‘De Peel, overlevingskansen voor de Nederlandse Camargue’
Ver aan de horizon wordt de vlakte omzoomd door bossen. Tussen het taaie, piekerig groen-bruine buntgras dat het open landschap domineert staat hier en daar een verdwaalde berk. Links groeit een vliegden en bij de schuilhut bloeit een vlier waaruit de spotvogel roept. Tussen het pijpestro staat een zwarte els. Mijn gezelschap beziet die wildgroei misprijzend. Bomen zijn hier ongewenst, hij gruwt ervan. In de Groote Peel zijn bomen een vloek in het landschap.
Voordat de laatste kolonisatie van de Peel begon zag je van hieruit vijftien kerktorens. Toen – o paradox in een periode waarin de bossen sterven – ging de uitgestrektheid verloren door spontane bosgroei. Nu worden IJslandse paarden, schapen, geiten en houthakkers het reservaat ingejaagd om het panorama terug te krijgen. Dit moet wel het laatste gebied waar met instemming van de strengste natuurbeschermers duizenden berken zijn gerooid en afgevreten. Hier corrigeren opzichters de loop van de geschiedenis met als motto: als je de natuur wilt behouden moet je actief ingrijpen. Dat is geen geringe opgave. Het land hier hoort open en nat te zijn. Behalve voor wijdsheid wordt hier gevochten om water. Water wordt ‘het bloed van de Peel’ genoemd. De ergste vijand is de moderne landbouw die water slurpt. Boeren die opgezweept worden meer te produceren zijn de vampiers van het natuurreservaat. De strijd voltrekt zich nog redelijk goedmoedig. Met dijkjes en dammen in watergangen en kanalen om het wegstromen van water tegen te gaan. Met ontelbare procedures bij de Raad van State tegen onverbeterlijke Peelgemeenten die de boeren goedgunstig zijn. Met ingehouden woede op bijeenkomsten waarin de boeren wordt aangezegd dat de tijden veranderen.
Het opmerkelijkst hier is het geluid. Het is ingehouden, gedempt, het sterft weg in de bodem die veert, beweegt, drijft in een nat landschap. Het bezoekerscentrum in De Groote Peel heet ‘mijl op zeven’. De naam herinnert aan de omtrekkende bewegingen die reizigers vroeger moesten maken om van Meijel in Sevenum te komen. Van dat immense, ontoegankelijke moeras is nog een slordige duizend hectare over. Nog een spreekwoord herinnert aan het veen van vroeger: de moord stikken. Nog steeds zijn er verraderlijker plekken. Thieu van Deursen die ooit houthakker en boswachter in de Canadese wouden was en nu al meer dan dertig jaar beheerder is van De Groote Peel, voert me weg van de gebaande baanden in het reservaat. Onmiddellijk word ik verrast door de onbetrouwhaarheid van het terrein. De bodem golft, borrelt, opent zich en maakt gulpende geluiden. Drijftillen heten hier kwaagten. Ze liggen als sponsen op het water, plantenresten die zich in duizenden jaren ophoopten. Hier groeien nog de lavendelheide en vangen de kleverige tentakels van de zonnedauw kleine insekten waarmee de plant zich voedt. Hier is zelfs nog het wonderbaarlijke sphagnum, schepper van levend hoogveen. Thieu van Deursen koestert het als een kleinood. Hij heeft er bomen voor moeten omhalen. Hij heeft Staatsbosbeheer, zijn werkgever, weten te overtuigen dat er dammen en dijken moesten komen. Nu is het sphagnum terug. ‘We zijn goed bezig’ mompelt hij voor zich uit, ‘er is nu al weer veel meer hoogveen dan vijftien jaar geleden. ‘
Voorzichtig keren we terug over de zompige grond. Door een stukje struikheide – al even kwetsbaar en gevoelig als de rest van het reservaat. Imkers zullen straks tijdens de bloei kasten plaatsen om bijen honing te laten verzamelen. De kans is groot dat die opnieuw zal worden afgekeurd. Sinds Tsjernobyl blijft het aantal becquerellen radioactiviteit in de heidehoning onaanvaardbaar hoog. Terwijl de autoriteit al lang de emoties heeft gesust en de gevaren bagatelliseert, blijft de heidebloesem waarschuwen. Eigenlijk is de Groote Peel een subversief gebied. Het protesteert tegen het roven van het grondwater en het opponeert tegen technologische gevaren. Geen wonder dat Braks er liever vandaag dan morgen van af wil.
