Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars

Hoofdstuk 43 Aan een boom zo volgeladen…

Vorige week is Daan een kist met suikerperen wezen brengen. Thijs, die een huis verderop bewoont, kwam met een vergiet vol met de laatste rode bessen. En Kobus, die toen nog zeven melkkoeien in de griend achter z’n huis hield en een vreselijke rotzooi maakte, zette een sinaasappelkist met gele pruimen neer. Wat ik wil zeggen is dat dit een tijd van overvloed is op het dorp aan de rivier.
Elke dag is natuurlijk bijzonder, maar dit jaar gaat het om een heel bijzonder seizoen. Weet je nog hoe brommerig de boeren waren toen het van de lente dagen en nachten achter elkaar regende? Weet je nog van al dat onheil dat werd voorspeld? Verdronken tarwe, kwade aardappelen, onvolgroeide bieten, sprieterige maïs, dure groenten. Nou, de natuur heeft die nerveuze boodschappers mooi voor schut gezet. Misschien dat hier en daar de aardappelen wat kleiner zullen uitvallen en de zomergerst wat miezerig blijft. En misschien dat er toch nog een paar boeren zullen klagen. Maar voor het overige?
Het begon een paar weken geleden toen de kroosjes gingen vallen. Dat zijn van die kleine, lichtrode pruimen die zo oppervlakkig aan de takken vastzitten dat ze zich niet laten plukken maar zich – als ze maar even rijp zijn – laten vallen. En als je de stam een kleine duw geeft regent het kroosjes. Dagenlang is het kroosjes blijven regenen. De eerste tijd eet je ze op; handenvol tegelijk. Tot je er pukkels van krijgt en alsmaar naar de wc moet. Dan zet je ze op brandewijn, op sap en doe je ze in de diepvries. Maar het blijft en het blijft maar kroosjes regenen, alsof het manna is. Zelfs de kippen en de ganzen hebben er ten slotte genoeg van. Dan komt het moment dat ze liggen te rotten onder de boom – zeg maar het trauma van elke plattelander, wroeging over kostelijk voedsel dat niet wordt benut.
Dat is nog maar het begin. Na de kroosjes komen de kleine blauwe pruimen en de grote blauwe pruimen, de gele pruimen (die zo zoet zijn als honing) en de groene pruimen. En ik schat dat over een week de rode pruimen rijp zullen zijn – sappig, vlezig, zo groot als kippeëieren. Er staan twee bomen, barstensvol, in het boomgaardje achter de griend. Ik pieker me suf. Er staan al veertig potten jam op de plank in de kast. Ze staan ingemaakt met kruidnagelen, met kaneel, met gember. Hoe meer ik erover denk hoe groter hekel ik krijg aan de vader van Hieronymus van Alphen (`Jantje zag eens pruimen hangen, O! als eieren zo groot. ’t Scheen dat Jantje wou gaan plukken, schoon zijn vader ’t hem verbood…’) Wat een ontaarde man, die vader. Straks liggen ze te rotten op de grond. Laat die kinderen toch.
Alles komt tegelijk. De stokbonen dragen dit jaar uitbundiger dan ooit. De snijbonen zijn wel dertig centimeter lang, rank, slank en gaaf. Zo mooi zag ik ze nooit. Daan heeft over z’n tafel in de schuur een plastic zeiltje gespannen. Op de rand van de tafel heeft hij een bonenmolen vastgeschroefd. Met z’n ene hand duwt hij de bonen in twee gaten bovenop de molen, met de andere hand draait hij aan een hengsel dat verbonden is met een rond scherp mes. Op de tafel hoopt zich een berg gesneden bonen op. Het lekkerst smaken ze in het zout. Een laag bonen in een emmer en daar een laagje zout op. Weer een laag bonen en weer zout, enzovoort. Ten slotte dek je ze af met een theedoek, een rond houten deksel met daarop een zware basaltsteen. Dat drukt de massa goed aan. In november kan je ze eten.

Als je iets speciaals wilt, moet je die groene zoute bonen samen eten met witte bonen (en spek). Die lekkernij heet bij ons op het dorp `blote billetjes in het gras’. Ik heb nu al emmers – ja, kistenvol bonen geplukt maar de ranken aan de staken blijven maar bloeien en groeien.
Soms geloof ik ineens weer in wonderen. Het gebeurt dat ’s morgens de komkommers nog de grootte hebben van een manshand en ’s avonds volgroeid zijn. Net als bij Elia. Elke dag pluk ik handenvol augurken. De courgettes zijn nog nooit zo stevig, gaaf en zacht van smaak geweest. En aan de tomatenplanten, die een paar maanden geleden maar niet wilden groeien en leken te verzuipen in de plassen water, groeien grote vruchten die hier en daar al rood beginnen te worden.
De mensen op het dorp zijn net eekhoorns. Iedereen is bezig met invriezen, wecken, inmaken. De kruidenier verkoopt onder de toonbank inmaakbrandewijn omdat hij geen vergunning heeft ze over de toonbank te verkopen. Dat gaat dan zo dat hij om de fles een krant rolt waarna hij je enigszins schichtig dat pakketje overhandigt. In de weekeinden plukt hij aan de dijk grote bramen die hij de volgende dag in kleine doosjes in z’n winkel verkoopt. En bij de driehonderd jaar oude boerderij bij `Het Oude Wiel’ draagt de moerbeiboom zo prachtig en zo overvloedig dat er al gesproken wordt van een mirakel. Op zondag ga ik er soms even heen om een handvol moerbeien te plukken. Maar lang kan ik er niet blijven. Want de vlierbessen zijn bijna goed. En de eerste appels vallen van de boom. Er zitten een paar wormsteekjes aan maar ze zijn prima om er appelsap van te maken.

Polderpers