Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars

‘De socialisten en de schandalen in Spanje’

RUDIE VAN MEURS –’Onze democratie beleeft nu de jaren van adolescentie,’ verdedigt het parlementslid. ‘De verkiezingsslogan van Félipe: Por El Gambio, was hoogst misleidend,’ zegt de historicus. ‘De regering wordt voortdurend arroganter en de partij volgt slaafs in alles,’ moppert de vakbondsleider. ‘Over een paar jaar is dit land net zo corrupt als Italië,’ waarschuwt de hoofdredacteur.
De PSOE, de socialistische partij van Spanje, regeert tien jaar. Terwijl de aanhang geleidelijk minder wordt, groeit de macht. Een rondgang langs ideologen, militanten, critici en loyalisten: ‘Gato blanco, gato negro, lo importante es que cace ratones’ (het doet er niet toe of het een witte of een zwarte kat is, het belangrijkste is dat ze muizen vangt).

Op de muur van het metrostation Puerta de Toledo in Madrid hebben graffiti hun weerzin over de politiek in één woord samengebald: corruPsoe. Elke halte heeft z’n eigen bedelaar. Hier staart een blinde man in een afgedragen duffelse jas eindeloos in de verte, zijn hand gevouwen tot een schelp. Op Callao zakt stil en verdwaasd een mooi, mager, verslaafd meisje langs de wand op de grond. In Plaza de España vraagt een oude, gerimpelde vrouw in het zwart de reizigers hoe laat het is. Als iemand reageert knoopt ze haar zwarte hoofddoek los en vraagt namens haar kinderen om wat geld.
Boven stort het autoverkeer zich in eindeloos aanstormende golven op rechteloze voetgangers. Een eenzame fietser die zich een weg wil banen langs stilstaande auto’s, wordt door woedende chauffeurs gemolesteerd. De spits duurt twaalf uur per etmaal – het televisiestation TM-3 zendt er dagelijks twee uur van uit. PSOE-secretaris Carmen Garcia Bloise zal later opgetogen verklaren – als een verlate echo op de historische woorden van J.den Uyl – dat in Spanje thans verhoudingsgewijs net zoveel auto’s en modellen zijn als in de rest van Europa. ‘Ik heb vrienden die in 1984 voor het laatst hier waren en nu Spanje niet meer terug kennen. Iedereen kan hier nu een eigen auto hebben,’ zegt ze stralend.
Het Spaanse temperament verplicht dat auto’s razendsnel optrekken om vervolgens krachtig te remmen. De herrie en de stank zijn weerzinwekkend.
Op de Gran Via, het hart van de stad waar de prijzen – op Sevilla na – het hoogste zijn van Europa, registreren meetstations gemiddeld 300 microgram stikstof per m3 – terwijl zelfs de tolerante EG-richtlijn 200 al ongezond vindt.
Het is half mei, de grote hitte moet nog komen. De waterbedrijven hebben zojuist laten weten dat de twaalf reservoirs in het district Madrid nog maar voor veertig procent vol zijn – de helft minder dat vorig jaar. Parken, straten en tuinen mogen tijdelijk niet worden besproeid. Het stadsbestuur voorspelt de ondergang van 25.000 jonge bomen en 400.000 planten en struiken en zegt dat ze daarom het verbod zal negeren. Alleen wie sterk en brutaal is kan hier overleven.

Vanavond kondigt de voormalige communistenleider Gerardo Iglesia zijn terugkeer aan in de politiek. Sinds de ooit door twisten en zuiveringen verscheurde communistische partij van Spanje (PCE) samenwerkt in Verenigd Links (Izquierda Unida) kan de groepering onveranderd op 10 procent van de kiezersaanhang rekenen. In ‘Salle imperiale’ van het ouderwets deftige Plaza-hotel, met spiegels, marmer en goud geverfde frutsels aan het plafond, vieren 500 kameraden het zesjarig bestaan van Verenigd Links. Iglesias, in onberispelijk driedelig costuum, beschuldigt de regerende socialistische partij ervan ‘bezield te zijn van geld en speculatiedrift.’ Hij zegt: ‘De PSOE voert een neoliberale en autoritaire politiek. Ze staat niet alleen toe maar bevordert dat de maatschappij steeds corrupter wordt.’
Een dag later zal Nicolás Redondo, algemeen secretaris van de socialistische vakbond UGT die ooit een stemadvies gaf op de PSOE te stemmen, in krachtige woorden meedelen hoe al zijn verwachtingen in scherven zijn gevallen: ‘Toen in 1982 de PSOE de regering overnam zijn illusies gewekt dat er verandering zou komen, een sociaal rechtvaardiger maatschappij met minder verschillen tussen mensen en klassen, meer democratie, een modernere samenleving ook met grotere integratie voor iedereen. Maar nu na tien jaar is er de ontgoocheling. Er is niets van terechtgekomen, er is een scheiding ontstaan tussen een bevoorrechte politieke klasse en de burgers, de regering is absoluut niet geïnteresseerd in mensen. Dit land gaat naar de bliksem.’

