Op een boerderij in Vrieschelo wordt een koe ontdekt die besmet is met BSE. Wat gebeurt er met de boer?
Op een zaterdag in augustus, twee jaar geleden, komt ´Candy Can Be´ bij het binnengaan van de loopstal ten val. Het is een bizar beeld uit een vertraagde film. Een groot, log beest dat omglijdt, zich nog even verwonderd verzet maar dat dan met een dreun op het rooster valt.
De veearts veronderstelt een tumor in de hersenen of BSE. Het is BSE. Het is voor de derde keer dat de gekkekoeienziekte in Nederland wordt vastgesteld. En de ziekte is ontdekt op de boerderij van Peter Beerepoot in Vriescheloo. Een paar dagen later wordt de rest van zijn vee vernietigd.
Maar wat gebeurt er met de boer? ‘Het is heel raar. Je hoort wel eens van sporters die door de finish gaan en winnen maar nog niet weten wat er gebeurt. Dat dringt later pas tot hen door. Zo van, ik ben nu wereldkampioen of m’n koeien gaan morgen allemaal weg. ’s Nachts kon ik er niet van slapen. Ik voelde het gewoon in al m’n vezels trekken.’
Door Rudie van Meurs / POLDERPERS.NL
‘Het was eigenlijk altijd al een hufter. Een eigenzinnig beest, typisch een dochter van vader Sunny Bay die duizenden koeien heeft verwekt.
Ze had geen gemakkelijk karakter. Altijd als ze tochtig werd raakte ze opgewonden en druk. Het was op zo’n moment steeds weer een hele strijd haar in de box te krijgen. Soms sloeg ze en moest ik haar met melken een beugel opdoen. Ik was niet gek op haar maar ze bleef want ze was een prima produktiekoe. Ze had een goed uier, ze was sterk in de poten en ze zat mooi in elkaar.’
Candy Can Be werd in 1992 geboren. Ze stamde in rechte lijn af van ‘Ome Kees’, dat was de eerste koe waarmee de opa van Peter Beerepoot in 1950 een stal begon in West-Friesland. Opa kreeg de koe van een oom die Kees heette. Vandaar. Samen kochten ze haar op een boelhuis. Later hebben ze haar ‘Julia’genoemd, dat luistert beter bij een koe. Veertig jaar later werd Julia 200 geboren.
Maar Peter Beerepoot kreeg een beetje genoeg van al die Julia’s. De naam zei hem niks meer. Hij wilde een echte bedrijfsnaam waarin de bloedlijn die door drie generaties Beerepoot was voortgezet, zou worden vastgelegd. Het werd Can Be, een geslacht genoemd naar zijn vrouw(een meisje Canters) en naar zichzelf. In de naam Can Be lagen bovendien alle idealen opgeslagen die mensen kunnen hebben. ‘Het had te maken met de verwachtingen die wij van ons leven hadden en wat wij er van zouden gaan maken,’ zegt Peter Beerepoot.
En het geslacht gewon Antje en Afke tot de A was uitgeput. Het bracht Berta en Belinda voort, tot de B opraakte. Toen werd Candy geboren.
Daar waar het open landschap van het Oldambt overgaat in het beschutte Westerwolde ligt de boerderij van Peter Beerepoot. Verborgen in het veld van Vriescheloo, voorbij Wedde, Wedderveen en Wessinghuizen. Duitsland begint een kilometer verderop. Boven de door bosschages omzoomde natte weilanden hangt een lichte damp.
Een boer herken je aan zijn boerderij. Die van Beerepoot is nederig en netjes. Alles heeft er een plaats. Het erf is aangeharkt. De stal is nog gebouwd als groepstal, met die typische in betonspijlen gevatte kleine raampjes die mode waren in de jaren vijftig. Daarnaast een loopstal en achter op het erf de open landbouwschuur. Rondom het terrein groeien hagebeuken en hazelaars. Er liggen onverharde paden op zwarte dalgrond. Het ruikt er naar veen. En het is er stil en leeg, zoals het alleen in Oost-Groningen nog stil en leeg kan zijn.
