het dubbele. Maar dat is veel te weinig. Twee, drie banen kunnen een uitkomst zijn. Op een avond neemt een gepensioneerde arts uit Saigon die jarenlang in Algerije werkte, me mee naar het centrum. Hij wijst naar de talrijke gespierde berijders van de fietstaxi’s en zegt: ‘Daar rijdt onze chirurg en daar gaat de neuroloog. Merde, ik wist niet dat de chef van de kliniek ook al een cyclo rijdt. ‘ De onderlinge competitie houdt de lonen laag. De inflatie schrijdt hand over hand voort.
Als ik half mei het land binnenkom is de dollar 8100 Dong waard. Een maand later is de koers gestegen naar 8800 Dong. Intussen groeit de bevolking van inmiddels 66 miljoen met anderhalf miljoen per jaar.
De draak, die volgens het verhaal ooit in de baai van Ha Long in het uiterste noordoosten van Vietnam met veel misbaar in zee onderging, maakt aanstalten weer boven te komen.

Ik span me in om het mysterie van deze socialistische eenheidsstaat te doorgronden. Terwijl Fidel Castro gezworen heeft de gezondheidszorg in tact te laten, het onderwijs voorrang te zullen blijven geven en bejaarden en zwakken bij te staan, gooien de Vietnamese kameraden alle verworvenheden overboord. ‘ Wij hebben onze familiebanden, die zijn heel belangrijk. Niemand hoeft hier honger te lijden’ zegt Hoan Minh Nguyet die bij de Voice of Vietnam werkt. Ik rijd met haar over de brug van de Rode Rivier waar sinds kort forse tol moeten worden betaald. ‘Toen dictator Batista in Cuba tol ging heffen voor de tunnel onder de baai van Havanna, werden de mensen woedend en het bracht de revolutie een stap dichterbij, ‘ zeg ik.
‘Maar wij hebben van Boeddha geleerd onze ouders en de ouders van de ouders te gehoorzamen en niet tegen hen op te staan. En Confucius heeft ons de chiao voorgehouden, de piëteit die geslachten met de voorouders verbindt, ‘ antwoordt ze braaf. En met zedig neergeslagen ogen citeert ze de meester: ‘Hoe moet ik het leven leiden: als een tand in de machinerie van de maatschappij. ‘
Op de Bulgaarse ambassade verklaart Georgi Vasilev (hij heeft op z’n kaartje het woord ‘people’s’ van ‘people’s republic of Bulgaria’ geschrapt) het mirakel nader: ‘In landen als Taiwan en Vietnam voltrekt zich de ontwikkeling heel verschillend van de westerse wereld. De geschiedenis van Europa is de geschiedenis van het geweten. Die van het oosten is de geschiedenis van de schaamte. Alles is mogelijk als het de familiegemeenschap maar niet dupeert. In het westen is het heel gemakkelijk ruzie te hebben met je ouders. Volgens de Confuciaanse leer is dat hier onmogelijk. Daardoor gaat de ontwikkeling hier heel anders. (cynisch) Heb je bijvoorbeeld verschillen ontdekt tussen Taiwan en Vietnam? Die zijn er niet terwijl toch beide landen een volstrekt verschillende politieke organisatie hebben. ‘
Maar ook voor Georgi Vasilev is niet alles verklaarbaar. Weer dempen de stemmen als de opwinding binnen de diplomatieke wereld ter sprake komt over de geheimzinnige moord op de Rus op de Hang Da-markt. De aanslag op de Rus was eigenlijk bedoeld voor een Bulgaar. De Bulgaar had gedood moeten worden als vergelding voor een volksopstand in Sofia tegen Vietnamese gastarbeiders die eindigde in het lynchen van twee Vietnamezen. Vasilev: ‘Ik ken die geruchten. We hebben er ons ook lang mee bezig gehouden. Ik heb daarover zelf met de Vietnamese autoriteiten lang gepraat. De moord was voor iedereen erg moeilijk, voor ons, de Sowjet-Unie en voor de regering in Hanoi die net op bezoek was geweest in Moskou. Maar intussen is gebleken dat elke relatie met andere gebeurtenissen moet worden ontkend. Volgens het onderzoek was de dader geestelijk ziek. Het was niet meer dan een vreselijk ongeluk. ‘

Om vijf uur in de ochtend komt Hanoi tot leven. Uit de nevel, die optrekt uit de straten, komen vrouwen te voorschijn die zwaar beladen manden torsen aan een draagstok. Fietsers, onzichtbaar tussen hoog en breed opgestapelde half ronde manden, trekken voorbij. De warmte is klam en drukkend. Eindelijk, na vijf dagen formulieren invullen, ambtenaren overtuigen, stempels verzamelen en berichten aan lokale bestuurders die veel autoriteit hebben, heb ik vergunning me buiten Hanoi te begeven. De regels zijn milder dan een paar jaar geleden. De verslaggever mag zelf beslissen wel of niet met een gids te gaan. Ik vraag Hoan Minh Nguyet, een presentratrice met een prachtige stem, die bij de Voice of Vietnam werkt. In het begin van de jaren zeventig, toen Hanoi werd gebombardeerd door Amerikaanse B-52 bommenwerpers, was ze in de provincie geëvacueerd. Sindsdien is ze niet meer teruggeweest. Ze zal zich tijdens de zes uur durende rit naar Quang Ninh, de noordoostelijkste provincie van Vietnam, oprecht verbazen dat bijna alle hutten van bamboe en bladeren, vervangen zijn door huisjes van steen.
Boven de rijstvelden hangt een witte mist waardoor de zon eerst bleek en daarna rose doorbreekt. Vrouwen, twee aan twee, hozen met half ronde houten bakken water op het land. Mannen zagen eindeloos met een lange trekzaag marantihouten bomen tot planken. Op de weg hebben boeren rijststro gelegd, dat door het verkeer wordt geplet en gedroogd in de zon. De chauffeur rijdt een dodemansrit. Bij elke inhaalmanoeuvre lijkt het of tegemoetkomende fietsers worden verpletterd.