In Sevilla, waar ooit de huidige elite van de PSOE studeerde, zegt Javier Perez Royo, rector van de universiteit: ‘Het is een misverstand om te veronderstellen dat de de PSOE overeenkomsten zou hebben met de oude socialistische partijen in Europa. De PSOE is de eerste post-socialistische partij, de ideologie is niet socialistisch en ze is absoluut niet anti-kapitalistisch. We hebben dan ook geen last van oude dogma’s. Het is helemaal een misverstand om te denken dat de PSOE voor vernieuwing zou zijn, integendeel zou ik willen zeggen.’

Dit is het jaar van de ontdekkingen, het jaar dat Spanje zich definitief zal scharen in de rij van beschaafde volkeren, het jaar dat vijf eeuwen geleden de joden uit Spanje werden verbannen en de laatste arabieren uit Granada – met achterlating van het Alhambra – werden verjaagd. Dit is ook Spanje dat op het punt staat in 17 autonome provincies uiteen te vallen, nadat rooms-katholieke koningen vijfhonderd jaar geleden van het land de eerste eenheidsstaat van Europa maakten. En dit is nog altijd het Spanje waar ‘vijf eeuwen inquisitie en verraad de psychische structuur van de stamleden heeft gekneed’ (Juan Goytisolo in ‘Verscheurde Koninkrijken’) en waar altijd ‘een nauwe relatie heeft bestaan tussen de Spaanse identiteit en het militante katholicisme’ (de islamoloog W.Montgomery Watt in ‘Voorbij Poitiers’). In een geruchtmakende rede voor ‘Club XXI’, een sociëteit van politici en intellectuelen, zei Pedro J. Ramirez, hoofdredacteur van Spanje’s jongste geslaagde dagblad El Mundo: ‘Spanje heeft geen democratisch erfgoed. Met de verbanning van de joden en het wegjagen van de arabieren werd een concept gevormd voor een totalitaire staat. Die situatie heeft heel onze geschiedenis beïnvloed. De manier waarop mensen denken over democratie en politici omgaan met macht heeft ermee te maken.’

Intussen is hier wel, in de zeventien jaar na de dictatuur van Franco, geprobeerd te doen waar landen in noord-Europa soms meer dan honderd jaar over deden: er kwam democratie en kapitalisme naar westers voorbeeld. De laatste tien jaar onder leiding van de Partido Socialista Obrero Espagñol (PSOE). Of eigenlijk moet ik schrijven, ‘door toedoen van een kleine groep aanzienlijken binnen de PSOE’ – zo verbetert Manuel Bonmati, internationaal secretaris van de UGT – me fijntjes.
Democratie? Bonmati: ‘Er is geen sprake van dat de partij invloed of kritiek zou kunnen hebben op de regering. Ze neemt zelfs niet de geringste afstand. Ze staat slaafs en als een dwaas achter de regering. De helft van het parlement bestaat uit de PSOE en ook die volgt kritiekloos wat de regering doet.’
‘Tot voor kort waren eigenlijk maar twee mensen die de dienst uitmaakten binnen de PSOE. Dat zijn Felipe Gonzalez en Alfonso Guerra. Zij zaten als premier en vice-premier in de regering, in het uitvoerend comité van de PSOE en waren eerste en tweede algemeen secretaris van de partij. Buiten hen bestond er eigenlijk niemand anders,’ zegt Antionio Garcia Santesmasses, hoogleraar in de politieke filosifie aan de Universiteit van Madrid en lid van het federale comite van de PSOE – met een beetje fantasie te vergelijken met een verenigingsraad.
De beslissingen, bedoelt Santesmasses, zijn nooit in ‘Ferraz’ genomen, het hoofdkwartier van de PSOE, maar in Moncloa, het Catshuis van Spanje.
Maar toen raakte Guerra betrokken in een schandaal. Zijn broer Juan bleek het kantoor van de minister ook te gebruiken als domicilie voor z’n eigen firma. Hij handelde er zijn zaken af en wist ambtelijke beslissingen zo te benvloeden dat hij miljoenen kon verdienen. Even hield Felipe zijn kompaan nog de hand boven het hoofd. Tenslotte moest Alfonso Guerra onvermijdelijk uit de regering verdwijnen – maar hij controleert nog altijd met ijzeren hand de partij.
Daarna volgden de affaires elkaar snel op. Een paar maanden later kreeg de financiële leiding van de PSOE ontslag na onthullingen over de ontvangst van donaties uit het bedrijfsleven. Weer later bereikte het Spaanse publiek het bericht dat een aantal spaarbanken hun leningen aan de PSOE – verstrekt voor de laatste verkiezingscampagne – als oninbaar hadden moeten afschrijven. En begin dit jaar kwam de minister van volksgezondheid, Julian Garcia Valverde, ten val omdat hij met voorkennis grote stukken grond had gekocht waarop – dat kon alleen hij weten – een nieuwe spoorweg zou worden aangelegd. Valverde had dat gedaan in zijn vorige functie als directeur van het Spaanse spoorwegbedrijf Renfe.
Eigenlijk onthulde die laatste affaire vooral de merkwaardige verbintenissen die de Spaanse sociaal-democratie, als dat woord tenminste al van toepassing is, de laatste tien jaar heeft aangegaan. Want dankzij een decennia van absolute macht worden nu vrijwel alle topfuncties, alle sleutelposities in de maatschappij, het hele conglomoraat van koepels, verenigingen en sociale verbanden gecontroleerd door de PSOE – althans, zo word ik weer gecorrigeerd, een klein aantal gelukkigen binnen de PSOE.
Ooit, in een van zijn laatste intervieuws, zei de Nederlandse staatsman ir.W.Schermerhorn me eens: ‘Bezit corrumpeert en macht corrumpeert in het kwadraat.’ Het opmerkelijk is dat terwijl de PSOE langzaam het electoraat verliest – de laatste peilingen geven de partij nog 38 procent – het aan macht wint.
De is het gevolg van de ‘ocupación del poder’: de PSOE heeft bezit genomen van de macht.

