Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars

Portret van Engeland aan het eind van 1992

Twaalf miljoen armen, drie miljoen werklozen, een paar honderdduizend gezinnen zonder huis, tienduizenden zwervers op straat en een onophoudelijke reeks van faillissementen en noodverkopen – de recessie in het Verenigd Koninkrijk krijgt steeds gevaarlijker overeenkomsten met de Great Depression uit de jaren dertig. Wat is in godsnaam met Engeland aan de hand?
Is dit de erfenis van dertien jaar Thatcherisme? Of voltrekt zich hier, volgens de leer van Marx, een overmijdelijke periode van ‘instabiliteit’ in de economie? De derde wereld is nog maar zes uur varen weg.

That was the week that was: de BBC heeft vijf dagen onheil opgeteld en komt tot 14.000 ontslagen. Het pond sterling is nog nooit zo zwak geweest.
De Ford-fabrieken hebben het personeel voor een aantal weken naar huis gestuurd. Rover bevriest de lonen. Jaguar heeft 700 mensen naar huis gestuurd. Armstrad, het laatste Britse computerbedrijf van enige betekenis – ooit leverde de Britse computerindustrie aan een half miljoen mensen werk – staat op een verlies van 71 miljoen pond. Sears, de grootste keten van schoenwinkels, zal 350 winkels over heel het land gaan sluiten en 1800 mensen ontslaan. Zelfs Austin Reed, de befaamde kleermaker van kostuums met krijtjesstrepen voor managers en MP’s, leidt voor het eerst in zijn bestaan verlies. Ondertussen roept het schandaalblad Sun zijn miljoenenlezers op mee te doen aan de actie ‘Thatcher back’ – en dertig duizend dwazen antwoorden nog ook.
De nieuwe week is nog maar nauwelijks begonnen als het besluit valt dat dertig van de vijftig grote mijnen die Engeland nog heeft, gesloten zullen worden. Vijftig duizend mijnwerkers worden of onmiddellijk of op termijn ontslagen. Als de arbeiders uit de toeleveringsbedrijven erbij worden opgeteld zal de arbeidsmarkt een verlies van honderdduizend plaatsen moeten incasseren. De aankondiging van de massaontslagen wordt in Engelse kranten omschreven als ‘de meest dramatische’ sinds het begin van de recessie.
En voor Whitehall staat een dubbeldeksbus van de heren aannemers – ooit de trouwste Thatcher-trawanten – die murmureren dat voor het eind van dit jaar wederom vijftig duizend bouwvakkers hun baan gaan verliezen als er geen werk komt.
Het zal allemaal nog veel erger worden. Zelfs de gelovigen in het primitieve Thatcherism (‘vrije markt en vrije keuze’) gaan nu lijden. Zo werd op het Labour-congres in Blackpool verteld – ik heb de anekdote in commissie – dat een minister uit de Britse kabinet hevig had geklaagd toen hij, bij het verlaten van de Opera, door een haag van zwervers en daklozen moest om zijn limousine te bereiken.

