De onderhandelingen met de Grote Zeven van de Acht Miljard van de Oosterschelde (3)
Murphy was een Engels ingenieur. Naar hem is een wet genoemd die zegt dat alles wat mis kan gaan, een keer mis gaat. Het is niet zeker of ir.J.M.Schetters, de voorzitter van de raad van bestuur van Dosbouw, zich die wet van Murphy herinnerde toen hij afgelopen zomer bij zijn pensionering uitspraken deed die de aannemerswereld in verlegenheid bracht. In ‘Specie’, de bedrijfskrant van de Hollandesche Beton Groep zei hij:’Ja, de stormvloedkering is bouwen aan de grenzen van wat technisch mogelijk is. Dat is gebeurd omdat de tijd drong. Je zou dit bij voorkeur niey herhalen. Het zou mooier geweest zijn als we meer tijd hadden gehad en we meer proeven hadden kunnen doen. De druk op de ketel was te groot. Het liefst had ik gezien dat we een kering op kleinere schaal hadden kunnen bouwen. Dan hadden we veel zaken en problemen die zich nu in de Oosterschelde voordoen kunnen voorkomen (…) Ik denk dat als we weer voor de keuze zouden staan dat het parlement echt niet zou besluiten om weer een stormvloedkering volgens het nu geldende ontwerp te bouwen.” Dosbouwe is – voor goed begrip – de combinatie van aannemers die de stormvloedkering in de Oosterschelde bouwt. En Schetters was de hoogste baas die, toen hij geen verantwoordelijkheid meer droeg, zijn geloof verloor. Iedereen is nog steeds over zijn uitspraak gegeneerd en schermt Schetters af opdat hij zijn kritiek niet zal herhalen. Maar hij zei het.
De stormvloedkering krijgt van de bouwers een garantie mee voor tweehonderd jaar. Dat wil niet zeggen dat de pijlerdam na dat tijdstip in elkaar zal storten. Dat kan ook veel eerder gebeuren. Want het wemelt van de vragen: houden de pijlers het tweehonderd jaar uit zonder betonrot? Hoe kan corrosie van de matconstructie voorkomen worden? Wat veroorzaakt de trillingsenergie die de stalen schuiven aan het water afgeven? Is er wel genoeg zorg besteed aan de verf die aangroei van organismen in het zeewater moet voorkomen? Is de hars, waarmee de ruimte is afgedicht tussen de pijlerwand en het systeem waarin de schuiven bewegen, wel bestand tegen het zoute water? En wat gaat het onderhoud van de stormvloedkering in de komende decennia wel niet kosten? Rijkswaterstaat heeft die post begroot op twintig miljoen per jaar maar dat bedrag wordt als veel te laag honend weggelachen. De acht miljard die de pijlerdam gaat kosten is nog maar een begin. Deze week deel drie over de Oosterschelewerken.
‘Het aantrekkelijk voor de aannemers is dat ze nooit voor de laagste prijs hoeven te werken.’
Rudie van Meurs
Het is vrijdagmorgen acht uur. In de kamer van de kantoorbarakken van de Deltadienst in Zierikzee wordt ongeduldig gewacht op de komst van de verslaggever. Buiten is het leven nauwelijks begonnen maar binnen bereidt een luidruchtig gezelschap van zeven financieel geschoolde ingenieurs zich voor op de honderdzesennegentigste aanbesteding van een deel van de stormvloedkering.
Deze keer gaat het om de bouwen van de damaanzet aan de noordkant van het werkeiland Neeltje Jans en het graven van een bouwdok. Betrekkelijk oninteressante projecten van zo’n acht miljoen en ruim zes ton, maar veel van die kleintjes maken tenslotte de acht miljard vol. Als de stormvloedkering in 1986 klaar is, is er tien jaar aan gewerkt en zullen ruim tweehonderd bijeenkomsten – zoals deze ochtend – zijn gehouden.
Het gezelschap heeft een vaste samenstelling. Drie vertegenwoordigers van Dosbouw, de combinatie van aannemers die de kering bouwt en vier mensen van de Deltadienst. De delegatie van Dosbouw wordt geleid door W. Tennekens die de ruimte vult met lawaai. Hij is het prototype van hoe het publiek de aannemer ziet, joviaal, een beetje vulgair met vette grappen die niet leuk zijn. Hij is hoofd commerciële zaken. Naast hem zitten P. Pieters, hoofd afdeling kostprijs van Dosbouw en D. van Eugen die bedrijfsleider is. De drie komen elk van een ander bedrijf en onderscheiden zich nadrukkelijk door stijl. Von Eugen is de gereserveerdste. Hij komt van Boskalis dat helaas niet zo respectabel bleek als het heette te zijn. Von Eugen (wat wegslikkend) over de moeilijkheden in zijn moederbedrijf: “Als een paard in een vette wei loopt wil het niet meer rennen.”