Samen met Juan Carlos Escudier, journalist van het dagblad El Mundo, doorzoek ik de dossiers. Ik was hier vier jaar geleden voor het laatst. Toen nog een vrijwel lege fabriekshal met gehuurde bureau’s en computers, een staf van vijftien ervaren redacteuren en vijftig net afgestudeerde jonge journalisten. Het werkte. El Mundo is nu een professionele krant, de oplage steeg van zestig naar honderdveertig duizend, de krant onderzoekt, onthult en wordt een concurrent van het gevestigde El Pais.
Hoe kwam het – om een van de schandalen ter hand te nemen – dat een groot aantal spaarbanken in Spanje hun leningen voor de verkiezingscampagne van de PSOE tenslotte als oninbaar moesten afschrijven? Dat heeft te maken met de manier waarop de regering de economie controleert.
De minister van economie en financiën, Carlos Solchaga die althans in woord tegen elke vorm van overheidsinvloed is, heeft via zijn vertrouweling Mariano Rubio – gouverneur van de Banco de España, de pendant van de Nederlandsche Bank – directe greep op de Spaanse bond van spaarbanken (Cajas de Ahorro). Het bestuur van de bond bestaat uit de PSOE-adepten Braulio Medel en Fernández Noriega. De bond is een samenbundeling van spaarbanken in het land. In Andalusië zijn zeven spaarbanken (zoals die van Granada, Sevilla en Jerèz) geheel in handen van de PSOE. Op de Canarische eilanden zijn twee banken in handen van de PSOE. Om samen te vatten: in heel Spanje heeft de PSOE een absolute zeggenschap over negentien grote spaarbanken waarin miljarden peseta’s omgaan.
Voorts controleert gouverneur Mariano Rubio, ook wel omschreven als de ‘gewapende arm’ van Solchaga, zes staatsbanken die alle geleid worden door aanhangers van de PSOE. Bovendien zijn allerlei particuliere banken verweven met de PSOE en Solchaga, die ooit zelf directeur van de Bank van Biskaje was. De Bank van Biskaje die later samensmolt met die van Bilbao en nu BBV heet, bleef trouwens in handen van sympathisanten van de PSOE. De minister onderhoudt persoonlijke relaties met de top van banken als AEB, Santander en Banco Urquijo. In de bank Central-Hispano functioneert Fernando Abril Martorell als vice-president. Hij zat vroeger in de top van de vakbond UGT en was toen aangesteld als intermediair tussen de vakorganisatie en de PSOE. En de bank Banesta, die zich vroeger uiterst afstandelijk naar de PSOE toe gedroeg, heeft nu drie comissarissen gekregen die allen directe banden hebben met de PSOE.
En hoe kwam het dat de minister van volksgezondheid Valverde, de regering van Felipe opnieuw in opspraak bracht?
Sinds het uitvoerend comité van de PSOE – dat officieel bestaat uit 23 leden maar waar in praktijk drie of vier mensen de dienst uitmaken – besloot dat de regering een zakenkabinet zou worden, werden uit het bedrijfsleven PSOE-toegewijde managers naar Moncloa ontboden. Eén van hen was Valverde, topman van het door de PSOE gecontroleerde Spaanse spoorwegen Renfe. De regering haalde een erfenis binnen maar liet bij Renfe op de stoel van Valverde, señora Mercé Salá achter – lid van de PSOE en afkomstig uit het team van de Catalaan Narcis Serra. De laatste volgde Guerra op als vice-premier in de regering en wordt steeds vaker genoemd als toekomstige opvolger van Felipe.

Natuurlijk, dit is een volk van extremen, van furie, van ‘die soms sympathieke, jeugdige onbesuisdheid die zoveel voorkomt in Spanje’ (Goytisolo), van laatdunkendheid ook. ‘In dit land bestaat zoveel weerzin en agressie tegen politiek dat je beter priester kan zijn dan politicus,’ zegt professor Santesmasses.
Maar niettemin is het goed te luisteren naar de scepsis over de behandeling door het gerechtshof in Andalusië van de affaire-Guerra. Drie medewerkers van het politieke team van Alfonso Guerra werden daar vrijgesproken van corruptie en samenspanning met de broer-zakenman Juan Guerra. Daarmee werd ook de ex-vice premier en de topman van de PSOE (althans formeel) gezuiverd van blaam. Maar de argwaan bleef. Want hoe ging dat voor het hof?
Er waren drie rechters. Eén van hen is benoemd door het door de PSOE-gedomineerde autonome parlement van Andalusië. Dat werd dus een lid van de PSOE – zij het dat hij na zijn intreding afstand moest doen van zijn lidmaatschap. De tweede rechter is benoemd op voorstel van de ‘Consejo general del poder judicial’ (CGPJ – raad voor de rechterlijke macht). Die raad is samengesteld door het landelijke parlement in Madrid waarin de PSOE de meerderheid heeft. Van de 20 stemmen in de CGPJ zijn er tien van de PSOE – exclusief die van de voorzitter.
Die tweede rechter in Andalusië werd aldus weer een PSOE-adept. De derde rechter tenslotte werd benoemd ‘vanwege verdiensten’ en is ideologisch verbonden met de partij van Guerra – de broer van Juan. Zij spraken het team van Alfonso Guerra vrij. Misschien dat zij in alle wijsheid en boven alle partijen verheven tot hun oordeel kwamen. Maar de boze achterklap verstomde niet. Nu is er ook al klassejustitie. En ook die stemming heeft de PSOE over zichzelf uitgeroepen.

