Is het nieuws er voor de feiten?
‘Journalisten verwaarlozen hun kerntaak en dat is onafhankelijke, feitelijke verslaggeving. Lezers, luisteraars en kijkers – ons publiek – worden daarom steeds vaker slachtoffer van gevolgtrekkingen uit voorbarige conclusies óf van manipulatie door voorlichters en woordvoerders.’
Is dat zo?
Is het nieuws er voor de feiten?
Die titel veronderstelt ongeduld, haast.
Dat hebben we ook.
De Volkskrant meldt twee weken geleden op pagina één: ‘Jorritsma zet tegendraadse topambtenaar uit functie’. Twee dagen later blijkt dat secretaris-generaal Van Wijnbergen zelf zijn ontslag heeft ingediend bij het ministerie van Economische Zaken na zijn kritiek op de belastingplannen van het kabinet.
Dat is heel wat anders.
Een week geleden bericht NRC/Handelsblad op pagina één: ‘Pronk heeft felle kritiek op opvolger’ De krant loopt vooruit op een documentaire van de RVU. Die avond zit ik hunkerend voor het scherm maar hoor in het geheel geen kritiek van de oud minister op de nieuwe minister van Ontwikkelingssamenwerking. Wat blijkt? De kritiek is er uitgesneden en formeel dus niet gezegd.
Overigens wordt bij navraag duidelijk dat de documentaire voor een groot deel door het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking zelf is gefinancierd. En een voorlichtingsambtenaar van het ministerie is een van de twee eindredacteuren die de coupure hebben uitgevoerd.
Daar lees ik nou weer niks over terwijl dat gegeven zoveel verklaart over de invloed van voorlichters en woordvoerders waar straks Frits van Exter meer over vertelt.
Is het waar dat journalisten steeds vaker bezwijken voor de verleiding het nieuws harder en sensationeler te brengen?
Gisteren staat in het hart van pagina één van de Volkskrant een verslag over de wateroverlast in het Westland. De verslaggeefster tekent op: ‘Het water stijgt’, zegt de boer als hij met z’n meetstok meet. ‘Het water zakt’, roept de bedrijfsleider door zijn mobiele telefoon. ‘Het water blijft stabiel,’ meldt de brandweercommandant. ‘Het water maakt mij kapot’, snikt de tuinder.
En ja hoor, die laatste zin is meteen de kop van het verhaal.
Trouw begint het verhaal met een dikke gele slang die door het keukenraampje loopt. Ik verneem heel veel over laminaat dat krom trekt, lambrizeringen die bol gaan staan en behang dat beschimmelt.
Alleen in het Algemeen Dagblad lees ik heel feitelijk dat voor de tweede achtereenvolgende jaar het Westland getroffen wordt door wateroverlast. Zo hoort het.
Zodra het trouwens over water gaat worden door verslaggevers alle sluizen van emotie en verbeelding opengezet. Dan worden zwemvesten omgegord, laarzen aangeregen, dijkgraven opgezocht en ontaardt een beetje hoog water in een watersnoodramp. Terwijl water en wateroverlast nou eenmaal het lot van ons bestaan zijn in dit zompig land. Altijd hebben rivieren uiterwaarden overstroomd, zijn er periodes van extreem hoog water en lopen lage delen soms onder. Tot het eind van de jaren tachtig las je daar mondjesmaat over. Soms een bericht over hoogwatertoerisme. Het is voor mij een raadsel – dat moet Vasterman toch eens onderzoeken – dat de laatste tien jaar verslaggevers gaan hyperventileren zodra het rivierwater de kruin van de dijk nadert.