Doel is het eiland Hong Gai in de baai van Ha Long, op een strategische plaats in de Golf van Tonkin. Van hieruit zijn de afgelopen jaren honderdduizenden Vietnamezen illegaal naar Hongkong gevlucht. De avond daarvoor heeft BBC Worldservice gemeld dat de afgelopen vijf maanden opnieuw vijfduizend bootvluchtelingen in Hongkong zijn aangekomen. Hun aantal bedraagt nu weer 57. 000. Ze leven – zo heb ik zelf bij een bezoek gezien – in houten barakken met ijzeren golfplaten in de buurt van het vliegveld Kai Tak. De temperatuur stijgt er tot boven de veertig graden. Hele gezinnen zijn gedoemd soms jaren door te brengen op drie, vier vierkante meter tussen stapelbedden. De herrie is ondragelijk. Vechtpartijen zijn aan de orde van de dag. Het terrein wordt bewaakt door politie die niemand zonder toestemming toelaat. Maar het gerucht dat aan de overkant het paradijs begint blijft lokken. Sinds 1975, toen Zuid- en Noord-Vietnam werden samengevoegd, slipten anderhalf miljoen mensen voornamelijk via de provincie Quan Ninh het land uit. Hongkong werd een doorvoerhaven. Na jaren van wachten kregen vluchtelingen toestemming zich te vestigen in vooral de Verenigde Staten, Canada, Australië, Frankrijk en andere Europese landen. Of ze werden overgebracht naar kampen in Thailand en het Indonesische eiland Galang waar op dit ogenblik 110. 000 ontheemden wachten op, ja waarop. Misschien wel op weer verder transport naar bijvoorbeeld Traiskirchen in Oostenrijk waar ik hen afgelopen winter ontmoette. Koud en kleumend, in een xenofobe wereld met argwanende blikken en hondse behandeling.
Maar nu dient, vindt de wereld rondom, een eind te komen aan die stille volksverhuizing. Europa heeft zich sinds kort, met het Verdrag van Schengen in de hand, teruggetrokken in een fort dat onneembaar moet worden voor ongewenste vluchtelingen. Om de Vietnamezen te ontmoedigen het zelfs maar in hun hoofd te halen verder te willen komen dan Hongkong, zijn de Europese Gemeenschap samen met de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen in Genève en met goedvinden van de regering in Hanoi, met een vlucht voorwaarts begonnen. Iedere vluchteling die in Hongkong besluit terug te keren naar het vaderland ontvangt 360 dollar. Een maatregel die oorzaak is van een tragisch ongelijke behandeling.

Haiphong, een symbool in het geheugen. In het begin van de jaren zeventig daalden tienduizenden tonnen Amerikaanse op de stad neer. De Vietnamese geschiedsschrijvers van na de oorlog melden het neerhalen van 317 Amerikaanse vliegtuigen en het in brand schieten van vijandelijke oorlogsschepen. Haiphong nu is een roestige havenplaats met bergen schroot en naamloze arbeiders die scheepswrakken in moten zagen. Treurig, desolaat. Dijken die met de hand worden gegraven en aangeklopt. Een veerpont in ‘een vlakte van modder en rijst’ schreef de in Vietnam geboren Marguerite Duras. ‘Ik stap altijd uit de bus wanneer we op de veerpont komen, omdat ik altijd bang ben. Ik ben bang dat de kabels het begeven, dat we worden meegevoerd naar zee. In de verschrikkelijke stroom kijk ik naar het laatste ogenblik van mijn leven. De stroom is zo sterk, hij zou alles meevoeren, met hetzelfde gemak stenen, een kathedraal, een stad. Er is een storm die woedt binnen de wateren van de rivier. Wind die zich verzet. ‘(uit ‘De Minnaar’)
Nu een smalle landweg met huizen verscholen tussen cocosbomen en bananenplanten. Aan het einde van de weg ligt over het water Hong Gai.
Op de afrit naar het afgeladen poontveer zie ik dat een bromfietser een man aanrijdt. De man zet bedaard zijn mand neer en slaat dan met twee vuisten verschrikkelijk hard in het gezicht van de bromfietser. Die verliest zijn helm, zijn bril en bloedt. Twee agenten een paar meter verderop slaan zich op de knieën van plezier en maken trappende bewegingen alsof ze de ruzie willen aanwakkeren. Ik zie het elke dag, vechtende mensen in een land dat te vol is, te druk, te klein behuisd, zonder privacy, zonder de mogelijkheid alleen te kunnen zijn.
Hong Gai is een somber, kaal eiland met de rijkste anthracietmijnen van Vietnam. Schachten boren zich dwars door de heuvels. In het buurtschap Halam huizen hele gezinnen op hopen kolen die met de hand worden gezeefd en geschud. Alles is overdekt met een dikke laag stof. Soms rijdt een oude lokomotief voorbij met kleine wagons waarin de kolen worden geladen voor transport naar de haven en verder, naar Japan en Australië die in harde munt betalen.