‘Ze had een sterke wil, ik kreeg haar maar niet klein. Ze werd steeds lastiger en soms moest ik haar een ram met de beugel geven. Ik denk niet zo romantisch over boeren, ik heb koeien voor de melk en voor m’n inkomen. Op het laatst kon ik haar niet meer melken zonder beugel. Ze werd ook zenuwachtig. Elke dag moest ik strijd met haar voeren. Ik dacht, als we elkaar nou eens een paar maanden niet meer behoeven te zien, kunnen de verhoudingen misschien normaliseren. We werkten elkaar op de zenuwen. Daarom heb ik haar droog gezet. Ik hield op haar te melken en heb zalf en antibioticum in haar uier gespoten zodat ze geen ontstekingen zou krijgen. Maar ik merkte dat ze steeds moeilijker overeind kon komen uit de boxen. Ze durfde tenslotte niet meer te gaan liggen. Ze kreeg dikke knieën en stootte zich voortdurend. Ik heb haar daarom weer naar buiten gedaan, samen met de melkkoeien. Toen, op 15 augustus 1998, gleed ze gewoon om en viel neer op het rooster. Ze probeerde overeind te komen maar ze gleed steeds weer weg. Ik zei tegen m’n vrouw, het gaat niet goed, we moeten de veearts maar bellen. Omdat het zo’n sterke koe was, heeft ze het heel lang uit kunnen houden. Ik heb haar struikelend en sturend weggesleept naar buiten. Op het beton kwam ze weer overeind. Dan denk je niet meer, wat een stom beest. Het is treurig om te zien hoe zo’n dier aftakelt.’
De vader van Peter Beerepoot was gek van koeien, de beste handmelker van Westwoud. Hij was eigenlijk dertig jaar te laat geboren want hij hield niet van veranderingen. Toen in de jaren zeventig de Grote Schaalvergroting in de landbouw begon wilde de zoon een loopstal maar de vader liet een traditionele groepstal bouwen. Dat veroorzaakte zo’n ruzie dat de zoon het huis uitliep en zich verhuurde aan een grote vergaderboer. Daar kreeg hij de dagelijkse leiding over het bedrijf. Jaren later vroeg zijn vader hem terug te komen. Eigenlijk wilde de zoon niet maar het was de enige mogelijkheid zelfstandig boer te worden. Hij ging terug en de vader zei, ik zal wel zeggen wat er gebeuren moet. Ze waren allebei kort aangebonden. De zoon wilde overleggen, de vader zei hoe het moest. Er vielen harde woorden, ze botsten over alles. Ineens was de strijd voorbij. De vader zweeg en gaf zich gewonnen. Hij zou nooit meer redetwisten. Hij ging in het dorp wonen. Een van de eerste dingen die de zoon deed was de vastzetstal die z’n vader had laten bouwen, zo te maken dat de koeien los konden rondlopen. Zo kreeg hij toch nog de loopstal die hij wilde. Toen de vader dood ging voelde de zoon geen morele verplichtingen meer om te blijven. Eindelijk vrij. Hij verkocht de ouderlijke boerderij met 24 hectare grond. Hij laadde het geslacht Can Be in, nam het quota mee van 250.000 liter melk en begon nu echt voor zichzelf in Vriescheloo. Verder weggaan kon niet in Nederland. Bovendien was de grond nergens zo goedkoop.
