De ondergang van de Lucona, een schandaal in Oostenrijk
RUDIE VAN MEURS – Enkele dagen na de ramp bedacht de kapitein dat in het ruim mogelijk ‘een hete kern was’ en dat de grote hoeveelheid water die het schip binnendrong, ‘door de hitte tot stoom verdampte’. De stuurman zag in het midden van de plotseling oprijzende rookkolom ‘een rode kern’. Niemand hoorde een explosie of een klap. Er klonk slechts geluid van ‘het kraken van metaal’, alsof het schip in stukken werd gescheurd. Een minuut later zonk het, met zes opvarenden, naar 4000 meter diepte. Wat gebeurde elf jaar geleden aan boord van het m. s. Lucona in de Arabische Golf?
Het Nederlandse 1200 ton metende schip ‘Lucona’ verging op 23 januari 1977 ter hoogte van de Malediven tussen de achtste en tiende breedtegraad. De zee was rimpelloos. De temperatuur meette meer dan 35 graden. Zo ver de horizont reikte viel geen schip of land te bekennen. Stuurman J. N. van Beckum bevond zich in de kaartenkamer rechts op de brug waar hij elke twee uur de hoogte en de azimuth van de zon bepaalde om de positie van de ‘Lucona’ vast te stellen. Drie weken na de ramp bracht hij voor de rechtbank in Rotterdam verslag uit: ‘Plotseling voelde ik een sterke vaartvermindering. Het leek wel of het schip tegen een muur aanvoer. Het leek op het pompend remmen van een auto met veel vaart. Toen ik vanachter de kaartentafel opkeek zag ik recht vooruit rook. Het centrum was rood, daaromheen was de kleur geelgrauw. Weer verder weg werd de kleur lichter. Dit loste zich tenslotte op in een soort dichte mist om het schip heen. De rode kern was iets meer aan stuurboord dan recht vooruit. Ik liep onmiddellijk naar de brug. Ik zag dat de ruiten naar binnen kwamen zetten, wat me het gevoel gaf van een vertraagde film. Toen de ruiten in gruzlementen op de vloer van de brug terechtkwamen, drong de rook naar binnen. Ik merkte niets van enige moeilijkheid bij het ademhalen, ik rook niets speciaals. Achteraf kan ik ook niet zeggen wat het rode is geweest dat ik heb gezien. ‘
Kapitein J. Puister van de ‘Lucona’ kwam een fractie van seconden later op de brug. Hij zag verschillende kleuren rook en hoorde ‘aan akelig kreunend geluid dat leek op een draaiende baggermolen’. Tegelijkertijd kwam uit dezelfde richting ‘sissend geluid van ontsnappend stoom’. De kapitein later bij het getuigenverhoor: ‘Als men mij vraagt wat er gebeurd is dat zeg ik dat er iets in de lading uit elkaar gesprongen moet zijn. Ik spreek dan van een uitbarsting. Ik doe dit omdat ik geen klap heb gehoord. Mijn vrouw die aan boord was heeft ook geen klap gehoord en de stuurman ook niet. Er moet wel een zo enorm grote schade aan de huid en de bodem van het schip zijn toegebracht dat het schip in een minuut of zo geheel is gezonken. ‘
Plotseling helde de ‘Lucona’ sterk voorover. In doodsnood riep een matroos: ‘Captain, lifeboats, lifeboats’. Puister: ‘Ik riep, no time jump. Op het zelfde moment kwam er sterke slagzij en kwam ik geheel onder water terecht’. De kapitein, zijn vrouw, stuurman Van Beckum, de assistent-machinist en twee matrozen kwamen in zee terecht en konden zich redden door in twee ronddrijvende dingeys te klimmen. Zij werden tien uur later door een Turkse tanker opgepikt. Zes andere opvarenden onder wie de Nederlandse machinist C. Borbely en zijn vriendin Trix van der Hoeven, verdwenen met het schip naar de diepte.
