Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars

‘Stenen in de vijver van de technische assistentie’

Een half jaar geleden wierp minister Eveline Herfkens van Ontwikkelingssamenwerking haar laatste steen in de vijver. Ze had eerder het aantal landen dat kan rekenen op een speciale behandeling vanuit Nederland drastisch teruggebracht. Ze had het monopolie van de medefinancieringsorganisaties opengebroken. Toen zei ze, eind augustus vorig jaar, dat het uitzenden van Nederlandse deskundigen naar ontwikkelingslanden een ‘anachronisme’ was geworden. Tweede Kamerleden vroegen fronsend wat ze bedoelde. Organisaties die deskundigen inzetten reageerden geraakt. Jonge agronomen in Wageningen, bang voor verlies van een aantrekkelijke stageplaats in den vreemde, eisten op hoge toon uitleg. ‘Ik zit hier voor de belangen van zuidelijk Afrika en niet voor jullie werkvoorziening,’ antwoordde Herfkens scherp. Maar de minister suste ook, en corrigeerde zichzelf. Het voorbeeld dat deskundigen uit Nederland de plaatselijke arts in Afrika dwingt taxichauffeur te worden werd ‘volstrekte kolder’ genoemd. De minister slikte het in. En uiteindelijk waren de meeste reacties overlopend van begrip. ‘De minister heeft helemaal ingespeeld op wat wij altijd al hebben gewild,’ reageert de organisatie Programma Uitzending Managers(PUM).

‘Als de minister zegt dat het overdragen van deskundigheid al die jaren niet gelukt is, heeft ze gelijk. Wij hebben daaraan veel te weinig gedaan,’ luidt het mea culpa van de vereniging voor personele samenwerking met ontwikkelingslanden (PSO).

‘Ik zie liever dat mensen in Afrika het zelf doen en desnoods een paar boormachines in de prut draaien, dan dat er voor vijf of tien jaar een Nederlandse boorputtenmaker wordt opgezet,’ antwoordt het Nederlands Instituut voor Zuidelijk Afrika(NIZA).

‘De opvattingen van de minister hebben ons gestimuleerd om nóg radicaler dan we al bezig waren na te denken over de toekomst,’ reageert SNV Nederlandse Ontwikkelingsorganisatie.

De ironie wil dat de meeste commotie na de aankondiging van de minister op het ministerie van ontwikkelingssamenwerking zelf ontstond. Zelfs mevrouw Herfkens was beduusd over wat zij had aangericht. Waarom al dat aanvankelijke onbegrip? Het was toch al sinds 1993 bekend dat de doelstellingen van de technische assistentie niet gehaald werden? Had ze wellicht, in haar onnavolgbare verbale snelheid, gerateld? Deugden de persberichten niet? Senior persvoorlichter drs. Hans J.M.Janssen van het ministerie van Buitenlandse Zaken geeft toe dat de presentatie beter had gekund: ‘Het heeft ons ook bevreemd. De boodschap was op zich helder maar misschien publicitair niet optimaal begeleid. Misschien hebben we te veel de terminologie van het interdepartementaal beleidsonderzoek overgenomen. Wij hebben steken laten vallen. Maar de stijl van deze minister is nu eenmaal anders. Ze benoemt waarover het gaat. Maar ze is vanzelfsprekend geschrokken van de opwinding. Ze vond het na afloop oprecht vervelend dat ze mensen had gekwetst. Daarna is er een continue dialoog op gang gekomen tussen ons als woordvoerders en de minister om het beter te doen. Ze heeft nooit gezegd: ik ga stoppen met assistentie. Dat is zo overgekomen in de perceptie van de mensen. Ze wil dat het werk doelmatiger gebeurt. Ze heeft lef om dingen te veranderen en om gevestigde belangen te doorbreken. Dat is haar bedoeling geweest.’

 

En zie, ineens worden alle dingen weer nieuw. SNV wil snel onafhankelijk worden. Los van het ministerie van buitenlandse zaken. Als het kan begin volgend jaar. PUM wenst een internationaal uitzendbureau, een lookalike van Randstad, dat deskundigen van alle organisaties verenigt. En PSO droomt over een holding, een sterke gezamenlijke organisatie, voor het ontginnen van kennis. ‘Door de aanval van de minister hebben we veel meer overleg met elkaar. Het klimaat is positiever geworden om meer samen te doen.’

Het gaat zo snel dat ambtenaar Reinout van Dijk, directeur van de Hoofdafdeling Personeelszaken Internationale Samenwerking(HPI), het enthousiasme meent te moeten temperen: ‘Ik weet niet met wie u gesproken hebt maar ik denk niet dat de gesprekken over samenwerking versneld zullen worden. De afspraak is dat de organisaties in 2002 aangeven hoe ze met het nieuwe beleid denken om te gaan. Nou en dan gaan we in 2004 eens de temperatuur van het water meten. Het ministerie heeft niet zoveel haast.’

