De inrichting van Nederland volgens landschapsarchitect Dirk Sijmons
(inleidend kader)
kopsuggestie:
De fouten van Vinex zullen bij de
Vijfde Nota niet worden gemaakt
(eventueel)
Pronk’s geheime wapen bij de
Vijfde Nota is de grondpolitiek
Het kostte wat geduld, maar de Vijfde Nota Ruimelijke Ordening komt er nu echt aan. In de laatste kabinetsvergadering van dit jaar zal minister J.Pronk – dan kan dan nog net voor zijn mogelijk aantreden als Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen – zijn beleidsvoornemen voor de komende jaren voorleggen aan de collega-ministers. Als zij akkoord gaan volgt de inspraakronde. Die gaat precies negen maanden duren waarna in september/oktober 2001 een defintief standpunt volgt van de regering.
Intussen doen ambtenaren en communicatie-strategen hun best de inhoud tot het moment suprême verborgen te houden. De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu(VROM) heeft begin dit jaar op de nieuwjaarsbijeenkomst van de ANWB een aantal hoofdlijnen aangegeven van de Vijfde Nota. Maar die gingen vooral over verlangens van de minister die zojuist ontdekt had dat duisternis en stilte in Nederland niet meer bestaan en dat corridors toch eigenlijk niet zo’n goed idee zijn en beter vervangen kunnen worden door stedelijke netwerken. Voorts filosofeerde de minister over politieke idealen van schaarste, ongelijkheid en schoonheid. En hij vertelde van z’n illusie ‘door middel van goede ruimtelijke ordening de mobiliteit zelf te beïnvloeden’ – de ontwerpers van de Vierde Nota en de Vierde Nota Extra(VINEX) wilden dat ook al maar faalden jammerlijk.
Maar geen woord over de grondpolitiek, het geheime wapen van Pronk. Zonder een goede regeling van de grond zal de Vijfde Nota immers een niets betekenend stuk papier blijven. Omdat de minister wil voorkomen dat het gerucht de nota vooruitsnelt, partijen, projektontwikkelaars en speculanten posities gaan kiezen, moet iedereen op zijn ministerie zwijgen over de grond. Toen in maart dit jaar de directeur-generaal ruimtelijke ordening Roel den Dunnen afscheid nam, mocht hij niet geinterviewd worden over grondpolitiek en de inrichting van Nederland. Pronk, die minister was in het kabinet-Den Uyl dat in 1977 over de grondpolitiek viel, heeft veel geleerd. Ook van de grove fouten die werden gemaakt in het begin van de jaren negentig rondom Vinex. Toen werd door VROM zo maar plompverloren een kaart van Nederland gepubliceerd met daarop vijftig ingekleurde lokaties waarop de komende twintig jaar zo’n 800.000 woningen mochten worden gebouwd. Dat was de kat op het spek binden. Het hele land werd kort daarop één groot jachtterrein van bouwers, projektontwikkelaars en speculanten. In bijvoorbeeld de omgeving van Rotterdam steeg de prijs van een hectare grond van honderdduizend tot achthonderdduizend gulden. Projektontwikkelaar Karel Hol van het bedrijf TRS dat duizend woningen bouwde in Barendrecht, zei tegenover de verslaggever: ‘Dat was een fantastische periode. Het rijk trok zich om allerlei reden terug en was daar ook zeer open over. Er verschenen een kaart van Nederland en nog andere beleidsdocumenten waarop precies aangegeven werd waar de Vinex-lokaties kwamen te liggen. Dat zagen we, net als al die andere partijen in onze bedrijfskolom en vervolgens hebben wij het initaitef genomen de grond hier in Barendrecht te kopen.’
