Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars

Mond-en Klauwzeer is geen biologisch maar een economisch probleem

1984: het jaar toen de massale vernietiging begon

Toen kort geleden op het Deense eiland Funen mond- en klauwzeer werd ontdekt, legden de autoriteiten een ‘sanitair-cordon’ van 250 meter rondom de besmette boerderij. De dieren werden vernietigd. De boer en zijn gezin moesten drie maanden lang binnen blijven, gevangen in quarantaine. Boven het eiland werd een vliegverbod afgekondigd voor sportvliegtuigen.
Sinds 1 januari van dit jaar neemt ook Nederland geen halve maatregelen meer. Vóór dat tijdstip werden alleen de beesten die echt met mond- en klauwzeer besmet waren geliquideerd. De andere, ongevoelig voor de ziekten omdat ze al diverse keren waren ingeënt, mochten blijven leven. Dat kan nu niet meer. Vanaf nu worden hele veestapels, desnoods tot in de wijde omgeving, verdelgd omdat één besmette koe is geconstateerd. Daar bestaat een woord voor: ‘stamping-out’, uittrappen, uitroeien en verschroeien. Daarmee doet Nederland wat in landen als Australië, Noord-Amerika, Japan en de nieuwe lidstaten van de EG, Engeland, Ierland en Denemarken al lang praktijk is. En zo gebeurde vorige week in het Noordhollandse Lambertschaag wat tot dusver alleen in Amerikaanse cowboyfilms vertoond wordt: het vee werd er massaal vernietigd.
Wat is er toch zo verschrikkelijk aan het Picornavirus, dat mond- en klauwzeer veroorzaakt? Als er in een partij garnalen een dodelijke bacil wordt ontdekt, duurt het weken voor de autoriteiten de consument daarover aarzelend berichten. Als in het Westland het gevaarlijke methylbromide tot in het watersysteem blijkt te zijn doorgedrongen, neemt het ministerie van Landbouw halfslachtige maatregelen. Eerst wordt het ontsmettingsmiddel verboden, later worden op grote schaal ontheffingen afgegeven. Als in een woonwijk een gifbelt wordt ontdekt duurt het maanden voor het bevoegd gezag erkent dat het zo is, en vervolgens duurt het jaren voor die wordt opgeruimd. Maar als één koe in Noord -Holland blaren op de tong krijgt rinkelen overal op de wereld telefoons en worden grenzen gesloten. Zelden handelt de bestuurder zo kordaat en doortastend als nu.
Toch is mond- en klauwzeer een betrekkelijk onschuldige ziekte, te vergelijken met griep of koortsuitslag. Vervelend maar in de meeste gevallen ongevaarlijk. Het staat vast dat bij een ‘uitbraak’ van mond- en klauwzeer op zijn hoogst zes procent van de oudere beesten – die toch al minder weerstand hebben – doodgaan. En als de besmetting voorbij is zijn de meeste koeien weer even gezond als ze waren.
Mond- en klauwzeer is dan ook nauwelijks een biologisch, maar vooral een economisch probleem. ‘Onze veehouderij en vooral de exportpositie van deze sector is gebaat bij een zo groot mogelijk rendement. Vandaar dat gestreefd wordt naar rationalisatie van fabricageprocessen en naar hoge produktiecijfers,’zei een paar jaar geleden ir. A. de Zeeuw, topman op het ministerie van Landbouw en Visserij.