In een brochure van de Postdoctorale Opleiding Journalistiek van de Erasmus Universiteit noemt Herman van Run het fenomeen om het nieuws op te dirken ‘ de denaturering van nieuwskrant tot gemoedsbewegende vertelkrant’. In plaats van mee te delen wat er gebeurt, vertelt de krant verhalen waar niemand tijd voor heeft want tegelijkertijd praat de radio, beeldt de televisie, ruist de pc, print de fax, schreeuwen de weekbladen en de lezer wordt gek, schrijft Van Run. Emotie, emotie. Zelfs als de Volkskrant over de moord van een meisje in Friesland bericht, wordt dat nieuws opgesierd: ‘Nooit fietste de 16-jarige Marianne Vaatstra’s nachts alleen naar huis. Vrijdag fietste zij toch in haar eentje door het Friese platteland. Dat kostte haar het leven..’ enz. enz.
Meer en meer lees en zie je dat de serieuze journalistiek probeert te concurreren met de amusements-media, de pulpbladen, de commercie.
Soms worden daar ingenieuze methoden voor bedacht. Zo opent het Algemeen Dagblad gisteren met een ‘ankeiler’ dat de boulevardpers smult van een romance tussen twee tenniscoryfeeën. Binnenin wordt vervolgens nauwkeurig gemeld wat die pulpbladen allemaal berichten – voornamelijk onzin.
Een paar weken geleden werden plotseling in de betere media de obscure bladen Prive en Story als belangrijke nieuwsbronnen opgevoerd in een koningsdrama. Een man die door een gril van de geschiedenis prins wordt genoemd heeft een nieuwe liefde en dat is aanleiding de selectie van het nieuws met 180 graden te wijzigen.
De tijden veranderen, zeiden de hoofdredacteuren. Dat doet ook het nieuws.
Er is sprake van een meedogenloze markt waarin maar weinig kranten en omroepen kunnen ontkomen aan de neiging om ook populairder en dramatischer te worden en op zoek gaan naar de intimiteit met het publiek. In het boek van Shawcross over Rupert Murdoch zegt een vroegere redacteur van The Times over de mediamagnaat: ‘Hij heeft meer schade aan de Britse samenleving toegebracht dan de bommen van Hitler.’
Murdoch en de andere tycoons die het nieuws gingen commercialiseren en domineren, veroorzaakten vervlakking en versimpeling van andere kranten. Het nieuws werd kleinsteedser. Er is sprake van een omlaaggaande spiraal, schreef The Guardian – die tegenwoordig ook bericht over overspelige ministers en homoselsuele escapades van parlementsleden.
‘Alle media, van de prestigieuze kwaliteitspers tot de sensationele pulpbladen zijn aangestoken door het virus van de tabloid-cultuur die oppervlakkigheid en slonzigheid verheerlijkt,’ – schreef Howard Kurtz in zijn boek ‘Media Circus’ dat een onthutsend beeld geeft over de neergang van de Amerikaanse pers.
In de strijd om het publiek probeert Iedereen tegenwoordig ‘lezers-vriendelijk’ te zijn. Het codewoord van de jaren negentig. Hard nieuws is uit, het nieuws moet nu ‘relevant’ zijn. Ik word gek van dat woord. Het nieuws moet sexier, ongedwongener en vrolijker worden gepresenteerd.
Kranten moeten compact en volgens een format worden gemaakt. Een andere vormgeving, een nieuwe stijl. In kleurenmagazines worden miljoenen geïnvesteerd – alsof die de oplossing zijn het lezerspubliek vast te houden. Ooit ging Vrij Nederland over op magazine-formaat. Dat besluit werd meer ingegeven door het uitzicht adverteerders te trekken dan tot journalistieke vernieuwing te komen.
Met de bijlages van VK, NRC/Handelsblad en AD is het net zo. Intussen moet je met een kaars zoeken om tegenwoordig nog een mooie, goedgeschreven reportage in de kranten te vinden over zaken die lezers werkelijk beroert.
De vroegere journalist Leon de Wolff coacht nu Volkskrant-redacteuren. Hij heeft een nieuwe kranten-ideologie ontwikkeld: ‘Schrijven doe je niet langer voor de krant of voor je zelf, schrijven doe je voor een doelgroep,’ zegt hij in De Volkskrant Een doelgroep.