Dosbouw is een vennootschap onder firma met als partners Ballast-Nedam (31,5 procent); Hollandsche Beton Groep (18); Volker Stevin (37); Van Oord in Utrecht (12); Boskalis (11,5) En baggermaatschappij Breejenhout met een aandeel van tien procent. Voor de combinatievorm is gekozen omdat er geen enkel bedrijf in Nederland is dat het karwei alleen aan zou kunnen. Nu worden risico”s gespreid en de winsten gedeeld. Want verlies lijden aan de stormvloedkering is uitgesloten. Dosvouw heeft een eigen werkdirectie, onderhandelt direct met de Deltadienst en heeft grote zelfstandigheid. Maar moeilijk blijft het wel. Algemeen directeur T. van Dam zegt daarover: ‘Zet maar eens drie orkesten bij elkaar, dan begrijp je wat voor moeilijkheden dat kan opleveren. Individueel vreten aannemers elkaar op en heersen de wetten van de jungle. Maar zodra ze voor een gezamenlijke taak staan werkt het wonderlijk perfect. Je merkt nauwelijks een scheiding van bedrijven.’
Aan de andere kant van de tafel in Zierikzee zit de vertegenwoordiging van de Deltadienst. Aanmerkelijk vormelijker, een beetje gegeneerd over Tennekens. Namens de afdeling commerciële zaken van de Deltadienst is er A.F.Roest. Voorts het hoofd van de afdeling kostprijs F.A.P.H Fuik en het hoofd uitvoeringH. Huis in ’t Veld die in de vergadering van de projectgroep de slimste van de klas wordt genoemd. Voorzitter van de bijeenkomst is ir.drs. H.N.J. Smits die hoofd bedrijfseconomische zaken van de Deltadienst is – jong, veelbelovend en lastig. Zij vieren hebben afgelopen weken hun kostenberekening gemaakt voor de bestekken van de damaanzet en de bouwdok en hebben hun prijsraming vastgelegd in een notitie in een gesloten envelop die Smts voor zich heeft. De drie ingenieurs van de Dosbouw hebben hetzelfde gedaan. Hun bevindingen zitten in de envelop die Tennekens voor zich heeft. In feite zijn zij de grote zeven van de acht miljard. Zij stellen prijzen vast, praten en onderhandelen soms weken lang als de ramingen die ze in de envelop hebben te veel van elkaar verschillen.
Deltadienst en Dosbouw werken samen op basis van een raamovereenkomst, een bijzonder contract dat vooral wordt toegepast bij grote, ingewikkelde werken. Bij het begin van het werk sloot de overheid met een groep geselecteerde aannemers die raamovereenkomst af en verbond zich toen alle afzonderlijke projecten die uit het werk voortvloeien aan die aannemers te gunnen. Wel moet voor elk bestek een aparte overeenkomst worden gesloten en dat gebeurt vanmorgen in Zierikzee voor de honderdenzesennegentigste keer.
Het aantrekkelijke voor de aannemers is dat ze nooit tegen de laagste prijs hoeven te werken. Zij berekenen een kostprijs en de Deltadienst doet dat eveneens. Als het verschil minder dan zes procent bedraagt, wordt het werk gegund. Is het meer, dan wordt opnieuw onderhandeld.
Het aantrekkelijke voor de Deltadienst als opdrachtgever was, althans in 1976 dat ze een bouwcombinatie voor langere tijd aan zich verplichtte. De economie was toen nog verhit, het werk lag voor het opscheppen en aannemers konden nog rekenen wat ze wilden. Dat is nu anders.
‘De zweep van de economie ligt er niet meer overheen. Voor de aannemers pakt dit contract nu goed uit. Ik ben trouwens geen voorstander van werken tegen de allerlaagste prijzen. Die betekenen soms langere bouwtijden, conflicten, arbitrages en deconfitures,’ zegt de projectleider van de stormvloedkering ir. Tj. Visser. Hij noemt het een voorbeeld van de Thames barrier, een stormvloedschil voor London, die aanvankelijk aangenomen werd door de laagste inschrijver. Van alles ging fout, lange stakingen, ontwerpaanpassingen, tenslotte een faillissement. Uiteindelijk koste het project twee en een half maal zoveel als eerst geraamd.