Het meisje Nguyen Thi Hai is negentien jaar oud, ze ziet er uit als dertien. Ze is getrouwd, elk fatsoenlijk meisje in Vietnam is tenminste voor haar 23e getrouwd. Net als haar man is ze altijd werkloos geweest. In april van dit jaar besloten beiden naar Hongkong te vluchten. Iedereen in Hong Gai weet precies in welk café de vissers zitten die betalende passagiers meenemen. Dit eiland is een eiland van mensensmokkelaars. Iedereen uit Hanoi, Haiphong, Thai Binh en zelfs mensen uit Saigon verzamelen zich hier voor een vlucht naar de toekomst. Thi Hai en haar man betaalden anderhalf miljoen dong in goud dat ze bij het huwelijk hadden gekregen voor de overtocht – een kleine tweehonderd dollar. Op 21 april voeren ze de haven uit. Drie dagen later arriveerden ze in Hongkong. Ze werden gescheiden opgesloten in ijzeren barakken. Wat ze zich daarna herinnert is de hitte, de honderd mensen die dicht op elkaar in een klein ruimte moesten verblijven, het kampterrein waarom een hek stond en waar ze niet af mocht. Na een maand kwam een vertegenwoordiger van de Hoge Commissaris voor de vluchtelingen van de Verenigde Naties langs en ze pakte gretig het geld aan dat hij bood om terug te gaan. Zij en haar man kregen ieder vijftig dollar ineens en voorts de garantie ze de komende twaalf maanden nog eens elk 310 dollar zouden ontvangen om in Vietnam een nieuw leven te kunnen beginnen. Omgerekend in Vietnamese munt ontvangen ze op die manier drieeneenhalf miljoen Dong per persoon. Ze woont nu weer bij haar ouders en grootouders, acht mensen in een kleine voorkamer en een nog kleinere achterkamer. Haar vader – een voormalig Vietcong-strijder – is gepensioneerd. Hij ontvangt een uitkering van een half miljoen Dong per jaar. Zijn dochter heeft dus zeven keer zijn jaar inkomen gekregen – zelfs met aftrek van de kosten die ze betaalde voor de overtocht een vorstelijke som. De vader begrijpt daar niets van. Hij is kwaad. Hij weet bijna zeker dat zijn dochter op een dag weer zal vertrekken. ‘Waarom investeren Europa en de Verenigde Naties geen geld in ons land? Waarom zorgen zij niet dat er machines komen en fabrieken zodat onze kinderen hierkunnenblijven. ‘
Cynisch zegt hij dat de premie die de Hoge Commissaris geeft de mensen eerder lokt het avontuur aan te gaan – omdat ze zo geld kunnen verdienen – dan dat ze ervan weerhouden worden.
In Phuong Tran Hung Dao ga ik op bezoek bij een bijdehand meisje van 18 jaar. Ze vertrok, drie dagen nadat haar ouder zusje haar was voor gegaan. Ze betaalde in goud, dat haar moeder haar gaf, ter waarde van een kleine 200 dollar – vertelt ze. Na anderhalf jaar keerde ze terug met de premie van de Europese Gemeenschap: 3, 5 miljoen Dong. Een week geleden is haar jonger broertje naar Hongkong vertrokken. Inmiddels heeft de familie bericht gekregen dat hij veilig is gearriveerd. ‘Het is heel gemakkelijk op een boot te stappen en weg te varen, ‘ zegt ze. ‘In café’s ontmoet je elkaar en een paar dagen later ben je in Hongkong. ‘ Ze maakt giechelend duidelijk dat ze opnieuw wil vertrekken als het ogenblik gunstig is. Het huis waarin het meisje woont, vertoont voor Vietnamese begrippen een ongekende luxe. Er staan een televisie, een video en een brommer. De vader heft de handen omhoog: ‘Het is hun eigen wil. Wij kunnen daar niets tegen doen. Het is een rage onder onze jonge mensen. Als de ouders werken zitten zij thuis en moedigen elkaar aan. ‘ Achter elkaar ontmoet ik nog drie gelukkige mensen die investeerden in een tocht naar Hongkong en na terugkeer hun inleg dubbel terugkregen.
Sinds begin 1989, toen de terugkeerpremies werden ingesteld, hebben een kleine tienduizend vluchtelingen – van de 160. 000 die in kampen in Hongkong en Thailand zitten – van de regeling gebruik gemaakt. De vertegenwoordiger van de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen in Hanoi, Jacques Mouchet, zegt later dat hij en zijn organisatie alles in de hand hebben: ‘Wij praten met iedereen, hebben zoveel mogelijk contact met alle repatrianten. Ze worden goed behandeld door de regering van Hanoi, ze worden geaccepteerd door hun buurt, ze worden niet als collaborateurs met de nek aangekeken. Wij zien geen problemen. ‘
De teruggekeerde Vietnamezen die ik spreek zeggen hetzelfde. Veroorzaakt die premie van de EEG geen jaloezie tussen de teruggekeerde avonturiers en de achterblijvers die al dan niet mokkend de revolutie dienen en veroordeeld zijn armoede te delen? Het wordt allemaal nog veel schrijnender als ik de volgende dag de gevangenis van Hong Gai inga, voorbij het gehucht Halam.
Tropische buien hebben op de uitgehouwen weg groezelige plassen achtergelaten. Beneden in de vallei, waar de zon terugkaatst op de zwarte aarde en de temperatuur meedogenloze hoogte bereikt, staan twee witte ronde muren. De eerste muur geeft toegang tot de binnenplaats en de gebouwen van de bewakers. Door een hoge, houten poort bereik je het binnendste gedeelte. Hier verblijven de ongelukkigen die door een speling van het lot het paradijs net niet bereikten. Ze werden door de grensbewaking opgepakt. In plaats van vrijheid of tenminste een kans op drieeneenhalf miljoen Dong van de EEG, wacht hen veroordeling tot maximaal acht jaar eenzame opsluiting.
Majoor Nguyen van Tien, directeur van de gevangenis, schreeuwt een bevel en uit de witte stenen catacomben komen achter elkaar vijftig gevangenen die neerhurken op de grond. Stil, met gebogen hoofden en schichtig kijkend uit ooghoeken. Ik ga naar Dang Sun Quen, een 26-jarige man uit de stad Hai Ninh op tien kilometer van de grens met China. Hij wilde Vietnam ontvluchten omdat zijn vrienden tegen hem zeiden dat de mensen in het buitenland ‘een normaal leven leiden. ‘ Hij stapte op een vissersboot die op een paar kilometer uit de kust werd onderschept door een grenspatrouille van Vietnam. Hij zegt dat hij niemand geld betaalde voor de reis. Hij zit acht maanden in voorarrest en verwacht dat hij veroordeeld zal worden tot drie jaar.
Naast hem zit een man uit Ho-Chi-Minh-stad. Zijn twee broers en moeder wonen in Canada en hij wilde – samen met zijn vrouw en twee kinderen – zich bij hen voegen. In het restaurant waar hij als kok werkte, ontmoette hij een tussenpersoon die later een malafide handelaar in mensen bleek te zijn. Hij betaalde die bemiddelaar zes miljoen Dong in goud voor de vlucht van vier personen. Maar in Hong Gai bleek niets geregeld. Hij werd gepakt en zal waarschijnlijk tot vijf jaar gevangenisstraf worden veroordeeld – een zware straf maar volgens de regels in Vietnam ‘zette hij zijn gezin aan om weg te gaan’.
Op weg naar drie andere geselecteerde mensen die probeerden te vluchten – de directeur wordt enigszins nerveus als ik willekeurige gevangenen aanschiet – passeer ik een donker vertrek waaruit vijftien mannen naar buiten staren. Hier zitten volgens de directeur andere, gewone criminelen. Plotseling ontwaar ik een kind, eern jongetje van dertien, dat angstig naar me kijkt. Ik vraag om binnen te mogen gaan. Het ventje vertelt hoe hij drie weken geleden per ongeluk een leeftijdgenootje heeft gedood dat zijn broertje sloeg. Hij wilde hem met een pin op de schouder slaan maar doorboorde het hart. Hij huilt. Hij zit nietig tussen de grote, oudere mannen die beschuldigd worden van smokkel, roof, geweld en verkrachting. Ik vraag hardop aan de directeur of het kind niet vermalen dreigt te worden in deze grote, harde wereld.
Ik vertel hem van de gevangenissen in Cuba, waar agressie en gedwongen seksualiteit tussen de collectief opgesloten gevangenen regelmatig voorkomt. De tolk vertaalt het woord ‘homoseksualiteit’ met een proestende lach. De directeur verzekert: ‘Zoiets komt hier niet voor. ‘ Hij zegt bovendien dat het kind hier veel veiliger is dan buiten de gevangenis, daar zint de familie van het overleden jongetje op wraak.