In 1985 werd een nieuwe wet over de organisatie van de rechterlijke macht aanvaard waarin – de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het aanvankelijke voorstel van een lid van de (rechtse) Partido Popular kwam – vastgelegd werd dat voortaan alle rechters door het parlement zouden worden benoemd. Daarvòòr mocht de associatie van rechters de helft van de nieuw te benoemen confrères aanwijzen.
Al snel kwamen de politieke verhoudingen tot uitdrukking in de samenstelling van het juridische apparaat: Van de twaalf rechters in het ‘Tribunal Constitucional’ (hof voor grondwetszaken) zijn er zeven afkomstig uit de rijen van de PSOE. In het Tribunal de Cuentas (laten we dat een ‘fiscaal hof’ noemen) zijn zes van de acht stemmen in handen van de PSOE en is voorzitter Adolfo Carretero een PSOE-man. De magistratuur in de Hoge Raad wordt gekozen vanuit de Raad voor de rechterlijke macht (CGPJ) die voor de helft plus één uit PSOE-aanhangers bestaat. Die Raad voor de rechterlijke macht kiest ook (zie boven) de rechters in de gerechtshoven in de zeventien provincies. De regering benoemd het openbaar ministerie. Aan het hoofd daarvan staat procureur-generaal Leopoldo Torres – tot zijn benoeming een militant lid van de PSOE.

Er bestaat een oneindig scala van mogelijkheden om uitkijkposten in de maatschappij in te richten. Onmiddellijk na de machtsovername door Felipe in 1982, begon de PSOE met het oprichten van ‘sociale bewegingen’ zoals een consumentenorganisatie, een organisatie van gebruikers, buurtverenigingen. De PSOE besteedde vooral veel aandacht aan het oprichten van organisaties van ‘gescheiden en verlaten vrouwen’, van ‘proggressieve vrouwen’, ‘jonge vrouwen’ en ‘mishandelde vrouwen’. Voorts werden vanuit de PSOE organisaties opgericht voor ‘vrede en ontwapening’, voor ‘internationale solidariteit’ en ‘democratische solidariteit’. In de organisatie ‘ouders van leerlingen’, de ‘unie van studenten’ en de ‘socialistische studenten’, ja tot zelfs in de christelijke alliantie YMCA toe, domineren bestuurders en zijn er voorzitters die verbonden zijn met de PSOE. Het Spaanse Rode Kruis wordt jaarlijks door de regering gesubsidieerd met 120 miljoen gulden. Vier van de zes leden van het algemeen bestuur van het Rode Kruis zijn verbonden met de PSOE. Dat geldt ook voor de voorzitter van het Rode Kruis, Carmen Mestre.