Een fout
Het moment is daar dat de enveloppen geopend worden. Tennekens geeft zijn enveloppe aan Smits en omgekeerd. Er heerst bij dit soort gelegenheid altijd enige spanning. Het wordt zelfs stil in de kamer. Zowel de damaanzet als het bouwdok zijn al eerder aanbesteed maar toen lagen de partijen meters uit elkaar, Dosbouw had voor de damaanzet een bedrag van 8,8 miljoen becijferd, maar liefst vijfendertig procent hoger dan de Deltadienst die op 7,3 miljoen uitkwam. Met de raming van de bouwdok zat Dosdouw twintig procent hoger. Smits zegt: ‘Bij zulke verschillen is het mogelijk dat het rijk fout zit of dat Dosbouw zijn huiswerk niet goed gemaakt heeft. Dan laten we elkaar de boeken zien, worden berekeningen vergeleken en proberen we elkaar te overtuigen. Wat voor beton heb jij gebruikt? Is het zand dat wij willen wel nodig? Die onderhandelingen kunnen vier, vijf weken duren. Als we het eens zijn dan volgt de nieuwe aanbesteding.’
Die heeft nu plaats. Het pakt bijzonder goed uit voor de aannemers. Die hebben voor de damaanzet nu een bedrag geraamd van ruim 8 miljoen gulden, het rijk kwam op iets meer dan zeven en een half miljoen. Een verschil van 5,8 procent, net binnen de marge van zes procent. Met de raming van de bouwdok zit Dosbouw op 3,1 procent boven het bedrag van de Deltadienst. De ambtenaren van de Deltadienst zoeken bij hun ramingen naar redelijke prijzen waarin een winstpercentage voor de aannemers becijferd zit. Bij zo’n tweede aanbesteding mag je er dan ook van uitgaan dat alles wat Dosbouw er meer uit kan halen extra winst is. Zoals nu.
De Algemene Rekenkamer die de gang van zaken bij de bouw van de stormvloedkering onderzocht kwam tot de slotsom ‘dat de aanbestedingsbedragen in het kader van de met Dosbouw gesloten raamovereenkomst veelal belangrijk hoger liggen dan de ramingen van de Deltadienst. Wel lukte het dikwijls door de onderhandelingen daarna de aannemingssommen terug te brengen, maar niet steeds tot het niveau van de raming. ‘Maar wat betekent veelal‘? Ir. D. Von Eugen zegt: ‘Dosdouw zit altijd hoger dan de Deltadienst. Het is op zijn hoogst in al die tweehonderd keren tien of vijftien maal voorgekomen dat wij op een lager bedrag zaten. Ik kan wel verklappen dat we dan verbleken van schrik. Dan moet er door ons ergens een fout gemaakt zijn, dan moet door ons iets verkeerd zijn ingeschat.’ De financiële man van de Deltadienst ir. drs. H.N.J. Smits is nog wat preciezer: ‘Algemene conclusies zijn gevaarlijk, ik kan ook geen gemiddelde noemen. Bij zo’n eerste aanbesteding zijn de verschillen soms dertig, soms zestig maar ook wel eens tien procent. Dan gaan we onderhandelen en globaal is het resultaat dan dat de aannemers tweederde teruggaan en wij eenderde toegeven. Het is bij een contract als dit per definitie zo dat als de een a zegt en de ander b je altijd tussen a en b moet uitkomen. Als het werk tenslotte wordt gegund kan ik zeggen dat de helft weggaat met een overschrijding van vier procent boven ons bedrag. De rest zit hoger of lager. Wij verliezen tweederde en winnen eenderde.’
Argwaan is bij dit soort constructies dubbel op zijn plaats. De kostenramingen worden gemaakt in het kampement in Burghsluis. De helft van de kantorenketen daar wordt bewoond door mensen van de Deltadienst. De andere helft – aan de overkant van een pleintje met een grillig monument – bestaat uit de kantoren van Dosbouw. Ieder loopt bij elkaar in en uit. Zeventig mensen die bij Deltadienst werken staan op de loonlijst van Dosbouw die aldus de rol speelt van een legale koppelbaas. Er zijn secretaressen die twaalf jaar bij Deltadienst werken maar toch formeel in dienst zijn van Dosbouw. Op de tikkamer van Deltadienst werkte een mevrouw, in dienst van Dosbouw. Zij is getrouwd met de iemand die op de afdeling kostprijsberekening van Dosbouw werkt. Om te verhinderen dat de mevrouw misschien ooit gevraagd zou worden de kostprijsberekening van Deltadienst te tikken, is zij overgeplaatst. Geen kwaad woord over die mevrouw of die meneer, want dat liep correct af. Maar zijn er geen andere mogelijkheden waardoor de een de kostprijsberekening van de ander voortijdig inziet? ‘Nee’ zeggen de mannen op de aanbestedingsvergadering in Zierikzee. ‘Onze commerciele afdelingen zijn strikt gescheiden. Bovendien zitten de kostprijsberekenaars van de Deltadienst in Zierikzee.’ Maar ook daar werken mensen die bij Dowsbouw op de loonlijst staan.
