Hoofdstuk 48 De laatste weken van Daan
Op een ochtend werd de oude Daan gevonden op de vloer van zijn huis aan de dijk. Midden in de nacht had hij een duizeling gevoeld in zijn hoofd. Hij had nog geprobeerd de buren te bellen, maar na het draaien van een nummer was hij zo uitgeput geweest dat hij geen woord meer kon uitbrengen. Urenlang had hij op de grond gelegen, want sinds Sjaan vijf jaar geleden overleed, woonde hij alleen. Hij hield er op het laatst rekening mee dat zoiets zou kunnen gebeuren. Maar hij bleef liever alleen, met het risico dat hij op een kwade dag zou komen te vallen, dan te vertrekken naar het bejaardenhuis. `Dat is voor oude mensen, ik blijf hier,’ zei hij. De buren gaven hem groot gelijk en bij toerbeurt gingen ze ’s avonds langs om te zien of alles goed was. Overdag gingen Mark en Sander kijken en dan aten ze een zoute krakeling die alleen de bakker op het dorp bakt, en dronken ze limonade. Want Daan stelde hun bezoek op prijs.
Toen zijn vriend Gijs die morgen om half negen langs kwam, zoals elke ochtend, was Daan bij kennis, maar hij kon zich niet bewegen. Een kwartier later reed de ambulance voor. Toen we Daan op de brancard tegen het steile pad op duwden naar de dijk, ging in een V-vorm een vlucht ganzen boven de uiterwaard. Want het was maart en de winter was voorbij. Ik zag hoe Daan droevig naar de gakkende dieren keek, alsof hij wist dat het afscheid voorgoed was.
In het ziekenhuis zei de dokter dat er ergens een klontje bloed in zijn hersenen was blijven steken. Dat had, ik zeg het nu eenvoudig, een lichte beroerte veroorzaakt. Maar als je drieëntachtig bent komt zoiets hard aan. Even heeft hij zich nog verweerd. Urenlang kneep hij in een geel, sponsachtig balletje, om zo weer gevoel te krijgen in zijn linkerhand die verlamd was. En als het bezoek vertrokken was schuifelde hij tussen twee verpleegsters in door de ziekenzaal. Want hij wilde nog zo verschrikkelijk graag leven. Hij wist dat hij niet meer de oude zou worden. Hij treurde er niet om.
`Ik heb een goed leven gehad. Als ik nog een paar jaar in een rolstoel moet doorbrengen vind ik dat helemaal niet erg. En als ik dood ga kan ik rustig sterven. Ik heb alles al gehad,’ zei hij.
Z’n geest was ongebroken. Hij foeterde tegen de specialist die niet wilde dat hij in een ambulance de oogarts ging bezoeken, omdat dat te veel geld kostte. Door die beroerte waren de ogen van Daan achteruitgegaan en hij moest een nieuwe bril hebben. Daan zei: `Mijn been mag dan niet meer zo goed zijn, daarom ben ik nog niet kinds.’ Zijn hele leven had hij gelezen, Het Vrije Volk en de geschiedenis van de arbeidersbeweging. Hij was bestuurder van de bond, vertegenwoordiger van de VARA, hij zat in de gemeenteraad en was wethouder. Hij sloeg met zijn vuist op tafel als mensen zoals hij slecht behandeld werden. En nu wilde die specialist hem verbieden de oogarts te bezoeken? Hij bewoog hemel en aarde en kreeg zijn zin. Toen kon hij weer lezen.
Daan wilde naar het Nonnenveld, een groot huis aan de rivier, waar mensen zoals hij weer leerden lopen. Op een ochtend was hij met in de ene goede hand een kruk en ondersteund door een verpleegster, de gang van het ziekenhuis ingegaan. Een paar dagen later verhuisde hij naar het Nonnenveld. Op een avond, toen ik bij hem op bezoek was, vroeg hij of ik zijn huis wilde verkopen. Het was een somber gesprek, maar Daan wist nu zeker dat hij niet meer naar huis terug kon. Eigenlijk gedroeg hij zich veel moediger dan ik. `Want,’ zei ik, `het wordt zo leeg aan de dijk zonder mensen met een geschiedenis.’ En ik probeerde van onderwerp te veranderen. Ik zei dat de waard nog nooit zo bruin was geweest als na deze winter. En ik vertelde van de kolonies watersalamanders die er plotseling waren. Ik zocht haastig naar meer onderwerpen. De kippen waren weer gaan leggen. Pasen kwam precies op tijd. Daan kneep in zijn sponsachtig balletje en keek me stil aan. Hij vroeg naar die ene kip die hij nooit had willen slachten en die nu al zes jaar oud was. `Zij legt nog steeds,’ antwoordde ik. Hij wendde zijn ogen af en zei dat het huis toch maar beter verkocht kon worden.
Na twee maanden verhuisde Daan van het Nonnenveld naar het bejaardenhuis op het dorp. Hij wilde weg uit het ziekenhuis. Hij wilde terug naar het dorp. Toen had hij niets meer om naar te verlangen. Plotseling werd hij een heel andere man. Hij woonde jarenlang in z’n eentje aan het Rot, maar hij was nooit alleen. Hij leefde tussen de bloemen, rustte onder de vruchtbomen, keek uit over de polder en praatte tegen z’n hond. In het bejaardenhuis wonen zestig mensen, maar Daan was nog nooit zo eenzaam geweest als daar. Hij had allerlei verwachtingen. Hij dacht dat vrienden uit zijn jeugd samen met hem zouden koffiedrinken en klaverjassen. Hij zou verhalen ophalen van weleer. Maar de mensen in het huis zijn heel oud. Zij hebben al hun tijd nodig om na te denken over het leven dat voorbijging. Ze zitten voor de televisie, ze rusten en wachten op de dood. En Daan zat alleen. Hij raakte verbitterd. Toen er iemand van de gereformeerde hulpdienst in zijn kamer kwam riep hij godverdomme en dat gaf een grote consternatie. Tegen zijn schoonzuster riep hij dat ze op moest donderen.
Op een van de laatste avonden keek hij met uitgebluste ogen naar het gazon voor het bejaardenhuis en zei: `Ik heb nooit geweten dat het nog zo moeilijk zou zijn om aan je eind te komen.’