Eén week mond- en klauwzeer, met als gevolg het sluiten van de grenzen door Frankrijk en Italië, kost Nederland veertig miljoen gulden. De ratelende telexen die de besmetting overal in de wereld melden beteken vooral aantasting van de goede naam en vermindering van goodwill. ‘Boeren zijn ondergeschikt gemaakt aan een beleid gericht op het algemene belang van afzet en export. Het doel van afzet kenmerkt een overeenstemming tussen de belangen van de Nederlandse overheid en die van de “agri-business” – veevoederindustrie, vlees- en zuivelindustrie. Dat zijn belangen die niet bij voorbaat dezelfde zijn als die van landbouwers (en dieren). Binnen het beleid zijn die van ondergeschikt belang of zelfs een storende functie,’schreef vorig jaar het wetenschappelijk bureau van D’66 in het rapport ‘Bedreigd bestaan’. En voor deze keer heeft D’66 gelijk.
De manier waarop ook Nederland sinds kort via stamping-out mond- en klauwzeer bestrijdt en het onheil van exportvermindering oplost is verbonden met grootschalige landbouw en veeteelt. En die heeft nauwelijks of niets meer te maken met natuurlijke processen, met landschap en milieu. Die heeft alles te maken met economisch belang.
In 1982 (de cijfers over vorig jaar zijn nog niet allemaal bekend) voerde Nederland voor 177 miljard gulden uit naar andere landen. Veertig miljard van het bedrag kwam voor rekening van landbouw en veehouderij. De veeteelt (zuivel- en vleesindustrie) zorgde alleen voor een markt van acht miljard gulden. De landbouw in zijn geheel tekent voor een overschot op de betalingsbalans van een slordige tien miljard. De veeteelt alleen voor 4,5 miljard in het afgelopen jaar. In de landbouw werkt nog maar vijf procent van de Nederlandse beroepsbevolking, terwijl in de agrarische industrie ook nog eens vijf procent werkt. Het belang van de landbouw voor de betalingsbalans is kortom heel groot. Maar dat betekent nog niet dat ook de bóéren belangrijk zijn. Die zullen in mei van dit jaar vrijwel zeker een kleine tien procent van hun inkomen verliezen als gevolg van prijsverlagingen binnen de Gemeenschap en de komst van een superheffing op (te veel geproduceerde) melk. Sinds kort is geruisloos het ondernemersinkomen van de boer gelijk gesteld aan het ‘totale gezinsinkomen plus de rente van het vermogen’. De Voedingsbond FNV heeft vorige week het Landbouwschap en de Productschappen aangeklaagd omdat die ‘veel aandacht besteden aan het ondernemersklimaat maar de handen niet uitsteken voor de mensen die in de landbouw hun brood verdienen’.
In nachtelijke uren dumpen boeren illegaal de drijfmest uit hun loopstallen omdat ze niet weten waar ze die laten moeten. Om de zoveel tijd wordt een nog wonderbaarlijker krachtvoer uitgevonden dat de boeren in staat stelt nog meer beesten te vreten te geven. In Rossum schakelt een kleine boer met vijftien koeien nog even snel over op een ligbox met vijfenzestig koeien. Want volgens de landbouwvoorlichter is dat goed voor hem en beter voor de industrie. Boer en beest zijn daar aan ondergeschikt geworden.