En is het rijk, dus de Deltadienst, wel competent om kostprijsberekeningen te maken? Een lid van het projectteam dat de kering bouwt – hij wil anoniem blijven – zegt: ‘De ramingen hebben altijd een marge van onnauwkeurigheid. Want door niet deel te nemen aan de organisatie van bouwers kent de overheid de markt niet.’ Die zelfde kanttekening wordt gemaakt in een boek van dr. A. Baumgarten (ing.) over de grond-, water- en wegenbouw in Nederland. Baumgarten werkte een aantal jaren als hoofd van de afdeling kostprijsberekening van de hoofddirectie van Waterstaat en voelde zich ‘onmachtig om tot cijfermatige fundering van economische grootheden te komen‘. Zijn boek is niet zó leesbaar, hij kreeg overigens het advies ontslag te nemen als hij het wilde publiceren, maar in één conclusie is hij heel duidelijk. Hij schrijft: ‘Daar de overheid als wederpartij van het bedrijfsleven niet beschikt over de adequate organisatie heeft dit duidelijk gevolgen voor de kwaliteit van informatie. Mede hierdoor beschikt de overheid bij haar onderhandelingen niet over adequate informatie in kwalitatief en kwantitatief opzicht. Dit opent de mogelijkheid voor het ontstaan en continueren van vermijdbare uitgaven.’ En telefonisch laar Baumgarten weten dat hij zo voorbeelden kan noemen waarbij honderden miljoenen te veel zijn uitgegeven.
Negatief
Ik confronteer ir. H. Engel, hoofd van de Deltadienst met deze kritiek. Hij zegt voorzichtig: ‘Rijkswaterstaat volgt het gebruikelijke aanbestedingsbeleid en verzamelt informatie die voor dat beleid noodzakelijk is. Wij hebben ons bij de deltawerken vanaf het begin gerealiseerd dat een normale wijze van aanbesteden niet mogelijk is. Vandaar het raamcontract. Die vorm van overeenkomst is steeds verder geperfectioneerd en gelijk op daarmee is door de Deltadienst een kostprijsafdeling opgebouwd die adequaat is om onderhandelingen met de aannemers te voeren. Je zou het allemaal verbeteren als je het weer moest doen, maar nu voldoen we aan wat we beoogd hebben.’
Maar maakt de overheid voldoende deel uit van de aannemerij om de markt te kennen?
Engel: ‘ We kunnen net zo goed als de aannemers tellen hoeveel uren de arbeiders bezig zijn en hoe lang het materiaal wordt ingeschakeld.’
Maar kunnen er geen bedenkelijke situaties ontstaan als opdrachtgevers en aannemers zoveel jaar zo dicht op elkaars lip zitten?
Engel: ‘Je kunt niet voorkomen dat mensen die zo nauw op elkaar zitten ongeveer van elkaar weten hoe de ander reageert. Als we over werkmethoden spreken valt het niet mee om die voor elkaar verborgen te houden. Als je zegt dat er wederzijdse beïnvloeding is, is dat juist. Onze kostprijsmensen werken met de ervaringen uit de praktijk, ze worden continu gevoed door de gegevens hoe lang de aannemers erover doen. Het enige vervelende wat daaruit voort kan komen is dat de aannemers langzamer gaan werken. Dat ze niet meer door de concurrentie gedwongen worden inventief te zijn, nieuwe dingen te bedenken. Daar zijn we aan tegemoet gekomen door te zeggen: aannemer je kan iets extra’s verdienen als je het sneller doet, maar die snelheid ligt dan wel voor de toekomst vast.’
De algemeen-directeur van Dosbouw T. van Dam heeft een middag voor het gesprek uitgetrokken. Al eerder baste hij (in De Stem) dat ‘de media alleen negatief zijn over de pijlerdam’. Dit is zijn kans.
Eigenlijk, zegt de verslaggever, zitten de aannemers met de bouw van de stormvloedkering hier op fluweel. Met gegarandeerd werk, een minimaal risico en de zekerheid dat je winst maakt. Toen Ogem een project van vier miljard – de helft van wat de pijlerdam kost – in Saoedi Arabië moest bouwen ging het bedrijf failliet. Bos Kalis heeft een miljardenproject in Argentinië en komt in grote moeilijkheden. Volker Stevin ging op avontuur in Oman en was de ondergang nabij. Voor Zeeland wil toch iedereen tekenen?
Van Dam reageert geprikkeld: ‘Ik wordt toch zo giftig als mensen dat zeggen. Vergeet niet dat dit voor het rijk de voordeligste manier van bouwen is. Als je ziet hoe hier door ons en door het rijk gewerkt wordt. Ik kan dat zelfs aan mijn eigen raad van bestuur in Den Haag niet duidelijk maken. Hier wordt gediscussieerd en gevochten, Je moet eens zien hoe mensen op het werk tekeergaan. De laatste pijler had eigenlijk niet geplaatst mogen worden omdat het windkracht zes was. Het is toch gebeurd, de mensen wilden het niet uitstellen. Zelfs Rijkswaterstaat begrijpt niet dat er zo’n drift is om te werken. Hier zitten gekken.’