Het reservaat heeft knuppelbruggen en de onvermijdelijke genummerde paaltjes langs een wandelroute. Streekbewoners zelf halen hun neus op over zoveel gekunsteldheid. ‘We hebben een deel van het reservaat opgeofferd aan het publiek, ‘ zegt Thieu van Deursen met tegenzin, ‘maar propageren doen we niets. ‘ Zijn vader stak turf voor eigen gebruik. Dertig duizend turven voor één stookseizoen. Hij pachtte jaarlijks een perceel veen van de gemeente en groef twintig kubieke meter af. Werk voor een maand. Hij legde de turven te drogen, draaide ze om en bracht ze tenslotte met de kruiwagen naar huis. Als de zomer droog was kon hij in twee maanden zijn brandstof voor de winter verzamelen. Als het nat was deed hij er de hele zomer over. Later kocht hij grond, ontgon die en werd boer op een paar bunders. Vader van een groot gezin dat net niet groot genoeg was om in aanmerking te komen voor een speciale premie van de Moederkerk, die inging bij twaalf kinderen. Weer later verkocht hij zijn akkers aan Staatsbosbeheer die ze onderbracht in het nieuw te vormen reservaat. Thieu kwam terug uit Canada en werd een van de beste beheerders die Staatsbosbeheer zich kon wensen. Hij paste op de Peel alsof het zijn eigen grond was. ‘Er zijn hier zoveel ontberingen geleden, er was zovbeel slavernij, ‘ zegt hij. Laag boven ons maken scholeksters snerpende geluiden. Fuuten zoeken bescherming tussen kolonies kokmeeuwen. Op elke drijftil in het roerloze, donkere water van de vennen, blaken en oude boerenkuilen broedt een vogel. In de verte klinkt het melancholieke, donkere geluid van de roerdomp. Hier is nog de laatste kolonie van 500 kraanvogels. In de winter passeren en fourageren er nog eens duizenden in de open vlakte van het reservaat. Thieu van Deursen’s wereld zou volmaakt zijn op de dag dat de korhoenders besluiten terug te keren naar de Peel.
De peelwerker
Het laatste peelwerkershuisje van Ospel staat niet ver van het voormalige klooster. Want alles vergaat. Nederig, met kleine deuren en ramen en met riet bedekt. Frens Feyen werd er 65 jaar geleden geboren en heeft er altijd gewoond. Een kleine man met roodomrande ogen die de taal van de streek spreekt en vroeg oud werd van het harde werk. De middelste uit een gezin van zeventien kinderen van wie er twaalf overbleven. Zij kregen wél de premie van de rooms-katholieke parochie. Toen Frens Feyen dertien jaar werd moest hij mee de klot in. Hij herinnert zich zijn vader en vergeet wat hij zelf doorstond: ‘Mijn vader werkte bij Jan van de Griendt. Elke ochtend ging hij om zes uur met een grote kan drinken en boterhammen van huis. Hij moest dan een uur door de bagger naar zijn werk lopen. Om acht uur ’s avonds kwam hij terug. Meestal was hij kletsnat. Hij werkte zes dagen per week en als hij zaterdagavond thuis kwam moest hij nog een half uur naar het kantoor van de turffabriek in de Moost gaan om zijn g eld te halen. Toen ik dertien was moest ik mee. ‘
‘Slavenwerk? Je wist niks beter, het was allemaal akkoord-werk. Als je zat verdiende je niks. Je moest prestatie verrichten want aan het eind van de dag kwamen ze de turf opmeten die je had gegraven en daar werd je naar betaald. In het begin hoefde ik nog niet te graven, daar was ik te min voor. Ik kreeg toen f 3. 50 per dag. Later moest ik eraan en groef ik 18 tot 20 kubieke meter turf per dag. Dan verdiende ik twintig gulden. Mijn vader had drie hectare grond en zodra ik ’s avonds thuis kwam moest ik hem helpen. ‘
‘Ja nu ik terug kijk was het slecht, eerlijk waar. Toen spraken we daar nooit over. Het was gewoon zo. Eén keer per jaar kwam heer Van de Griendt kijken. Hij zat dan in een wagentje van het spoor waarmee de turf werd afgevoerd. Dan zat hij zo (gaat recht overeind zitten en staart in de verte) in een grote stoel. De mensen stonden te graven en te zweten maar hij zei niks. Er waren veel mensen die het niet aankonden. De een kan nou eenmaal beter werken dan de ander. Die verdienden niks. Daar gaf Van de Griendt niks om. Die mensen kregen lichter werk met een heel klein loontje. Als ze van armoede naar Sint Vincentius gingen om hulp werden ze uitgejouwd. Hoogstens kregen ze blik met amerikaans spek mee. Naar de pastoor gaan hielp helemaal niks. Mijn vader stak elk jaar 2500 turven voor meneer pastoor. Echt waar, ik lieg niet. En met de slacht gingen er karbonades van het varken naar de pastoor. Eén keer zei ik tegen m’n vader, wat ga je nou toch beginnen. Dat moest je geen twee keer zeggen want dat hoorde nou eenmaal zo. Geloof? Angst? Vooral angst ja want de burgemeester en de pastoor regeerden alles. Die werkten samen. ‘ ‘We zeiden bij het schaften wel eens, eigenlijk zouden we meer moeten verdienen maar niemand die het tegen de opzichter durfde te zeggen. Later met de ruilverkavelingen ging het beter. Van de Griendt moest meer gaan betalen om ons niet te verliezen. In het begin van de jaren zestig was de turf niks meer waard. Overal stonden grote, hoge bulten. Vooral aan de Vossenberg. Duizenden meters turf, allemaal door ons gegraven. Toen ging ineens al die turf branden. De ene hoop na de andere ging in vlammen op. Natuurlijk waren ze best verzekerd. Jan van de Griendt reed dan samen met de burgemeester en de veldwachter met zijn jeep door het veld, dronken bier en zagen de vlammen. In 1962 is ook de turfstrooiselfabriek aan de Moost door brand verwoest. Toen was het gedaan met de turf. ‘
‘Je wilt het niet geloven, maar ik heb het mooiste deel van de eeuw geleefd. Onze tijd was veel mooier dan die van nu. ’s Avonds gingen we bij elkaar buurten en in de winter luisterden we naar elkaars verhalen terwijl je natte turf op het vuur wierp om de oplaaiende vlammen te dempen. ‘
De kippen-koning
De brand in de turfstrooiselfabriek van Ospel vormde het einde van een periode. Het tijdperk van de bio-industrie kondigde zich aan.