Later aan een grote tafel in een bezoekerslokaal spreek ik met gevangenen die de majoor voor me geselecteerd heeft. Anh Hai uit Haiphong was werkloos. Hij kon van het weinige geld zijn vrouw en drie kinderen niet onderhouden. Hij verkocht zijn huis en ging op advies van een koppelaar richting Hong Gai. Nog voor hij zijn bemiddelaar had kunnen betalen werd hij opgepakt. Hij zit acht maanden in voorarrest en zal waarschijnlkijk veroordeeld worden tot drie jaar. ‘Het leven is moeilijk in Vietnam, ‘ zegt hij. ‘Ik ben metselaar maar er is geen werk. Na mijn heropvoeding hoop ik terug te kunnen keren naar mijn familie en een normaal leven te gaan leiden. ‘
Ik spreek met een eigenaar van een vissersboot die gepakt werd met dertig vluchtelingen aan boord. Hij kreeg acht jaar. Een man uit Hanoi die tot die dertig passagiers behoorde en de visser tweeehonderd dollar betaalde, kreeg drieeneenhalf jaar waarvan hij inmiddels twintig maanden heeft uitgezeten.
Nguyen Tinh Nanh is 39 jaar oud. Ze komt uit Haiphong. Samen met haar man vocht ze tijdens de oorlog bij de Vietcong. Hij als soldaat, zij als verpleegster. Door die patriottische staat van dienst werden ze vroeg gepensioneerd. De man spreekt Russisch en Zweeds. Ze zegt: ‘Wij dachten, we kunnen hier niets meer doen. We gaan naar het buitenland waar mijn man een baan kan vinden en onze kinderen weer trots kunnen zijn en een toekomst hebben. Ik overlegde met mijn broer en zus en gezamenlijk besloten we naar Hongkong te gaan. We hebben niemand iets betaald. Al tijdens de eerste contacten met een eigenaar van een vissersboot werden we opgepakt. ‘ Omdat de vrouw de anderen op de idee bracht te vluchten, wordt zij aangeklaagd als ‘organisator’. Ze kan een straf krijgen van vijf jaar. Ze heeft in twee maanden haar kinderen niet gezien. Ze huilt met luide snikken. Ik vraag of ze lid is van de communistische partij. Ze zegt: ‘Nog niet. ‘

Later bestrijdt de majoor dat er sprake is van oneerlijkheid. Illegaal verlaten van Vietnam is een misdaad die moet worden bestraft. De teruggekeerde worden niet gestraft. Ze krijgen geld, dat is een nieuwe politiek die onder druk van de Hoge Commissaris en de EEG tot stand is gekomen: ‘Als we de mensen die terugkeren gaan straffen, komt er natuurlijk niemand meer. ‘