Van Dijk reageert een beetje kregelig omdat de verslaggever de indruk wekt meer te weten: ‘Mijn bronnen zeggen dat de discussie binnen SNV nog niet klaar is. Wij hebben afspraken gemaakt en die zijn aan de minister voorgelegd. We hebben twee gesprekken met SNV gehad, er volgen er nog vijf. Alles wat ik nu hoor komt uit de geruchtenmachine. Op die manier dreigt heel de discussie te worden tot een binnenlands politiek hobbyisme van gevestigde clubs.’

Eigen profiel

‘Wat me opvalt is dat het departement inderdaad nog lang zo ver niet is als wij zijn,’ zegt Jan Ubels, hoofd beleid bij SNV en betrokken bij de herpositionering. ‘Ook al omdat de HPI van Reinout van Dijk wordt opgeheven is er een school op het ministerie die zegt, we moeten SNV maar dicht bij ons houden. Maar wij willen verzelfstandiging en zo snel mogelijk. We willen een eigen profiel, een eigen identiteit en een eigen dienstenpakket waarop het ministerie als financier zou kunnen intekenen. We praten nu over een intentieverklaring. Die moet binnen een paar maanden gereed zijn. Het idee op dit ogenblik is dat SNV op 1 januari 2002 legaal zelfstandig verder gaat. We willen niet langer een agentschap blijven van het ministerie. We gaan voor de risicovolle weg. We willen vanuit een nieuwe positie betere kwaliteit bieden. Niet meer vanuit dat brave en politiek correcte denken. We willen zelf bepalen wat onze agenda is en hoe we in de ontwikkelingslanden aanwezig willen zijn.’

En het geld?

Ubels: ‘Het ministerie blijft voorlopig de bron van financiering, dat wil het departement ook graag. Ook andere organisaties zouden tot financiers kunnen uitgroeien, donoren kunnen bijvoorbeeld de Verenigde Naties zijn of het Capital Development Fund. Ik zou willen dat het allemaal een beetje scherper komt te liggen, zodat wij een impuls krijgen om ons tegenover de buitenwereld te bewijzen. Met alleen het ministerie als grote opdrachtgever is er te weinig druk om ons extern te laten gelden. ’

Collega’s van u zeggen, PSO, PUM, SNV, al die organisaties die zich bezig houden met technische assistentie zouden veel meer gezamenlijk moeten doen, vanuit één gebouw, op den duur vanuit één organisatie?

Ubels: ‘Ik denk dat zo’n gedachte niet onlogisch is. Ik ben nieuw maar wat mij verbaasde rondom het interdepartementaal beleidsonderzoek (het IBO-rapport over de doelmatigheid van personele uitzendingen-red.) van twee jaar geleden, is dat al niet veel eerder en sneller nagedacht is om die verschillende clubs efficiënter en effectiever met elkaar te laten samenwerken. In het belang van de klanten in de derde wereld. Ik wil graag overleggen over de mogelijkheden van samenwerking.’

Reinout van Dijk, geconfronteerd met de nieuwe ontwikkelingen, zegt: ‘De idee komt altijd van een minister, nooit van een ambtenaar.’ Dat is geruststellend. Want het belangrijkst is of de gretigheid van de organisaties aanstekelijk werkt op Eveline Herfkens. Die is in elk geval consistent in haar ideeën. Vijf jaar geleden, ze was toen net ambassadeur bij de Nederlandse missie van de Verenigde Naties in Genève, sprak ik met haar voor de stichting DOEN. Ze liet haar mening toen zo samenvatten: ‘Ze heeft gezien hoe donors over elkaar heen tuimelden om te “helpen”. Ze zag hoe brigades van betweterige ontwikkelingswerkers de wereld bevolkten om hun eigen prioriteiten uit te voeren. En ze nam waar hoe delegaties witte mannen allemaal hun eigen ideeën probeerden over te dragen op die ene ambtenaar op dat ene ministerie in een ver land.’ Herfkens zei in dat gesprek ondermeer: ‘We hebben veel fouten gemaakt. Met technische hulp zijn we over de schreef gegaan. Nu weten we beter dat we ons dienen te schikken naar de prioriteiten die het ontvangende land zelf vaststelt.’

 

Klaas Couperus zat een levenlang in de houthandel. Met de wereld als woonplaats. West-Afrika in de jaren zestig. Ivoorkust. ‘Als ik toen geweten had wat ik nu weet was ik op een andere manier met de bossen omgegaan.’ Hij zag de eerste vrijwilligers komen van SNV. Gedreven, jonge mensen met een contract van drie jaar om het kwaad van het kolonialisme goed te maken. ‘Ik dacht wel eens: wat doen jullie hier. Drie jaar was toen al te lang. Als je ergens voor je brood zit dan ben je niet zo snel bereidt je kennis en je baan over te dragen.’