‘Eens’, schrijft Howard Kurtz in Media Circus, ‘eens hadden journalisten lef. Ze hadden een instinctief gevoel over wat hun lezers belangrijk, interessant of prikkelend vonden. Nu houden redacteuren ellenlange sessies over de vraag wat fout is aan hun produkt. De neiging om de gewoonten en wensen van hun lezers te gaan bestuderen alsof dat een exotisch ras is, is een verbluffend teken van wanhoop’.
In Nederland gebeurt alles altijd iets later.
Leon de Wolff’s grootste wens is dat kranten gaan werken met een paginaprofiel, gebaseerd op lezersonderzoek. Een raamwerk dat het juiste journalistieke mengsel vastlegt en zelfs de invalshoek: bovenin de pagina nieuws, onderaan inzicht en middenin emotie.
Ik begrijp nu beter dat verhaal over het westland van gisteren, in het midden van de voorpagina van de Volkskrant: ‘Het water maakt mij kapot, snikt de tuinder’.
Ik weet, dit zijn geen gemakkelijke tijden.
Kranten en omroepen zijn onderdeel geworden van de media-industrie. Er wordt voortdurend strijd geleverd om ruimte en tijd. Uitgevers proberen kopers te verleiden met produkten en aandeelhouders te behagen met dividend. Kijkcijfers, lezersrapporten en winst – daar draait het om. Het maken van nieuws was eens een ambacht, nu is het een zakelijke operatie geworden – schreef de Economist.
Ooit was alles zwart-wit. Je koesterde je behaaglijk in de cultuur van de krant waar je werkte, je kende de achtergrond van de lezers, je wist je identiteit. Om half twaalf ’s avonds was de deadline voor de ochtendkranten en twaalf uur later sloten de middagkranten. Er bestonden stilzwijgende codes wat je wel en wat je niet deed. En als je op Trouw een onaardig verhaal schreef over Jan Nico Scholten belde hij je dreigend op en zei: ‘Weet je wel dat ik een schoonzoon van Bruins Slot ben?’ Bruins Slot was de hoofdredacteur.
Nu is er een nieuwscyclus van 24 uur met elk moment een nieuwe deadline.
In het boek ‘Breaking the News’ beschrijft James Fallows hoe de regering-Clinton de afgelopen jaren gevangene was van die nieuws-kringloop waardoor medewerkers van de ochtend tot de avond bezig waren te reageren op berichten, beschuldigingen en opinies. ‘Als we een kwartier vooruit konden denken was dat al veel,’ reageerde een ambtenaar. ‘De journalistiek is helemaal niet geinteresseerd in het vooruitlopen op gebeurtenissen, na te denken over plannen in de toekomst. Het gaat alleen om de waan van de dag.’
De komst van de computer is een fantastische uitvinding, al is het alleen omdat je eindeloos het verhaal kan componeren en omdat de prullenbak leeg blijft met al die mislukte eerste kantjes.
De toegang tot internet opent ongekende mogelijkheden. Een telefoon en een computerverbinding zijn voldoende om verslag uit te brengen over elk onderwerp in heel de wereld. Het nadeel is dat je als verslaggever beperkt wordt tot informatie die anderen eerder hebben opgemerkt en opgeschreven. Dat vermindert de kansen om dingen te vinden waar je niet naar zocht. Dat kan niet goed zijn voor het zelfvertrouwen van de journalist.
Het grootste nadeel is dat de verslaggever dat allemaal kan doen zonder z’n bureaustoel te verlaten.
De Poolse journalist Kapuscinski verbaasde zich daar ook over. Toen hij verslaggever was, zei hij, was hij drie weken van de maand buiten de stad op reportage. Zodra hij op de redactie kwam wekte dat argwaan. Ze zeiden dan, hij zit daar maar en doet niks.
Kortom, schop de verslaggevers de straat op.