De afgelopen dagen troffen Puister en Van Beckum elkaar weer in Wenen. Daar dienden ze gezamenlijk een aanklacht tegen de Oostenrijker Udo Proksch en twee van zijn metgezellen, wegens moord op de zes verdronken bemanningsleden en poging tot moord op henzelf en de vier anderen die gered werden. Proksch is laten we zeggen omstreden, even zwaar verguisd als diep bewonderd. Een spraakmakende vertegenwoordiger van de Weense society. Hij is een 54-jarige uit Duitsland afkomstige Oostenrijker. Een wapengek, een fantast, een notoire dwarsligger, een beetje operette-figuur. Hij was ooit varkenshoeder en werd filmacteur met sterke affiniteit met de figuur van Napoleon die hij te pas en te onpas uitbeeldt. Hij ontwerpt brilmonturen en werd zakenman ‘met een voorkeur voor de tussenhandel tussen tussenhandelaren’, zoals een Weense columniste ooit schreef. Hij is bovendien eigenaar van de befaamde konditorei en ‘Hofzuckerbäckerei’ Demel en dat is zoiets als American was voor Amsterdam. En boven Demel begon Proksch vijftien jaar geleden nog een ander projekt, ‘Club 45’ – een heren-sociëteit met 250 leden uit de betere kringen. De naam van de sociëteit houdt verband met het doel. Dat is een generatie mannen bij elkaar brengen die na 1945 hun carriére in de maatschappij begonnen. Omdat Proksch veel socialisten, van dr. Franz Vranitzky tot een reeks ministers en vooruitstrevende opinieleiders, tot zijn vrienden mag rekenen, werd de gezelligheidsvereniging al snel de ‘rode loge’ genoemd. Proksch, die zich ook Serge Kirchhofer noemt, is kind aan huis in landen van het oostblok. Hij is bovendien eigenaar van een handvol (Zwitserse) brievenbusfirma’s zoals de besloten vennootschap ‘Zapata’. En Zapata zorgde begin 1977 voor de belading waarmee het Nederlandse schip ‘Lucona’ voor het laatst de zeeën bevoer. Wat was dat voor een geheimzinnige vracht die op 7 januari 1977 de haven van Chioggia bij Venetië verliet en die ruim twee weken later de romp van de ‘Lucona’ aan stukken reet?
Volgens de scheepspapieren en de in- en uitklaringsmanifesten ging het om ‘machines met een gewicht van ongeveer 700 ton’ en een ‘ontmantelde uranium fabriek’. Volgens Proksch die met vier anderen bij de inlading van het materiaal aanwezig was, ging het om ‘ongevaarlijk en legaal’ materiaal. De stuurman herinnerde zich later dat het om ‘containers, kratten, buizen, bundels, afzuigkappen en twee ketels, cylindrisch van vorm ging’. De kapitein had bij zijn inspectie, vóór de ruimten gesloten werden, ’28 containers, kratten, trechters met flenzen, fundaties met een electromotor, grote raderen en twee cylindervormige voorwerpen met vignetjes van het bureau Veritas’waargenomen. De firma van Proksch, Zapata, had de lading zo bleek later verzekerd voor ongeveer veertig miljoen gulden. Na de mysterieuze ramp bij de Maladiven diende Hans Peter Daimler(vriend en advokaat van Proksch en bovendien óók advokaat van de Oostenrijkse socialistische partij, lid van ‘club 45’ én nog eens directielid van de brievenbusfirma Pinosa – een dochter van Zapata en dus eigendom van Proksch) piëteitsloos snel een verzoek in om een voorschot op de uit te keren verzekeringspenningen. De Weense verzekeringsmaatschappij ‘Bundesländer’ weigerde te betalen en heeft dat tot op de dag van vandaag geweigerd. Sindsdien beheerst de ‘Lucona’ als een spookschip de praktijk van de Weense advokaat dr. W. Masser die namens Bundesländer nu elf jaar de claim van Proksch cum suis bestrijdt. Een scala van gemene zaken, intriges, verdachtmakingen, mysteries, afluisterpraktijken door een louche privédedective, duistere wapentransacties, relaties met het ‘oostblok’œ en pogingen tot oplichting is