En wat rustiger: ‘Er zijn veel werken die je gelukkig niet maakt en er zijn er steeds meer die je ongelukkigerwijs moet maken. Tien jaar geleden hadden we op de wereldmarkt nog de concurrentie van één Japans bedrijf, nu staan er op de lijst van grote aannemers vierendertig Japanners en eenentwintig Koreanen. Het risico van een werk in het buitenland is groot, de markt is harder geworden. Je zit daar in de jungle met Koreanen, Japanners en onbetrouwbare opdrachtgevers. Vroeger ging je er als baggeraar heen en als je niet betaald werd stapte je op je schuit en voer weg. Nu moet je hele nederzettingen in de woestijn bouwen en word je kwetsbaar en afhankelijk.’
Wat dat betreft is het werken in de monding van de Oosterschelde zonder risico’s. Goed, Van Dam geeft toe dat ‘als er meer tijd was geweest er meer onderzoek had kunnen worden gedaan en minder kapitaal vernietigd had hoeven te worden’. Naar toch protesteert hij tegen die almaar eenzijdige benadering dat de pijlerdam, inclusief de aanvullende werken aan de Oesterdam acht miljard heeft gekost. Hij staat niet alleen. De emeritus hoogleraar ir. J.F. Agema zei over de kostenstijgingen van de stormvloedkering: ‘De politici hebben zelf boter op hun hoofd (…) Een miljard meer is jammer maar ik lig er niet van wakker. De politici zouden zich beter wat rustiger kunnen gedragen, zeker wanneer je het project wilt verkopen aan het buitenland.’ Daarvoor wil hij zelfs de parlementaire controle op een laag pitje zetten.
Maar hoe is die negatieve publiciteit gevoed? Het hoofd van de Deltadienst Engel zegt: ‘Een van de vervelende dingen is dat destijds een bedrag genoemd is uitgedrukt in geld van dát moment. Zonder inflatie en prijsstijgingen in te calculeren. Daar hebben zowel het metroproject als nu de stormvloedkering veel negatieve publiciteit aan te danken die in het buitenland slecht voor ons werkt. Ik vind dat onzinnig, je moet dat proberen te vermijden. Het ministerie van Financiën zou ons moeten voorschrijven projecten te berekenen in bedragen inclusief de geldontwaarding.
Het CDA-kamerlid H.Eversdijk heeft ooit gezegd dat de uitgaven voor de Oosterschelde eens zo duur waren geworden en suggeerde fraude door te zeggen ‘dat hij geen fraude wilde sugereren‘.
Er is nog een reden waarom bouwers in Zierikzee zuchten onder de ‘negatieve publiciteit’. Dat is de falende voorlichting. Smits, de financiele man heeft er samen met prof. dr.ir. T. Goedemans van Erasmus Universiteit in Otar, het maandblad voor de wegen- en waterbouw, een aantal opmerkingen aan gewijd Hij schrijft: ‘Een probleem is dat de communicatiesnelheid binnen het project soms niet opgewassen is tegen de negatieve publiciteit vanuit de media. Dit leidt dan tot misverstanden en spanningen binnen de projectorganisatie. Aangezien overheidsdiensten geen actief gebruik maken van de media, kan het gebeuren dat negatieve berichtgeving “rondzingt” in dag- en weekbladen. En tenslotte is het weinig motiverend om te werken aan een stormvloedkering die niemand bij nader inzien wilde en waar iedereen kritiek op heeft.’
De aanbestedingsbijeenkomst in Zierikzee is afgelopen. De zeven mannen gaan uit elkaar. Ze zijn honderdzesennegentig keer in vergadering bijeen geweest. In januari zullen ze hun laatste seance houden. Want binnen de organisatie wordt gewerkt om de laatste bestekken in één aanbesteding te regelen. De zogenaamde ‘deelovereenkomst 300‘, een klus van enkele honderden miljoenen. Op die manier hoopt de projectorganisatie ‘de spanning’ erin te houden. Want er is voor het personeel niets dodelijker dan werken aan een aflopende zaak.
Vrij Nederland – 15 december 1984
‘Ik ben er niet gerust op dat het niet eens mis kan gaan en er een pijler gaat kantelen’
door Rudie van Meurs
Twaalf jaar geleden verscheen het rapport van de Club van Rome een sober ogend boekje met een zeldzaam prozaïsche tekst dat niettemin een bestseller werd. De samenstellers, een groep van wetenschappers uit heel de wereld, voorspelden de ondergang van de beschaving – mits de mensen zouden ophouden materiële vooruitgang als hoogste goed na te jagen. Die aankondiging van de apocalyps had tot gevolg dat, vooral in Nederland, de belangstelling voor het milieu groeide en niet langer beperkt bleef tot actiegroepen. Zo was Keerpunt ’72, het verkiezingsprogramma van PvdA, D’66 en PPR sterk beïnvloed door de bevindingen van de Club van Rome. Door toedoen van D’66 en PPR was in het programma tekst opgenomen dat een onafhankelijke commissie het dilemma van óf afsluiting óf dijkverhoging van de Oosterschelde nog eens zou onderzoeken. Die zin maakte de weg vrij voor de commissie-Klaassesz. Korte tijd later was er de energiecrisis en werd bevestigd dat er ‘grenzen aan de groei’ waren.