‘De veearts belde me nog dezelfde avond. Hij zei, het zou wel eens BSE kunnen zijn. Ik wist dat ik een kans had van een op drie. Er worden wel meer boeren aangemeld met verdachte koeien maar die worden niet altijd onderzocht. In de loop van maandag kwamen er drie mensen van de Gezondheidsdienst en de Rijksdienst voor vee en vlees. Het zag er allemaal heel ernstig uit maar het werd wel gewoon binnen de kantooruren afgehandeld. De andere dag is Candy opgehaald en voor onderzoek naar Lelystad gebracht. Ik zou het resultaat tien dagen later krijgen. De zondag daarop was ik jarig. Het huis zat vol mensen, ik wist dat m’n bedrijf wel eens op slot zou kunnen gaan. Maar ik kon nergens over praten. Op woensdag, we zaten net te eten, kwam m’n eigen veearts samen met z’n vervanger het erf op. Ik dacht meteen, dat gaat niet goed. Dan hoor je de uitslag. Je weet dat je nog twee keer voor niets moet melken. Het voelt allemaal heel raar. Ik heb twee zoons, die komen nooit in de boerderij. Erik is tien en die zei, we moeten vader vanavond maar even helpen. Ze voelden wat ik voelde. Het was een enorme slag. Ja, dan komt alles zo’n beetje over je heen. Ambtenaren van de Algemene Inspectie Dienst kwamen posten op het erf. De politie zette dwarswegen af zodat we helemaal geïsoleerd waren. De buurman kon er niet eens door. En iedereen ging bellen, vooral journalisten. Ze wisten het eerder dan we het zelf wisten want er was gelekt. Ik heb de telefoon op de fax gezet want ik wilde het wel zelf in de hand houden. Alleen tegen de regionale pers heb ik wat verteld. Ik moest van alles regelen. Ik had geluk want ik kon profiteren van de ervaringen van twee andere boeren bij wie eerder BSE was ontdekt. Ik heb ze gebeld en ze vertelden me dat ze allerlei problemen hadden gehad. Bij de een duurde het heel lang voor hij z’n geld kreeg en dat moest ik vermijden. Ik begreep ook dat ik eigen taxateurs moest inschakelen om de taxateurs van de minister te kunnen corrigeren. Ik kende precies de gezondheidsstatus van mijn koeien. De veehandelaren die ik had gevraagd hun visie te geven kenden die ook. Er was een paar keer discussie om tot de juiste prijs te komen. Op een gegeven moment wilde ze de koeien in de auto’s laden maar ik wilde eerst een handtekening. Daar waren ze het mee eens. Als je geen koeien meer hebt, valt ook je inkomen weg. Er is vervolgschade, daar moest ik allemaal rekening mee houden. Het was allemaal zo absurd, op je erf lopen allerlei mensen rond die alles van je willen weten. Net op het moment dat de beesten werden ingeladen, werd bij een koe een kalf geboren. Het was een kuisje. Drijfnat en al werd het met z’n moeder op de veewagen gehesen om in Tolbert te worden doodgemaakt. Op zo’n moment houd je het echt niet droog.’
De vader van Peter Beerepoot maakte nog zelf pap voor de koeien. In een grote ton mengde hij pulp, kokosschroot, rapen en oud brood met water en voerde dat aan z’n beesten. Ze waren er gek op. Hij had een een machine op poten met een zwengel waarmee hij bieten vermaalde voor het vee. Hij had eigen stieren van Friese fokkers. De vader van Peter Beerepoot was een boer die stug en vasthoudend een eigen bloedlijn fokte van stuk voor stuk goede koeien. Hij verkocht jonge beesten voor de export. Hij had ook een boomgaard met fruit.
De vader was nog baas op z’n erf en genoot aanzien.
Toen begon de boer de greep te verliezen.
Alles werd groot, anoniem, bureaucratisch en oncontroleerbaar. Tien jaar geleden vielen in Nederland en Engeland honderden koeien om omdat in het veevoer van een Fries bedrijf een onbekend dodelijk gif zat. Boeren werd een beetje Russische roulette. ‘Het kan best zo zijn dat er in Rotterdam een schip met een paar honderdduizend ton soja binnenkomt waarin een paar ton andere rotzooi zit. Dat vind je nooit. Ik weet niet wat ze in de Verenigde Staten of Maleisië door de grondstof mengen. Ik zeg niet dat het gebeurt, maar het kan gebeuren,’zegt Peter Beerepoot.
En in Nederland werden geruisloos kadavers tot diermeel vermalen om samen met soja, citruspulp en kokosschroot van onbestemde oorsprong in koeiebrokken te worden gestopt. Koeien gingen koeien eten. Koeien werden kannibalen.