Ach, Londen heeft natuurlijk altijd zwervers en daklozen gekend. Ongelijkheid? Zoals het ooit een privelege van elke Fransman was, rijk of arm, om onder bruggen te slapen zo kan elke Engelsman z’n eigen kartonnen doos uitvouwen in een portiek. Maar zelfs geoefende stedelingen, die alles al hebben gezien, moeten waarnemen dat het nu anders is dan het ooit was. Terwijl overal in Europa de armoede – een inkomen dat door de Europese Commissie omschreven wordt als ‘minder dan de helft van het gemiddelde inkomen’ – afneemt of gelijk blijft, neemt die in Engeland toe. Snel toe. In de grote steden openbaart zich plotseling de derde wereld, in de schaduw van de eerste wereld.
Nooit eerder bevonden zich zoveel vrouwen tussen de huis- en daklozen. Nog nooit mengden zich zoveel jonge mensen beneden de achttien (die sinds kort geen enkele vorm van sociale uitkering meer ontvangen) tussen de zwervers. En nooit was een Britse regering zo barbaars door psychiatrische ziekenhuizen te sluiten en patiënten naar buiten te sturen, de wildernis in.
Is dit nog wel een beschaafd land? zo vraag ik Chris Pond. Hij is directeur van Low Pay Unit, die met eigen onderzoek naar de armoede de ronkende propaganda vanuit Whitehall bestrijdt. ‘Nauwelijks,’ antwoordt hij.
Pond vertelt me het verhaal over zijn vriend: ‘Hij was een aardige eerlijke man die ziek werd. Hij leed aan paranoïa. Tot drie keer toe probeerde hij zichzelf te doden. Toen werd hij opgenomen in een van die grote Victoriaanse instituten in Zuid-Londen, het Tootingbec-hospitaal. De behandelingsmethoden waren al sterk beperkt, maar ze zorgden goed voor hem. In het ziekenhuis voelde hij zich veilig, kon hij voortbestaan. Op een dag werd Tootingbec gesloten, tweehonderd patiënten werden de straat op gestuurd. Mijn vriend ging naar zijn zuster in Brixton. Op een dag kon die ook niet meer voor hem zorgen. Toen wierp hij zich van een flat en was dood. Honderden mensen zoals hij bivakkeren nu op straat. In Londen zijn heel veel grote psychiatrische ziekenhuizen gesloten. We zouden die mensen moeten opvangen, hun families bijstaan. Dat is allemaal niet gebeurd.’

Dit is niet meer een maatschappij die leidt onder een stuiptrekking van het kapitalisme. Dit is een maatschappij waarin, zo schrijft Shirley Robin Letwin in ‘The Anatomy of Thatcherism’, een ‘bemoeizieke regering de vrede verstoorde en alles wat beschaafde mensen koesteren, verwoestte.’
Zelfs de Engelse staatskerk, de Church of England, die de Tories altijd zo toegenegen was dat ze spottend ‘de conservatieve kerk van het gebed’ werd genoemd, is nu vol schaamte over het verval van zeden en waarden. In een, voor zijn doen, scherpe toespraak hekelde de aartsbisschop van Canterbury de hebzucht en de golf van speculatiezucht die door zijn land waart: ‘Engeland is een maatschappij geworden van onbeteugeld individualisme waarin zelfs de wetten van moraal zijn geprivatiseerd.’ Had hij zijn stem maar eerder verheven.
Niets ontkomt aan het verval. Oude waarden zijn verdwenen. In zijn nieuwste boek ‘Distant Voices’ beschrijft John Pilger hoe Engeland een ‘gecentraliseerde, ondemocratische’ staat is geworden. ‘Maar terwijl de markt bevrijd werd van staatstoezicht, werd de informatie onderwerp van draconische controle. Er bestaan in Engeland inmiddels honderd wetten die publicatie van feiten tot een misdaad kunnen maken. Artikelen over bedrog en omkoping van officiële zijde zoals die in de jaren tachtig werden gepublicerd, zouden nu niet meer geschreven kunnen worden om,dat ze volgens de herziene Secrets Act illegaal zijn. Onthullende journalistiek is bedreigend en ouderwets geworden.’ En de BBC, die drastisch moest bezuinigen en een bestuur kreeg waarin Tory de dienst uitmaakt, is volgens Pilger een ‘instrument van staatspropaganda geworden.’