Wachtend op een ticket voor de trein naar Saigon probeer ik alsnog het raadsel te ontdekken van de vermoorde Rus. Overal waar ik kom zwellen de geruchten tot intrigerende verhalen. Jacques Mouchet, de vertegenwoordiger van de Hoge Commissaris, doet een beetje korzelig: ‘In Thailand worden dagelijks mensen uit het westen vermoord en niemand die zich daarover druk maakt. Hier is heel de westerse kolonie in opschudding. ‘
Ik bezoek de Hang Da markt, een plaats in het centrum van de stad waar de mensemmassa onrustbarende vormen aanneemt. Het slachtoffer moet hier geen enkele kans hebben gehad. Op de rand van het trottoir zitten vrouwen achter stalletjes met flessen benzine voor bromfietsers tegen een prijs van 1800 Dong per liter. Hier heeft de dader de benzine gekocht en naar de Rus gesmeten. In de benauwende hitte, moet de vloeistof bijna onmiddelijk zijn verdampt.
Nguyen Ngoc Thuy, van de Voice of Vietnam die bij het trainingscentrum van Radio Nederland een cursus radiojournalistiek volgde, meldt trots de successen van de pers die steeds vrijmoediger wordt. Hij vertelt dat de kranten in Vietnam tegenwoordig zelfs kunnen schrijven over corrupte partijfunctionarissen, over smokkel in het bergland met China, over bendes die koperen leidingen uit fabrieken slopen en die verkopen aan het buitenland, over a-sociale elementen die electriciteitsdraden afbranden en als ruilmiddel gebruiken, ja zelfs over een lesbische vrouw die kort geleden zo jaloers werd op een vriendin die ging trouwen dat zij haar doodde. Maar waarom geen woord over een onderdaan uit het meest bevriende land die midden op straat in brand wordt gestoken?
‘Ik ben ervan overtuigd, ‘ zegt Ngoc Thuy trouwhartig, ‘dat de regering een grondig onderzoek instelt en op zekere dag een volledig verslag zal publiceren. ‘
Als de achtergrond van de moord vergelding was, dan is er vanzelfsprekend ook reden voor ongerustheid bij de Duitsers in Hanoi.
Norbert von Hoffmann van de aan de SPD gelieerde Friedrich Ebert stichting, die kantoor houdt in Hanoi, zegt: ‘Wij proberen de Duitse regering onder druk te zetten meer te doen voor Vietnam als tegenprestatie voor het wegsturen van de Vietnamese gastarbeiders uit de vroegere DDR. Vietnam kan alles gebruiken. En ach, we hebben allemaal onze eigen rekening te vereffenen. Net als in Bulgarije is de stemming in Duitsland tegen Vietnamezaen ook agressief en onbarmhartig. ‘
Ik opper de mogelijkheid dat de Rus die omkwam op de Hang Da markt, voor hetzelfde geld een Duitser had kunnen zijn. Hoffmann ontkent dat niet maar heeft intussen een nieuw gerucht gehoord. De vermoorde Rus zou eerder een Vietnamees in het verkeer hebben doodgereden. Hij zegt: ‘Ik weet wel dat Vietnamezen wild en gevaarlijk rijden. Maar de Russen, ik zie het om me heen, rijden als gekken. ‘
De Rus die omkwam werkte een half jaar lang als technicus in het Ho-Chi-Minh-mausoleum. Een kolossaal gebouw van marmer en steen, temidden van lege boulevards en omringd met soldaten die eerst naar het paspoort vragen, dan om sigaretten en dan om tien dollar. Binnen hangt het tropenjasje van ‘Oom Ho’ en zijn helm. Er staat zijn prachtige uit hout gesneden riksja, een schoffel en een hark waarmee hij het land bewerkte. Er is een permanente tentoonstelling van de geschiedenis van de revolutie. Ik zie de vier pennen waarmee de vrede werd getekend. Op een tafel liggen in glas gedrukte voorpagina’s van Amerikaanse kranten waarop de overwinning van Vietnam wordt gemeld. Gedisciplineerd trekken eindeloos schoolkinderen en volwassenen voorbij.
Op de valreep ontmoet ik Andrei M. Levin, een van de 120 medewerkers van de Sowjet-ambassade. Zijn collega die op de Hang Da markt is vermoord was Igor Korotchenkov – kan hij me melden. Na lang overleg bevestigt hij dat het slachtoffer enkele maanden geleden betrokken was bij een verkeersongeval waarbij een Vietnamees werd gedood. En familie van dat verkeersslachtoffer gooide de fles met benzine naar Korotchenkov en stak hem vervolgens in brand.
Ik probeer tevergeefs in contact te komen met de als geesteszieke opgenomen Vietnamese dader. ‘Wees ervan verzekerd, ‘ zegt de woordvoerder van het ministerie van informatie, ‘dat de regering spoedig met een openhartig communmique zal publiceren. ‘

Ho-Chi-Minh-stad of gewoon Saigon ligt tweeduizend kilometer ten zuiden van Hanoi. De trein doet er 48 uur over en rijdt op tijd. In elk compartiment zijn twee keer drie houten banken boven elkaar. Daar tussen in kunnen hangmatten worden gespannen waardoor de capaciteit per coupé gemakkelijk boven de tien passagiers komt. Het ministerie van volkshuisvesting in Hanoi heeft ooit bericht dat iedere Vietnamees gemiddeld twee vierkante meter woonruimte ter beschikking staat. Het is niet ongewoon dat een familie die bestaat uit kinderen, ouders, grootouders in één kamer van drie bij vier tezamen woont. Ons compartiment telt – ik heb het uitgemeten – acht vierkante meter. Dit aantal van zeven volwassenen en drie kinderen in deze ruimte is dus volstrekt normaal.
Nog voor de trein vertrokken is biedt een haveloze man me rode tabletjes speed aan. Hij verdwijnt als de trein zich in beweging zet. Op het station wordt veel gehuild door zwaaiende mensen. Elke treinreis is steeds weer een hele onderneming. In de coupe zit een jong echtpaar met drie kinderen dat honderd kilometer beneden Ho Chi Minh woont. De reis kost hen twee miljoen Dong of drie keer een gemiddeld jaarsalaris. Ze kunnen één keer in de vijf jaar op familiebezoek in Hanoi. Een conducteur in een smetteloos witte blouse geeft uitleg over de manier waarop het venster gesloten kan worden. Tegen stortbuien kan een raam naar beneden worden getrokken. Tegen stenen die in afgelegen dorpen soms naar de trein worden gegooid kunnen stalen rolluiken omlaag worden gehaald. Ze wenst ons een prettige reis.
Een niet-Vietnamese reiziger in een Vietnamese trein is nog altijd iets bijzonders. Er is een indrukwekkend aantal formaliteiten voor nodig – en het comfort is eenvoudig. Maar de geur van de pas gevallen regen die de trein binnendringt, de wolken nevels die verdampen boven het vlakke groene land en later de puntige strohoeden van de alsmaar werkende Vietnamezen in het door de maan beschenen landschap, vergoeden alles.
Naar Hue, de oude hoofdstad van de Nguyen-dynastie met de Parfum-rivier en de verboden purperen stad, is het twintig uur. Onderweg staan karbouwen tot hun rug in de stroom en laten zich met toegeknepen ogen van genot wassen door kleine jongetjes die achterstevoren op hun rug zitten. De wind die dertig kilometer westelijker van Laos komt is droog en heet. Bij elk station wordt de trein omringd door vrouwen en kinderen met vruchten, eten en waaiers of door bedelende oude mensen. Kolibries vliegen trillend en zwenkend met de trein mee die, als het steil de hoogte ingaat met diep beneden de zee, stapvoets en geduwd door een tweede locomotief rijdt. Verder weg staan op het veld cassave, suikerriet, sinaasappelen, kokosnoten, grapefruit en groenten. Het land is hier zo vruchtbaar dat vier keer per jaar kan worden geoogst. Na veertig uur treinen staan oude, prachtige ruïnes in een verlaten landschap. Restanten van de Cham-mensen, een minderheid die tweehonderd jaar geleden een hoge beschaving had. Met een schok ben ik plotseling terug bij de banale werkelijkheid. Een medepassagier heeft het jongerenblad ‘Tienphong’ (zoiets als Primeur) opengeslagen en waarachtig daar ontwaar ik op een foto de Nederlandse vorstin Beatrix.
Gadegeslagen door een kalende man en een Ceaucescu-achtige figuur op de achtergrond, drinkt de koningin uit een glas. Wat drinkt ze, wil ik weten. Mijn medepassagier vertaalt dat zij het eerste glas water, bereid uit mest in Brabant drinkt. Hoe vindt u dat, vraag ik ademloos. Hij antwoordt: ‘Propaganda. ‘
Dan gaat de jungle over in de krottenwijken van Saigon die zo dicht tegen de spoorbaan zijn aangebouwd dat de hutten de trein bijna raken. Op het station beland ik tussen ruziënde en vechtende mensen.