‘Als je vroeger naar de koeien ging, veegde je je voeten op een aardappelzak gedoopt in creosol’

Rudie van Meurs

Veehouder K.F. Chattellon uit Lambertschaag heeft er vorige week één dag voor nodig gehad om tot een akkoord te komen met de opruimploeg van de Veterinaire Dienst. Hij zei ja tegen de taxatieprijs van 900.000 gulden voor zijn stal van 205 koeien. Een paar uur later was het vee vakkundig afgemaakt en met draglines, bulldozers, ontsmettingsmiddelen en ongebluste kalk onder de grond gewerkt.

Het was – als we even de tragische omstandigheden vergeten, want het is nooit leuk voor een boer om te zien hoe zijn beesten worden gedood – een voordelige transactie. De veestapel bestond uit 110 melkkoeien die onder normale omstandigheden op de veemarkt in Purmerend 250.000 tot 300.000 gulden zouden hebben opgebracht. De andere 95 dieren – vaarzen, pinken, stieren, dikke koeien en schapen – waren met anderhalve ton dik betaald geweest. Chattellon kreeg voor zijn vee ongeveer het dubbele van de dagwaarde. De ruim vier ton die hij extra kreeg was een vergoeding voor de fokwaarde – het zal geruime tijd duren voor hij zijn stal weer vol heeft met melkvee. Het was, dat kan niet ontkent worden, een royale vergoeding. En in een Gelders rievierengebied zegt een boer – van wie bekend is dat hij tot over zijn oren in de schuld zit bij de Rabobank – met nauwelijks verholen jaloezie ‘dat het op die manier nog niet zo gek is om mond- en klauwzeer te krijgen’.
Op het ministerie van Landbouw en Visserij zegt J. Janssen van de Veterinaire Dienst dat het in een boer zijn eigen belang is als hij een besmetting van mond- en klauwzeer zo snel mogelijk meldt. Want voor een al aangetaste koe betaalt het ministerie de helft van de prijs, voor alle nog gezonde beesten wordt honderd procent van de dagprijs uitbetaald. Maar een dood dier levert niets op. ‘Als de man zich heel snel meldt dan, kan ik het zo zeggen, treedt het profijtbeginsel in werking. Dat is belangrijk want mond- en klauwzeer bezorgt ons een enorme economische schade.

Het is, zou je kunnen zeggen, een premie op snel handelen en beslissen, Vooral in het belang van het ministerie dat daarop snel maatregelen kan nemen. De beste manier om tegenover de rest van de wereld hoe hoog de besmetting hier wordt opgenomen. Dat kan weer tot gevolg hebben dat andere landen ons niet onmiddellijk straffen met importbeperkingen, maar afwachten.
Dat lukte de laatste keer niet helemaal. Frankrijk en Italië reageerden wantrouwend op de mond- en klauwzeeruitbraak in Noord-Holland en sloten hun grenzen. De voorzitter van het landbouwschap J. van der Veen vindt dat vanzelfsprekend onterecht.
Hij zegt dat Frankrijk oneerlijk heeft gehandeld. Dat land zou de besmetting in Lambertschaag hebben aangegrepen om het Nederlandse vlees te kunnen verbieden en de Franse boeren te sussen die dagenlang furieus demonstreerden tegen Nederlandse vleestransporten.
Net als bij influenza wordt mond- en klauwzeer veroorzaakt door een reeks verschillende virus-typen. Er bestaat het A,O en C-virus maar ook zijn er de zogenaamde exotische typen – zoals er ook Hongkong en Spaanse griepsoorten bestaan. De verschijnselen zijn hoge koorts, blaarvorming op het mondslijmvlies en vooral op de weke delen van de huid zoals op de tepels. Uit de mond van de koe komt overvloedig speeksel waardoor zich op de grond van de stal hele plassen kunnen vormen. Omdat ook op de onderbenen blaren ontstaan en de klauwen aangetast raken worden de beesten soms gedurende enige tijd kreupel. Het melken gaat ook moeilijk omdat de uiers pijnlijk ontstoken zijn. Het virus gedijt vooral in de winterperiode, bijna elke ‘uitbraak’ in Europa gebeurde steeds in het begin van het jaar.