Dit is het derde jaar van een recessie die – volgens zes economen begin dit jaar in The Times – alle risico’s in zich draagt een depressie te worden. Het is inmidels zover. De cyclus in de conjunctuur voltrekt zich vrijwel volgens het boekje: eerst was er de hausse aan het eind van de jaren tachtig die genante winsten opleverde voor de bankiers, een kleine bevoorrechte groep ‘dealers’ en ‘brokers’ en ander gajes. De jacht op het grote geld kon vooral ontstaan door de risicoloze privatisering van staatsbedrijven. In zijn ‘Anatomy of Britain’ schrijft Anthony Samson hoe de nieuwe helden van het kapitalisme zichzelf gingen verrijken met enorme salarissen. De goudkoorts sloeg over van de ene naar de andere directiekamer, de top, de sub-top en een leger Young Urban Professionals deelde mee in de papieren voorspoed. Aangespoord door al dat zichbare materiële geluk, gingen de Engelse consumenten kopen als gekken – huizen, auto’s, apparaten, hypotheken. De economie raakte oververhit.
Daarna kwam de crisis, de recessie waarin alles stokte. In een depressie dalen de prijzen, de lonen, de interest, de koersen en de uitkeringen nog verder. Er wordt alleen nog het broodnodige geconsumeerd en vrijwel niet meer geëxporteerd. Er is sprake van grote werkloosheid, pessimisme en gebrek aan vitaliteit. ‘Dit wordt the winter of our discontent,’ zegt Chris Pond.

Dit verhaal over verval en ontluistering gaat niet in de eerste plaats over Brixton en Notting Hill Gate – wijken in Londen waar nog nooit een glimp licht in de duisternis doordrong en waar ‘de functionele, goedkope, bereidwillige onderklasse woont die op willekeurige momenten kan worden ingezet om het smerigste en vernederendste werk te doen’ (J. K. Galbraith in zijn nieuwste boek ‘The Culture of contentment’). Het gaat ook niet over de omgeving van Waterloo waar al sinds mensenheugenis zwervers neerhurken in ellendige uitzichtsloosheid. Zelfs de troosteloze omgeving rondom King’s Cross, waar straten overwoekerd zijn door gras en onkruid, zwervers (jonge mannen en vrouwen) in lange rijen voor het station van de ondergrondse verblijven en waar misdaad, drugshandel en prostitutie zo zijn toegenomen dat de (deel)gemeente Camden een speciale politiebrigade heeft moeten oprichten tegen de overlast – zelfs King’s Cross is niet meer bijzonder.
Maar dat het al zo ver kon komen met Lincoln’s Inn Field?
Het kost even moeite het te vinden. Dit is High Holborn, een drukke straat in het hart van de stad. Met wit marmeren gevels, dure winkels, mooie vrouwen en mannen die een belangrijk en snel bestaan leiden. Hier bevindt zich het zenuwcentrum van de Britse maatschappij, met de befaamde London School of Economics, de Royal Courts of Justice, met alle grote advokatenkantoren en een eindje verder de Old Baily. Hier werd, in enkele jaren tijd, de Britse maatschappij herschapen naar de ideeën van Friedman en Thatcher. Hier werd de snelle privatisering mogelijk gemaakt van de staatsbedrijven en de basis gelegd voor nieuwe rijkdom en grote armoede.
Links is een doorgang, een steeg bijna. Ineens wandel ik de derde wereld binnen.