Couperus is niet per se tegen lange uitzendingen maar ze dienen een doel te hebben en een einde: ‘Mensen die zomaar langdurig ergens worden gestationeerd, vereenzelvigen zich met hun omgeving en verliezen de realiteit uit het oog. Maar ik heb ook SNV-ers gezien die werkelijk prachtig werk deden. Ik herinner me een specialist die in het noorden van Ivoorkust rijst moest planten. Hij maakte dijkjes, er kwam water en er gingen planten en vissen in om het schoon te houden. De lokale mensen raakten zo enthousiast over de vissen, dat ze zich daar meer mee bezig gingen houden dan met de rijst. Toen zei die expert, laten we de rijst vergeten en visvijvers maken. Dat ging werkelijk fantastisch. Ze zijn er nog steeds. Zoiets vind ik nou getuigen van realiteitszin.’

Couperus is nu landencoordinator bij het Programma Uitzending Managers(PUM). Als hij terugkomt in Kameroen of Ivoorkust, dat volstrekt is leeggekapt, dan bekruipt hem een gevoel van gene. Het laatste restje oerwoud dat de Europeanen lieten staan is inmiddels weggehaald door de Chinezen. Hij zegt: ‘Ik maak me grote zorgen. Ik zie geen vooruitgang. Elke vorm van handel is in handen van het westen. Er gebeurt veel te weinig vanuit die landen zelf. Er zit wel een elite die voldoende heeft, maar er bestaat geen middenklasse. Zolang die landen geen gezonde tussenlaag hebben van midden- en kleinbedrijf, zijn ze niet compleet en ontbreekt stabiliteit.’

PUM probeert hulp te bieden bij de opbouw van een gezonder economische structuur, zegt Couperus. ‘Mijn taak is de goede expert bij de goede aanvrager te brengen. Een varkensfokker, een dierenarts, een bakker, een hotelier. Ik ben zelf in Thailand geweest bij een handelaar in bouwmaterialen en in zout. Hij had de keuze klein blijven of ten onder te gaan. Ik heb z’n boeken gezien, ik heb hem voorgesteld de financiering anders te doen, grond te verkopen. Hij vertrouwde me en ik had een beetje geluk. Ik ben er drie keer geweest. Het is nu een mooi en gezond bedrijf. Maar ook als er kennis is betekent dat nog geen garantie. Als iemand in Kameroen een bedrijfje ontwikkelt dat goed op gang komt, dan krijgt hij onmiddellijk de hele familie op z’n dak die allemaal mee willen eten. Van investeren komt dan niets.’

Eigenaardige nieuwspraak

Ik begeef me in een wereld van hulpverleners die er in hun eigenaardige nieuwspraak zo moeizaam in slagen het onbenoembare benoembaar te maken. Ze hebben het over ‘ownership’ als ze macht aan de basis bedoelen. Ze spreken over ‘capacity-building’ als ze talenten willen ontdekken. Ze filosoferen over ‘human resources development’ als ze zelfredzaam willen zeggen.

De grootste is SNV Nederlandse Ontwikkelingsorganisatie. Gebonden aan het ministerie maar ongebonden in ideeën en inhoud. Met 26 kantoren in 28 landen. Met zevenhonderd medewerkers, van wie de helft afkomstig is uit de ontwikkelingslanden zelf. Met een omzet van 130 miljoen.

Tweede is de Hoofdafdeling Personeelszaken Internationale Samenwerking(HPI). Het eigen uitzendbureau van het ministerie van buitenlandse zaken. Het stuurt deskundigen de wereld in, financiert jonge HBO-ers en academici om levenservaring op te doen in ontwikkelingslanden. Betaalt bijvoorbeeld de tewerkstelling van jonge Tanzanianen bij de Verenigde Naties. Kosten 127 miljoen. HPI wordt in juli 2002 opgeheven. De activiteiten worden bij andere directies van het ministerie voortgezet.

In de vereniging Personele Samenwerking met Ontwikkelingslanden (PSO) werken dertig ontwikkelingsorganisaties samen. Van het medisch-comité Nederland-Vietnam tot de gereformeerde zendingsbond in de Nederlands Hervormde Kerk. Van de zeer evangelische ZOA-vluchtelingenzorg tot het rebelse Nederlands Instituut voor Zuidelijk Afrika(NIZA). PSO financiert mensjaren, er is geld voor zo’n vierhonderd jaar. De grootste organisatie heeft recht op de meeste mensjaren. Omzet bijna veertig miljoen.

PUM staat voor Programma Uitzending Managers. Met ruim drieduizend vrijwilligers van boven de vijftig. Allemaal mensen die met een gouden handdruk of de VUT thuiszitten maar nog niet uitgeleefd zijn. Vorig jaar maakten ze zestienhonderd missies naar tachtig landen. Ze gaan meestal twee weken op stap, soms in het uiterste geval drie maanden. PUM krijgt een kleine vijftien miljoen van het ministerie, vijf miljoen van het ministerie van economische zaken, een half miljoen van de werkgeversorganisatie VNO/NCW en soms tien mille uit het Hans Blankertfonds.