In die sfeer zou tenslotte het kabinet-Den Uyl in 1974 het besluit nemen dat de Oosterschelde halfopen zou blijven of, zoals de Zeeuwen liever zeggen, halfdicht. Want iedereen kreeg een beetje gelijk en moest een beetje toegeven. Voor het milieu is er niets beter dan een open Oosterschelde en voor de veiligheid van is de dam de beste garantie. De grootste prestatie was dat het kabinet-Den Uyl met de oplossing van de pijlerdam een crisis overleefde. Het was in die dagen – met starre politieke standpunten, wetten die heilig waren en maatschappelijk tegenstellingen die verhardden – een begrijpelijke beslissing. Achteraf valt vast te stellen dat het een onnodig dure oplossing was en dat de actiegroeppen, verzameld in Samenwerking Oosterschelde (SOS), de verstandigste oplossing aandroegen: dijkverhoging.
Dijkverhoging werd omstreeks 1975 begroot op 1miljard. Een vaste dam, zoals de Deltawet voorschreef en waaraan de positie in de Tweede Kamer dan ook strikt de hand hield – kwam op 2.1 miljard. De stormvloedkering inclusief de aanvullende werken zoals die tenslotte zou worden gebouwd werd begroot op vijf miljard, maar daar komt bij één miljard aan tegenvallers en twee miljard voor geldontwaarding – in totaal acht miljard. Al eerder is geschreven (zie VN 8-12) dat Rijkswaterstaat, de Provinciale Waterstaat van Zeeland en de waterschappen onwillig waren mee te werken aan een gedegen onderzoek aar de mogelijkheid van dijkverhoging, Achteraf valt ook vast te stellen dat hun bezwaren tegen die verhoging even speculatief waren als de manier waarop politici beslisten over de pijlerdam.
Als bezwaren tegen de dijkverhoging golden bijvoorbeeld de kosten van aanleg en onderhoud, de langdurige onteigeningsprocedures en de vele jaren die ermee gemoeid zouden zijn. Vooral dat laatste punt woog sterk omdat het zuidwesten van Nederland immers, zolang de laatste dijk nog niet was aangepakt, onbeschermd zou zijn tegen vloedgolven. Welnu, al die bedenkingen zijn in de afgelopen jaren gelogenstraft. Toen besloten werd tot de bouw van een afsluitbare dam, beloofde de regering ook de bestaande dijken rondom de Oosterschelde te verhogen als een versterking van de tweede linie. Die zogenaamde ‘partiële’ dijkverhoging was ook weer een compromis. De vast dam waaraan Rijkswaterstaat in het begin van de jaren zeventig volop bezig was, had omstreeks 1978 gereed moeten zijn. De stormvloedkering zou pas zeven à acht jaar later gereed zijn en om die tijd te overbruggen en mogelijke risico’s te compenseren, suste de regering de Zeeuwen met het versterken van de bestaande dijken. Drie, vier jaar later was dat karwei al voltooid en ieder was verbaasd dat die verhoging zo voorspoedig konden worden gerealiseerd zonder tijdrovende onteigeningsprocedures. Goed, in plaats van de begrote honderdtachtig miljoen kostte de aanpassing het dubbele, en partieel verhogen is natuurlijk eenvoudiger dan een dijk op deltahoogte brengen. Niettemin bewees de geschiedenis dat ook waterstaatdeskundigen zich kunnen vergissen. Gedeputeerde mr. J.P. Boersma van Zeeland zegt: ‘Ik heb altijd een genuanceerd standpunt ingenomen binnen het provinciale bestuur. Persoonlijk zeg ik nog steeds: geef mij maar een open Oosterschelde. Maar ik ben een Zeeuws bestuurder en de provincie wilde veiligheid. Daar komt bij dat Rijkswaterstaat nooit duidelijk is geweest over de veiligheid van een open Oosterschelde. Ik zei: als blijkt dat de veiligheid op een andere manier dan een dam of kering bereikt kan worden, ben ik op voorhand akkoord. Daar is nooit antwoord op gekomen. Wel werd gezegd dat dijkverhoging eindeloos lang zou duren. Als ik nu zie dat de partiële verhoging goed en snel is bereikt, dan vraag ik me af, had dat met uitsluitend dijkverhoging van de Oosterschelde ook niet gekund? De wet had moeten worden aangepast, dan was verhoging op deltaniveau mogelijk geweest. Nu is gebleken dat iedereen wilde meewerken, agrariërs, milieumensen en waterschappen.’
