Hoofdstuk 44 De wraak van het uilenpaar
Het is echt gebeurd. De mensen aan de dijk van het dorp aan de rivier zullen het bevestigen.
Het was op een avond aan het eind van de zomer. De dag was warm geweest maar toen de zon was ondergegaan koelde het snel af. De schemer viel over het land toen ik met een lichte huivering door de bessestruiken naar het maïsveld liep. Plotseling gebeurde wat ik al een paar avonden verwacht had. De drie jonge kerkuilen uit het nest in de holte van de hoge wilg kwamen voor het eerst naar buiten. Hoog boven de wilg cirkelde opgewonden krijsend het ouderpaar, dat zijn jongen uit het nest riep voor de eerste vlucht. Ze gehoorzaamden, maar het ging hen slecht af. Eerst leek het alsof ze te pletter vielen. Toen raakte er een verward in de struiken en ten slotte zwalkten ze onhandig van links naar rechts. Het aanhoudende gekrijs van het vrouwtje en het mannetje hield de jongen in de lucht. Normaal roepen uilen heel beschaafd oe-hoe. Als je het voor het eerst hoort klinkt het onheilspellend maar als je ze vaak hoort, wordt het geluid steeds geruststellender. Want waar uilen zijn, zijn muizen. En waar muizen zijn is geen vergif.
Als uilen zenuwachtig zijn is hun geluid heel anders. En vier vingers in m’n mond stekend probeerde ik hun angstig geroep na te bootsen. Het lukte. Het ging heel goed. Ineens veranderden de drie jonge uilen van richting en kwamen om me heen vliegen. Eén botste tegen m’n schouder. Een ander kon ik bijna grijpen. Het ouderpaar krijste steeds harder, maar de jongen luisterden niet. Ze hoorden alleen mij, zo merkte ik met enige triomf. Ik bleef fluiten en de jonge kerkuilen bleven om me heen fladderen. Ten slotte vond ik er geen aardigheid meer in. Ik stopte met het nabootsen en pas toen kreeg het ouderpaar weer gehoor bij de jongen, die terug naar het nest werden gelokt.
Die tweede avond ging ik terug naar de bessestruiken en herhaalde het ritueel. De derde avond hetzelfde. De jongen kwamen onmiddellijk rondom mij vliegen en de twee oude uilen hadden alle gezag verloren. En zelfgenoegzaam dacht ik heerser te zijn over de dieren.
Uren later – aan het eind van de derde avond – maakte ik een wandeling over de dijk. Het was volle maan. Mistflarden kwamen op boven het water en trokken over de dijk. Tussen de bomen in de grienden hingen de witte wieven. Het was prachtig en tegelijk een beetje spookachtig. Ik liep snel.
Ineens zag ik voor me op de dijk twee schaduwen die me volgden. Ik keek om me heen maar zag niets. Ik draaide me om en keek naar de maan. Maar er waren geen wolken die afbeeldingen op de weg veroorzaakten. Ik week naar links. De schaduwen bleven me volgen. Toen hoorde ik boven me een eerst suizend en daarna klappend geluid. Ik keek, en als versteend bleef ik staan. Op minder dan een halve meter hoogte stonden twee uilen te bidden. Hun ogen lichtten geel op en ik zag dat de pupillen zich verwijdden, smaller werden en zich weer verwijdden. Ze stonden zwijgend boven me. Alleen de ogen bewogen en ik zag dat de klauwen zich beurtelings kromden en ontspanden.
Het zweet brak me aan alle kanten uit. Elk ogenblik konden de vogels, die in het halve duister een enorme omvang hadden aangenomen, zich op me storten. Het duurde even voor ik me weer kon bewegen. Toen was ik met twee sprongen aan de kant van de dijk en liet me drie meter lager rollen op de berm. Ik keek gejaagd om me heen en het eerste wat ik zag was de twee schaduwen. Ik stond op en rende de berm af de griend in en verschool me tussen de struiken en de knotwilgen. Daar bleef ik tien minuten. Langzaam liep ik terug, klauterde tegen de berm op. Weer stonden ze boven me. Ik liep terug, de griend in. Op de tast, me bezerend aan brandnetels en stekels en wadend door half gevulde slootjes heb ik de terugweg afgelegd. Met gebogen hoofd. Ik had m’n les geleerd. Ik heb nooit meer geprobeerd jonge uilen in verwarring te brengen door ze van hun ouders weg te lokken.