Met één organisatie liepen de relaties volledig stuk: dat is de UGT, de socialistische vakcentrale die opgeeft 800.000 leden te hebben. (Ik omschrijf dat zo voorzichtig omdat me steeds gezegd wordt dat noch de 800.000 leden van de UGT, noch de 300.000 van de PSOE accurate getallen zijn. Er zijn veel wanbetalers, wrevel en onverschilligheid tegenover de politiek uit zich in een tergend lage organisatiegraad). Maar Manuel Bonmati – secretaris buitenland van de vakbond – verzekert me dat de UGT op papier 800.000 leden heeft.
Het kantoor van de UGT is een half gerestaureerd, half nieuw gebouw in de Hortaleze, een smalle straat met oude, kleine winkels, veel schrijnwerkers en smoezelige cafetaria’s. Angst voor de ETA leidt in elk openbaar gebouw, bij elke onderneming en organisatie tot maximale veiligheidsmaatregelen. Ook hier. Een discussie over een identiteitsbewijs zal hier nooit gevoerd hoeven te worden, dat wordt overal verlangd.
Binnen is een galerij van 1 mei affiches uit de afgelopen decennia. De UGT heeft zojuist opgeroepen tot een algemene staking van enkele uren op 28 mei tegen de ‘anti-sociale’ plannen van de regering. De opwinding is enorm. De werkgevers hebben de regering gevraagd de staking te verbieden. De regering wil via wet het recht op staking gaan inperken. Zes bisschoppen hebben gezegd dat de staking terecht is. Het gros van de top van de PSOE reageert furieus over de politisering van de vakbond.
Manuel Bonmati ging in 1965 werken voor de (illegale) UGT en werd lid van de toenmalige (ondergedoken) PSOE. Intussen heeft hij zich teleurgesteld van de partij afgewend. Hij zegt: ‘De PSOE is heel arrogant geworden. De situatie in ons land is delicaat. De politieke partijen zijn niet sterk, de vakbeweging heeft weinig aanhang. Overal is de organisatie zwak. De regering weet dat. Ze weet ook dat er geen alternatieven zijn, niet van links en niet van rechts. Nu denkt ze namens iedereen te spreken.’
Is dat nog altijd de consequentie van de jaren van dictatuur waarin propaganda werd gevoerd tegen politiek en partijen?
Bonmati: ‘Natuurlijk heeft die periode ermee te maken maar we kunnen daar niet eeuwig over blijven klagen. De PSOE is tien jaar in de regering en had in die tijd op z’n minst wat kunnen doen om de maatschappij sterker te maken, de mensen te organiseren, de samenleving te ontwikkelen. Maar ze heeft niets gedaan. Alles is waar over Franco maar daarna is veel te weinig gebeurd.’
De relatie tussen UGT en PSOE was ooit heel intensief?
Bonmati: ‘We riepen zelfs de arbeiders op om op de PSOE te stemmen. Maar toen hield de PSOE op een partij voor arbeiders en wilde aantrekkelijk worden voor iedereen. Wij veranderden ook.’
Nu wordt er gestaakt tegen de regering?
Bonmati: ‘De laatste vier jaar heeft Spanje de grootste economische groei gekend van heel de Europese Gemeenschap, vijf tegen gemiddeld tweeeneenhalf procent. Wij vinden het nu tijd dat de rijkdom en welvaart in Spanje verdeeld wordt onder de arbeiders. De regering doet het tegenovergestelde, die voert een liberaal-economische beleid en zegt dat de beste industriële politiek géén industriële politiek is. Intussen is Felipe Gonzalez teruggekomen uit Maastricht en zegt dat nieuwe aanpassingen nodig zijn op grond van daar gemaakte afspraken. Dat gebeurt zonder discussie in het parlement, zonder overleg met de bonden, zonder enige dialoog.’
De boodschap van Maastricht is dat een arbeider voortaan een jaar onafgebroken moet werken, alvorens recht op een uitkering te verwerven – die overigens verlaagd zal worden met twintig procent. Spanje is, volgens Bonmati, de meest flexibele arbeidsmarkt van Europa. Met veertien verschillende soorten voorlopige arbeidscontracten en veertien mogelijkheden voor werkgevers om mensen voortijdig op te zeggen. Bijna veertig procent van de Spanjaarden werkt op voorlopig contract.
Bonmati: ‘Nu al is zeventien procent van de arbeiders in Spanje werkloos, meer dan de helft krijgt geen uitkering. Als de regering haar plannen doorzet kunnen nog eens anderhalf miljoen mensen hun baan verliezen zonder uitzicht op een uitkering. Daarom moet er gestaakt worden.’

Dichtbij het Prado en het achterafgelegen Casón del Buen Retiro, waaruit El Guernica van Picasso dreigt te verhuizen naar het Nationale Museum Koningin Sofia, ligt Atocha. Een mooi gerestaureerde, oude stationshal met palmbomen onder een glazen koepel. Uit de sproeiinstallatie daalt een fijne nevel neer die plotseling, als het zonlicht erop breekt, in indigo en violet uit elkaar spat. Hier vertrekt de AVE, de Spaanse versie van de hogesnelheidstrein. Op het perron patrouilleren bewakers met stenguns, de bagage wordt in sluizen röntgenologisch onderzocht, in de trein zijn nadrukkelijk bewapende functionarissen aanwezig.
De reis naar Sevilla duurt minder dan drie uur. Eerst door haveloze barrio’s met krotten en hutten van Spanjaarden aan wie het economische wonder van de laatste zes jaar voorbij is gegaan. Het vervelende van spectaculaire groei is oververhitting van de economie, stijgende prijzen, inflatie, schaamteloze speculatie waardoor onroerend goed tien keer zo duur werd en voor een eenvoudige driekamerflat in Madrid thans meer dan vier ton moet worden betaald. Wereldtentoonstelling in Sevilla, Olympische spelen in Barcelona, Madrid culturele hoofdstad – het is prachtig voor het ego van een land maar de pest voor de prijzen. Die stijgen met de temperatuur. Een glas horchata, die godendrank uit amandelen, kost in Sevilla veertien gulden, in Madrid acht en in het dorp Bormujo in Andalusië twee gulden. Voor koffie geldt de helft. Er is in Spanje de laatste jaren een koopkrachtige middenklasse ontstaan, maar de onderste klasse moet daarvoor boeten. De man die ik in Sevilla zal ontmoeten, Javier Perez Royo – historicus en rector van de universiteit – zal me later zeggen: ‘Ik ben bang dat dit land steeds verder uit elkaar groeit, dat er klassen gaan ontstaan van rijken en mensen die niets hebben. Streken als Navarra, Zaragoza, Barcelona en Sevila beleven perioden van ongekende welvaart. Maar in de Extramadura en aan de Atlantische kust heerst armoede. Werkloosheid is in Spanje altijd een probleem geweest, die zal nog groter worden. Alles wordt in snel tempo duurder, electriciteit, water, levensmiddelen.’