Met een assistent-bosbouwkundige van prof. Doan Canh van het ecologisch instituut in Ho-Chi-Minh-stad, bezoek ik de andere dag het gebied Ma Da. Vier uur buiten de stad. Hier lag ooit 30. 000 ha jungle, ondoordringbaar met duizend jaar oude tropische bomen. In het oerwoud leefden tijgers, beren, leeuwen, olifanten en bisons. De Amerikanen legden, om te beginnen, een dertig kilometer lange weg aan dwars door de natuur. Ze rooiden grote stukken bos voor de aanleg van landingsbanen. Toen de Noordvietnamezen het gebied binnendrongen, besproeiden de Amerikanen een kilometer brede strook aan weerszijden van de weg met herbiciden om de Vietcong te verjagen. Ze dumpten in totaal zeventig miljoen liter Agent Orange, Agent Blue, Agent White en andere herbiciden op twee miljoen hectare bos, in Ma Da, in Cu Chi dicht bij Ma Da waar ik de Ho-Chi-Minh-route bezoek, in Rung Sat, in Nam Can in het uiterste zuiden en op willekeurige plaatsen waar het Bevrijdingsfront werd vermoed. De bomen gingen dood. De Amerikanen zaaiden een soort alang-alang, het zogenaamde ‘Amerikaanse gras’. In het droge seizoen werd het dor en dood en was een lucifer voldoende om het te laten branden. De Vietcong kon zo gemakkelijk worden uitgerookt en uitgebrand. Er staan nu hier en daar bosschages van jonge bomen en dunne acacia’s. De Vietnamezen rooiden zelf de overgebleven tropische bomen om die te verkopen aan Taiwan en Japan voor deviezen nodig in de strijd tegen de armoede.

In Hanoi heb ik eerst gepraat met professor Vo Qui, een biolooog, en met zijn collega Le Cao Dai, een medicus. De eerste vertelde over de deerniswekkende toestand van de flora en fauna in zijn land. Jarenlang probeerde Vietnam tevergeefs een begin te maken met aanplant van tropische bomen. In het natte seizoen spoelden de aarde en de jonge bomen weg. In de droge tijd vatte het dorre gras spontaan vlam en verwoestte wat was overgebleven.
Nu na meer dan vijftien jaar is enig succes geboekt. Er groeien weer nieuwe mangrove-bossen. Maar het terugbrengen van het oerwoud is veel moeilijker. Vo Qui zei me dat om oerwoud en tropische bomen in een ontwrichte ecologie weer te kunnen laten groeien, eerst het micro-milieu moet worden nagebootst. Dat van schimmels in de grond, van voedingsstoffen, van vochtigheid en van een goede bodemtemperatuur. Een jonge tropische boom kan pas gaan groeien als er schaduw is, die de zaailing beschermt tegen de hete zon. Daarom worden eerst bossen van acacia’s geplant, snel groeiende bomen waaronder na vier, vijf jaar de dipterocarpacee – de familie die de tropische regenbossen vormt – tot wasdom kan komen. En als de dipto’s aanslaan moeten daartussen weer de dalbergia mammosa en de peterocarpus pedatus komen – kortom de oerbomen die duizend jaar oud kunnen worden.
Nu ben ik in de vroegere jungle van Ma Da om dat wonder te zien. Het valt niet mee. We rijden over de dertig kilometer lange door de Amerikanen aangelegde bosweg, de Tran Le Xuan-piste. De weg is genoemd naar de vrouw van de broer van de vroegere president van Zuid-Vietnam Ngo Din Diem – de Amerikanen moesten wat doen om hun vroegere beschermlingen aan zich te binden.
Het gebied is het best vergelijkbaar met de Groote Peel, leeg en kaal met zo nu en dan een strook bos. Op sommige plaatsen doen de acacia’s het helemaal niet. Mijn begeleider, de bosbouwkundige uit Ho-Chi-Minh-stad, veronderstelt dat in de grond een opeenhoping van dioxine zit. Maar Vietnam heeft het geld niet de bodem te onderzoeken.
In het gebied, dat vroeger ondoordringbaar was, wonen nu overal mensen. In hutten van pitriet met strodaken. Volgens mijn begeleider is dit bewuste politiek. De families hebben een deel van de grond gepacht onder voorwaarde dat ze zich bezig zullen houden met bosbouw. Maar ze hakken ook de jonge acacia’s om voor brandstof. Ze verbouwen groenten, cassave en mais in aarde die onbetrouwbaar is.
De dipterocarpace die me beloofd is, is een man’s hand groot. De Sowjets hebben aan de rand van Ma Da in de Dong Nai-rivier een stuwdam gebouwd. Het landschap is tragisch geschonden. Potsierlijk tegen een rij overgebleven bomen staat in het midden van niets het Ma Da-hotel. Speciaal gebouwd voor jagers uit het rijke westen die voor veel dollars hier kunnen komen schieten op olifanten en beren die aarzelend terugkeren.
Het enige wonder zijn de vlinders, honderden, duizenden in prachtige kleuren met breekbare vleugels.