Het park heet Lincoln’s Inn Field. Tot voor kort een oase van rust en pracht met oude bomen, stenen banken gewijd aan dode burggraven, een houten muziektent en een tennisbaan. Op de grote grasvlakte hebben nu de nieuwe verdoemden met pallets, plastic, vodden en kartonnen dozen een nederzetting gebouwd van hutten. Aan de rand van het park, tegenover het Royal College of Surgeons, heeft Lesley Soame zijn domein. Een slaapplaats in een grote kist, een dagverblijf van planken en plastic en een vuurplaats er tussen in. In een hoek ligt een stapel electriciteitsdraad. De hele dag is hij bezig het rubber weg te snijden, om het koper dat te voorschijn komt te verhandelen. ‘Ze denken dat ik het draad steel, maar je kan van alles in Londen op straat vinden. Een dag werk levert me zo drie pond op.’
Hij is 52 jaar, komt uit Ierland, heeft altijd en overal in café’s en bars gewerkt, in Spanje en op het Damrak in Amsterdam. Nooit een dag zonder werk gezeten. Zes maanden geleden werd de Salamander Bar bij King’s Cross, waar hij werkte, door een nieuwe bedrijfsleider overgenomen. Al het oude personeel werd ontslagen, hij ook. Voor het eerst kon hij geen werk meer vinden en begon de ondergang. Zijn verhaal is in grote lijnen gelijk aan dat van de tweehonderdduizend Engelse gezinnen die de afgelopen tijd uit hun huis werden gezet. En het wijkt nauwelijks af van dat van de driehonderdduizend huiseigenaren die op dit moment grote achterstand hebben bij het betalen van hun hypotheekrente. Voor hen dreigt het noodlot dat Lesley Soame trof.
Hij zegt: ‘Ik had een huis, een flat in de buurt van Paddington. Ik had dat een paar jaar geleden gekocht voor vijftigduizend pond en toen ik werkloos werd had ik er nog een hypotheek op staan van veertig duizend. Omdat ik nog geen jaar bij mijn laatste werkgever had gewerkt, kreeg ik geen bedrag ineens mee. Ik viel terug op veertig pond werkloosheidsuitkering – nog niet de helft wat de hypotheekrente me wekelijks kostte. Ik kon nog wel wat extra subsidie krijgen van de regering maar dat bleef veel te weinig. Ik moest dus mijn flat verkopen en omdat de prijzen zo gezakt zijn bracht die nog maar dertigduizend op. Mijn vrouw en kinderen gingen bij me vandaan omdat ze zeiden dat het mijn schuld was. Ik leef nu zes maanden hier, de bank eist geld van me maar ik ben niet van plan dat ooit nog te betalen. Omdat ik geen huis meer heb, heb ik geen adres en omdat ik geen adres heb kan ik geen werk meer vinden. Maar ik ben geen uitzondering. Loop maar door het park. Er zijn hier metselaars, onderwijzers, architecten, er is zelfs een werkloze professor die zijn huis moest verlaten en nu daar aan de rand van de tennisbaan woont.’ Lesley hoopt, nog voor de winter echt begint, met het beetje geld dat hij inmiddels van z’n uitkering gespaard heeft uit Engeland te kunnen vertrekken. Misschien wel weer naar Nederland.

Een eindje verder bivakkeert Pat Pyrna die ooit uit Ierland naar Liverpool verhuisde. Nu wordt het noorden van Engeland al veel langer geteisterd door malaise, veroorzaakt door het eigen Engelse noord-zuid probleem. Om de ellende daar te ontvluchten vertrok Pyrna enkele jaren geleden naar Londen om als timmerman te werken. Tot ook hier de crisis toesloeg en hij werkeloos werd. Aan de kist te zien, die hij bouwde van meubelplaat, is hij een begenadigd vakman. Binnen is een bed, een kleine ruimte om te zitten met een plank waarop marmelade, thee en oploskoffie staan. Hij is begin veertig, vrolijk, uitdagend. Roept ‘hi love’, ‘hello mate’ naar de vormelijk geklede passanten die even de aangrenzende kantoren hebben verlaten. Een enkeling antwoordt schuchter de roep. De confrontatie is amusant. Want wie gedraagt zich hier het zelfverzekerdst? De mensen die nog alles te verliezen hebben of zij die alles al verloren hebben? ‘Ik begrijp hen best,’ zegt Pat Pyrna. ‘Een jaar geleden was het hier nog een rustige, prachtige omgeving waar de rijke mensen graag kwamen. Nu wij hier zijn is dat voor hen moeilijk te accepteren. En ze weten, wat met ons gebeurt kan hen morgen overkomen.’ Hij zet een zwart geblakerde ketel in het vuur: ‘Ik zou natuurlijk naar een opvanghuis kunnen gaan. Ik wil dat niet. Het is er zo somber. Die hostels zitten vol met mensen die ontslagen zijn uit psychiatrische ziekenhuizen. Zij kunnen er niks aan doen maar ik blijf liever hier.’
Maar het is onzeker of de nederzetting van armen nog lang getolereerd wordt. De directeuren en associé’s van de keurige kantoren hebben zich verontwaardigd gemeld op het stadhuis van de Borough of Camden – de deelgemeente waaronder het Lincoln’s Inn Field valt. Want goed, de depressie mag dan ook hen raken. De advokatenkantoren moesten een kwart van hun personeel ontslaan. Duizenden accountants, architecten en hoog opgeleide employees verloren hun baan. Achter de facades van de bureau’s spelen zich Dickens’-achtige tafrelen af. Maar om zo nadrukkelijk in hun voortuin geconfronteerd te worden met de smakeloosheid van de armoede gaat te ver. Met tegenzin – want de raad van Camden heeft een labour-meerderheid – is akkoord gegaan een twee meter hoog hek met punten om het park te plaatsen voor een bedrag van 65.000 pond. De zakenmensen rondom Higfh Holborn, verenigd in het ‘Camden Business Partnership’ zullen het bedrag betalen. De Lincoln’s Inn Field Asociation zal het terrein schoonmaken en toezien dat het schoon blijft.
Zo zal tenminste de illusie van voorspoed in het hart van Londen, kunnen voortbestaan.

