Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars

Hoofdstuk 49 De dood van Daan

Daan is dood. In de nacht van zondag op maandag kreeg hij opnieuw een beroerte die nu ook de rechterzijde van z’n lichaam verlamde. Hij is nog naar het ziekenhuis gebracht, maar dat gebeurde vooral omdat ze in het bejaardenhuis geen raad met hem wisten. Hij kon zich niet meer bewegen. Zijn stem was gebroken. En zijn ogen, die de laatste weken toch al zo diep waren weggezakt en uitgeblust keken, rolden raar in de holtes heen en weer. Want hij had zelfs de controle over de oogspiertjes verloren.
Hij heeft nog even geleefd. Ik weet niet of hij de mensen die aan zijn bed kwamen nog heeft herkend. Maar ik weet zeker dat toen de dood kwam, het een opluchting voor hem was. Want hij wilde niet meer. Vierentachtig jaar geleefd en toen had hij er genoeg van. Hij stopte met het lezen van de krant. Hij keek demonstratief geen televisie meer. Hij verloor alle belangstelling en sloot zich in zichzelf op met zijn herinneringen. Beurtelings opstandig en gelaten. De laatste van de generatie, in een wereld die niet meer van hem was.
Hij is begraven op een woensdag. De kist stond in een alkoof van de aula tegenover de christelijke school. Een klein zaaltje dat nog niet zo lang geleden midden in het dorp werd gebouwd toen plotseling, om de een of ander onverklaarbare reden, iedereen vond dat mensen niet meer vanuit hun eigen huis begraven konden worden. Voor die tijd was dat geen probleem. Het huis onder aan de dijk waarin Daan woonde tot hij tien maanden geleden zijn eerste beroerte kreeg, heeft twee deuren. De ene deur, die je bereikt via het klompenhok, is voor alle dag. Mensen gaan er in en uit. De andere deur is voor bijzondere momenten. Toen Daan met Sjaan trouwde, kwamen ze door die deur binnen. De vader van Sjaan, bij wie ze gingen inwonen, werd er uit begraven. En als Daan tien jaar eerder gestorven was, zou hij door die deur naar buiten zijn gedragen. Alle oude huizen aan de dijk hebben twee deuren. Toen werden op het dorp van die doorzonwoningen gebouwd van waaruit de mensen laten zien wat ze allemaal gekocht hebben. Maar een plaats om zichzelf te verbergen is er niet. En plaats voor een kist met een lijk is er helemaal niet. Bovendien hebben ze maar één voordeur. Daarom moest er een aula komen.
Ik moet daar nog iets aan toevoegen. Mensen op het dorp die gereformeerd zijn, worden vanuit de gereformeerde kerk begraven. En mensen op het dorp die goed hervormd zijn – want tussen hervormden bestaan grote verschillen – worden vanuit de hervormde kerk begraven. De aula is eigenlijk voor mensen die het tijdens hun leven nooit zo goed geweten hebben. Of gewoon niet geloofden.
Daan was iemand die niet geloofde. Misschien kan ik beter zeggen: hij was iemand die niet bijgelovig was. Want zo dacht hij over geloof. Hij wilde er niet over spreken, hij wilde er niet over denken, omdat voor hem religie niet bestond. Ik heb avonden met hem gepraat en daarom mag ik dit prijsgeven: Daan zag de kerk als vijand van het socialisme, waarin hij wel geloofde. Hij beschuldigde de kerk ervan macht uit te oefenen met begrippen van goed en kwaad en hemel en hel. Hij zei dat de kerk over mensen beslist en voor mensen denkt, terwijl Daans eigen opvatting was dat mensen dat zelf horen te doen.