 

Cily Keyzer werkt op het hoofdkantoor van SNV. Ze keerde onlangs terug uit Ghana omdat haar 16-jarige dochter niet de goede school kon vinden. Ze begon ooit als welzijnswerker. Steun aan mishandelde vrouwen. Cursussen aan allochtone vrouwen. ‘Ik heb het allemaal meegemaakt: kolonialisme, imperialisme, feminisme.’ Ze had de idee dat ze nuttig werk deed en wilde het in een ontwikkelingsland voortzetten. In 1991 werd ze door SNV naar Nepal gestuurd als women development officer. ‘Ik kreeg vier maanden om me voor te bereiden want er was toen nog veel geld. Er zijn me in die tijd duidelijk taken beschreven maar als je aankomt weet je toch niet precies wat ze van je verwachten en wat er moet gebeuren. Een dag voor m’n vertrek hoorde ik dat m’n opdracht gewijzigd was. In Nepal was de boel gereorganiseerd. Ik had er een gebied zo groot als half Nederland bijgekregen en met het beleid mocht ik me niet bemoeien. Ik dacht: moet ik nu zeggen dat ik niet meer ga? M’n spullen stonden al in het vliegtuig.

Ik had in Nepal een motor en daar reed ik eindeloos mee het gebied af. Ik heb toen zelf besloten me op een paar dorpen te concentreren. Veel hangt af van je eigen initiatief. Later ben ik naar Ecuador gegaan. Daar was het heel anders. De mensen waren er veel kritischer, hoger opgeleid. Ik dacht aanvankelijk: wat doe ik hier eigenlijk? In de hoofdstad zat een elitegroep die volstrekt geen zin had te gaan werken onder de Indianenvrouwen op het land. Daarom ben ik de provincie ingegaan.

In Ghana organiseerde ik de technische assistentie. De overheid wilde dat de lokale bevolking meer zou deelnemen in het beheer van de natuurparken. Gewapende politiemensen hadden daar de bevolking het bos uitgejaagd terwijl het van de mensen was. Ik heb ervoor gezorgd dat er Nederlandse deskundigen en lokale mensen kwamen naast de parkwachters. SNV betaalde die lokale mensen. Daardoor ontstaat er in zekere zin een middenklasse maar die is heel erg gelieerd aan het ontwikkelingswerk. Ik zat overal drie jaar. Soms is zo’n termijn overdreven, soms is het nodig. Vroeger waren SNV-ers alleen maar Nederlanders. Nu is dat vijftig procent, de rest wordt gerecruteerd uit de lokale bevolking. Ik heb nooit de pretentie gehad dat armoede met ontwikkelingswerk opgelost kon worden. Maar misschien dat door mijn werk vrouwen in Nepal of Ecuador betere inhoud kunnen geven aan wat ze doen. Ik heb net foto’s gekregen van indianenvrouwen met wie ik gewerkt heb aan bewustwording en alfabetisering. Ik zie nu diezelfde vrouwen terug in indigina-raden in hun land. Op de stoel van de burgemeester. Dat is toch het gevolg van technische assistentie, denk ik.’

 

Enorme salarissen

‘De enige echte stichting Nederlandse vrijwilligers zijn wij. Onze mensen krijgen alleen zakgeld mee,’ zegt drs.Willem A.Zuidhof, directeur van PUM. Een hoog wit glazen kantoor, schuin boven de Utrechtse baan in Den Haag. Op de parkeerplaats helpen chauffeurs in blauwe BMW’s van het snoeverige type, managers in blazers met het uitstappen. Want dit is ook het hoofdkwartier van de werkgevers VNO/NCW, waaruit PUM voortkomt.

Zuidhof is lakoniek: ‘Herfkens heeft eigenlijk helemaal op ons ingespeeld. Wat ze heeft gezegd heeft vooral betrekking op de overheid zelf. Die loopt achter op de ontwikkelingen. Het beleid van het ministerie is nog steeds gericht op het ter beschikking stellen van mensen aan de Wereldbank en de Asian Development Bank. Die worden betaald met enorme, belastingvrije salarissen. De minister zou ook dat multilaterale circuit moeten aanpakken. Het is natuurlijk leuk bedacht om op kosten van Nederland Tanzanianen aan een baan te helpen bij de Wereldbank. Maar ze leren daar toch niet de deskundigheid die wij kunnen bieden. De kwaliteit van de lokale mensen is toch al niet zo hoog. De beste komen in dienst van de Wereldbank, verhuizen en zijn voor het land verloren. Daar moet de minister een eind aan maken. En de minister heeft geen gelijk als ze zegt dat er geen blanke mannen meer naar zwart Afrika zouden moeten gaan. Het is waar dat in die landen de deskundigheid groeit. Maar tegelijkertijd zie je een grote migratie en de gevolgen van aids. Heel veel goedopgeleide mensen sterven aan aids. We zullen daarom nog heel lang goed opgeleide deskundigen moeten blijven uitzenden. De uitzendingen kunnen wel korter. PUM stuurt mensen gemiddeld zes weken naar ontwikkelingslanden. Dat is genoeg. We leven in een global village. Vroeger werd je met je hele familie weggestuurd en moest je ergens zoveel tijd blijven zitten. Nu is er e-mail en kan je snel op en neer. Ook de vraag is gericht op tijdelijke inzet en op gespecialiseerd terrein. Haal stagiaires naar Nederland. Zorg voor levering van tweedehands kapitaal goederen. Nodig iemand uit voor de verbinding met de bedrijven van daar en hier. Zorg voor een goed computernetwerk.’