Ho-Chi-Minh-stad is welvarender dan Hanoi, met een een bruisende China town en nog altijd een beetje decadent Saigon met bouwstijlen die herinneren aan Chinese, Franse en Amerikaanse overheersers. De tegenstellingen zijn ook groter. Met mondaine meisjes die met lange handschoenen en hooggetailleerde nauwsluitende jeans op bromfietsen rijden. Bij het standbeeld Tran Hung Dao, die in de veertiende eeuw de Chinezen versloeg, word ik omringd door zwerfkinderen. Eén is spastisch en heeft alle controle over z’n motoriek verloren. De ander heeft geen armen. Een boefje poetst schoenen en zorgt voor de andere twee. Een vrouw met een houten been en een baby vraagt om geld. Als de avond valt installeren zich overal gezinnen voor de nacht. In de goot ligt een man met stinkende zweren.
Voor het Tu Du-hospitaal staat een busje dat geschonken is door het Japanse Minnamata – waar honderden mensen stierven en misvormd raakten door het eten van vis die ziek was door giftig afval in de zee. Het ziekenhuis herbergt even mysterieuse zieken: slachtoffers van dioxine dat eindeloos problemen veroorzaakt. Eén vleugel is gebouwd door de Fransen, de ander door de Amerikanen. Het nieuwste gebouw dat de twee vleugels met elkaar verbindt is opgericht door een (Oost)Duitse vredesorganisatie. Op de binnenplaats groeien de Flamboyance, een boom met vlammend rode bloemen, en de naar amandel geurende Frangipane. Het ziekenhuis heeft 750 bedden. Er is een chronisch geldgebrek.
In de jaren na de Amerikaans-Vietnamese oorlog kwam een alarmerend aantal misvormde babies ter wereld. Onderzoek werd niet gedaan omdat het geld ontbrak. Het enige dat kon worden vastgesteld was dat de babies geboren waren uit moeders uit gebieden die door de Amerikanen besproeid waren met herbiciden en Agent Orange – die dioxine achterlieten. Adjunct-directrice dr. Le Diem Huong zegt dat nog altijd twintig procent van alle zwangerschappen onregelmatig verloopt. Veel vrouwen hebben baarmoederhalskanker. Veel verlossingen gebeuren met de keizersnede. Twee procent van alle babies vertoont afwijkingen.
Ze laat me hen zien. Kinderen met misvormde voetjes, handen zonder vingers, met open ruggetjes en hartafwijkingen.

Eerder heb ik in Hanoi prof. Le Cao Dai van de medische faculteit en lid van het comité 10-80 (dat in oktober 1980 is opgericht en met behulp van internationale wetenschappers de gevolgen van dioxine onderzoekt) bezocht. Hij vertelt dat het – uit bijvoorbeeld onderzoeken naar borstmelk en leverkanker – wetenschappelijk vaststaat dat in Ho-Chi-Minh-stad ziekten als gevolg van dioxine tien keer meer voorkomen dan in Hanoi. De concentratie van dioxine in vis en garnalen is in het zuiden aanmerkelijk hoger dan in het noorden. ‘Maar’, zei prof. Le Cao Dai, ‘onderzoek blijft voor ons heel moeilijk. Elk monster dat we nemen kost 3000 dollar. Wij kunnen die alleen maar nemen als het buitenland ons helpt. ‘
In het Tu Du ziekenhuis toont dr. Le Diem Huong me tragische Siamese tweelingen die in onmenselijke omstandigheden voortleven. In een koel vertrek staat op formaline in grote stopflessen de ellende van de oorlog uitgestald: monsterlijke foetussen met alle afwijkingen die maar mogelijk zijn. Het is een mogelijkheid voor de Vietnamese medici om te overtuigen, het is ook een beetje coquetteren met leed. Ik moet en ik zal de beroemdste Siamese tweeling van de wereld zien die drie jaar geleden werd gescheiden. Ze heten Viet en Duc, ze zijn inmiddels tien jaar oud. Dr. Le Diem Huong vertelt meeslepend over de overwegingen. Duc, met de schouder en het onderlichaam vast aan Viet, kon niet meer slapen van de bewegingen die zijn broertje elke nacht maakte. ‘Hij wilde bovendien gaan fietsen en een motor rijden. ‘
Bij de scheiding – in Japan – kreeg Duc de anus, de genitaliën, het enige goede been en beide armen. Hij gaat naar school, hij spreekt een paar woorden engels, hij loopt met een kunstbeen in een groot koel vertrek als het levend bewijs van een medische triomf. Viet heeft een hoofd, een romp, een onvolgroeid been en is in coma. Hij wordt op schoot van een verpleegster gevoed. Ik vraag aarzelend of ooit morele en ethische discussies zijn gehouden over het voortleven van beide kinderen. De adjunct-directrice antwoordt bijna bestraffend: ‘Ze kunnen beiden overleven en zijn daarom beiden gelukkig. ‘