Het dorp Asten staat symbool voor de voorspoed die de Peel de laatste dertig jaar beleeft. Een keurig, uitgestorven centrum met onberispelijke nieuwbouwwijken waar mannen van middelbare leeftijd het gras aan de randen van het gazon bijpunten. De sjiekste wijk ligt aan de Dijkstraat. Grote woningen gebouwd in bombastische archictectuur die zich het best laat omschrijven als Belgische stijl. Vooral veel gedrochtelijke vonkenvangers boven schoorstenen. Het allergrootste huis is van Gerard Goossens. Zoon van een keuterboer met wat varkens en kippen en graan. ‘Op zeker moment dacht ik, ik wil wat meer varkens en pluimvee. ‘ Het werden tenslotte een pluimveeslachterij met 700 man in dienst, een varkensbedrijf met 15. 000 dieren, een landbouwbedrijf met 280 hectare grond, een horecabedrijf omdat dat toevallig in zijn terrein lag en een bouwbedrijf met 160 man. Rondom het huis aan de Dijkstraat toont hij me het zwembad, veertig hectare bos, het koetshuis, de garages en het gazon – zo groot als een golfbaan. ‘Dat houd ik helemaal zelf bij’ zegt hij vergenoegd en wijst trots op de grootste en zwaarste zitgrasmaaimachine die ik ooit zag. Want heggeschaar of machine, voor mannen van middelbare leeftijd op het platteland rest niet veel anders dan het gras kort te houden. Goossens is intussen puissant rijk maar heeft net als Frens Feyen heimwee naar het verleden: ‘Er heerste echte armoede hier maar de mensen hadden toch plezier. Er was gezelligheid, ze lagen met elkaar te kletsen onder de lindebomen. Ze gingen buurten, naar de kerk en naar het café. Daar bestond het leven uit. ‘
‘Ik ben altijd erg actief geweest in de boerenorganisaties. Op zeker moment ben ik slachtkuikens gaan houden. Op een dag vertelde ik de coá”áperatie dat hun slachterij niet deugde. Dan moet je hetzelf maar gaan doen als je het beter kan, zei de directeur. Zo ben ik begonnen. En na de ruilverkaveling werd alles groter. Wat doe je dan als boer? Dan ga je grond kopen. Grond is alles. Als de één het kan, doet de ander het ook en dan lopen de prijzen vanzelf omhoog. ‘
‘Twintig jaar geleden werd de grond van Van de Griendt in het openbaar verkocht. Jan, de kleinzoon, maakte er niks van. Hij woonde op een groot kasteel in Griendstveen met 300 hectare landbouwgrond maar het bedrijf ging steeds verder achteruit. Een vriend van mij, Bekkers die in frikandellen doet, heeft toen het kasteel gekocht en ik kocht de 300 bunder grond. Die kostte me zesduizend gulden per bunder en na vijf jaar verkocht ik de helft voor vijftig duizend gulden. Zo verdiende ik bijna zeven miljoen en dat was belastingvrij. De grondprijs doet hier inmiddels zeventig duizend gulden per bunder. Met tien procent rente kost je dat zeven mille per jaar. Daar haal je dan aan mais voor hoogstens f 2500 af. Ook al betaalt de fiscus de helft terug, met deze prijzen klopt er niets meer van. Ik heb een vriend die ook gek is op grond. Hij heeft een paar honderd bunder gekocht en die leveren hem vijf ton verlies per jaar op. Die betaalt hij uit zijn varkensbedrijf. ‘
‘Mijn grootste order was de levering van zestien miljoen kippen aan de Sowjet-Unie. Een Russische delegatie zou vier bedrijven in de Peel bezoeken en de beste uitkiezen. Ik was als eerste aan de beurt. Toen zeiden die Russen, kunnen onze vrouwen hier zwemmen? Ik zei, daar is het zwembad. Is er ook wodka en whiskey. Ik zei zoveel als jullie hebben willen, daar staat het. Na een paar uur zei de leider van de delegatie. Ik heb het al gezien, bel die andere drie maar af. ‘