Beneden in de hal van het stadhuis van Camden staat een woedende vrouw voor een bode. Ze is oud en broos maar nog fier.
‘Dat dit ook ons soort mensen moet overkomen,’ zegt ze bevend.
‘Ons soort mensen?’
‘Ik was verpleegster in de oorlog, ik heb altijd gewerkt en nu, ik ben nog nooit zo arm geweest.’ Vorig jaar betaalde ze 120 pond huur per maand, nu is dat tot 200 gestegen, zegt ze. Ze houdt nog precies 11 pond per week over om van te leven.
Het stadhuis is oud, een onmogelijke doolhof van gangen. Overal in kamertjes en nissen staan bureau’s en dozen. Dit jaar heeft de gemeente van Camden weer 32 miljoen moeten bezuinigen. Julie Cullen, in een deprimerende omgeving op de derde verdieping, somt op wat gebeurde sinds de regering alle lokale overheden practisch onder curatele plaatste en het gezag en de macht vanuit Whitehall ging uitoefenen. ‘De ene na de andere bezuiniging kwam. Op het onderwijs, de speelterreinen, het vrijwilligerswerk, maaltijden en melk op school. Nu moeten er weer 35 mensen weg bij de bibliotheken. Er is in deze gemeente inmiddels meer dan twintig procent van de mensen werkloos. Geen baan is meer veilig. Ook ik kan morgen ontslagen worden. Het is een wurgende spiraal naar beneden.’
De Engelse regering eist dat gemeenten hun woningwetwoningen verkopen – als onderdeel van de privatisering van alles van gemeenschappelijk bezit is. Zolang dat niet gebeurt krijgen gemeenten als straf een korting op halsstarrigheid. Camden heeft 32.000 woningwetwoningen. Verkopen aan huurders lukt niet. De huur ging vorig jaar met dertig procent omhoog om zo in elk geval de huizen te kunnen onderhouden. Niettemin ontvangt Camden de op een na laagste uitkering van de gemeenten in de stad Londen. Het aantal daklozen zal dit jaar met sprongen stijgen. Zelfs met Holborn binnen haar grenzen is Camden het ergst door de armoede getrofen stadsdeel van Londen.
Buiten staan hele straten met huizen te koop. Winkels zijn dichtgetimmerd en kleine bedrijfjes verlaten en vervallen. Gemeenteraadslid Brian Woodrow vergelijkt de situatie met de jaren dertig: ‘Camden wordt weer één grote achterbuurt.’