Mond- en klauwzeer is al zo oud als de mensheid. In oude schrifturen over de ziekte worden adviezen gegeven hoe ‘de tongblaar of kanker in den mond te bestrijden’: Wanneer nu blaren aan de tong of op eenige andere plaats in den mond ontdekt worden, zoo moet men dezelfde terstond met een scherp werktuig openmaken zodat de daarin bevatte scherpe stoffe ontlast worden. De etter welke zich uit de blaar ontlast moet met een linnen lap, schoon van den tong worden afgewischt opdat het beest dien niet binnenlikke. Ook moet diegene die de uitsnijding verrigt, eene oude handschoen aantrekken, of de hand met linnen omwinden dewijl de etter van de blaar overal waar dezelfde de hand aanraakt door zijne scherpte op de huid bijt.’
Maar juist in die blaar, zo heeft de moderne veterinaire wetenschap ontdekt, schuilt het virus. Net als in het speeksel. En het virus wordt meegedragen aan handen, laarzen, veeauto’s, door de vliegen, vogels en gewoon met de wind. Helemaal zeker is dat ook weer niet. Ook nu weet de wetenschap nog niet alles. Maar eens zou, zo wordt vermoed, de wind in Zwitserland een virus van hoog naar laag in een dal hebben gebracht waar prompt mond- en klauwzeer ontstond.
Maar terwijl vroeger de veeartsenijkunde nog pogingen deed de ziekte te genezen, wordt nu aangenomen dat de behandeling niet mogelijk is. Zo heeft het beleid zich gericht op het tegen gaan van de verspreiding van de smetstof. Is dat nou nodig dat zo’n hele veestapel wordt geliquideerd als er één besmette koe is ontdekt? vraag ik aan J. Janssen van de Veterinaire Dienst. Hij antwoordt met een volmomdig ja. En hij vertelt nogmaals over de economische schade die kan ontstaan en de vermindering van de opbrengst van de veehouderij. Hij erkent dat het beleid tot eind december vorig jaar milder was. Beesten die toen waren ingeënt via de zogenaamde Frenkel-methode (een vaccin geproduceerd op de rundertong) en zo beschermd waren tegen de virussentypen A, O en C, mochten in leven blijven. Ook al was een ander beest in de veestapel aangetast. Maar de afgelopen tijd zijn Engeland, Ierland en Denemarken binnen de Gemeenschap gekomen. Die landen hebben een heel ander bestrijdingsbeleid, die beschermen zich via strenge importbeperkingen. En om bij die landen en trouwens ook Noord-Amerika en Australië niet in ongenade te vallen nam Nederland de stamping-out over. Hij voegt daar wel aan toe. ‘Voor ons overdrijven de Amerikanen natuurlijk wel. Zij hanteren de ziekte van mond- en klauwzeer om importeren te weren. Wij staan bijvoorbeeld op de lijst van de Amerikanen omdat wij enten en volgens dezelfde Amerikanen een geënt dier het virus kan overbrengen. Dat is in onze ogen ietwat overdreven. Wij kennen de ziekte, wij zijn er vanouds aan gewend. De Amerikanen kennen die niet en zijn er als de dood voor.’

Janssen, zo blijkt al snel, beschikt over een fenomenale kennis van de nomenclatuur. Als topambtenaar van de Veterinaire Dienst vertegenwoordigt hij Nederland bij het internationaal bureau voor dierziekte in Parijs. Hij zit bij het Permanent Veterinair Comité van de EG en heeft zelfs de functie van president Zoo-Sanitary Code Commission of OIE. Hij weet alles over het ziekteproces maar meldt terloops dat hij de ziekte bij een beest nog maar één keer gezien heeft: dat was op de faculteit.
Dat zegt veel over de relatie tussen de bureaucratie en de loopstal. Koeien en zelfs boeren zijn voor ambtenaren abstracte begrippen geworden.. Toch zijn er nog boeren die Janssen praktijkervaring aan de hand zouden kunnen doen. Zoals Aart Buijs uit Heerewaarden.
Een kleine, vriendelijke man op een boerderijtje met een groepstal naast een hooiberg tussen de Waal en de dode Maasarm in de Bommelerwaard. Hij wordt binnenkort 77 jaar. Maar zijn leeftijd is niet de reden dat hij stopt met boeren. Dat is de melkfabriek die heeft laten weten dat binnenkort geen melk meer in bussen zal worden opgehaald. Iedere boer wordt nu geacht een melktank te hebben, zo’n opslagsysteem-met-koeling waar de melk dagen in bewaard kan blijven en die pas rendabel is bij dertig tot vijftig koeien. En Aart Buijs heeft er nog maar zeven. Dieren die nog namen hebben: Betsy, Roza, Marijke. In 1936 kocht hij met geld dat hij overgespaard had als boerenknecht zijn eerste eigen koe.
Hij zegt: “Het stond als een paal boven water dat als je een koe kocht, dat beest na verloop van tijd mond- en klauwzeer zou krijgen. Dat heerste praktisch overal. Als je een koe op de markt kocht dan had zo’n beest het of het kreeg het. Nou, dan zette je een bord naast je wei met “besmet terrein”. Dan legde je voor het hek een aardappelzak gedoopt in creosol neer. Als je naar de koeien ging veegde je je voeten en als je terug deed je het weer. Als de kinderen naar school gingen stond er bij de ingang een bak met ontsmettingsmiddel. Daar liepen ze dan met hun klompen doorheen. En als ze uit school gingen deden ze dat weer. Ik heb nog nooit een koe gehad die dood ging aan de mond- en klauwzeer. Ze bleven ook altijd melk geven. Alleen was het zo ellendig voor die dieren dat de spenen kapot gingen en dat je vaak met de vellen in je hand bleef zitten. We gingen, als we een zieke koe hadden, zo weinig mogelijk bij andere op bezoek. In de jaren vijftig zijn ze gaan spuiten tegen mond- en klauwzeer en nadien is het een stuk beter gegaan. We hadden nog maar heel weinig zieke dieren. Maar ja, als het noodlot je dient kan je ze allemaal wegbrengen.’ En nog steeds aangedaan vertelt zijn vrouw hoe ze eens zeven koeien moesten opruimen. Die stomme beesten hadden bang-abortus, waardoor koeien hun kalveren verwierpen, ze veel te vroeg te wereld brachten. Maar tegen abortus werd een medicijn gevonden. Tegen mond- en klauwzeer niet.