Er sneuvelden meer reputaties. Het kabinet verbond aan zijn voorstel de Oosterschelde halfopen te houden een aantal ontbindende voorwaarden. Zo zou alsnog een vaste dam worden gebouwd als zou blijken dat een stormstuwcaisson op onoverkomelijke (technische) problemen zou stuiten; de kosten van de nieuwe oplossing meer zouden bedragen dan de zeventienhonderd miljoen extra die waren begroot boven de kosten van een vaste dam; het project niet uiterlijk 1985 zou zijn voltooid. Van meet af aan werd de kostenvoorwaarde met een korreltje zand genomen. In het kamerdebat van 1976 werd uitgegaan van een bedrag van 4200 miljoen. Op het ministerie van Verkeer en Waterstaat werd nadien zo gegoocheld met getallen (Minister Tj. Westerterp noemde dat ‘met de genade meewerken‘) dat tot grote verwondering van ieder er een ramingsbedrag van bijna vijf miljard over bleef. Daar zou later nog een miljard bij moeten – en dan laat ik de twee miljard geldontwaarding verder achterwege hoewel het duidelijk is dat die evenredig stijgt met het te investeren vermogen.
Maar nimmer trad de voorwaarde in werking. Dat gebeurde ook niet toen bleek dat 1985 niet gehaald werd en het eind 1986 zal worden voor de kering gebruiksklaar is – de wegen over de kering zullen pas in de zomer van 1987 worden opengesteld. En tenslotte deugde niets van de ‘technische’ ontbindende voorwaarde. Al snel bleek dat een dam van stormstuwcaissons te moeilijk was om te realiseren. Daarop concentreerde de technici zich op een dam van pijlers op putten – een systeem van ronde putten die worden afgezonken op de vaste ondergrond van de rivier en waarop later pijlers worden geplaatst. Maar ook die oplossing kon niet verwezenlijkt worden. Een jaar later, in 1977 werden het pijlers op matten – ook wel aangeduid als monolietpijlerdam omdat pijler en funderingsplaat één geheel vormen. In die dagen demonstreerde de toenmalige minister van Verkeer en Waterstaat ir. D.S. Tuijnman zijn deskundigheid door op te merken: ‘Putten of matten, het is allemaal hetzelfde.’ Hij had trouwens al eerder de Tweede Kamer gekwalificeerd door in Goes te zeggen: ‘Ik weet niks van de Oosterschelde, er is maar één man die er iets van af weet en dat is Van Rossum.’ Hij bedoelde ir. H. van Rossum (SGP) die ooit hoofdingenieur van het technisch bureau van de Unie van Waterschappen was en sindsdien his master voice is gebleven.
Maar goed, steeds bleek dat die ontbindende voorwaarden van het kabinet loze zinnen waren en dat het point of no return tot verder dwong. E.C. Boissevain coördinator van Samenwerking Oosterschelde (SOS) zegt: ‘In feite is de beslissing voor een stormvloedkering genomen op grond van politieke overwegingen. Technisch en wetenschappelijk was de zaak nauwelijks onderbouwd. De Tweede Kamer heeft geen vat op het project gekregen net zo min als de ministers van Verkeer en Waterstaat daarin slaagden. Het is een vreselijk gecompliceerde materie. Omdat het karwei zo lang duurt kreeg de Kamer er ook schoon genoeg van, werd niets ondernomen en niets doorgezet. Die pijlers op matten is een razend lastige constructiefundering. De eerste superstorm moet nog komen. Hoe zullen ze zich dan houden.
Ir. H. Meijer, in de jaren zeventig het brein achter SOS, die zelf een plan maakte voor dijkverhoging rondom de Oosterschelde, deelt die skepsis. Hij zegt: ‘Het probleem blijft altijd het loopzand op de bodem van de rivier. Zandgrond is net als een biljartbal. Als je ze op elkaar stapelt lopen ze weg. Dat zand vormde een probleem bij het voorstel met die pijlers op putten. Die hadden scheef kunnen zakken. Toen kwam ir. F. Spaargaren met de idee pijlers op matten te zetten. Het onderliggende principe was alles aan de kant in werkdokken maken en later in gerede vorm plaatsen na de bodem te hebben verdicht en vlakgemaakt. De matten liggen op een verhoging van zand, kif en grint die de druk op de bodem spreidt en tegelijk een filter is waar de stroom doorheen kan. Een zeer hoogstaande techniek. Maar mijn bezwaar is dat de pijlers niet rotsvast zijn. De kans is groot dat bij zware storm problemen kunnen opdoemen. Hoe ver zullen ze dan wijken? En wat voor effect kan de golfklap hebben op de pijler en de schuif?’