‘Ze weten nog altijd niet wat de oorzaak is van BSE. Het was niet duidelijk wat wel en niet moest gebeuren. Alles werd ontsmet maar als je niet weet waartegen je ontsmet is het een slag in de lucht. De kuilen die open lagen moesten weg. Uit de gierkelder is de drijfmest afgevoerd naar het land van een akkerbouwer bij mij in de buurt. De melk moest vernietigd worden, het tuig in de schuur moest weg. En er waren steeds die terugkerende vragen waar m’n verkochte beesten in de loop der jaren waren heengegaan. Ze moesten precies weten waar al de nakomelingen sinds 1992 toen Candy geboren werd gebleven waren. Alles stond in m’n computer. Ik had alle beesten afgemeld bij het registratiebureau INR. Ik heb een vaste veehandel maar wat er na de verkoop gebeurt onttrekt zich aan mijn waarneming. Zijn ze naar Marokko, Turkije of Tunesië gegaan? Er waren nogal wat beesten zoek, sommige slachterijen hadden niets geregistreerd. De vrouwelijke nakomelingen zijn meestal wel te vinden, maar de stieren gaan overal heen. Het was een papieren affaire met steeds weer die vraag: waar zijn de jaargenoten van Candy en waar zijn de andere nakomelingen. Sommige zijn nooit teruggevonden. Het werd me steeds duidelijker dat al die voorzorgsmaatregelen, het ruimen van m’n bedrijf en het doden van de andere negentig koeien alleen maar bedoeld was om de mensen gerust te stellen. Met het vlees van die beesten was helemaal niks mis. Ze waren gegarandeerd BSE-vrij, dat bleek uit de controle. De reden dat ze doodgemaakt zijn in Tolbert en verbrand in Rijnmond is gebeurd uit andere motieven. Omdat ze niet weten wat het is. Om het publiek te sussen. Voor het ruimen van een stal waar BSE is ontdekt, bestaat geen enkele noodzaak. Bovendien kost het enorm veel geld. Wat ik opvallend vind is dat varkens en kippen geen BSE hebben en dat zal te maken hebben met de leeftijd, ze leven niet lang. Honden en katten hebben wel BSE. Die dieren worden ouder en krijgen voer waarin kadavers zitten. Maar dat is een beetje speculeren.’
Nu is er de inet-koe, ook wel omschreven als boeren volgens de saldo-methode. De koe nog louter als bedrijfseconomische betekenis. Alleen de melkproduktie telt, het vet en het eiwit. In de koeiebrokken worden medicijnen gestopt en obscure additieven. Er bestaat krachtvoer dat de produktie nog verder omhoog moet stuwen. In de tijd van de vader van Peter Beerepoot gebeurde het hoogst zelden dat een koe honderdduizend liter melk
gaf in haar leven. Nu kijkt daar niemand meer van op. Nu er is een superkoe. Iedereen wil de superkoe of een kalf van de superkoe. Maar nog nooit werd de boer zo kwetsbaar.
En veeartsen, die zich tegenwoordig dierenartsen noemen, gaan de boerenerven op om hand- en spandiensten te verrichten voor de nationale economie. Ze hakken(couperen) de staarten af van jonge biggen en knippen de tanden omdat Albert Heijn en de Engelse markt dat willen. Maandelijks spannen ze met een lus de halsslagader van zeugen aan om een buis vol bloed af te kunnen tappen. Dat is nodig om de buitenlandse markt te kunnen tonen dat er in Nederland geen blaasjesziekte is. En gewillig werkten ze in 1997 mee, tijdens de varkenspest, om elf miljoen varkens te doden. Niet omdat die pest zo gevaarlijk is maar omdat de naam van Nederland in het buitenland niet in opspraak mocht komen.
En ze gingen preventief spuiten. Tegen bijvoorbeeld de koeiengriep IBR. Er waren dierenartsen die het presteerden met één spuit vijftig of meer koeien te vaccineren tot de naald kromboog of kapot ging. Soms brak, nadat de dierenarts z’n werk had gedaan, een raadselachtige ziekte uit in de stal. Dieren kwijnden weg, vermagerden en vielen om. Ze worden slijters genoemd. Nog altijd is niet duidelijk of die koeien ziek werden door een verontreinigd vaccin van Bayer of dat het kwam door het roekeloze spuiten van de dierenarts. Een dierenarts uit Montfoort, hij heet H.J.Ronner, legde eens uit dat de vaccinatiewoede van z’n collega’s voortkomt uit een vorm van werkverschaffing. Elke week stoppen drie boeren met hun bedrijf. Het aantal koeien is de laatste jaren met dertig procent gedaald. Veeartsen willen overleven, zo zei de opstandige collega uit Montfoort het. Intussen zijn ze aan een sprong voorwaarts begonnen. Een maand geleden verschenen in NRC Handelsblad drie curieuze berichten op gezag van de algemeen secretaris van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor diergeneeskunde, dr. T. Jorna. Hij zei dat boeren ‘onwillige veeartsen intimideren’ om valse verklaringen af te geven over BSE-koeien. Het was niet voor het eerst dat het gilde van veeartsen zijn nood klaagde. Twee jaar geleden gebeurde precies hetzelfde, alleen kregen toen varkensboeren de schuld. Waarom reageert de maatschappij zo alert?