Intussen is iedere veterinair deskundige ingeschakeld bij het onderzoek naar de herkomst van het virus dat eerst in de Noordoostpolder (bij een bedrijf in Nagele) mond- en klauwzeer bracht en later in Lambertschaag. Vaststaat dat in heel West-Europa geen mond-en klauwzweer voorkomt van het type OI. Het dichtstbijzijnde land waar mond- en klauwzweer heerst is Turkije. Het is allemaal nagegaan, maar er zijn geen bezoekers uit Turkije nog Turkse gastarbeiders op de twee boerderijen geweest.
De vele water- en weidevogels dan misschien die met tienduizende uit Nova Zembla en Siberië naar de Noordoostpolder kwamen om de winter door te brengen? Het is haarfijn onderzocht maar noch in Siberië noch in Nova Zembla heerst het virus dat in Nagele en Lambertschaag is ontdekt.
Zijn het dan misschien de koppels Heckrunderen uit de DDR die door Staatsbosbeheer bij het natuurgebied Oostervaardersplassen zijn uitgezet voor begrazingsexperimenten? De Heckrunderen zijn een oorspronkelijk rundveeras. In de DDR zijn de beesten geënt en in Nederland verblijven ze op afgesloten stukken grond in quarantaine. Het Centraal Diergeneeskundig Instituut (CDI) in Lelystad heeft ze inmiddels onderzocht, bloed afgenomen en spuutmonsters genomen. Er zijn geen verschijnselen van het omstreden virus gevonden. Toch maakt het landbouwschap zich des duivels over de wilde runderen: ‘Staatsbosbeheer probeert zich zowel op praktische als op juridische gronden aan de wettelijke ent- en controleverplichtingen te onttrekken.’ En het Landbouwschap is bang dat ze een bron van besmetting kunnen vormen.
De mogelijkheid die vooralsnog het meest voor de hand ligt als bron van besmetting is het ministerie van landbouw zélf, althans het Centraal Diergeneeskundig Instituut (CDI) in Lelystad. Op hemelsbreed twaalf kilometer van het aanvankelijk eerst besmette bedrijf in Nagele. In het CDI is wél het OI-virus. Kan het ontsnapt zijn uit een barst in de muur, een lek raam of een niet goed werkende filter? En is het met een zuidwestenwind naar Nagele gewaaid? Daar is het onderzoek op geconcentreerd. In Italië is het al minstens vijf keer voorgekomen dat mond- en klauwzeer ontstond door een virus dat ontsnapte uit het laboratorium. Natuurlijk is in Nederland alles veel moderner, beter, serieuzer.
Maar het komt vaker voor dat het middel erger is dan de kwaal.

Vrij Nederland 4 februari 1984

Polderpers