‘De groten worden alsmaar groter. De particuliere mengvoerfabrikanten hebben alleen maar belangsteling voor de grote en de beste boeren, de kleintjes willen ze niet hebben. Die zijn te onvoordelig. Het beste is die groten hun gang te laten gaan. Laten zij de quota opkopen van de kleine boeren. Die krijgen dan geld en de besten kunnen hun gang gaan. ‘
‘Ik heb zelf vijftien duizend varkens. Ik beschik over zoveel capaciteit dat ik de mest acht maanden kan opslaan. Wij halen voedsel uit de mest. Het afval van de frites-bakkers, stoomschillen, biergist – dan kunnen we allemaal weer gebruiken. Mest is ook geen probleem. Wij kunnen die indikken. De dikke mest gaat via de Mestbank naar de polders en de dunne mest gaat hier in de omgeving over het land. Dat kunnen al die kleine bedrijven niet, zij werken oneconomisch, investeringen zijn voor hen te duur. Ik zou zeggen, minister komt nou op met de nieuwe wetgeving. Als wij dertig procent van onze varkens moeten inleveren zou ik dat niet erg vinden. Voor ons zou dat geen ramp zijn. Die kleine zullen in de problemen komen, zij zitten met hun verplichtingen aan de bank. ‘
‘Kijk nu eens naar mijn tuin. Notenbomen, essen, witte elzen, ze staan er prachtig bij. En hier vlakbij is mijn varkensbedrijf. Er staan singels van groen omheen en je ziet geen boom die aangetast is. Mest? Ik merk niks van mest. Bij de naaldbomen zit het probleem maar dat komt omdat niemand ze onderhoudt. ‘
‘Ik verdedig altijd die arme boertjes omdat ze in het verleden zoveel tekort gekomen zijn. Zij zijn er niet de schuld van dat het uit de hand loopt. Het zijn vooral de voorlichters van de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond die de groei veroorzaakt hebben. Zij moesten wat te doen hebben. De Cehave wilde voer verkopen. De voorlichters en veevoederfabrikanten zijn medeplichtig aan de problemen die we nu hebben. Het is niet eerlijk om alleen de boeren de schuld te geven. ‘
De ondernemer
In de grootste boekwinkel van Asten heeft nog nooit iemand van Odiliapeel gehoord. Het ligt vijftig kilometer naar het noorden aan een polderweg. Waar de verkeersdrempels liggen begint het dorp. Pas zestig jaar oud. De ontginningen begonnen in 1922 rechts van de kerk, daar waar de Ontginningsweg loopt. De tweede kavel die gereed kwam was voor de familie Braks. Er werden elf kinderen geboren, waardoor het gezin net verstoken bleef van de speciale premie van de kerk. De boerderij is inmiddels overgenomen door de kleinkinderen. Vijfhonderd meter verder bouwde M . A. J. (Fons) Braks een bedrijf in bouwmaterialen. Vijf vestigingen inmiddels. Zeventig medewerkers. Overal in de Peel doet de firma aan naambekendheid. Op mestsilo’s staat ‘Braks doet het, ja toch? ‘ maar dat motto geldt de andere Braks, broer Gerrit.
De carriëre van beide broers loopt parallel, althans in de tijd. Toen Gerrit naar de Tweede Kamer ging om tweeeneenhalf jaar later minister te worden, startte Fons ‘Braks Bouwmaterialen’. Toen Gerrit aan de mestwetgeving werkte, begon Fons nog een ander bedrijf, Brako bv, gespecialiseerd in overkapte, verplaatsbare mestsilo’s. ‘De enige onderhoudvrij demontabele silo, ‘ zegt Fons wervend. Hij heeft er inmiddels honderd gebouwd.
