Hoofdstuk 46 De dood van de oudtste gent
Het is een wonderlijke en ook een beetje droevige dag. Wonderlijk omdat, hoewel de hen al twee dagen eerder het broeden opgegeven en het nest met eieren verlaten heeft, toch nog spontaan drie kuikens geboren worden. Zo warm is het. Terwijl ik voorzichtig de diertjes bij de moeder zet, bedenk ik ineens hoe genadig de natuur voor de mensen zorgt. Al een paar dagen zijn de leghokken leeg. Anderen ochtenden liggen er altijd zeven, acht eieren. Nu niet één. Ik moet even zeggen dat hier, in de griend achter de dijk, de kippen loslopen. Ze krijgen hard graan en voor de rest pikken ze wat ze tegenkomen. De dooiers van de eieren zijn daarom niet grauw-bleek zoals bij de kruidenier, maar rood-oranje. Ze smaken niet naar vis en bederf maar naar ei. De kippen worden niet gedwongen te leggen maar doen dat als ze zin hebben. Op hete dagen hebben ze er geen aardigheid in. Dan raken ze even uit de leg. Plotseling, want mensen denken wat af, besef ik dat op die manier de kippen ons tegen de salmonella-bacterie beschermen. Ze boodschappen de mensen op hete dagen geen eieren te eten.
Het is ook een droevige dag. Eigenlijk heb ik gisteravond al kunnen weten dat er iets dreigends, onheilspellends zou gaan gebeuren. Als ik op de strekdam in de rivier de zon brandend zie ondergaan achter de steenfabriek, komen van alle kanten duizenden, nee legioenen spreeuwen uit het niets naar de uiterwaard. Het is alsof in de verten stofwolken ontstaan die, als ze dichterbij komen, groter en donkerder worden. Eerst is er het geluid van een zachte wind, dat overgaat in geneuzel en dan hoor je schetterende geluiden. Een paar honderd meter achter me dalen de wolken neer in de griendbossen van het niemandsland tussen de put van Andel en de oven.
Laat in de nacht loop ik over de dijk. Nog steeds trilt de warmte boven het land. De maan staat vol en rond boven de overkant. Ineens besef ik dat er in de griendbossen iets bijzonders gebeurt. Ik hoor een monotoon geluid, een beetje klagend, kerkzangachtig. Het is alsof de spreeuwen zijn samengekomen om met elkaar te praten. Op gewone zomerse dagen dalen ook grote vluchten spreeuwen neer. Ze maken een geweldig kabaal maar dan – alsof één spreeuw het dirigeert – vallen ze collectief stil. Deze nacht weten ze van geen ophouden. Maar het geluid dat ze maken is ingehouden. Ik wil bijna zeggen beschaafder – zonder natuurlijk te willen suggeren dat spreeuwen onbeschaafd zijn. Ze kwetteren niet, ze murmulen. Terwijl ik daar sta, vormen zich in en rondom de griendbossen wolken van nevel. De maan lijkt te verdampen. Ik huiver, ik krijg lugubere gedachten.
Laat in de ochtend, na de wonderbaarlijke geboorte van de drie kuikens, ontdek ik dat die afgelopen nacht in de uiterwaarden de oude gent is overleden. Hij ligt groot en zwaar langs de oever van de kleiput die aan het niemandsland grenst. Ik herken het dier onmiddellijk. Het is de oudste gent die een halve mensenleeftijd lang de leider is geweest van een troep half wilde ganzen. Volgens Peer van de Oven is het dier zeker veertig jaar geworden. Hij is aan ouderdom gestorven. Ik ontmoette het dier zo’n twintig jaar geleden en tegelijk was ik geïmponeerd door de kracht en het gezag dat de gent uitstraalde. Hij stond daar waar hij nu ligt. Terwijl jonge ganzen en genten een beetje onnozel rondstruinden over het grasland – dat Peer al die jaren speciaal voor hen inzaaide – bekeek de oude gent met opgeheven kop wantrouwend en waakzaam de bezoeker. Toen ik zeker nog honderd meter te gaan had, zette hij met een kort gakkend geluid de troep in beweging. Hij liet zich ook daarna nooit verleiden tot familiariteiten. Hij bleef gereserveerd, hield afstand en was soms bijzonder agressief.
Het was een mooi beest. Een grauwe gans met een slanke hals en een zwaar lijf. Eigenlijk was hij een rietgans. Ooit, jaren geleden, werd hij verliefd, want ganzen kennen ook gevoelens, op een witte boerengans van Peer van de Oven. Omdat ganzen écht trouw zijn tot de dood scheidt – mensen beloven dat wel maar hebben er veel meer moeite mee – besloot de gent vanaf toen in de uiterwaarden te blijven. Jarenlang was hij de onbetwiste leider van een troep van zo’n twintig ganzen. Het dier had eigen principes. Hij graasde alleen op de wei die Peer voor de ganzen bestemd had. Als de wei leeg raakte ging hij grondelen in de kleiput – dat is ook grazen maar dan onder water. Hij eiste van zijn troep dat ze hetzelfde deden.
Maar de laatste tijd verloor de oude gent een beetje het overzicht. Het kon hem denk ik ook niet meer zo veel schelen na de dood van zijn vrouwtje – een paar jaar geleden. Hij werd wat vadsig en daardoor suffig. Op het laatst riep hij zelfs de jonge genten niet meer tot de orde als ze met hun partners het maisland binnendrongen en zich dik en vet vraten. Hij probeerde nog wel aan te geven wat je als gans wel doet en niet doet. Het had weinig zin. De jonge genten rukten op, streden om de macht en deden meer en meer hun eigen zin.
Ik voelde het eigenlijk al een tijdje aankomen dat het afliep. Een paar weken geleden nog heb ik gezien hoe de oude gent echt zomaar werd weggeduwd door een toekomstige leider. Ik neem mezelf kwalijk dat ik de laatste tijd niet beter heb opgelet.
Ander had ik meteen geweten dat die duizenden klagende spreeuwen in de griendbossen bij het niemandsland, een dodenwake hielden tijdens de laatste uren van de oude gent.