Rijksbouwmeester Wytze Patijn vergeleek de omslag bij VROM begin jaren negentig met de overgangsperiode in de oostbloklanden van het communisme naar het kapitalisme: ‘Daar gebeurden toen ook heel gekke dingen net als hier op de grondmarkt. Je zag snelle jongens, die op geld uitwaren, hun slag slaan. Heel die overgang had het karakter van een groeistuip. De overheid had een argeloos geloof in de markt. Het was eigenlijk allemaal erg naïef, niemand realiseerde zich dat zo’n hausse zou ontstaan.’
Mr. Jenno Witsen, die als directeur-generaal ruimtelijke ordening op Vrom de Vinex-lokaties voorbereidde en in 1990 met pensioen ging, zag ‘met gekromde tenen’ toe hoe zijn opvolger(Roel den Dunnen) plotseling de plannen met de Vinex-lokaties naar buiten bracht. Omdat er op dat moment geen Onteigeningswet was, noch een Wet Voorkeursrecht Gemeenten, was de onverhoedse actie van VROM vragen om speculatie. ‘Onder mij was dat niet gebeurd,’ zei Witsen later in een gesprek met de verslaggever.
Pronk wil met zijn oekaze aan ambtenaren en adviseurs, om te zwijgen over de grond en het grand design van de vijfde nota, voorkomen dat de situatie van tien jaar geleden zich herhaalt. Want duidelijk is wel dat de vijfde nota vooral de nota van het landschap, het landelijk gebied en de infrastructuur wordt. Om alle ideeën en plannen die de minister zijn aangereikt te verwerkelijken zijn miljarden en miljarden nodig. Dat geld kan alleen beschikbaar komen met een sterke greep op de grondmarkt.
(einde inleidend kader)
(-> begin inzet 2 <-)
Kop: Hoofdlijnen Vijfde Nota
Toen de minister van VROM begin dit jaar op de nieuwjaarsbijeenkomst van de ANWB de hoofdlijnen van de Vijfde Nota aangaf, somde hij zeven eisen op waaraan de ruimtelijke kwaliteit moet voldoen:
- ruimtelijke ordening moet ervoor zorgen dat de verschillende economische functies goed op elkaar afsluiten;
- de verschillen tussen stad en land, donker en licht, drukte en stilte moeten worden geaccentueerd;
- de historie moet zichtbaar blijven naast de technologische vernieuwingen, er moet ruimte zijn voor culturele diversiteit;
- ongelijkheid tussen sociale groepen en tussen regio’s moet worden tegengegaan, gelijke kansen betekent ruimtelijk-sociale rechtvaardigheid;
- ecologische systemen moeten in stand blijven of worden hersteld waardoor vitale steden en vitaal landelijk gebied mogelijk blijven;
- meer aandacht voor het inrichten en ontwerpen van stad, landschap en infrastructuur moet de schoonheid van stad en land waarborgen;
- mensen mogen niet worden overweldigd door gebouwen en infrastructuur, ruimtelijke kwaliteit is uiteindelijk een kwestie van menselijke maat.
( -> einde inzet 2 <-)
Kopsuggestie:
In de Vijfde Nota wordt vooral de stem
gehoord van het water en het landschap
(eventueel onderkop:)
Overlaten en een netwerk van meren tegen hoog water
Door Rudie van Meurs
(-> begin intro <-)
Voor de goede verstaander was het begin dit jaar duidelijk. In de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening zal vooral de stem worden gehoord van het water. En meer dan ooit zullen de ideeën van de landschapsarchitect in de nieuwe ordening van de ruimte doorklinken. Ineens bleek minister J.Pronk bekeerd tot delagenbenadering – met een onvervreemdbaar primaat voor bodem en water, dan infrastructuur en pas dan de inrichting van de ruimte.