Zuidhof praat graag uitdagend en geeft gratis adviezen. ‘Waarom gaat SNV niet veel meer marktconform werken en wordt het niet verkocht aan Randstad? We zitten met z’n alle op een geheel betaalde markt. Waarom kunnen Cordaid, Memisa en al die clubs niet gewoon naar Randstad gaan en zeggen, maak een uitzendcontract en wij betalen. Als ik SNV en PSO was zou ik kijken of zij zich niet snel kunnen ontwikkelen tot een vennootschap.’

 

Prachtige taakverdeling

‘Zuidhof is heel onafhankelijk. Hij heeft het voordeel voort te komen uit de werkgeversorganisatie en dat is z’n kracht. Wij zijn altijd een beetje voorzichtig. Wij moeten binnen een bepaald patroon opereren,’ reageert Manuela Monteiro van PSO een beetje jaloers.

Een vierkant, strak, wit gebouw aan de Scheveningseweg. Binnen regeert soberheid. Van alle organisaties moet PSO het zuinigst opereren. Directeur Manuela Monteiro ontvluchtte enkele jaren voor de Anjerrevolutie van 1974 de dictatuur in Portugal en verhuisde naar Nederland. ‘Dat van die fusie vind ik helemaal niet gek. Je zou een soort holding moeten vormen. PUM voor het bedrijfsleven, SNV voor op het snijvlak van publiek-privaat en wij, PSO, voor het maatschappelijke middenveld. Een prachtige taakverdeling. Je moet alleen zorgen dat de autonomie van de clubs gewaarborgd blijft. En eerst moet natuurlijk SNV een onafhankelijke NGO worden.’

Ze geeft Zuidhof nog meer gelijk: ‘Aids pleegt een enorme aanslag op de capaciteit van de mensen. Als je aan de bij ons aangesloten lidorganisaties vraagt hoeveel directeuren en stafleden van hun partners zijn overleden aan aids, dan komt je op eenderde tot de helft. Het is ook waar dat grote aantallen goedopgeleide mensen uit Afrika en Azië wegtrekken naar het westen. Ik kan ze dat niet kwalijk nemen. Zo ben ik zelf ook in Nederland terecht gekomen.’

‘De minister wil zoveel mogelijk de lokale deskundigheid bevorderen zodat mensen in staat zijn hun eigen boontjes te doppen. De enige methode die daarbij tot dusver gevolgd is was het uitzenden van ontwikkelingswerkers. De bedoeling was dat zij hun deskundigheid aan de lokale mensen zouden overdragen. Dat is veel te weinig gebeurd. Ontwikkelingswerkers zijn soms zo vervuld van hun eigen taak dat ze er niet aan toekomen hun kennis over te dragen. Ik denk dat zoiets te maken heeft met onze westerse manier van denken. We zijn heel resultaat gericht. Er moet iets tot stand worden gebracht. De ambtenaren vragen erom, de Tweede Kamer wil iets zien. We vergeten dat het hele proces een complexe affaire is. Ik geloof dat we in sommige situaties een heel eind kunnen komen met korte termijn uitzendingen. Wat we moeten gaan doen is ons veel meer richten op het overdragen van kennis. Dat kan ook via workshops, korte trainingen, mensen hierheen halen voor een intensieve cursus, conferenties. Maar er blijven natuurlijk zwakke organisaties in de bush over waar we langdurig aanwezig moeten zijn.’

 

Bob van der Winden is programmamager ‘Media & vrijheid van meningsuiting’ bij het Nederlands instituut voor Zuidelijk Afrika’(NIZA). Was free lance fotograaf en coördinator van krakers-drukkerij ‘De Raddraaier’. Reisde naar Nicaragua en zuidelijk Afrika, vooral Angola. Werd het beu journalisten die minder wisten dan hijzelf op sleeptouw te blijven nemen en ging zelf schrijven. Zegt: ‘Ik heb me als reizende verslaggever altijd erg verwonderd over ontwikkelingswerkers die drie tot soms tien jaar op dezelfde standplaats bleven. Ik vond dat raar en snapte niet waarom ze zich niet al lang overbodig hadden gemaakt. Ze woonden en leefden er, ze waren feitelijk geëmigreerd op staatskosten. Als je een goede diagnose maakt blijkt dat sommige problemen opgelost kunnen worden met een cursus van twee weken. Een enkele keer is er behoefte aan iemand voor drie jaar. Maar gemiddeld zou ik zeggen, met drie maanden moet je wegwezen. Het gemak waarmee mensen zolang werden uitgezonden heeft me nooit lekker gezeten. Ik heb het zelf nooit gewild. Het is me gevraagd in Nicaragua en Angola. Ik ben principieel tegen. Ik heb vijf jaar geleden in Angola het weekblad Agora helpen opzetten. Ben daarvoor twee keer een maand daarheen geweest en later nog eens twee weken. Tussendoor communiceerde ik vijf maanden lang intensief per e-mail. Het blad is een succes, nog steeds. Met elf lokale journalisten die vanuit Nederland ondersteund worden. Als ze training nodig hebben vragen we Braziliaanse journalisten er heen te gaan. Zij spreken de taal en kunnen ze meer vertellen dan ik. Ik ben ervan overtuigd dat je mensen beter kort kunt trainen ook al gaat het honderd keer fout. Zorg dat ze het zelf doen. In Namibië hadden we de organisatie Briks opgericht die allerlei niet-gouvernementele-organisaties verenigde. Een club voor onderlinge discussies, met een eigen blad. Er zat drie jaar een witte man op die door PSO werd betaald. Er was een staf van vier lokale mensen die elk kwartaal eraan herinnerd moesten worden dat er weer een nummer aankwam. Toen het contract afliep viel de hele organisatie in elkaar.