De trein voert de snelheid op tot ruim 200 km per uur. Door eindeloze olijfboomgaarden, kale landschappen met rode aarde, langs ommuurde boerderijen op latifundia’s, kleine ingetogen dorpen en met zwart landbouwplastic toegedekte aspergevelden. Plotseling, aan de uitloper van de Sierra Morena, gaat de trein door een langgerekt dal met verstikkende dampen, gele en grijze wolken van vuil en gif uit schoorstenen van oude fabrieken. Hier moet ergens het staatsbedrijf General Hernández Vidal twintig jaar lang ‘yellow cake’ hebben geproduceerd. Het radioactief afval, ruim een miljoen ton, ligt slordig op een stortplaats van twintig meter hoog. Het grondwater in wijde omgeving is radio-actief besmet. Het heeft zelfs de Guadalquivir bereikt, de rivier die na een eindeloze tocht door Andalusië, langs Sevilla, met een bocht om het eiland waar de wereldtentoonstelling wordt gehouden en bezoekers in huurbootjes spelevaren op het water, in zee verdwijnt.
Er mag zich dan een economisch mirakel in Spanje afspelen, in zaken van ‘milieu’ is Spanje een achterlijk land. Volgens het blad ROM (oktober 91), van het Nederlandse ministerie voor volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieu, is Spanje bezaaid met illegale stortplaatsen met industrieel (chemisch) afval, pcb’s en zware metalen. De Portmánbaan in de provincie Murcia is een dood gifmoeras. Op veel plaatsen is het grondwater onbruikbaar. In de buurt van Valencia spoelden recent drie miljoen dode vissen aan. Afvalverwerkingsbedrijven verwerken niets maar frauderen door aangeboden chemisch afval gewoon illegaal te storten. Naar de normen van de EEG kan eigenlijk geen enkel strand in Spanje en kan nergens het kustwater de toets der kritiek doorstaan.
Volgens ir. T.C.M.Jager, van het sinds kort in Madrid gevestigde Nederlandse ingenieursbureau Tecnoma, is Spanje op het gebied van milieu een analfabetisch land. Er zijn geen wetten, er is sinds kort de uitspraak van de regering dat Spanje de Europese regels zal overnemen. In een nieuwe villa in een buitenwijk van Madrid zegt hij me: ‘Er gebeurt hier niets. De bezuinigingen die de regering sinds kort toepast treffen het kleine begin dat in de milieusector gemaakt is. Er moet immens veel gebeuren. Onlangs vonden we bij een gesloten fabriek in Bilbao 3000 ton van het zeer giftige insecticide lindaan. Kort daarvoor was er een brand geweest, er had toen een ramp kunnen ontstaan zoals in Mexico.’
Javier Perez Royo – naar wie ik op weg ben – zegt dat het nog wel ‘vijftien tot twintig jaar’ kan duren voor Spanje de ecologische problemen volledig zal onderkennen: ‘Wij zijn lang heel arm geweest, arme landen hebben meer problemen, de bevolking is zich nergens van bewust. Het kan heel lang duren voor het zover is.’

Een kaartje voor de wereldtentoonstelling kost tachtig gulden. Ik begrijp alleen niet waarvoor mensen komen. Er staan mooie paviljoens en de prijs voor schoonheid en inventiviteit gaat ontegenzeggelijk naar de Hongaarse inzending – een in warm hout opgetrokken en met grijze leisteen toegedekt ontwerp dat lijkt op een uitheemse dorpskerk. Het Marokkaanse (permanente) paviljoen is een droom uit duizend-en-één-nacht, het is een geschenk van koning Hassan aan koning Juan – volgens de aangrenzende Algerijnen is het betaald uit de opbrengst van de kiefvelden van de koning rondom Ketama in het Rif-gebergte.
Maar het is vooral warm en loom, de temperatuur in Sevilla is nu al 35 graden en zal in de zomer oplopen tot 45. Ineens
loop ik binnen bij ONCE – die heel Spanje omspannende organisatie van lamme, kreupele, valide en minder valide-mensen die op hoeken en straten en in houten lokaaltjes loten (‘cupons’) aanbieden in het grote nationale tombola-systeem.
Once is een organisatie met een sociaal karakter, oorspronkelijk opgezet voor hulp aan blinden. De stichting (die in 1988 onder de PSOE-regering werd opgericht) geeft braille-boeken uit, heeft de laatste vier jaar vierduizend mensen met een handicap aan een baan geholpen en investeert geld in zeventig bedrijven en projekten. Jaarlijks gaat voor zes miljard gulden in de loterij om. Bovenal behoort Once tot het netwerk van ‘sociale bewegingen’ dat de PSOE sinds haar overnemen van de macht, over het land heeft gelegd.
Aan het hoofd van Once staat Matilde Fernández Sanz, de PSOE-minister voor sociale zaken en lid van het secretariaat van het uitvoerend comité van de PSOE. In de directie van Once zitten drie van haar vertrouwelingen, Miguel Durán, Mario Loreto en Enrique Servando. Once is niet alleen filantropisch. Het heeft eigen bv’s die hotels bouwen in Venezuela of apartementen in Spanje. Het is bijvoorbeeld voor tachtig procent eigenaar van de krant Diari de Barcelona en bezit Bahia de Cádiz. Een jaar geleden verwierf de stichting een aandelenpakket van 70 procent in het dagblad El Independiente, dat tot op dat moment kritisch was tegenover de regering-Gonzalez.
De PSOE is trouwens gefascineerd door de massamedia – tenslotte had daar ook Major in Engeland zijn onwaarschijnlijke verkiezing aan te danken. Het Spaanse persbureau EFE bijvoorbeeld, wordt geleid door Alfonso Sobrado Palomares en die is via een huwelijk verbonden met een vooraanstaand bestuurder van de PSOE die namens de regering ondermeer afgevaardigde in Madrid was. In de raad van beheer van de Spaanse radio en televisie zijn zes van de twaalf adviseurs lid van de PSOE. Van de autonome televisiestations heeft Canal 9 negen adviseurs van wie vijf van de PSOE; Canal Sur telt veertien adviseurs en daarvan heeft de PSOE er acht. Het station Telemadrid heeft een meerderheid van zeven ‘socialisten’ in een raad van dertien. Succesvol is de PSOE ook in de gedrukte media. De partij (samen met enkele particuliere partijleden) beschikt zelfs over een kleine krantenketen waartoe Diario Lanza (in Ciudad Real en Toledo) behoort en Alerta met edities in Santander, Valladolid en Palencia. Voorts zijn er minderheidsdeelnemingen van de PSOE in La Voz de Almeria (20 procent), Còrdoba (22) en Diario de Jaén (22). De Koerier van Andalusië beschikt over een heel bijzondere aandeelhouder: dat is Felipe himself. Maar dit is dan ook de streek waar Felipe Gonzales en Alfonso Guerra, die jarenlang de PSOE regeerden, opgroeiden, studeerden en de basis legden voor de nieuwe socialistische partij.
Is hun aanwezigheid in de macht misschien de reden dat Sevilla de wereldtentoonstelling en de hogesnelheidstrein kreeg? Ik vraag het Luis Yanez, historicus, PSOE-ideoloog, voorzitter van het comité voor het 500-jarig bestaan, zelf afkomstig uit Sevilla. Hij zegt: ‘Het is natuurlijk ongetwijfeld zo dat politici, die uit een bepaalde regio afkomstig zijn, uiterst gevoelig zijn voor de problemen van hun streek. Zij kennen die als geen ander. Andalusië is een van de armste gebieden van Spanje. Alles wat daar nu gebeurt heeft te maken met een herstel van evenwicht in macht en welvaart.’