(-> einde intro <-)
Het valt nooit precies na te gaan waar ideeën vandaan komen. Maar twee jaar voor de minister erover begon, schreef landschapsarchitect Dirk Sijmons het model van de drie lagen op in zijn boek =Landschap (Architectura + Natura 1998). ‘Het teweeg brengen van landschappen kan door de ruimtelijke ordening een heel eind op streek worden geholpen als het zijn egalitaire principes van de kleurloze en neutrale afweging inruilt voor het hanteren van een consequente, strakke hiërarchie, die het denken kan ordenen en de slagvaardigheid kan vergroten. Het is in feite niets anders dan een nuchtere formulering van de machtsverhoudingen in de ruimtelijke ordening en van een logische volgorde van prioriteiten: first things first,’ schreef hij.
In zijn kantoor, een klein vierkant gebouw met dikke muren op de resten van een eeuwenoud klooster aan de laan van Chartroise in Utrecht, verheugt Sijmons zich dat zijn filosofie van de drie lagen zo ‘inspirerend’ heeft gewerkt. Hij is partner van het het bureau H+N+S landschapsarchitecten (Hamhuis,Van Nieuwenhuijze en Sijmons) en spreekt in de wij-vorm.
‘Met dat lagenverhaal proberen we aan te geven, waar de overheid zich in de toekomst moet blijven bemoeien. Wat altijd onvervreemdbare overheidstaken zullen zijn. Ruimtelijke ordening heeft altijd een beetje het adagium gehad van alle functies zijn ons even lief. Wij hebben toen gezegd, als je praat over de manier waarop de overheid moet sturen dat moet je erkennen dat de ruimtelijke ordening in drie lagen is opgebouwd. De belangrijkste laag heeft te maken met onze waterstaatkundige toekomst – het fundament van de ruimtelijke planning. Beslissingen die op deze laag genomen worden hebben voorrang boven alles. De overheid heeft daar altijd een rol in gespeeld en zal dat moeten blijven doen.’ En Sijmons bedoelt dat tijdens die eerste fase vragen moeten worden beantwoord over hoe de ruimte geordend wordt tegen de achtergrond van het rijzen van de zeespiegel, de aflaat van het rivierwater en de waterhuishouding in west-Nederland.
De tweede laag is die van de planning van de infrastructuur. Sijmons: ‘Die heeft z’n oorsprong in de negentiende eeuw. Het is de laag waar beslist wordt over wegen en knooppunten, dijken, glasvezelkabels en noem maar op. Op een heel indirecte manier stuur je daarmee de ruimtelijke orde aan. Ook dat is altijd een taak geweest van de overheid. Pas als derde laag komt de occupatie, het besluit waar huizen zullen worden gebouwd, groen wordt aangelegd en wat er gebeurt met de landbouw. Elke keer als we een afweging moeten maken is dat lagen-model een heel handige hiërarchie. Net zoals de brandweerauto met sirene altijd voorrang heeft op de begrafenisstoet heeft laag één altijd voorrang op laag twee. Enzovoort.’
Maar het merkwaardige is, vervolgt Sijmons, dat de discussie in de ruimtelijke ordening meestal begint bij die derde laag met veronachtzaming van de eerste fases. ‘Daarmee wordt de logische hiërarchie op z’n kop gezet en veel nijpende problemen in de ruimtelijke planning zijn hierop terug te voeren.’
Pronk deelt de mening van Sijmons helemaal en draagt die ook uit: ‘Als de behoefte aan ruimte in een bepaald gebied op gespannen voet staat met de eisen van kwaliteit zal er gekozen moeten worden. Daarbij passen we de zogenaamde lagenbenadering toe. Die gaat er vanuit dat je de ruimte van Nederland kan afpellen in een aantal lagen. De eerste laag bestaat uit bodem en water en vormt de natuurlijke ondergrond,’ zei de minister toen hij op de nieuwjaarsbijeenkomst van de ANWB de hoofdlijnen van de Vijfde Nota beschreef.