NIZA is altijd een beetje het zwarte schaap geweest binnen PSO. Wij wilden al jaren geleden vernieuwing. Discussies die op het scherp van de snede werden gevoerd. Wat je nu ziet is dat PSO langzaam opschuift. Het ligt trouwens niet alleen aan die club. Het heeft vooral te maken met het mandaat van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Dat mandaat ging er heel lang van uit dat je technische specialisten langdurig uit moest zenden. Als je in 1995 een maand weg wilde, dan kon dat niet. Het is nog steeds zo dat als wij iemand een maand willen uitzenden we dezelfde bureaucratische rompslomp moeten uitvoeren als voor iemand die drie jaar weggaat. Op een bepaald moment hebben wij binnen NIZA gezegd, wij gaan het geld van onze donateurs inzetten om het anders en op onze eigen manier te gaan doen. Ik zou tegen Eveline Herfkens willen zeggen, mevrouw de minister weet u wel dat onze donateurs uw nieuwe beleid betalen? ’

Betrokkenheid

Wat wil Herfkens nu eigenlijk precies? Jan Ubels, hoofd beleid SNV, zucht diep. ‘Ik ben niet zo’n Herfkens-reader. Ze wil af van dat standaard model van de lange, witte technische assistent en daar heeft ze gelijk in. We zijn het daar allemaal over eens dus zo schokkend is het niet.’

In een rustige hoek van de Bezuidenhoutseweg is het hoofdkwartier van SNV. Nog niet zo lang geleden domein van vormelijke ambtenaren van Buitenlandse Zaken die zich net iets verheven voelen boven de rest van het gepeupel. De laatste vijf, zes jaar is het kantoor meer en meer ingenomen door voormalige veldwerkers. Beneden in de kantine liggen uitsluitend Trouw en De Volkskrant. De laatste tijd sluipt ook het Algemeen Dagblad binnen Hier is het woord ‘progressief’ nog niet taboe en wordt gesproken over ‘engagement’ en ‘armoedebestrijding’. Jan Ubels: ‘Wij zijn een organisatie met betrokkenheid en daarom willen onze klanten ons hebben. Je huurt bij ons mensen in met een bepaalde kleur, gericht op armoede, emancipatie. De tijd dat we beleidsnota’s schreven over hoe het in het veld moet ligt achter ons. Onze eigen agenda speelt steeds minder een rol.

Ik ben het er mee eens dat we in de facilitaire kant van ons werk meer Randstad moeten worden. Maar we moeten niet de vorm van Randstad kiezen. Dat soort organisaties heeft een commercieel belang en beïnvloedt de vraag van onze klanten. Als het om armoede gaat moet je daar geen partijen op los laten die omzet moeten draaien.

Ik begrijp Bob van der Winden wel (zie kader, red.) die zegt: langdurig uitzenden is emigreren op staatskosten. In ontwikkelingssamenwerking is het een algemeen probleem dat mensen aan country-hopping doen. Ze verkeren in een mooi circuit met relatief luxe arbeidsvoorwaarden. Ze zitten vaak in een huis dat ze zich in Nederland nooit zouden kunnen permitteren. En ze genieten een macht en een gezag die ze in eigen land nooit kunnen verwerven. Het gevaar is altijd het zwembad-syndroom. Met gelijkgezinden aan de rand van het zwembad sherrytjes drinken. Terecht ageert het NIZA daartegen. Maar om nou te zeggen dat we daarom afmoeten van die drie jaar contracten vind ik te simpel. Als je echt iets ingewikkelds moet doen, ben je soms in een paar maanden niet klaar. Ik heb zelf in de wereld van consultants gewerkt. Ik weet dat een korte verkenning van consultants heel inefficiënt kan zijn. Een consultant vliegt binnen, krijgt maximale aandacht, schrijft een mooi rapport en vervolgens gebeurt er niks. Ik weet ook dat als je ergens jarenlang een witte stationeert dat ook niet altijd goed is. Dan wordt de agenda door die witte bepaalt. Sinds enige tijd hebben wij de flex-ta, de technische assistent die voor verschillende opdrachtgevers in een land of zelfs voor verschillende landen werkt. Iemand die langdurig bij een projekt betrokken is maar daar toch niet continu aanwezig is. Wij huren bijvoorbeeld ook een manager van een Rabobank in om in Boetan lessen in financiering te geven. Of computer-specialisten. Expertise van buiten. Korte missies, langere contracten. Flexibel.