‘Het is, ik zeg dat eerlijk, prettig voor ons dat hij minister geworden is. Maar het komt niet in me op om van hem gebruik te maken. Hij heeft geen verstand van mijn handel en ik niet van de zijne. Als je zoiets als met demontabele silo’s begint moet je tegenover iedereen je mond houden tot het octrooi er is. Mijn broer komt hier elke twee, drie weken wel even langs. Maar daar praat je niet over, net zo min als hij over zijn werk praat. Toen in 1984 de interminwet beperking veehouderij afkwam zei iedereen in de Peel: dat zal Fons wel geweten hebben. Nou mooi niet. Daar praat je niet over. Dat is een grove toevalligheid. ‘
‘Ik noem de ontwikkelingen in de Peel wraak op de armoede. Er waren hier grote katholieke gezinnen met veel kinderen en veel ellende. We moesten zuinig zijn en hard werken. We werden er inventief door. Er was een man in Odiliapeel die zo arm was dat hij zijn varkens niet te eten kon geven. Maar hij had een trekharmonica en zei tegen z’n varkens, ik zal muziek voor jullie maken. ‘
‘Die bossen die dood gaan door verzuren, dat is niet de schuld van de mest. Kijk eens hoeveel mensen vroeger in het onderhoud van bossen zaten en hoeveel nu? Die bomen zijn gezet voor 25 jaar om het verstuiven van de Peel tegen te houden. Maar als je ze niet onderhoudt komt er niets van terecht, net als met de mais. Ik heb een voorstel: zet de mensen die zo klagen nou eens een dag in een varkenshok en geef hen hetzelfde voer wat varkens krijgen. ’s Avonds komen ze er springlevend uit. En zet dan eens diezelfde mensen een dag in een afgesloten garage met een draaiende auto. Dat bedoel ik, dat is het verschil. Ik ben ervan overtuigd dat de auto meer kwaad doet dan de dieren. ‘
‘Ik zie er niet van komen dat er minder beesten komen. Hoe harder de mensen in het land tegen ons ingaan, hoe verbetener onze reacties worden. ‘
De onderzoeker
In Bakel bij Helmond woont Hans Joosten. Hij is onderzoeker aan de Rijksuniversiteit van Utrecht, hij is secretaris van de ‘werkgroep Behoud de Peel’ en hij is idolaat van veen: ‘Het geinige van veen is dat het informatie het best bewaard. Ja kan het vergelijken met een geschiedenisboek. Elke laag is een bladzijde met gegevens over de tijd. Hoogveen is het grappigste landschap. Alles wat hier inzit komt uit de lucht omdat hoogveen vanuit de lucht gevoed wordt. Op een vierkante centimeter zijn elk jaar duizenden stuifmeelkorrels uit de omgeving neergedonderd. Zo kan je exact terugvinden dat in 1920 plotseling de smalbladige weegbree vrijwel verdwijnt. Dan is het geinig om uit het historisch onderzoek te leren dat juist dat jaar met het gebruik van kunstmest begonnen is. ‘
‘Ik beperk me met mijn onderzoek tot de laatste tweehonderd, driehonderd jaar. Vooral de laatste honderd jaar hebben zich geweldige veranderingen voorgedaan. Hier zie je de opbloei van de rogge. In 1870 blijkt er volgens mijn onderzoek tienduizend hectare boekweit in bloei te staan. De Peel werd toen helemaal afgebrand. Dat waren gebeurtenissen die zijn weerga in de geschiedenis niet vinden. De branden gingen gepaard met enorme rookontwikkeling. Iedereen liep te huilen en te snotteren. Onlangs heb ik sporen van hennep, tabak en vlas gevonden. Hier heb ik een jaar waarin het pijpestro zich enorm uitbreidde. Het is toen een extreem droog seizoen geweest. In 1963 heb ik een piek aan cesium-137 gevonden en die vondst bleek te corresponderen met de atoomproeven die op de Bikini-eilanden werden gehouden. ‘
‘Het veen legt alles vast. Je kan het zo gek niet denken of je vindt het terug. Wat ik leer is dat je lokale veranderingen niet kan isoleren van veranderingen in de wereld. Welke ruimte heeft een deel van een systeem op zichzelf nog? Binnenkort ga ik naar Estland om daar collega’s te helpen de geschiedenis van het land uit het veen te lezen. Ik kan je wel voorspellen dat die zal afwijken van de officiele geschiedsbeschrijving. Het veen wordt steeds waardevoller als bron van informatie. Die magneetbanden, floppy’s en copieën zullen allemaal tenslotte vergaan. Later zal blijven dat vanaf omstreeks 1900 de schriftelijk vastgelegde geschiedenis enorme gaten vertoont. Maar big brother is watching vanuit het veen. Wat de autoriteiten ook doen met hun dossiers, de systemen in het veen leggen hun gangen feilloos vast. (lacht) Ik denk dat daarom Braks van het hoogveen in de Groote Peel afwil. ‘
De actievoerder
Samen met Hans Joosten reis ik naar Liessel naar Frans Swinkels, het volhardenste en meest gedreven lid van de werkgroep ‘Behoud de Peel’. Hij woont in een voormalige kippeschuur en zorgt slecht voor zichzelf. Zelf zoon van een boer. Weet: ‘Het overgrote deel van de boeren in de Peel staat niet vijandig tegenover de natuur. Ze zijn een beetje slachtoffer van de polarisatie die door Braks veroorzaakt wordt. Wat ik hem zo kwalijk neem is dat hij een natuurvijandige houding schept. Hij heeft van meet af aan alle problemen ontkend. Hij bevoordeelt de Brabantse boeren. Daarom zeggen de boeren nu, de natuur maakt ons kapot maar het is Braks die hen niet tijdig geewaarschuwd heeft. ‘
Vorig jaar diende de werkgroep Behoud de Peel 267 bezwaarschriften in tegen tien Peelgemeenten die hinderwetvergunningen afgaven voor de bouw van meer stallen, voor het houden van meer varkens, voor de groei van de hoevelheid mest. Meer dan vijftig keer werden beroepen ingediend bij de Raad van State. Tachtig procent van alle procedures werd gewonnen. De gemeenten zijn onverbeterlijk. Ondanks de mestwetgeving, de interimwet beperking veehouderij, het sterven van de bossen, de ondergang die voorspeld wordt kwamen er vorig jaar in de Peel 260. 000 varkens bij, groeide het aantal kalkoenen met 128. 000, de kippen met 6230, de aantallen rundvee met ruim 8000. Uit het maartnummer van ‘Wanroij’s Nieuws’, het officiële mededelingenblad van de gemeente Wanroij:
Ter inzage liggen de aanvragem om een vergunning ingevolge de Hinderwet van C. Aben te Landhorst om een nieuwe, de gehele inrichtingen omvattende vergunning; P. Wientjens te Rijkevoort voor het inrichten en in werking hebben van een inrichting voor het houden van mestvarkens; W. van der Broek te Wanroij voor het wijzigen van een rundveebedrijf; Th van Duijnhoven te Rijkevoort om een vergunning voor het oprichten van een rundveebedrijf aan de Hapsedijk; C. Derks te Wanroiij om een vergunning voor het oprichten van een melkrundveebedrijf; enz. enz. in totaal twintig aanvragen.
