Nieuwjaar in Roemenë
Het is nieuwjaarsavond. De lucht is helder en de strenge vrieskou geeft een prettig, tintelend gevoel. Ik loop, om niet uit te glijden op de harde ijslaag die zich heeft vastgezet op de sneeuw, in ganzepas door de donkere straat. Zojuist heb ik de half kapotgeschoten televisiestudio verlaten waar in de binnendste catacomben, afgeschermd door tanks en wantrouwende soldaten, de uitzendingen doorgaan. Halverwege barricaderen trucks met opleggers straten en controleren vrijwilligers voorbijgangers. Soms passeer ik een kruis waarvoor brandende kaarsjes staan die door neergehurkte mensen worden beschut tegen de wind. Aan één kruis hangen drie mutsen als teken dat hier drie doden zijn gevallen. In de verte, op het plein van de republiek, lichten geblakerde regeringsgebouwen op in open vuren waaromheen jonge mensen zich warmen. Maar toch heeft Boekarest niets dreigends of gewelddadigs. De sfeer is eerder mild en ontspannen.
Plotseling rent een jongetje van twaalf op me af en stelt in het Roemeens een vraag. Automatisch antwoord ik `da,da’. Daarop haalt de jongen een stokje te voorschijn waaraan een roos zit die is gemaakt van rose crepepapier. Hij beweegt zich om me heen, strijkt de roos tegen m’n kleren en declameert met een hoge, ijle stem half zingend half pratend een nieuwjaarswens. Zo mooi en zo verstild heb ik het nog nooit gehoord. Ik geef de jongen wat Lei’s en een pen die ik in mijn zak vind. Hij is beduusd, rent me achterna en schenkt me de roos die ik beloof altijd te zullen bewaren. Een jonge vrouw, die met haar diep ingepakte baby een wandeling maakt, omhelst me. Op een viersprong staat een agent in de sneeuw en als ik hem voorbijga zegt hij `la multi ani’ – gelukkig nieuwjaar.
Het is begin 1990. In Roemenië zijn zulke straattafrelen in geen jaren mogelijk geweest. Daar regeerde de angst. Daar werden mensen murw gemaakt door honger en kou. Daar was een veiligheidsdienst die de `securitate’ werd genoemd, die de Roemenen achtervolgde, bedreigde en liet verdwijnen als ze zelfstandig dachten en praatten. Daar werden dorpen en akkers vernietigd en de boeren in flats geplaatst omdat ze zo afhankelijker van de staat werden en beter konden worden gecontroleerd. Daar werden mensen tegen elkaar opgezet en uitgespeeld. En iedereen die braaf was en hosanna zei tegen de securitate en de staat, die had de beste kansen om te overleven.
Zo werden de Roemenen bange mensen die zelfs niet meer met elkaar durfden te praten, bang iets verkeerds te zeggen en aangegeven te worden door een verklikker. Schichtig, uitdrukkingsloos liepen ze door de straten. Hun enige doel was nog zelf te overleven.
Bijna vijfentwintig jaar werd Roemenië geregeerd door Nicolae Ceaucescu en zijn vrouw Elena. Eerst waren ze zelfs nog populair. Nicolae, de president die nog een heleboel andere functies had, was in het begin eigenzinnig. Hij wenste zich niet klakkeloos te scharen onder de heerschappij van de Sowjet-Unie, hij wilde onafhankelijk zijn. Dat vonden de Roemenen, die al zolang gevochten hadden tegen Turken, Hongaren, Duitsers en Russen, prachtig. Maar na verloop van tijd werd Ceaucescu een dictator. Hij trok zich niets meer van de mensen aan. Hij had een ziekelijk idee hoe Roemenen een nieuw volk moesten worden – allemaal gelijk en gelijkgeschakeld. Hij loog, hij bedroog, hij liet wereldkundig maken dat zijn vrouw een afgestudeerd ingenieur was terwijl ze de vierde klas van de lagere school nog niet haalde. Hij vervalste cijfers over produktie in de landbouw en de fabrieken. Hij stal grote sommen geld van het Roemeense volk en zette dat op een eigen rekening bij Zwitserse banken. De gewichtigste functies in het land kwamen in handen van zijn broers, zwagers, vrouw en kinderen. Hij maakte het volk bang. Mensen die een onaangenaam woord over hem zeiden verloren hun baan, kregen huisarrest, werden verbannen of verdwenen spoorloos. Maar hij was zelf ook bang. Daarom richtte hij naast de securitate terreurgroepen op die hem en zijn kleine groep medestanders moest beschermen en het volk nog banger moest maken. Tegelijkertijd speelde hij mooi weer naar het buitenland. Koningen – ook de vroegere koningin Juliana en Prins Bernhard – kwamen bij hem op bezoek. Hij maakte goede sier met prinsen en regeringsleiders uit het buitenland – en zij met hem. Maar hij was een tiran.
Op 21 december 1989 kwam hij ten val. Het ging heel gek. Er was geen revolutie georganiseerd. Maar er waren jonge mensen van zestien, zeventien, achttien jaar die woedend waren over wat er een paar dagen eerder in de Roemeense stad Timisoara was gebeurd. Zij veroorzaakten de revolutie. Zij waren veel zelfstandiger en moediger dan hun ouders – die altijd de dictator hadden gehoorzaamd. De ouders hadden zich naar het plein van de revolutie laten sturen – via een opdracht van de fabriek waar ze werkten of via telefonische opdrachten van andere partijleden – om daar de dictator steun te betuigen. Ceaucescu stond op het bordes van het gebouw van de communistische partij. Eerst heel zelfverzekerd. Toen gebeurde er iets mysterieus. Er klonk een trillend, grommend geluid als van aanrollende tanks. Later zijn daar verklaringen voor gezocht. Een van de oplossingen is dat het geluid werd veroorzaakt door draagbare ghetto-blasters van jonge mensen. Het publiek op het plein van de revolutie raakte in paniek. Links en rechts riepen groepen jonge demonstranten: `Moordenaar, moordenaar.’ Ineens zagen de mensen dat Ceaucescu aarzelde, een hulpeloos gebaar maakte. Zij zagen dat Ceaucescu óók bang was. Toen sloeg de angst van de massa om in woede.
In een vertwijfelde poging gebood de dictator aan de hoogste militair het leger bevel te geven op de mensen te schieten. Maar het leger koos de kant van het volk. Gezamenlijk maakten zij de revolutie. Maar jonge mensen hebben de lont aangestoken.