Over ijdelheid en onvermogen van bestuurders
Sta mij toe, dames en heren, dat ik niet onmiddellijk begin over het door u zo vermaledijde plan om noodoverloop-gebieden in te richten in dit deel van het land.
Mijn gedachten gaan, om eerlijk te zijn, op dit moment meer uit naar wat vijftig jaar geleden gebeurde. Naar de ramp die mijn dorp en grote delen van zuidwest-Nederland trof.
Ik was dertien. Ik stond op de stoep voor onze winkel aan een straat die de polder inliep en ik zag hoe het water door de goot gutste. Het was ongeveer half zes in de ochtend. Tussen vlagen storm door klonk zo nu en dan het geluid van de kerkklok die klepte. Toen ineens kwam hij voorbij. Een rechte, sterke man in lieslaarzen. Wethouder, ouderling in de gereformeerde kerk, streng en bars. Met ontegenzeggelijk autoriteit. Enkele mensen in de straat dromden om hem heen. Hij zei dat het water over de zeedijk liep en dat we zo snel mogelijk naar de hoger gelegen kom van het dorp moesten gaan. Toen liep hij door, de polder in. Overal mensen alarmerend. Soms gooide hij stenen tegen luiken om bewoners te wekken. Hij is rechts afgeslagen naar de vlasfabriek en beval de sirene te laten loeien. Tenslotte is hij omgekeerd en teruggegaan over de dwarsweg waar aan het eind, bij een slaperdijk, zijn huis stond. Daar wachtten zijn vrouw en tien kinderen. Toen hij aankwam waadde hij al tot z’n knieën door het water. Tegen zijn vier oudste kinderen zei hij dat ze direct over de dijk naar het dorp moesten gaan. Ze zijn daar veilig aangekomen. De wethouder zelf vertrok met zijn vrouw en de andere zes kinderen misschien vier, vijf minuten later. Het was nog altijd donker. Het water stroomde over de dijk en in die paar minuten moet er een gat in de dijk zijn ontstaan. De wethouder, zijn vrouw en hun zes kinderen zijn in dat gat gelopen. Het koude water heeft hen meegesleurd. Eén kind heeft zich kunnen redden. Alle anderen verdronken. Toen ik drie maanden later met een boot over de waterring voer, vond ik in een spruitenveld een driejarig meisje. Het was het jongste kind van de wethouder.
Waarom vertel ik dit? Omdat ik allereerst vind dat die watersnoodramp van toen op 1 februari aanstaande herdacht dient te worden. Ook als een hommage aan de wethouder op mijn dorp.
Ik vertel het ook nadat ik kort geleden de jongste analyse las van ambtenaar Richard Jorissen, de onbetwiste dijkenspecialist van Rijkswaterstaat. Hij roept op om, voorafgaand aan de volgende overstromingsramp, het veiligheidsniveau in Nederland te heroverwegen. Hij bepleit een omslag in het denken. ‘Kan het morgen weer gebeuren?’ vraagt hij zich af. En hij antwoordt: ‘Ja. Sterker nog, het besef dat het morgen weer kan gebeuren zou ons motto moeten zijn.’
En ik vertel het tenslotte omdat het collectieve geheugen kort en selectief is en gemakkelijk valt te manipuleren.
In het begin van de twintigste eeuw werkte bij Rijkswaterstaat ir. Johan van Veen, een scherpzinnig, rebelse man met zulke dwarse ideeën dat hij een spreekverbod kreeg. In zijn boek ‘Dredge, Drain, Reclaim’ beschreef hij hoe de zeespiegel vibreert. Naast het dagelijks ritme van de getijden is er een op- en neergaande beweging tot in alle eeuwigheid. De laatste achtduizend jaar, zo toonde hij aan, is de zeespiegel met 18 meter gestegen – een proces dat nog even door zal gaan. Om de onvermijdelijke ondergang van dit laagland enige tijd te vertragen zal, volgens Van Veen en zijn tijdgenoten, Nederland met zo’n 25 meter zand en klei dienen te worden opgehoogd. In 1929 tekende Van Veen lijnen door de mondingen van de zeegaten, een schets die later als uitgangspunt zou dienen voor het Deltaplan. Zijn visie over de toekomst mondde uit in de ontdekking dat de dijken in zuidwest-Nederland gevaarlijk laag waren.