Zo heeft Adam Smith het natuurlijk nooit bedoeld toen hij zijn filosofie van ‘laissez faire’ achterliet. ‘Geen samenleving kan voorwaar gelukkig en voorspoedig zijn als het overgrote deel arm is en ellendig,’ schreef hij tweehonderd jaar geleden toen hij de ellende van het proletariaat zag Winston Churchill verfoeide begin deze eeuw ‘het ernstig nationale kwaad’ van het tegen elkaar uitspelen van arbeiders die onderbetaald werden. Met alleen maar de wetten van vraag en aanbod kan dat kwaad nooit worden uitgebannen, wist Churchill, ‘dan immers zal er geen vooruitgang zijn maar voortdurende achteruitgang.’ En de Engelse minister van financiën David Lloyd George reddde in 1911 misschien wel het voortbestaan van het Engelse kapitalisme. Hij trotseerde een constitutionele crisis en besloot tegen de wil in van het gefortuneerde deel van de natie, de armen en werklozen te hulp te komen met uitkeringen, medische hulp en steun.
Maar wat gebeurt nu? Chris Pond, directeur van de Low Pay Unit die de armoede onderzoekt, is onbarmhartig in zijn oordeel: ‘De armste arbeiders in Engeland zijn nu slechter af dan honderd jaar geleden. Gevangen tussen het kwaad van de recessie en de uitzichtsloosheid van de arbeidspolitiek van de regering, stijgt het aantal arme mensen snel.’
Dit is Groot Brittanië anno 1992: De lonen gaan omlaag. Het afschaffen van het minimuloon kan elk moment aangekondigd worden. Enkele miljoenen vrouwen zullen minder gaan verdienen en van het principe van ‘gelijke betaling’ zal niets overblijven. Bij controles is gebleken dat een derde van de bedrijven in Engeland hun arbeiders onderbetaald – dat geldt voor alle categorieën. Er is niemand die in opstand komt. De vakbonden zijn in de laatste jaren gemuilkorfd. De arbeiders zelf zijn zo angstig hun baan te verliezen dat ze zwijgen. Kinderarbeid komt weer voor. Een onderzoek onder 2000 scholieren van 10 tot 15 jaar in Birmingham, toonde aan dat 43 procent van de kinderen een baantje heeft. Ze verdienen een half tot anderhalf pond per uur. In heel Engeland worden lonen betaald die aanzienlijk lager liggen dan de ‘fatsoenlijke loongrens’ die de Raad van Europa heeft vastgesteld op 207 pond per week. En intussen zijn bij de Engelse regering plannen voor een drastische ingreep in de uitgaven voor sociale zekerheid. De werkloosheidsuitkering zal van een jaar tot een half jaar worden teruggebracht. Het bedrag van 66 miljard dat nu aan sociale uitkeringen wordt betaald moet worden verminderd tot 50 miljard.

Zo is het tijd voor weer een ander fenomeen uit de jaren dertig: dat van de liefdadigheid. De armen en daklozen raken langzamerhand overgeleverd aan vrijwilligers en ‘fundraisers’ – het enige vak met nog toekomst in Engeland. In elke straat van Londen staat wel een collectant. Huis-aan-huis collectes , ‘vlaggedagen’, bazaars, de week van het ‘wisselgeld’, kerstinzamelingen – de ene actie volgt de andere op. Advokaten krijgen verzoeken van alle mogelijke organisaties om toch vooral aan hen te denken als cliënten overwegen legaten na te laten.
‘Char’ is een campagnebureau voor de huisvesting van alleenstaanden; ‘Crisis’ is het nationale liefdadigheidsfonds voor alleenstaande daklozen; ‘Shack’ verzamelt geld voor thuis- en daklozen; ‘Shelter’ is een landelijke organisatie van vrijwilligers voor meer huizen; de ‘charity poverty action group’ staat gezinnen met kinderen bij; MIND is een nationale beweging van vrijwilligers die mensen met psychische problemen opvangt – vaak afkomstig uit de door de regering gesloten psychiatrische ziekenhuizen; het ‘Homelessness Network’ zamelt geld in en zoekt opvanghuizen voor de 12.000 zwervers en daklozen in Londen. En in ‘Churches National Housing Coalition’ werken alle kerken en religieuze groeperingen samen voor leven na de huisuitzetting. Al die goedwillende, goedbedoelende organisaties zijn afhankelijk van de offervaardigheid van het Beatrice Laing Trust, Waites Trust, Baring Foundation, Kings Fund – kortom de 1900 lokale en nationale liefdadigheidsfondsen. De nieuwe Florence Nightingale-maatschappij. Tot ook die ophoudt.
‘Het was een heel interessant jaar voor fondswervers,’ zegt ‘funding officier’ Desmond Hand van MIND in Camden met gevoel voor understatement. ‘De concurrentie tussen de liefdadigheidsfondsen was zo enorm dat ik het begin geen cent binnenkreeg. Sommige stichtingen waarmee wij in contact kwamen, waren overstroomd met aanvragen.’
Maar zelfs mét geld zijn de mogelijkheden beperkt. Joe Oldman van Char – in een miserabel klein kantoor achter King’s Cross – zegt: ‘De toestand in Engeland is dramatisch voor alleenstaanden. We hebben eigen onderzoek gedaan. We telden elfduizend mensen die in portieken en in parken slapen (‘sleeping rough’), dan zijn er nog eens achttienduizend die in tehuizen voor daklozen zitten. Geld is nog niet eens het grootste probleem, huizen daar gaat het om maar die zijn er niet.’
Dagenlang probeer ik vervolgens Shelter en Shack te bereiken. Ze reageren afhoudend, laten tenslotte weten niets te zeggen te hebben. ‘Ik weet hoe dat komt,’ zegt Chris Pond van de Low Pay Unit: ‘Shack heeft in het verleden politieke uitspraken gedaan die de conservatieve regering niet zinde. Shack zou daardoor de hele liefdadigheid in opspraak hebben gebracht. Er volgde intimidatie die erop neerkwam dat de regering elke vorm van hulp zou staken aan ook andere liefdadigheidsinstellingen. Vandaar dat je van die kant geen kritiek meer hoort.’