Vorig jaar gaf de (niet-gesubsidieerde ) werkgroep tien mille uit aan procedures bij de Raad van State. Dit jaar zal minstens hetzelfde bedrag nodig zijn.
Het drammen van de werkgroep heeft succes. Vijf gemeenten besloten geen enkele vergunning meer te zullen afgeven. Steeds meer boeren overleggen tegenwoordig eerst met de werkgroep of hun plannen nog wel passen in de gewijzigde maatschappelijke omstandigheden. De boeren beseffen dat Braks gaat verliezen – ook al behaalde hij recent in het kabinet een Pyrrus-overwinning door strengere mestmaatregelen te verdagen tot 1995.
De ambtenaar
Op het provinciehuis van Noord-Brabant is de laatste jaren veel veranderd. Bezagen de bestuurders aanvankelijk applaudiserend de opbloei in de Peel, nu reageren nieuwe, kritische gedeputeerden grimmig op het getalm van de minister van landbouw en visserij G. Braks. Want het water, het bloed van de Peel, dreigt door de boeren weggezogen te worden.
Intussen wordt de verwarring alsmaar groter en duurt het wachten op een beslissing langer. Oorzaak zijn drie verschillende onderzoeken naar het waterbeheer in en rondom de Groote Peel. Het eerste werd op gang gezet door de provincies Noord-Brabant en Limburg en is gericht op herstel van de natuur in het reservaat. De twee andere komen van Braks die persoonlijk het dwaze plan koesterde in de Groote Peel grote waterbassins in te richten waaruit de boeren in de zomer zouden kunnen putten voor beregening van hun land. De eerste commissie die door Braks werd geconsulteerd concludeerde tamelijk bout dat zulk gedoe met waterbassin de Groote Peel alleen maar kwaad zal doen. De andere commissie van Braks – drie deskundigen – kwam met een nog krassere uitspraak. Zij zouden het liefst willen dat alle regeninstallaties rondom het reservaat verboden worden. De minister zelf denkt nog steeds na.
Ambtenaar K. J, . Provoost van de dienst waterstaat van de provincie Noord-Brabant: ‘Braks heeft een paar jaar geleden de boeren beloofd dat hij hen zal beschermen. Wij meenden dat we ons daarom moesten matigen. Maar toen in 1988 de Wet op de Waterbescherming in werking trad werd ons duidelijk dat we helemaal niet volgzaam hoefden te zijn. We hoefden helemaal niet op Braks te wachten. Als provincies hebben we daarop in overleg met de landbouworganisaties de zaak stil gezet. We zeiden, we gaan maatregelen nemen die gericht zijn op herstel van de natuur in de Groote Peel en daarom willen we dat vanaf nu in een strook van tweeduizend meter rondom het reservaat de zaken blijven zoals ze zijn. Ineens werd ons beleid doorkruist door een uitspraak van de Kroon die uitging van een zone van 600 meter. Grote verwarring, dat valt te denken. We trokken ons terug voor beraad en kwamen tot de slotsom: we houden vol. Wij blijven van de gemeenten een strook van 2000 meter eisen. Op de lange duur willen we helemaal af van het gebruik van grondwater door de landbouw. We zullen binnenkort met plannen komen om het water dat boeren nodig hebben om hun land te beregenen uit de Zuid-Willemsvaart aan te voeren. We willen nóg verder gaan, al zeg ik nu misschien te veel. We denken erover om oppervlaktewater uit de Biesbosch naar de Peel te brengen. Daarom zullen we Rotterdam gaan vragen om binnen vijf jaar een vierde spaarbekken in de Biesboschb te gaan bouwen. We zien met smart toe hoe alles verdroogt. We hebben het grondwater hard nodig voor De Groote Peel en andere natuurgebieden in Brabant. De industrie en de boeren moeten er rekening meehouden dat ze van het grondwater af moeten blijven. Het water uit de Biesbosch is net zo geschikt. Alleen wordt het wel 150 procent duurder. ‘