SNV is een buitenbeentje. Wij hebben overal kantoren waarvan de staf voor de helft uit lokale mensen bestaat. Dat is de laatste twee, drie jaar sterk toegenomen. De kosten speelden ook mee. Een lokale adviseur is gewoon goedkoper dan een Nederlander met een uitgebreid pakket van sociale zekerheden. Bovendien heeft zo iemand een betere kennis van de lokale problemen. Ik was kort geleden in Zimbabwe. Daar werken we aan een privaat projekt dat geleid wordt door een Tanzaniaan en een ervaren Zimbabwiaan. We zitten in dat rare spel dat we met klanten werken die geen geld hebben. Het ministerie zegt terecht: wij willen die landen meer zeggenschap geven, zij moeten zelf vragen om technische assistentie. Maar andere partijen betalen. Daarmee wordt het aspect van ownership heel problematisch. SNV is nooit financier geweest, dat heeft ons ook behoed voor valkuilen. Er is een tijd geweest dat we grote projecten wilden, omzet maken, ervaring opdoen. Daarvoor hebben we leergeld betaald. We bouwen geen irrigatiekanalen meer. Onze klanten weten steeds beter dat ze ons alleen maar moeten vragen om advies. Een tijdje geleden was het absoluut gebruik dat iedere expert een 4wheel drive onder zijn kont kreeg. Daar is nu heel duidelijk de rem opgezet. We zijn niet heilig. Technische assistentie blijft een rare onderneming. Twee gekke werelden komen bij elkaar, een rijke wereld met veel geld en een arme wereld waar aan de meest basale dingen behoefte is. Je kan niet volkomen principieel zijn. Pas in de jaren negentig zijn wij onze mensen een salaris gaan betalen dat past bij de middenklasse. Op dat ogenblik verdienden de velddirecteuren van SNV ontzettend veel. Ze zaten in het diplomatencircuit. Hun salaris is met eenderde naar beneden gegaan. Dat leidde destijds tot een oproer. Op dit ogenblik kost een deskundige van SNV zo’n twintig procent meer dan iemand van PSO. Dat komt door de begeleiding vanuit de veldkantoren. Maar die krijgen een andere rol. Ik denk dat alles bij elkaar SNV volwassener is geworden.’

Frieda Both zat in de jaren tachtig in de kraakbeweging. Ze ging in de wereld op zoek naar herkenbare voorbeelden en kwam in Peru terecht. Ze raakte gefascineerd door de inheemse cultuur. Maakte zich boos over de massagraven in Ayacucho waar Sendero Luminoso actief was. ‘We waren gewoon links. We wilden graag met een contract van SNV bij een boerenorganisatie gaan werken. Toevallig kwamen we in contact met een plaatselijke kleine niet gouvernementele organisatie en die vroeg aan SNV, kunnen Frida en haar vriend hier komen werken. Het liep uit op een teleurstelling. Alles was zo negatief en zo zwaar. Er heersten veel vooroordelen tegen jonge, blanke goed opgeleide mensen. We werden gezien als betweterig. Wat ik in die periode vooral geleerd heb is mezelf ter discussie te stellen. Het eerste jaar dat ik er zat heb ik vreselijk gezocht naar zinvol werk. Daarna ging het beter. Ik ben me bezig gaan houden met een programma voor vrouwenrechten. Dat liep goed maar voor de NGO was het bedreigend en daarom werd het teruggedraaid. De situatie in Peru werd steeds lastiger. Sendero Luminoso ging de NGO meer en meer gebruiken om dingen gedaan te krijgen. Wij waren tot aan de grens gekomen, het gender-programma lag heel moeilijk. Daarna ben ik als regio-vertegenwoordiger naar Nicaragua gegaan. Ik kwam daar op het moment dat SNV in een heftige crisis was geraakt door de regeringswisseling. Frente Popular van Ortega had onverwachts verloren. SNV was heel sterk aan Frente gelieerd en niemand die de overgang had voorzien. Er was sprake van ontluisterende ontwikkelingen. Programma’s moesten worden veranderd. De oude staf werd teruggetrokken. Allerlei zaken werden nog even snel overgedragen aan Frente-aanhangers. Na ongeveer een jaar ontwikkelde het programma zich weer in gunstige zin. Ik heb toen gekozen voor een adviseurs baan in rechten voor vrouwen. In de periode van Frente was er veel ruimte voor vrouwen maar wel allemaal van: we staan achter de revolutie. Later zijn de vrouwen zich daarvan gaan distancieren en zijn ze met eigen ngo’s begonnen. Ik heb me toen vooral bezig gehouden met een onderzoek naar wat vrouwen precies doen, in huis, binnen de familie, op het erf en op het land. Na Nicaragua ben ik in Bolivia geweest. Ik kwam terecht in een spanningsveld van technische assistentie en van financiële verantwoordelijkheid voor een project. Die vermenging van functies was heel lastig. De SNV doet zoiets ook niet meer. Als ik terugkijk op al die jaren denk ik dat het in zekere zin een geforceerde situatie was. Soms was het vreselijk zoeken naar een aangrijpingspunt. Wat jij als technisch assistent kan doen is heel erg weinig. Misschien heb ik het leven van sommige mensen wel verpest door steeds op rechten van vrouwen te hameren. Er waren ongetwijfeld mannelijke collega’s die vonden dat het niet correct was wat gedaan werd. Dat de mensen iets door hun strot geduwd kregen. Je bent soms een katalysator van tegenstellingen. Ik denk ook dat door de organisatie niet goed was nagedacht over de termijn van drie jaar. Soms was het mogelijk geweest op afstand te adviseren. Nu is de SNV een proces ingegaan van meer flexibiliteit, meer op afstand. Dat is winst.’