Chris Pond zegt: ‘Heel lang is de armoede in Engeland onzichtbaar gebleven. Nu komt die naar buiten.’Dat levert schrijnende beelden op. Een executive die met zijn draagbare telefoon neerhurkt op straat en door een map bladert – met naast hem een vrouw met kind bedelend op het trottoir.
Pagina’s grote advertenties in The Independent en The Guardian van Hutchinson, Vodafone en Cellnet die in felle concurrentie nog even alle Britten met een inkomen boven modaal van een draagbare telefoon willen voorzien – en rijen mannen en vrouwen die de vuilnisbakken in de straten leeghalen.
Pond praat over de ‘onmacht’ van de armen en de fragmentatie van de maatschapij: ‘Ik weet niet of die bewust georganiseerd is, maar wat je ziet is dat mensen tegen elkaar worden uitgespeeld. Een aantal jaren geleden had je langdurige dienstverbanden, arbeiders die in eigen gemeenschappen woonden, kinderen die gingen doen wat hun ouders hadden gedaan. Dat is allemaal afgebroken. Er is nu deeltijdwerk, ongeregeld werk, de samenhang is verdwenen en de vakbonden vertegenwoordigen hun leden niet meer.’
In ‘The culture of contentment’, het jongste boek van J.K.Galbraith, wordt een hebzuchtige tevreden meerderheid in de Verenigde Staten beschreven die met voorbijgaan aan de arme minderheid de staat naar eigen egocentrische normen inricht en organiseert. Het boek zou over Engeland kunnen gaan. Pond: ‘De electorale minderheid hier heeft niemand meer die voor hen opkomt. De armen worden aan hun lot overgelaten.’
Tot het moment komt dat ministers bij het uitgaan van de opera over daklozen struikelen. De straten vuil worden. De misdaad stijgt. De ondergrondse met verval wordt bedreigd – op een ochtend is Victoria onbereikbaar. De ondergrondse Jubilee-lijn niet wordt doorgetrokken naar de London Docklands omdat er geen geld is. De Canary Wharf, dat het symbool moest worden van nieuw elan in de Docklands, half leeg blijft en onbereikbaar is voor openbaar vervoer.
Pond: ‘Zelfs de tevreden meerderheid wordt nu getroffen door het verval. Misschien dat we zo leren dat sociale rechtvaardigheid en economische voorspoed hand in hand gaan.’

(Vrij Nederland 243/10-1992)

Polderpers