inmiddels aan de openbaarheid in Oostenrijk prijsgegeven. Volgens Masser en de verzekeringsmaatschappij vervoerde de Lucona op zijn laatste tocht allerminst een ontmantelde uraniumfabriek maar waardeloos schroot. En tussen dat schroot zouden explosieven hebben gezeten die mogelijk met een tijdmechanisme of op afstand tot ontbranding zijn gebracht. En zo zouden de eigenaren van de vracht de verzekering hebben willen oplichten. De moeilijkheid is alleen die versie te bewijzen. De zee geeft haar geheimen niet prijs en naarmate de jaren voortslepen worden de ontdekkingen oncontroleerbaarder en fantastischer. Van beide kanten. Proksch faalt met bewijzen te komen over de partij van wie hij de ontmantelde uraniumfabriek had gekocht. Hij kan ook geen uitsluitsel geven over het land waaraan hij de fabriek zou gaan leveren. Dat is ‘top secret’, zijn zakenrelaties willen niet dat hij erover praat. In Chioggia had Proksch tegen kapitein Puister gezegd dat hij naar Hongkong moest varen. Daar zou eerst door zijn firma Zapata een transactie dienen te worden afgewerkt met banken. Daarna zou de Lucona vernemen waar de lading definitief heen moest. Naar een haven ‘die maximaal zes dagen varen van Hongkong lag. ‘
Intussen is de affaire in Oostenrijk veel meer dan een mogelijke poging tot oplichting van een verzekeringsmaatschappij en – als waar is wat advokaat Masser vermoedt – moord op zes en poging tot moord op andermaal zes opvarenden. De verzekeringsmaatschappij Bundesländer is op-en-top Oostenrijks establishment, in handen van rechtse christen-democraten. Masser is conservatief. Hij sprak al zijn ontdekkingen door met de aartsconservatieve Hans Pretterebner, al 35 keer veroordeeld wegens smaad maar toch nog journalist. Pretterebner schreef er een boek over. Hij publiceert niet alleen veel gegevens maar laat zich ook leiden door zijn hobby van socialistenvreter. En zo dient de affaire óók de verziekte politieke verhoudingen in Oostenrijk. Rechts tegen, als ik het zo gemakshalve noemen mag, links.
Vorige week presenteerde Pretterebner zijn boek ‘Der Fall Lucona – Udo Proksch. Ein Sittenbild der 2 Republik’. Tussen neus en lippen trekt Pretterebner een vergelijking tussen de Italiaanse P2 en Club 45 in Oostenrijk en ziet hij de dritte Republik in het verschiet. Op de persconferentie waren ook de voormalige kapitein van de Lucona, Puister en zijn vroegere stuurman Van Beckum. Puister woont al weer zeven jaar in Costa Rica. Ik kom met hem in kontakt via advokaat Masser. Deze is verheugd om de belangstelling uit het buitenland want, zo vertrouwt hij me toe: ‘Bij ons gaat het zo moeilijk omdat Proksch zulke nauwe contacten heeft met het socialistisch milieu. ‘Hij belooft vervolgens Puister te waarschuwen die vrijwel direkt daarna terugbelt vanaf het kantoor van Pretterebner.
Waarom, vraag ik hem, juist nu na elf jaar die aanklacht tegen Proksch?
Puister: ‘In 1986 ben ik voor de laatste keer gehoord voor het Landesgericht in Wenen dat een strafprocedure tegen Proksch is begonnen. Toen wist ik nog steeds niet waarom het precies ging en wat de achtergronden waren. Kort geleden nam de uitgever van het boek van Pretterebner contact met zij op. Zij hebben mij toen dat boek toegestuurd en nu weet ik pas echt waarover het in 1977 ging. Er is sprake van een groot complot. Op uitnodiging van de uitgever ben ik vervolgens hierheen gekomen. Het is ongelooflijk wat hier in Oostenrijk allemaal aan het licht gekomen is. ‘
Puister en Van Beckum hebben overigens niet alleen strafklachten in Wenen ingediend. Ze zijn ook op het parket van het openbaar ministerie in Amsterdam geweest waar zij een klacht deponeerden tegen ‘onbekende personen’.