De universiteit van Sevilla is na die van Madrid en Barcelona de belangrijkste van Spanje. Gevestigd in een voormalige tabaksfabriek die op het Louvre lijkt, maar dan omringd door sinaasappelbomen. Rechts, tussen de universiteit en het prestigieuse hotel Alfonso XIII, staat nog geheel in tact in rood-gele pastelkleuren de drogerij van de ‘Fabrica real de tabacos’
Rector Javier Perez Royo was ooit communist en werd lid van de PSOE. Hij studeerde in dezelfde periode als Felipe Gonzalez en Alfonso Guerra, hij was ‘hecht’ met hen bevriend. Hij zegt: ‘Felipe is heel anders dan Guerra, Felipe is warm, Guerra is kouder en elitair. Na het politieke schandaal rondom Guerra is de verhouding tussen de twee ernstig verstoord. Ze hebben zelfs lange tijd niet meer met elkaar gepraat. Nu is er soort wapenstilstand, ze overleggen weer. Maar de relatie tussen de partij en de regering heeft er sterk onder geleden. Het gebeurt meer en meer dat Felipe problemen heeft en politieke hulp moet zoeken bij de presidenten van de autonome provincies.’
Royo heeft de geschiedenis van de macht in Spanje bestudeerd en zojuist zijn bijdrage afgerond voor een boek dat in Frankrijk zal verschijnen. ‘Er zit’ zegt hij, ‘een wetmatigheid in de geschiedenis van ons land, het regelmatig terugkerend fenomeen van vernieuwing gevolgd door reactie. Steeds, dat was in 1868 zo toen Isabel II werd verjaagd en later in 1931 toen weer de Bourbons werden verdreven, ontstond een progressieve, democratische beweging die vernieuwing op gang bracht. Het duurde altijd maar kort. Wat volgde was een zwarte periode van conservatisme en reactie waarin de vernieuwing min of meer werd vastgelegd. Zo is het altijd gegaan. Progressieve linkse krachten stonden op en begonnen met verandering, die vervolgens na een rechtse omwenteling werden geconserveerd.’
Zo ging het ook na de dood van Franco, zegt de rector. Maar met als grote verschil dat toen een rechtse beweging de impuls gaf. Want het was de UCD van Suarez die begon met de vernieuwing van de grondwet, het fiscale systeem, de wetgevende vergadering, het strafrecht en de relaties met de rooms-katholieke kerk. Royo: ‘Zoals steeds in de geschiedenis gebeurde raakte ook nu de maatschappij onzeker en verlangden de burgers naar zekerheid, orde en evenwicht, want Spanjaarden zijn behoudend, ze hebben een conservatief instinct. Het vreemde deed zich nu voor dat de PSOE, een traditioneel linkse partij, plotseling voorbestemd was de partij van stabiliteit, orde en gezag te zijn. De PSOE kreeg zo de rol toebedeeld die traditioneel rechts altijd in het verleden had.’
Socialistisch is eigenlijk niet een goede aanduiding voor de PSOE, Royo noemt het ‘postsocialistisch’, ‘een partij die exerceert in het kapitalistisch Europa.’ Hij zegt: ‘De PSOE is absoluut geen partij van vernieuwing. De verkiezingsslogan ‘por el gambio’ (voor verandering) was misleidend. Felipe zit met z’n vrije markt-economie dicht bij Bush, Major en Friedman. Ach, dat zegt Felipe ook, het doet er niet zoveel toe of het om een zwarte of witte kat gaat, als die maar muizen vangt.’