Terug naar het front. De buurtvereniging ‘De drey weag’ in het dorpje Kronenberg onder Sevenum heeft gewonnen van de gemeente, de provincie, het ministerie en de almachtige coá”áperatie ‘Covak ba’ (voor fokvarkens- en kalverhouders). De coá”áperatie wil zes opslagsilo’s voor mest bouwen en een voorzuiveringsinstallatie voor 220 miljoen liter gier. Op 125 meter afstand van de Kronenbergerheide. De coá”áperatie is volgens de Raad van State te luchtigjes (‘niet deugdelijk onderbouwd’) omgesprongen met de gevolgen voor de omgeving. De Raad is absoluut niet overtuigd van het nut van biofilters die de coá”áperatie beloofd. Er is volstrekt niet duidelijk gemaakt dat de installatie geringere uitworp van ammoniak tot gevolg zal hebben. Bovendien deelt de ‘kroon’ de mening van de buurtverereniging dat door de bouw veel zwaar verkeer de wegen onveilig zal maken. De gemeente, de provincie Limburg en het ministerie hadden allemaal braaf genoegen genomen met de vertegenwoordigerspraatjes van Covak. Ze worden streng gekapitteld. Aan de rand van het reservaat de Groote Peel, in het buurtschap Heusden (gemeente Asten), dreigt de jonge boer P. van Lith de bijstand in te gaan. Hij heeft een bedrijf dat om de twee maanden honderdduizend kuikens klaarmest voor de slachterij. Maar de stichting ‘Behoud de Peel’ spande een procedure aan en nu moet Van Lith zijn mesterij naar veertig duizend kuikens terugbrengen. De kuikensmester voelt zich gedupeerd. Door de gemeente die hem zijn gang liet gaan en lichtzinnig beloofde dat het met de hinderwetvergunning wel goed zou komen. Door de minister van landbouw die op een van zijn missies in de Peel publiekelijk beloofde ‘dat bestaande bedrijven soepel behandeld zullen worden. ‘Maar de Raad van State waste Braks de oren en concludeerde: er staat niets in de wet over soepele behandeling. Van Lith klaagt: ‘Ik heb bij de bank lasten aangegaan voor honderdduizend kuikens. Ik kan natuurlijk onmogelijk het geld opbrengen met maar veertig duizend. Ik ben eigenlijk vooral slachtoffer van alle onduidelijkheid die bestaat. Vroeger kon alles. Maar nu is veel afhankelijk van de protesten die er komen. Als er toevallig een actiegroep bij je in de buurt zit lukt niets meer. Als er geen actiegroep is, heb je geluk gehad. ‘
Zo wordt door de overheden zelf rechteloosheid in de hand gewerkt. Rondom de laatste stukjes hoog- en laagveen die gekoesterd worden in natuurgebieden als de Deurnse Peel, Mariapeel en de Groote Peel, proberen boeren intussen nog op een andere manier de grenzen van de tolerantie van minister Braks uit. Ze scheuren illegaal hun weidegrond om er maisland van te maken. Ze kappen illegaal stukjes bos om de grond toe te voegen aan hun landbouwgrond. Ze leggen illegaal drainagebuizen in hun grond waardoor het water uit de natuurgebieden wordt weggezogen. Adjudant J. H. de Man van de veldpolitie, alias ‘de vliegende brigade’ vertelt me wat vervolgens gebeurt. De Algemene Inspectie Dienst(AID), Braks’ eigen sterke arm, komt eraan en maakt proces-verbaal op. Vervolgens wordt – na betaling van een som geld(boete) – de illegale situatie legaal. In het ergste geval verplicht de AID de boer tot herinplant van het geschonden bos. De Man: ‘De boer wacht tot de termijn (binnen drie jaar) bijna verstreken is en plant dan boompjes van de slechtste kwaliteit. Hij heeft eerst drie jaar lang de grond doordrenkt met mest, zodat de voorwaarde voor groei van bos minimaal is. De boompjes doen het dan ook niet. De boer verwaarloost ze. Hij spuit er chemicaliën op. Na verloop van tijd gaan ze dood en dan zegt de boer triomfantelijk: zie je wel, bos groeit hier niet. En zo worden steeds meer stukken bos maïsakkers. ‘
Enige jaren geleden hadden landbouwers een bittere confrontatie tegemoet kunnen zien met Staatsbosbeheer. Maar Staatsbosbeheer werd ontfutseld uit de handen van natuurbeschermers en aan het ministerie van landbouw en visserij toegevoegd. En dat legt een onverschilligheid aan de dag die razend maakt.