Op het plein en in de straten rondom de Notre Dame – een verkleind copie van de kerk in Amiens als bewijs met hoeveel succes de Fransen het zuiden van Vietnam katholiceerden – is weer ander leed. Al een kleine tien jaar staat hier een permanente rij mensen te wachten op een teken van de Verenigde Staten dat zij welkom zijn. Een wonderlijk gezelschap. Mannen met basketpetjes, kauwgum kauwend, engels knauwend, met T-shirts die odes brengen aan McDonald-hamburgers – ze doen in alles hun best copieën van Amerikaanse staatsburgers te zijn. Als ze kunnen aantonen ooit in het Zuidvietnamese leger gevochten te hebben aan de kant van Amerika of employee te zijn geweest bij vroegere Amerikaanse bedrijven, maken ze goede kans een inreisvergunning voor de Verenigde Staten te krijgen. Er zijn er inmiddels al 260. 000 naar Noordamerika vertrokken via een regeling die ‘Orderly Departure Program’ heet. Drie jaar geleden werd dat programma na overleg tussen de Verenigde Staten en Vietnam opgezet in een poging de chaos van de illegaal vertrekkende bootvluchtelingen tegen te gaan.
De mannen hebben bittere verhalen over heropvoedingskampen, gedwongen tewerkstelling, bamboe kappen en huizen bouwen. Spoedig ben ik omringd door klagende mensen. Een man toont me een brief waarin hij afgewezen is. Hij zou maar drie jaar in een heropvoedingskamp hebben doorgebracht maar zegt te kunnen bewijzen dat het drieeeneenhalf jaar. Dan maakt hij meer kans. Ze klagen over gebrek aan werk en halen herinneringen op over ‘the good old days’.
Een eindje verder staat een andere groep, verwandten van Vietnamezen die al in de States wonen en kans maken op de regeling ‘familiehereniging’. De treurigste groep wordt gevormd door de ‘ameraseans’ – kinderen van zeventien, achttien jaar die moeten bewijzen dat zij de vrucht zijn uit gemeenschap tussen onbekende Amerikaanse militairen en Vietnamese moeders. ‘Yes, I am Vietnamese. My father is in the USA, ‘ zegt één van hen.
‘Schrijf je brieven aan hem? ‘
‘ No, I don’t know my father. ‘
Rode kinderen, zwarte kinderen, blanke kinderen. Zo nadrukkelijk niet-Vietnamees dat ze sociaal gehandicapt zijn en genegeerd worden.
Maar misschien dat er hulp voor hen komt nu de Amerikanen geruisloos in Vietnam terugkeren. In het vroegere ministerie van buitenlandse zaken van Zuid-Vietnam houdt sinds enige tijd een groep van tien Amerikaanse ambtenaren van de ambassade uit Bangkok kantoor. Vroeger moesten ze hun werk doen vanuit een vliegtuig buiten de douane op de luchthaven van Saigon. Ze zijn nu – als gast van de Vietnamese regering – terug waar ze begonnen. Hier zitten ze aan een lopende band waarop tienduizenden mensen voorbijtrekken die moeten worden geselecteerd. Voor iedereen is twintig minuten spreektijd. Plaatsvervangend directeur Robert McMahan heeft zojuist een gezin met zes kinderen alle hoop op vertrek moeten ontnemen. Aangeslagen zitten ze bij elkaar, tot ze met zachte hand worden verwijderd. McMahan kan zijn ongeduld niet verbergen over de traagheid waarmee de procedures verlopen: ‘Mijn regering heeft jaren geleden aan mensen in Vietnam beroofd dat zij welkom zijn in de Verenigde Staten. We zullen die belofte eindelijk eens moeten nakomen. Sommigen wachten al meer dan tien jaar. Eerst gingen we ervan uit dat het om een paar honderdduizend mensen ging. Inmiddels voorzie ik dat het in totaal wel eens om een kleine miljoen zal gaan. Er komen er steeds meer. ‘ McMahan gelooft dat de terugkeer van de Amerikanen in Vietnam, uiteindelijk zal leiden tot het opheffen van het Amerikaanse embargo: ‘Er zit natuurlijk een grote tegenstelling in de houding van mijn land. ‘
Diezelfde week verschijnt Newsweek (10 juni) – zestien jaar na de kop ‘Goodbye Saigon’ – met een coverstorie onder de titel ‘Hello Vietnam’. De roep aan de Amerikaanse regering haar halstarrigheid te laten varen komt nu zelfs al vanuit het establishment.

In Hanoi heb ik eerder Garnett E. Bell ontmoet, op en top Amerikaan. Hij staat aan het hoofd van een groep Amerikanen die deze maand in Hanoi een permanente basis krijgt voor onderzoek naar verdwenen en vermiste GI’s – het programma Missing in Action(MIA). Buiten staan twee splinternieuwe Jeeps die je in heel Vietnam niet aantreft. Bell heeft miljoenen ter beschikking om de botten op te sporen van 2278 gesneuvelde Amerikaanse militairen die als vermist werden opgegeven. Hij en zijn ondergeschikten reizen heel het land af op zoek naar overblijfselen, misschien een nog steeds ronddolende ex-GI. Ook daar gelooft Bell in. Hij heeft 14. 000 tips nagetrokken. ‘Een deel is geconstrueerd, ‘ weet hij. ‘Maar zeven procent is heel gedetailleerd. ‘ Er worden monsters genomen van botten, rá”ántgenfoto’s, computers zijn beschikbaar. ‘We doen het heel gedetailleerd. ‘
Ik kan een gevoel van gene niet onderdrukken. Ik zeg: ‘Vietnam is zo arm dat elk onderzoek onmogelijk is, zelfs onder de levende slachtoffers van de oorlog. ‘
‘Ik doe niet aan politiek’ zegt Bell haastig.
‘Wat wat u doet is toch vooral het sentiment bevredigen van de Amerikaanse samenleving? ‘
Bell (fronsend): ‘U dient goed te weten dat alle nationaliteiten hier, de Thais, de Engelsen en de Duitsers zeer onder de indruk zijn van onze acties. Ze zijn heel verrast dat wij zoveel moeite doen de geschiedenis van de oorlog te achterhalen. ‘
Bell spreekt Vietnamees. Hij zegt later dat hij in 1965 als soldaat vanuit Cambodja Vietnam binnentrok. Nog later zegt hij dat hij intelligence-officier werd en gevangen Vietcong aan verhoren onderwierp.
Ik informeer niet naar z’n methoden in die periode. Ik vraag hem wel naar zijn frustraties over het verlies van de Amerikanen in Vietnam.
Hij zegt: ‘Je moet de werkelijkheid accepteren, zoals de zon en de regen. Ik zie vooruitgang in dit land. Vietnam begint zich nu te realiseren dat de Verenigde Staten hier nooit zijn gekomen om de bodemrijkdommen van het land te exploiteren of om te profiteren. Nee, de reden van onze komst hier was dat wij wilden dat Vietnam vrij zou zijn. Ik geloof nog steeds in de rechtvaardigheid van onze acties toen. De geschiedenis bewijst meer en meer dat we gelijk hadden. ‘

Samen met Nguyen Quang Tiep, die als Vietcong in Cu Chi vocht, loop ik langs de Saigon-rivier. Hij zag duizenden kameraden sneuvelen en hij hielp hen begraven. Hij zag vrouwen en kinderen, die vermoord waren door het Amerikaanse leger. Op een dag kwam hij na 26 dagen uit de tunnel en zag dat het oerwoud verdwenen was.
Uit het water springen vissen omhoog. Kleine jongens zetten aan stokken gevlochten korven in de rivier om de vis te vangen. De kleine, gebogen man naast me herhaalt: ‘Ik heb Amerikaanse veteranen zien huilen van berouw en spijt. Ik heb het hen vergeven. ‘

Vrij Nederland, 20 juli 1991

Polderpers