‘Het werk van veeartsen is tegenwoordig veel meer preventief dan curatief. Ik weet niet of dat goed is, het hangt af van het probleem. Vroeger had je mond- en klauwzeer, nu niet meer. Dat betekent dat veeartsen een groot aantal duizenden beesten minder hoeven te spuiten. De veeartsen zitten in een lastige positie, ze zijn afhankelijk van de boeren. Als een klant een veearts voor tien mille aan inkomen bezorgt ontstaat een financiële band. Ik heb ook wel van andere boeren gehoord die zeiden, dat geintje van Beerepoot heeft me duizenden gulden gekost. Ze suggereerden dat ik die zieke Candy had moeten wegmoffelen. Natuurlijk, na de ontdekking van een BSE-koe dalen de prijzen en de omzetten. Maar ik kan me zoiets niet voorstellen. Je hebt je eigen verantwoordelijkheid, vlees dat je zelf niet wilt opeten moet je ook niet aan anderen voorzetten. Eigen verantwoordelijkheid, daar gaat het om. Ik heb mijn koeien nooit tegen koeiengriep laten inenten. Ik heb een geïsoleerd bedrijf, ik koop geen vee aan. Mijn stal is altijd gecertificeerd koeiengriep vrij geweest. Ik doe iets niet omdat anderen het doen. Ik heb boeren gesproken die hun hele veestapel moesten opruimen na die inentingen tegen koeiengriep. Opeens werden hun beesten ziek en gingen dood. Ik heb begrepen dat er boeren zijn die een proces willen beginnen om de veeartsen aansprakelijk te stellen voor de slijtersziekte. Ik weet niet of ze de werkelijke oorzaak zullen vinden. Ik weet wel dat de slijtersziekte erger is dan BSE. Je ziet die beesten wegkwijnen. Maar BSE overkomt je van de een op de andere dag. Je koeien gaan weg en je begint van voren af aan. Wat ik geleerd heb uit mijn ervaringen met Candy is dat er altijd mensen achter je staan. Het ontroerendste moment beleefde ik toen, op de dag dat de koeien hier werden weggehaald, mijn moeder samen met een broer even uit Noord-Holland overkwam om me te steunen. Een paar dagen later kwam een andere broer uit Den Haag op bezoek. Ik ben hier lid van een landbouwvereniging. Die zei op een bepaald moment, we moeten iets doen voor Beerepoot. Ze gingen met de pet rond langs de leden en er kwam een flink bedrag uit. Daar heb ik toen embryo’s van topkoeien voor gekocht voor m’n nieuwe stal.’
Drie weken nadat z’n negentig koeien waren gedood, kocht Peter Beerepoot zeventig nieuwe dieren. Twee dagen later kalfde de eerste koe en de kalf van die koe heeft inmiddels ook weer gekalfd. Pas toen kreeg hij het gevoel, dat zijn mijn beesten.
‘Het duurt een tijdje voor je weer aan elkaar gewend bent. Je moet ze in het begin voorzichtig voeren want koeien zijn individuen. Elke koe melkt anders. Het duurt een tijd voor ze de routing in de stal in de gaten hebben. Ze hebben geen hoog IQ, koeien zijn behoorlijk dom. Ze kijken voortdurend naar je en vragen zich af, wat is de bedoeling, waar moeten we heen. Maar intussen is er een grote hiërarchie. Er zijn altijd maar een of twee koeien die voorop mogen lopen. Ze knokken voortdurend met elkaar, die mag niet voor die langs en het zijn altijd dezelfde beesten die achterop lopen. Dat is heel strak geregeld. Natuurlijk blijft die BSE in je achterhoofd zitten. Ik voer m’n kalveren bijvoorbeeld nooit meer kunstmelk. Daarin zitten dierlijke vetten waardoor denk ik de vertering veel minder goed is. Ik geef ze gewoon volle melk. Soms denk ik wel eens dat kunstmelk de oorzaak van alles is geweest. Wat ik vooral geleerd heb is de betrekkelijkheid van alles. Je kan heel erg je best doen maar morgen haalt iemand er een streep doorheen.’