In boeken als Media Circus en Breaking the News wordt vooral de afzijdigheid van de verslaggevers gelaakt. Er bestaat een ‘fatalistisch’ gebrek aan engagement. In Amerika is daardoor vijandigheid ontstaan tegenover journalisten, het publiek ervaart de media als steeds irritanter. Er bestaat cynisch wantrouwen. In de tuinsteden wonen de welgestelde journalisten naast hun welgestelde lezers, schrijft Howard Kurtz. Ze identificeren zich met hen. Ze voelen zich behaaglijk in de cultuur van tevredenheid. Ze schrijven liever over kinderopvang, personal-computers en het klaarmaken van cantharellen dan over de noden van de onderklasse.
Op straat leert de verslaggever andere dingen.
De concurrentie die misschien heilzaam is voor sommige onderdelen van de maatschappij, werkt niet in de media Sinds het nieuws onderdeel werd van een commercieel proces, moet van alles worden gedaan om de verveling van de lezer en de moeheid van de kijker te doorbreken. Scoops, daar gaat het om…
‘If it bleeds, it leads’.
Zet een camera neer bij een overstroming, een aardbeving of een typhoon en het verhaal vertelt zich zelf. Eenvoudig, goedkoop en handig.
Veel van het nieuws of wat als nieuws wordt gepresenteerd komt tot stand omdat journalisten daar zoeken waar het licht is. Verhalen moeten verkopen.
Is er nog tijd voor de ‘serieuze, zorgvuldige en eerlijke journalistiek’ zoals Martha Gellhorn haar werk omschreef.
Is er nog tijd en ruimte voor onderzoeksjournalistiek
Is er nog een mogelijkheid voor de gedreven verslaggever die verhalen schrijft uit verwondering en woede?
Of verwaarlozen we onze opdracht: onafhankelijke en feitelijke verslaggeving.
Als u goed hebt opgelet, hebt u gemerkt dat ik het woord ‘vroeger’ niet gebruikt heb. Want toen was het niet beter. Wie het boek ‘The first Casualty’ van Philip Knightley heeft gelezen weet hoe in het begin van de eeuw oorlogsverslaggevers zich schandelijk lieten gebruiken als propagandisten van oorlogshitsers. Op de meest cruciale momenten in de geschiedenis – zo staat geschreven in de geschiedenis van het persbureau Reuters – maakten journalisten kapitale blunders. Dat zullen we blijven doen.
Tot diep in de jaren zestig waren journalisten in Nederland en daarbuiten de ‘pantoffelheld van de publieke opinie,’ zei Henk Hofland eens.
Ze schreven op wat de Rijksvoorlichtingsdienst beval.’Mag ik u een vraag stellen excellentie?’ Die relatie veranderde ingrijpend. De maatschappij veranderde nog meer.
Professor John Carey schreef ooit in het ‘Faber-book of reportage’ dat de opkomst van de massamedia de grootste verandering betekent in het bewustzijn van de geschiedenis van de mensheid.
Daar gaan we nu over discussieren.
En over het cordon van voorlichters en woordvoerders dan ons journalisten omringt – tegenover iedere journalist staan vier voorlichters of woordvoerders.
En voor die voorlichter en woordvoerder staat en secretaresse of andere medewerker met de vraag: ‘Wat is uw insteek meneer?’
Discussie:
Lezersonderzoek
Civic journalism
Hyperventileren
De Bijlmer en de toenemende kritiek
Virus van de tabloids
Frits Exter en Van Aartsen
Zitten achter computers
Secretarresses, medewerksters, voorlichters: wat is uw insteek meneer
Onderzoekjournalistiek – de eenzaamheid
Verslaggeving over misdaad(NRC/VN) is dat nou onderzoek, het standvastig verzamelen van feiten, of berusten die verhalen vooral op goede contacten met justitie, advocaten en criminelen?
Veel komt van buitenaf naar de kranten:wetenschappers, parlementariers. Voldoende afstand mogelijk?
De vijf w’s?
Journalistiek informeert: het overbrengen van feiten
Communicatie poneert: het uitdrukken van meningen/inzichten