Maar er was niemand die iets deed. De dijken werden niet verhoogd. Keringen tegen de zee werden niet gebouwd. Er werd geen waarschuwingssysteem opgezet. En ieder sliep de slaap des rechtvaardigen. Op 1 februari 1953 kwam het water als een dief in de nacht.
En pas daarna kwamen de deltawerken.
Elke vergelijking met de ramp van toen en het gevaar van hoog water in de rivieren is vanzelfsprekend uit den boze. Maar er is enige overeenkomst in de geschiedenis.
Het hoge water in 1995 maakte pijnlijk duidelijk dat decennia lang vrijwel niets aan de rivierdijken was gedaan. In Ochten lag zeventig jaar lang een stuk dijk verbazingwekkend slecht te zijn – aan een scheur die zich al in 1926 openbaarde was nooit iets gedaan.
Er was gewaarschuwd voor de dijken in het algemeen. Er waren studies verschenen. Maar de lokale autoriteit had het druk met onderlinge rivaliteit, met competentiestrijd, met tradities en vertikte het te luisteren naar wat de wereld rondom zei. Toen, na die curieuze evacuatie van 1995, ontstond een kortstondige oprisping van eensgezindheid. Er kwam een nieuw deltaplan, ditmaal voor de grote rivieren. ‘Geef ons heden ons dagelijks brood en af en toe een watersnood’ – zo staat in de burelen van de Technische Adviescommissie Waterkeringen in Delft geschreven. Want in periode van gevaar zijn mensen bereid over geschillen heen te stappen.
Intussen zakt het land dieper, rijst het water buiten hoger en ontstond de idee van noodoverloop-gebieden. Helaas zit het tij niet mee. Want er is op dit ogenblik geen rampspoed noch acuut gevaar. Dus ziet het Knooppunt Arnhem-Nijmegen nog net even kans te lamenteren tegen de dreigende beslaglegging op zijn grond. In zo’n situatie is altijd wel een adviseur te vinden die bereid is tegenwerpingen te bedenken – want ja iedereen heeft recht op zijn eigen hofnar. Zo lees ik nu dat alleen internationaal optreden perspectief biedt. Dat kan dus nog vele hoog waters duren voor er iets gebeuren gaat.
Maar zou het KAN intussen niet eens een ronde moeten maken door eigen gebied? Volgens de Waterkansenkaart is bijvoorbeeld Schuytgraaf de slechtste plaats om een woonwijk te bouwen. Opslag voor water is een betere bestemming. Waalsprong is echt een potsierlijke keuze voor huizenbouw. De bouw van kassen bij Bergerden is vragen om moeilijkheden. Verder stroomafwaarts bij IJzendoorn zijn grote oppervlakten van de uiterwaarden tot de kruin van de dijk opgehoogd met grond en zand. In de uiterwaarden van Haaften zijn wansmakelijke distributiehallen gebouwd en wordt een overbodige containerhaven aangelegd. Allemaal prachtige plaatsen om de rivier ruimte te geven en de dag des oordeels uit te stellen.
Misschien dat de lokale autoriteit eens openhartiger moet praten over zijn eigen onvermogen dit land in te richten. In een vlaag van eerlijkheid schreef enige tijd geleden een commissie van het Interprovinciaal Overleg dat de bestemming van de gronden vaak niet meer door provincie en gemeenten wordt bepaald maar door de projectontwikkelaars.
Eigenlijk zou het KAN blij moeten zijn met de beperkingen die via de bestemming noodoverloopgebied wordt opgelegd. Eindelijk een kans mooie gebieden te bewaren voor de eeuwigheid en te vrijwaren voor het hedendaagse bederf van licht, lelijkheid en lawaai.
Eindelijk een kans om het Grote Potverteren te stoppen.
Maar door de verzenen tegen de prikkels te slaan gedraagt het KAN zich een beetje als die mevrouw die als de jongste dag aanbreekt, pruilend klaagt dat ze haar nerts nog niet heeft kunnen dragen. Er is nieuw drama nodig om te erkennen dat wij passanten zijn in een land dat ons tijdelijk gegeven is. Eens houdt het op en zal het water weer tegen de Utrechtse Heuvelrug of de Drunense duinen klotsen.
‘Eens komt de tijd dat we dit land met een zucht van verlichting weer prijs zullen geven aan de zee,’ zei Johan van Veen.
Is het niet veel verstandiger om een begin te maken ons op dat moment voor te bereiden?
(Column uitgesproken op een vergadering van het Knooppunt Arnhem-Nijmegen op 17 januari 2003 in Nijmegen)