In Rotterdam wacht intussen het transportverzekeringsbedrijf ‘H. J. Roelofs-Assuradeuren’ geduldig af. Dit bedrijf was in 1977 de ‘leidende verzekeraar’ van het schip Lucona. Na de ramp betaalde Roelofs een bedrag van drie miljoen uit aan de rederij ‘Oost Atlantic Lijn bv’ in Rotterdam. Er werd destijds wel een onderzoek ingesteld maar de uitslag was geen reden het betalen van het geld op te houden. Directeur mr. H. J. Lems beziet de affaire in Oostenrijk met enige gereserveerdheid, in elk geval laat hij zich niet meeslepen door advokaat Masser van de ‘Bundesländer’. Lems zegt: ‘Veronderstel dat aangetoond wordt dat Proksch en de zijnen het schip moedwillig tot zinken hebben gebracht, dan overweeg ik een actie het verzekeringsgeld dat wij uitkeerden terug te eisen. ‘
Lems is intussen op de hoogte van elke veronderstelling die in Oostenrijk opkomt over de reden van de mogelijke ondergang van de Lucona. In de slepende affaire is een keer aangevoerd dat de ontmantelde uranium fabriek afkomstig was uit Roemenië en bestemd was voor een ander socialistisch land in het verre oosten. Dat zou tegen de zin zijn geweest van westere geheime diensten die het schip lieten vergaan. Er is gerept over een ‘atomaire’ ontploffing op het schip, ook al door de ooggetuigenverslagen van Puister en Van Beckum die spraken over een ‘hete kern’. In 1986 heeft Puister voor de rechtbank in Wenen herhaald dat hij tussen alle rook- en mistkolommen ‘een geel rode vuurbal’ zag. Een maand na de ramp heeft hij zich in Rotterdam laten onderzoek op mogelijke gevolgen van radioactieve straling. De uitslag was negatief.
Enkele dagen voor de Lucona uit Chioggia vertrok, maakte kapitein Puister kennis met Renzo Vianello, een Duits sprekende Italiaan tegen wie ook een klacht wegens moord en poging tot moord is ingediend. Vianello is een partner van Proksch. Hij zorgde voor een pistool voor kapitein Puister die daarom vroeg omdat hij de Chinese wateren inging en meende een wapen nodig te hebben. Bij die gelegenheid zei Vianello dat zo’n pistool een kleinigheid voor hem was. Hij had in het verleden complete ladingen wapens en raketten naar Vietnam en Korea verzorgd.
Proksch en zijn handlangers hebben dokumenten vervalst in pogingen een legale transactie aan te tonen. Ze zijn middelpunt van onfrisse, louche praktijken. Ik kan Proksch niet bereiken voor commentaar. Maar de tegenpartij, Bundesländer, kan er ook wat van. Zo ging eens in opdracht van Bundesländer privededective Dietmar Guggenbichler, alias dirty Dietmar, onder valse voorwendselen de woning binnen van een vriend van Proksch. Met behulp van een verstopte microfoon en zender ontlokte hij de man een ‘verklaring’ dat Proksch het schip Lucona ‘bewust had laten exploderen’. Dirty Dietmar maakte de uitgewerkte tekst van de band mooier dan die was. Bovendien zei de vriend van Proksch later lachend dat hij onmiddellijk had begrepen wie hij voor zich had. Hij wilde Guggenbichler ‘testen’.
Het bedrag waarover de verzekeringsmaatschappij Bundesländer inmiddels elf jaar procedeert is intussen, met rente en honoraria van advokaten, gestegen tot een kleine honderd miljoen gulden. Het is het concern er alles aan gelegen dat bedrag niet behoeven te betalen. Het cynische is dat de zes doden van elf jaar geleden en de dramatische herinneringen van de overlevenden een middel zijn dat doel te bereiken.
Vrij Nederland, 27 februari 1988