Zo zal – als Pronk woord houdt – de Vijfde Nota boeiende geschiedenis schrijven. Van alle kanten is de minister de laatste tijd gewaarschuwd voor de problemen die het water zal gaan opleveren in Nederland. De Commissie Waterbeheer 21e eeuw pleit voor ‘een herinrichting van het stedelijk en landelijk gebied die op water is georiënteerd’. In de kort geleden verschenen studie Waterbeleid voor de 21e eeuw staat dat de ‘huidige inrichting van Nederland al lang niet meer afgestemd is op het waterhuishoudkundig vermogen. Dankzij technische mogelijkheden voor ontwatering en afwatering zijn stadswijken en industrieterreinen aangelegd, kassen ontwikkeld en is intensieve tuinbouw gestart op laaggelegen plaatsen waar het relatief veel inspanning kost om het waterbeheer af te stemmen op de eisen die de functies stellen. In geval van overstroming zal de schade daar groot zijn.’
In een recent rapport van het Rathenau instituut wordt het waterbeheer vergeleken met een fietsband vol met plakkers en die door de alsmaar toenemende druk vanuit de maatschappij dreigt te klappen. Het rapport: ‘De inzet van klassieke technieken zoals dijken en gemalen zal heroverwogen moeten worden ten opzichte van alternatieven. Als beleid en praktijk ver uit elkaar blijven lopen heeft dat als consequentie dat delen van Nederland op termijn niet of slechts tegen zeer hoge kosten bewoonbaar blijven.’
De Vijfde Nota kan aan die dreiging niet voorbijgaan
Dirk Sijmons heeft over alternatieven nagedacht. Voor de werkgroep Waterrijk Deltametropool schreef hij een toekomstverkenning over de waterhuishouding rondom de grote steden in de Randstad. En hij leverde informatie voor de commissie Waterbeheer 21e eeuw.
De gegevens zijn al bijna cliché. De zeespiegel rijst. Het water van de rivier zal daardoor moeilijker kunnen wegstromen door verlies aan verhang. Wat zal er gebeuren bij een grillige combinatie van westerstorm en hoog rivierwater dat niet weg kan? Toen een tijdje geleden staatssecretaris M.de Vries overmoedig voorstelde om dan dijken door te steken en polders vol te laten lopen werd ze door burgemeesters en dijkgraven bijna onthoofd. Maar Dirk Sijmons en de commissie Waterbeheer houden vol dat het wenselijk is in de Vijfde Nota op te nemen dat polders, om te beginnen de Ooijpolder en het Rijnstrangengebied, geschikt moeten worden gemaakt als overloopgebieden bij een dreigende ramp met extreem hoog water. Ook zou bij gevaar het hoge water uit de Waal moeten kunnen worden weggeleid door de IJssel die daarvoor dient te worden aangepast.
Dat is nog maar een deel van het probleem. Dirk Sijmons: ‘Sinds 1850 is het stedelijk oppervlak in Nederland verdriehonderdvoudigd. Een beetje flinke regenbui betekent een piekafvoer in het systeem. Nog belangrijker is misschien wel de ruilverkaveling geweest en de ontwatering van landbouwgrond. Als je de grondwatertrappenkaart uit de jaren vijftig bekijkt dan zie je dat toen nog driekwart van west-Nederland tijdens de winter een grondwaterstand had van tussen de min tien en min twintig centimeter. Er zat onder de grond een geweldige hoop water opgeborgen. Na de ruilverkavelingen is dat ingrijpend veranderd. In de veenweidegebieden staat het grondwater nu op min zestig centimeter en in de akkerbouw zit het grondwater nog dieper. We hebben door die verstedelijking en de modernisering van de landbouw in feite alle flexibiliteit uit ons systeem weggekegeld. Maar structureel is er sinds 1850 niets veranderd. We hebben alleen meer en zwaardere dieselpompen ingezet om het water weg te malen. Wat gebeurt er als bijvoorbeeld in het Westland een superbui valt? Dan moeten we door heel smal gedimensioneerde boezems het water afvoeren. Het is zoiets als met een twintig meter lang rietje uit een flesje cola drinken. Je moet heel hard zuigen en het duurt heel lang voor het flesje leeg is.’