 

GEEN EUFORIE

Zijn er, vraag ik aan Manuela Monteiro van PSO, wel eens euforische momenten? Zo van, dát heeft de wereld vooruitgeholpen?

Ze is lang stil. Ze aarzelt: ‘Ik denk dat ons werk zich nooit karakteriseert door euforie. Je bent al lang blij dat het werk beklijft en dat de organisatie doorgaat. Ik zie ons niet als nieuwe zendelingen die gender hebben uitgevonden, of het milieu, of die per se ergens met een vaste agenda heen willen gaan. Dat is een volstrekt foute opstelling. We mogen nooit van hieruit ergens heen gaan om ons eigen beleid op te leggen. Dat is in het verleden een zwakheid geweest, dat kan gerust gezegd worden. Je mag best beleid hebben maar dat moet recht doen aan de behoefte ginds. Herfkens zegt: jullie werken niet vraaggericht. Ik zeg: hoe komt u daarbij. Als de vraag van onze partners uit het zuiden een arts is, of een belastingambtenaar, dan leveren we die. Maar vanzelfsprekend nemen alle technische adviseurs hun eigen culturele agenda mee.’

Jan Ubels van SNV: ‘Ik zeg altijd, je huurt bij ons mensen in met een bepaalde kleur. Onze specialisten hebben vanzelfsprekend ook een oordeel over politieke zaken. Maar de lokale ngo’s en de overheden zetten die op de agenda. Wij werken tegen armoede en voor goed bestuur. Er is geen sprake van dat wij in de nieuwe opzet zullen gaan concurreren met ingenieursbureau’s. We moeten misschien wel kiezen om helemaal buiten de sfeer van inschrijvingen en offertes te blijven. We zijn meer nodig dan ooit. Wat je op dit ogenblik ziet is dat particuliere Nederlandse adviesbureaus zoals Euroconsult en DHV zich terugtrekken uit de traditionele projecten van ontwikkelingssamenwerking. Ik heb zelf bij Euroconsult gewerkt, ik weet waarover ik praat. De commerciële bureaus trekken zich terug uit de problematiek van de armoede omdat ze geen fees meer kunnen maken. Ze kunnen niet meer op een gezonde bedrijfseconomische basis werken. Het is daarom zo belangrijk dat SNV er is en blijft voor de zwakke en kleine partijen. Voor ons is steeds belangrijker dat we verzuidelijken, internationaliseren. Als kennis en deskundigheid door onze partners in het zuiden geleverd kan worden, krijgen die voorrang.’

Willem Zuidhof(PUM): ‘Wij werken letterlijk met owners. Maar wij dringen ook 13,5 miljoen gulden op aan al die landen, geld dat wij moeten besteden en waar die landen niets over te zeggen hebben. Het is zo dat je altijd moet sturen. Er ontstaat pas vraag als je iets aanbiedt en wij bieden geld. Soms denk ik wel eens, delen van Afrika willen misschien wel helemaal niet ontwikkeld worden. Het is ook helemaal niet leuk naar Brussel, het nieuwe Moskou te moeten luisteren. Op een heel geniepige manier wordt heel je cultuur omver geblazen. Brussel doet dat op een veel slimmere manier dan Moskou deed. Treedt maar toe, zegt de Europese Unie. Vervolgens worden die landen blootgesteld aan absolute concurrentie van zeer efficiënte bedrijven en gaan de meeste er aan onderdoor’.

U komt toch uit de kringen van werkgevers, u bent toch voor vrije markt? Zuidhof: ‘Nee hoor die leidt alleen maar tot monopolie’.

Reinout van Dijk(HPI) waarschuwt de verslaggever tenslotte nog één keer: ‘Tegenwoordig kan je waarschijnlijk beter tien computers met internetaansluiting weggeven dan er een dure deskundige op uit zenden.’

(Vica Versa, maart 2001)

Polderpers