Bedenkingen zijn ook gebleven bij ir. J.F.Agema, vroeger hoofd van de waterloopkundige hoofdafdeling van de Deltadienst en sinds kort emeritus hoogleraar verkeers- en rivierwaterbouwkunde van de TH in Delft. Bij zijn afscheid zei hij: ‘Regering en parlement wilden uiterlijk half 1976 een definitieve beslissing nemen. Die druk maakte het moeilijk. Als we meer tijd hadden gehad dan zou de keuze beter onderbouwd zijn geweest.’ Agema was medeontwerper van de pijlerdam maar is nooit een voorstander geweest van de matten onder de pijlers: ‘Die techniek is prachtig maar je blijft met de naden zitten.’ En door die naden kunnen volgens extra voorzichtige beschouwers slootjes, kanaaltjes ontstaan die door het kwellen van het water zullen verwijden. Dan kan het piping-effect optreden waardoor in het ongunstigste geval een pijler scheef kan zakken. Er zijn tientallen matten op de bodem van de Oosterschelde gelegd, het was misschien wel de moeilijkste operatie in het hele karwei die steeds met grootste zorgvuldigheid moest gebeuren. In het begin werden matten beschadigd, te vroeg gelegd of ze moeten gerepareerd worden. Een voormalig lid van het projectteam dat de kering bouwt zegt: ‘Vooral van belang was dat al het zand werd weggezogen als de mat werd aangebracht. Maar ik ben niet overtuigd dat het in alle gevallen ook gebeurd is en of er niet eens wat zand achtergebleven is. Ik ben er dan ook niet op gerust dat het niet eens mis kan gaan en er een pijler gaat kantelen.‘ In dit geval hebben we beloofd de naam van de medewerker niet te noemen, hij is zo zelfverzekerd als de anderen. Hij zegt: ‘Er kan van alles gebeuren, ik heb gezien hoe er gewerkt is en wat er fout kan gaan.’
De hectische jaren zeventig overdenkend zegt ir. H. Meijer: ‘Wij als SOS vormden een lobby, maar aan de andere kant stonden de aannemers en de constructiewerkplaatsen. Die hadden heel veel belang bij een beweegbare kering.’ In zijn huis op Tholen herinnert Boissevain zich: ‘Die lobby van aannemers zeid tegen ons, jullie verpesten de zaak. Maar op een bepaald moment viel die groep uit elkaar. Er was veel rivaliteit tussen de grote en de kleine aannemers. De laatste zagen een groot deel van het overheidsgeld wegvloeien naar de Oosterschelde. Dat werd de grote slokop. Zo kreeg je de situatie dat wij, milieugroepen konden aankloppen voor steun bij de dijkenbouwers en de vereniging van kust- en oeverwerken. Wij bestonden uit een mengeling van zeilers, vissers, oesterkwekers en natuurbeschermers. We hadden geen rooie cent, maar werden gefinancierd door de oesterkwekers en dijkenbouwers. Maar die lieten zich er nooit op voorstaan. Ik ben vroeger ambtenaar geweest bij de EG. Toen heb ik gemerkt dat als je met iets bezig bent het maffia wordt. Ik werkte in de internationale handelspolitiek en kon op geen vergadering komen of ik zag vier, vijf bekenden. Daar maak je gebruik van en zo ging het ook bij de Oosterschelde.’
De Algemene Rekenkamer, die vorig jaar een onderzoek verrichtte naar het Oosterscheldeproject, concludeerde dat de achtereenvolgende ministers schandelijk hebben gefaald in het geven van informatie aan de volksvertegenwoordiging: ‘Te rooskleurig; onduidelijk; niet in overeenstemming met de feiten; te optimistisch; onjuist.‘ Een ander lid van het comité SOS, ir. W.J. van Grondelle, vertaalde de conclusie als ‘manipulatie van informatie‘. ‘In de praktijk blijkt informatie ook te worden gebruikt als middel tot beïnvloeding van besluitvorming. Het meest duidelijk ligt dat bij het niet laten uitzoeken van alternatieve oplossingen.’ Zoals bij de dijkverhoging.
Maar wat deed de Tweede Kamer zelf toen ministers het af lieten weten? Niets, zoals al gezegd. Het pikantste voorbeeld is D’66 – ooit de kampioen van een open Oosterschelde en dwarsligger in een kabinet dat daardoor gedwongen werd de duurste oplossing te kiezen. Maar in de afgelopen acht jaar is nooit een kamerlid van die partij op het idee gekomen zelf eens op onderzoek uit te gaan bij wat genoemd wordt ‘het werk van de eeuw’.
Vrij Nederland – 15 december 1984