Terug in Madrid is de voorzitter van de provincie Madrid, de PSOE-politicus Joaquin Leguina, slaags geraakt met de top van zijn partij. Hij zet zich af tegen het ‘machtsmisbruik’, tegen het opzetten van nieuwe uitvoerende comité’s ‘die aan niemand verantwoording verschuldigd zijn’, hij hekelt de ‘harde, autoritaire structuur’. ‘Wat aan de PSOE ontbreekt zijn een paar goede ideeën, niets beweegt of roert zich meer.’
De reactie is vermakelijk. De derde man in de partij en in het uitvoerend comité, Jose Maria Benegas, wil aanvankelijk disciplinaire maatregelen. De vrijheid van meningsuiting is in het geding.
Het hoofdkwartier van de PSOE aan de Calle Ferraz in het centrum van Madrid, lijkt een belegerde veste. Om bij Carmen Garcia Bloise – parlementslid voor Madrid, lid van het uitvoerend comité – te komen word ik tot op het lijf door veiligheidsfunctionarissen gevisiteerd. Ze is kwaad op alle kritiek die ze ‘brutaal’ noemt: ‘Dit is geen socialistische maatschappij maar een maatschappij voor allen. Deze maatschappij is de consequentie van veertig jaar totalitair regiem. De generatie van Felipe zou ik willen omschrijven als een weldenkende generatie. Waar we nu meer geconfronteerd worden is de opkomst van passiviteit, de nieuwe generatie is conservatief, veel conservatiever dan de ouders waren. Alles wat we doen wordt door onze critici belachelijk gemaakt. In werkelijkheid zijn we nog altijd geloofwaardig.’ Ze is het eens met Luis Yanez die voorspelt dat de PSOE nog minstens tien jaar aan de macht kan blijven – al dan niet met hulp van de autonome provincies: ‘Hoewel de mensen veranderd zijn, zullen ze zich de dictatuur van Franco blijven herinneren. Alleen Felipe staat garant voor stabiliteit.’

Weer op El Mundo ontmoet ik hoofdredacteur/directeur/oprichter en voormalig lid van de PSOE Pedro ‘Jota’ Ramirez. Hij is cynisch over de PSOE: ‘Mijn kritiek is dat ze hun belofte de samenleving te veranderen, de manier van denken van de mensen te beïnvloeden, niet nagekomen zijn. Ze gebruiken nu juist de gelaten stemming om aan de macht te blijven.’
Is Spanje dan niet ingrijpend veranderd?
Pedro ‘Jota’: ‘Dat is make-up. Als je die verwijdert blijkt dat het land heel veel lijkt op wat het altijd geweest is. Het is een land waar je niets bereikt als je geen steekpenningen (‘soborno’) betaalt aan overheidsdiensten. Als je als ondernemer een contract met een ministerie wil, moet je daarvoor betalen. Het is een land waar je met een lidmaatschapskaart (‘carnet’) van de PSOE oneindig veel meer bereikt dan zonder. Als je een baan bij de overheid wilt krijgen moet je lid worden van de PSOE. Als je congressen van de partij bezoekt zie je dat tweederde van de gedelegeerden hoge ambtenaren zijn van ministeries. En iedere ambtenaar, echt waar, ziet weer kans zijn eigen familie meer te bevoordelen dan andere.’
Schrijft u dat in uw eigen krant?
Hij zegt: ‘In Madrid is het misschien niet zo zichtbaar maar ga eens naar Andalusië en de Extramadura. Theoretisch kan je hulp en een uitkering krijgen als je in overheidsdienst werkt. Dat is bijna nooit het geval maar burgemeesters tekenen blindelings een verklaring omdat ze weten dat ze daarmee stemmen kopen. Daar schrijven wij over.’
De hoofdredacteur slikt wat gram zeg: ‘Wij zijn niet zulke fanatieke democraten. Wat denk je wat een maatschapij waard is die een dictator netjes toestond op zijn sterfbed dood te gaan, zonder ook maar ooit een serieuse aanslag op hem uit te voeren?’
De beste tijd, zegt de hoofdredacteur, beleefde Spanje tussen 76 en 82. ‘Er was toen een centrum-rechtse regering, maar heel democratisch, op het naïeve af. Ze speelde geen vieze spelletjes. Ik heb de idee dat na 1982 de Spaanse maatschappij wel rijker is geworden maar minder democratisch. Felipe bedrijft historisch opportunisme, mijn grootste kritiek is dat hij alle mogelijkheden heeft gehad om mensen en zaken te veranderen maar dat hij niets heeft gedaan. De PSOE is zo verrukt van de macht dat ze alle nieuwsgierigheid in nieuwe ideeën verloren heeft.’

In een hoek van de metro in station Puerta de Toledo staat na twee weken nog altijd de blinde man. Hij heeft zijn jas uitgetrokken en die neergevleid in een erker om er de nieuwe nacht door te brengen.

Vrij Nederland, 6 juni 1992

Polderpers