Om dat probleem op te lossen zijn overloopgebieden niet genoeg. In de boezems zijn geen mogelijkheden meer voor grotere opslagcapaciteit van water. Boezemkades zijn bebouwingslinten geworden waardoor verhoging onmogelijk is. Het grondwaterpeil in de polders terugbrengen naar de situatie van de jaren vijftig kan niet omdat bestaande rechten niet een,twee,drie afgenomen kunnen worden.
Sijmons zegt: ‘Voor een goede oplossing hebben we een deel van west-Nederland nodig om het water te kunnen bergen. Het gaat om een gebied van tussen de twintig en veertig duizend hectare. Wij stellen voor om, met gebruikmaking van de bestaande boezemkades, opslagplaatsen van water aan te leggen in de vorm van een netwerk. Het voordeel is dat waar ook maar een superbui valt in west-Nederland, er altijd een opslagplaats dichtbij is om het water heen te pompen.’
En het ene plan kan weer vernuftig worden benut om het andere uit te voeren. Grote wateroppervlakten zijn goed voor de natuur en goed voor recreatie en goed voor de bereikbaarheid per boot van het Groene Hart. En dan is er nog een ander dringend probleem dat om een oplossing vraagt. De vermogende medeburger kan namelijk met goed fatsoen in west-Nederland geen ruimte meer vinden voor een exclusief optrekje. Dirk Sijmons heeft dat onderzocht voor de Deltametropool. Hij zegt: ‘De binnenduinrand is vol. Op de Utrechtse Heuvelrug is natuurbescherming bezig met het opknippen van landgoederen. In het Gooi kan niemand meer bij. In Loosdrecht kan werkelijk geen enkele semi-crimineel meer ruimte vinden. In Vinkeveen woont half Ajax en aan de Baambrugse Zuwe is het dringen geblazen. Op dit ogenblik zie je dat West-Nederland z’n koopkrachtige vraag verliest aan de Gelderse Vallei, Brabant, de oostflank van de Veluwe en noem maar op. Philips zit nu wel in Amsterdam maar de top woont nog altijd in Son en Breugel. Veel mensen kunnen niet meer in west-Nederland terecht. We moeten niet dezelfde fout maken als in het begin van de stadsvernieuwing toen we bouwden voor de buurt en de kapitaalkrachtige mensen de stad uitjoegen. Wat toen in de stad gebeurde dreigt nu in het landelijk gebied. We hebben daarom dringend behoefte aan een paar plekken voor nieuwe buitenwijken met allure, een landschappelijk decor voor suburbane uitbreidingen in de Randstad. Een antwoord op die vragen verwacht ik ook in de Vijfde Nota.’
Sijmons wil en verwacht – hij weet dat meestal nauwkeurig naar hem wordt geluisterd – dat de Vijfde Nota op een ‘zindelijke’manier de problemen van de suburbanisatie gaat aanpakken. Hij zegt: ‘Er zijn altijd twee grote angsten geweest bij de inrichting van de ruimte. De ene angst is die voor suburbanisatie, de ander is voor de grote stad. Schrijf op: de ruimtelijke ordeing is altijd anti-stad geweest. Er is altijd heel nauwkeurig gekeken hoe in het steden-landschap altijd elk stad een beetje van iets anders kreeg. Den Haag werd regeringszetel, Rotterdam een havenstad, Amsterdam werd het financieel centrum, Utrecht was distributie, het Gooi kreeg de media en Haarlem de drukkerijen. In de jaren zeventig had je gebundelde deconcentratie waardoor de stad uitwaaierde. Het waren allemaal uitingen van angst voor het oncontroleerbaar worden van de grote stad. Daar is nu verandering in zicht. De andere angst was de suburbanisatie. We hebben nooit ergens een echt grote stad gemaakt en nooit een mooi suburbaan gebied. Suburbaniteit wordt gezien als een soort incorrect gedrag van lagere overheden en onverantwoorde particulieren. Die ontwikkeling is altijd als een vreselijke uitwas behandeld met als gevolg dat geen normaal mens er zich mee bemoeide, geen ontwerper met het probleem bezig was en geen politicus zich er aan wenste te branden.’