De Nederlandse Vereniging tot bescherming van vogels noemt Braks een ‘ramp’ voor de Peel: ‘Willens en wetens kent hij primaat toe aan discutabele landbouwkundige belangen. ‘ De Europese Commissie heeft kort geleden de Nederlandse regering een brief geschreven waarin bits wordt gerapporteerd dat sinds 1980 – toen de Groote Peel de status van Wetland kreeg – niets serieus is ondernomen om het natuurgebied te bewaren: ‘Het succes van het beleid hangt uitsluitend af van de vrijwillige medewerking van de agrariërs. ‘ ‘Braks doet ’t in de Peel – Ja toch’, klinkt vervolgens het motto van die agrariërs.
Ik heb een afspraak met Norman Orr uit Wales, die sinds 1956 met regelmaat het reservaat de Groote Peel bezoekt. Een beminnelijke, bescheiden man die overal in Europa vogels bestudeert. Bovendien iemand met een miraculeus verleden – waarover ik iets moét vertellen. In 1939 kwam hij bij de Royal Air Force in de vliegersopleiding. In mei 1940 werd hij samen met zestig kadetten van zijn lichting, oorlogsvlieger. Aan het eind van de oorlog waren alleen nog hij en twee anderen over. Hij viel Duitse schepen op de Noordzee aan. ‘We gingen er met zes vliegtuigen op af. Van elke raid kwamen gemiddeld drie jagers terug. ‘ Vier jaar lang was hij gestationeerd in El Alamein en bestookte de troepen van Rommel. Als ik aandring: ‘We vlogen een keer in formatie boven de linies van de vijand. Een van mijn collega’s liet een bom vallen die in de staart van mijn vliegtuig bleef hangen. We schudden het vliegtuig net zo lang tot staart, radar en bom er vanaf vielen. We zijn toch nog geland. Iedereen applaudiseerde. Na drie dagen vloog het toestel weer. De ground crew was so superb. ‘
Orr bleef tot lang na de oorlog vlieger, commander van een Canberra-squadron. Op het laatst was hij gestationeerd in West-Duitsland. Zo leerde hij de Groote Peel kennen. We zitten in de schuilhut met in de verte een bosrand die het open landschap afsluit. We zijn net bij de knuppelbrug geweest waar hij me het nest van een broedende blauwborst gewezen heeft. ‘Toen ik hier voor het eerst kwam waren er veel meer bomen. Die worden nu gekapt en ik denk dat het goed is. In de jaren zestig was het heel normaal als je de zwarte stern zag. Ineens was die helemaal verdwenen. Nu – na jaren – is de zwarte stern terug. Echt een succesverhaal. De drijvende platforms die mijn vriend Thieu (van Deursen) op het water heeft gemaakt, zijn een heel goed idee. Met de blauwborst is het net zo gegaan. Eerst waren er heel veel. Toen gingen ze drastisch in aantallen terug en nu zijn er weer zeventig paartjes in de Groote Peel. Overal waar ik in Europa geweest ben verdwijnen de geoorde fuuten. Ze sterven uit maar hier zijn inmiddels weer tien paren. Er komen er zelfs steeds meer. ‘
‘Ik heb geen idee wat er aan de hand is met de kuifleeuweriken. Ze kwamen ooit achter de paardenvijgen van de colonnes van Napoleon aan uit Rusland naar Nederland. Ineens zijn ze collectief vertrokken. (glundert naar de beheerder van Staatsbosbeheer die naast ons zit) Thieu doet een excellent job hier. In de jaren zestig waren er in de Groote Peel heel veel grauwe kiekendieven. Elke dag vond ik wel vijf, zes nesten. Nu zie je ze nergens meer in Europa. Maar hier zijn de omstandigheden goed voor de terugkeer van de kiekendief. Ik weet zeker dat hij weer komt. Van alle wetlands die ik ken is de verstoring hier het minst. De grote karakiet is er niet meer. De grutto’s in Europa hebben het heel moeilijk. Vroeger waren hier honderden korhoenders. Ze zijn verdwenen. Ze zullen pas weer terug kunnen keren als de intensieve landbouw anders gaat werken. Later maaien, ophouden met gebruik van te veel mest en bestrijdingsmiddelen. Het gaat niet alleen om de Groote Peel. Heel het gebied rondom moet anders worden ingericht. ‘ ‘Nergens zijn nog zoveel roerdompen als hier. De rietgans wordt zeldzaam in Europa. Hier in de Peel is de winterpopulatie het hoogst. Pas op de kraanvogels, die moeten blijven. ‘ (charmant) ‘In Engeland wordt Nederland gezien als het land dat zijn reservaten het best onderhoudt. Erg weinig buitenlanders kennen de Groote Peel. Ik vertel er overal over. Als ik een vergelijking moet maken noem ik de Camargue. Maar dat is een heel andere streek, dichtbij de zee met zilt water. Van alle andere wetlands die ik ken staat de Groote Peel het hoogst op mijn lijst. Het is een gebied dat meer roem verdient. ‘
Vrij Nederland, 23 juni 1990