Daarom was ik op de begrafenis boos. Boos op z’n (verre) familie – want kinderen heeft Daan na die ene miskraam van Sjaan nooit gehad – die meer respect voor Daans overtuiging had moeten tonen. Boos op de fietsenmaker, die ook begrafenisondernemer is, die precies weet hoe Daan geleefd heeft, maar toch de hervormde dominee vroeg de begrafenis te leiden. En boos op de dominee. Hij treedt bij begrafenissen op als trooster en gastspreker en wordt door de begrafenisondernemer ingehuurd. Tenminste, als de overledene niet gereformeerd is geweest, want dan komt vanzelfsprekend de gereformeerde predikant. Op alle andere momenten komt de hervormde dominee. Hij doet dat graag. Hij heeft per slot van rekening niet zo’n royaal inkomen – dat tractement wordt genoemd – en elke begrafenis betekent bijverdienste. De begrafenisondernemer en de dominee zijn partners.
Goed, de dominee noemde Daan rechtvaardig en eerlijk en dat is volstrekt waar. Ik durf, in bijbelse termen, te zeggen dat Daan een uitnemende man was. Vervolgens vertelde de dominee van zijn vruchteloze pogingen om tijdens gesprekken met Daan over religie, hemel en hel te beginnen. Maar steeds had Daan geantwoord dat hij daar anders over dacht en van onderwerp wilde veranderen. De dominee zei dat hij dat onbevredigend had gevonden. En toen sprak hij in de aula, over de kist met het lijk van Daan heen, vermanende woorden: `Los zijn van God is slecht. Het enige doel in het leven is Jezus Christus.’ Daarover werd ik nijdig. Ik vond dat aanmatigend. Ik vond dat de dominee alsnog zijn gelijk haalde na alle mislukte gesprekken en het laatste woord nam. Daan kon hem niet meer antwoorden. Dominees mogen natuurlijk voor hun overtuiging uitkomen. Maar ze moeten ook respect hebben voor andermans mening en eerbied kunnen opbrengen voor de overledene.
Van de aula naar het kerkhof is het bijna een kilometer. Alleen wie moe en broos is wordt gereden. De rest volgt in een lange, zwijgende stoet. De weg is omzoomd met tachtig jaar oude perebomen, grillig gevormd, met dikke stammen die hier en daar op een merkwaardige manier boorvormig zijn gedraaid. Daan vertelde me eens dat hij zestig jaar geleden hier met Sjaan vree, geleund tegen de toen al sterke bomen. Ik geloof dat het vijf jaar geleden is dat Sjaan werd begraven. Het was voorjaar en de perensteeg was een zee vol bloesem. Nu is het blad van de bomen herfstbruin gekleurd. Als er tegenliggers komen, wachten die ver in de berm tot de stoet is gepasseerd. Op het dorp is de eerbied voor een begrafenisstoet groot.
Ineens denk ik aan het gras, waarover de dominee het ook nog had. `Gelijk het gras is ons kortstondig leven.’ Een beetje rare vergelijking, want er is niets zo hardnekkig als gras, het komt altijd weer terug. Maar ik dacht aan Daan. Toen ik lang geleden op het dorp kwam wonen, was het eerste wat Daan me leerde hoe ik moest zeisen. Ik moest niet zo slaan en van die rukkende bewegingen maken. Ik moest de zeis `laten lopen’, halve cirkels beschrijven, rechtop staand. Met de rug van het blad tegen de grond gedrukt en de snede een paar centimeter omhoog. Ik moest, zei Daan, de zeis het werk laten doen. En toen de zeis bot geworden was, hurkte hij neer op het veld. Hij sloeg de haarspit in de grond, legde de snede erop en tikte een half uur lang met de haarhamer op het ijzer dat werd geplet en een nieuwe scherpe snede kreeg. Toen haalde hij de strekel erlangs en zei dat ik het opnieuw moest proberen. Nooit zal ik dat heldere geluid van de haarhamer vergeten op die stille lentedag.
De begraafplaats op het dorp is omringd door boomgaarden. Er staan honderdvijftig jaar oude beuken, eiken en prachtige treurwilgen. Er ligt een poel vol geheimen. De kinderen van de dijk hebben er eens schildpadden gezien. Het is er stil en vredig.

Polderpers