Sijmons bezeft dat de vijfde nota onmogelijk kan worden uitgevoerd zonder een goede grondpolitiek. Hij luisterde onlangs naar een pleidooi van de vereniging van Nederlandse Makelaars om de grondmarkt in tweeën te knippen: een hoog dynamisch stedelijk deel en een laag dynamisch landelijk deel. Twee verschillende markten. Landschapsarchitect Sijmons voelt er wel wat voor. Hij zegt: ‘De overheid is wel gedwongen heel actief op de grondmarkt te gaan opereren. Anders kunnen al die ideeën over overloopgebieden, netwerken van wateropslagplaatsen, natuur en infrastructuur verwezenlijkt worden. Ik heb eens becijferd dat de overheid vijftig tot zestig miljard kan besparen door in te grijpen op de groindmarkt en die te couperen in dure grond en goedkope grond.’
Minister Pronk wil in elk geval via de ruimtelijke ordening de mobiliteit gaan beïnvloeden. Is dat mogelijk? Sijmons herinnert aan de Vierde Nota die ook dat voornemen had: ‘We hebben teleurstelling op teleurstelling achter ons liggen met het beheersen van de mobiliteit. Een beetje beïnvloeden kan misschien maar ik twijfel of de ergste fileproblematiek kan worden opgelost. We hebben voor Rijkswaterstaat eens een leuke studie gedaan om via de ruimtelijke ordening het verkeer aan te pakken. Er zijn vier extreme modellen uitgewerkt. Geen van die modellen bleek te werken op één na. Dat was de idee om midden in het Groene Hart een nieuwe stad te bouwen. Dan zouden de autokilometers omlaag gaan. Waarom? Omdat van zo’n centraal punt uit alles even dichtbij is. Maar ook van zo’n idee moet je geen wonderen verwachten. Ik zou eigenlijk Pronk en de andere betrokken ministers willen aanraden eens een keer een retourtje Sao Paulo te nemen voor een kleine excursie. Een stad zo groot als de provincie Utrecht met twintig uur per dag een solide traffic-jam. Dat beeld relativeert een beetje ons probleem. De files moet je niet tot het oneindige overdrijven hoor.’
De nota’s ruimtelijke ordening zijn voor Sijmons ‘de mooiste spiegels van de tijd waarin ze geschreven zijn.’ Zo droeg de vierde nota heel erg een no-nosense beleid uit waarmee de provincies werden genegeerd en geschoffeerd. Sijmons die studie deed en materiaal aanleverde voor de Vijfde Nota zegt: ‘Je kan de geschiedenis van de ruimtelijke ordening ook schrijven door te laten zien naar welke beroepsgroepen geluisterd werd. Er was een periode dat het ministerie naar hygiënisten en volkshuisvesters luisterde. Je had de tijd van sociologen en plantheoretici. Nu, bij het opstellen van de Vijfde Nota, wordt vooral geluisterd naar de ontwerpers, overigens ook gevaarlijk hoor wat soms vertellen ze de grootste onzin. Wat ik erg goed zou vinden en wat ik ook wel verwacht is dat het landschap opnieuw de ambitie van ruimtelijke ordening zal zijn. Het landschap is het Nederlandse cultuurlandschap, in alle opzichten uniek in de wereld. Het is volkomen artificieel en gemaakt voor menselijk gebruik. Wat je nu op het landschap en het landelijk gebied af ziet komen is een ongelooflijk programma. Er staat verschrikkelijk veel te gebeuren. Wat vooral niet mag is de band met het verleden doorsnijden. Het gaat om meer dan ruimte. Aan het landschap zit een collectieve kant. Het is heel bijzonder en heel weerloos.’