Hoofdstuk 42 De spektakels worden almaar gekker
Op de veerweg, die tussen de weilanden in de uiterwaard naar de pont gaat, hebben de kinderen van het dorp nieuwe mogelijkheden ontdekt. Ze wassen er de ramen van auto’s die afgeslagen zijn van de snelweg om files te vermijden. Ze sjouwen met kisten en planken, waarmee stalletjes worden gebouwd voor het verkopen van tweedehands stripboeken en zelfgebakken pannekoeken.
En sinds kort gaan Sander en Mark erheen met zakken grote rode pruimen en kisten vol suikerperen die ze hebben opgeraapt in de boomgaard. Om de wachtende automobilisten een beetje gretiger te maken hebben ze Gerard ingeschakeld, een slungelige buurjongen die al zo groot is als een volwassen mens. Hij passeert zogenaamd hun handel die uitgestald ligt bij het wachthokje bij de op- en afrit van het veer. Hij neemt een pruim, proeft zorgvuldig en laat vervolgens enthousiast blijken die lekker te vinden. Hij kiest ook nog een peer uit, keurt weer en zegt luidkeels: `Geef me van allebei maar een paar zakken mee!’ Dan loopt hij met armen vol fruit weg, nadrukkelijk langs de auto’s waarvan de inzittenden zo verlekkerd raken en aangestoken worden door zijn vraatzucht, dat zij haastig het voorbeeld van Gerard volgen. En binnen de kortste keren zijn Mark en Sander uitverkocht. Zo hebben ze inmiddels een topverkoop gehaald met rode bessen, kruisbessen, zwarte bessen, kroosjes (vroege pruimen) en aardbeien. En Gerard deelt mee in een percentage van de omzet. Hij lokt klanten en de anderen zorgen voor fruit.
Ik weet eigenlijk niet of ik blij moet zijn met die handelsgeest of een beetje gegeneerd. Ik zal uitleggen wat ik bedoel. De kinderen op het dorp hebben geld nodig omdat bijna wekelijks geld van hen wordt gevraagd. Want elk jaar wordt het weer gekker. Eerst had je alleen het bevrijdingsfeest en daar is vanzelfsprekend geen discussie over nodig. Dat moet tot in lengte van jaren herdacht en gevierd worden. Toen kwam er de boomplantdag en die heeft iets stichtelijks. Daarom kreeg je later in het seizoen nog een zomerfeest en dat is leuk. Maar de laatste jaren is de vindingrijkheid van de mensen op het dorp zo groot dat ik er, eerlijk gezegd, kriegelig van raak.
Ik bedoel dat in het dorp de laatste tijd het ene spektakel door het andere spektakel wordt opgevolgd. Het zal wel voor een deel voortkomen uit verveling waardoor de mensen steeds nieuw vertier zoeken. Maar al die evenementen worden vooral georganiseerd omdat er geld nodig is. Omdat de muziekvereniging nieuwe uniformen wil, de voetbalclub nieuwe ballen nodig heeft, de school een video wil aanschaffen, de bejaarden een reisje gaan maken en de ondernemer van ’t Trefpunt een hogere omzet wil. En zo is er tegenwoordig bijna wekelijks wel een reden voor een festiviteit. De voetbalvereniging organiseert de jaarmarkt, de oranjevereniging heeft vaste optie op het zomerfeest, de middenstand komt met een braderie, de hervormde kerk attendeert op de traditionele zomermarkt, het bejaardenhuis werkt een hele winter lang aan de bazaar, waar gebreide pannelappen en bonte wollen sjaals vaste prijzen zijn bij het rad van avontuur. De oudercommissie van de openbare school heeft naast de avondfietsvierdaagse en de schoolkermis de avondomloop geïntroduceerd die ook al weer voor de derde keer gehouden is. De plattelandsvrouwen (er zijn vier van die verenigingen maar ik bedoel de gereformeerde) zullen waarschijnlijk de antiekmarkt tot een jaarlijks fenomeen gaan verheffen, terwijl de `algemene’ kiest voor de ambachtsmarkt. In het gemeentearchief wordt geprobeerd het jaartal te achterhalen van het moment waarop het dorp zijn naam kreeg om zo een aanleiding te hebben voor een jubileumfeest. Dat moet zorgvuldig gebeuren, want het is onlangs nog voorgekomen dat een dorp in de streek zijn vierhonderdjarig bestaan vierde terwijl later met zekerheid werd vastgesteld dat het pas 394 jaar bestond. De winkeliers, aangemoedigd door de plaatselijke slagers, verstrekken bonnen voor de jaarlijkse barbecue die de laatste keer werd gehouden in de tuin van de begrafenisondernemer – want die heeft de meeste ruimte. Dit jaar wordt gedacht aan een Bourgondische maaltijd aan boord van een rondvaartboot op de rivier waar tijdens de tocht een heel speenvarken zal worden geroosterd. Als de wintertijd ingaat staan bingo’s op het programma met koteletten, kippen en halve varkens als hoofdprijzen. De voetbalclub heeft – om de kosten van het kampioensfeest te dekken – een loterij georganiseerd waarbij voor de eerste keer loten à honderd gulden per stuk in het dorp zijn verkocht. De hoofdprijs was een auto. Het dorpshuis en de enigszins neringzieke eigenaar van ’t Trefpunt, organiseren om strijd discoavonden waarbij de een de ander beconcurreert met lichteffecten, decibels en nog harder schreeuwende discjockeys. En in de streekkrant is meneer Huisman geïnterviewd die met een play-back show door de dorpen trekt waarbij hij kinderen als ledenpoppen laat bewegen op het ritme van anderen. En intussen is er een comité `Dag Dokter’ opgericht dat geld inzamelt voor het afscheid van de dorpsdokter die – maar dat even terzijde – van de gemeentewerkman die in alle stilte met pensioen gaat verschilt doordat hij gestudeerd heeft. Je begrijpt dat de toneeluitvoeringen van Jong Gelre (vorig jaar met het stuk Liefde onder melkenstijd), de discussieavonden door ’t Nut van het Algemeen en de ontmoetingen met bekende schrijfsters door de hervormde vereniging van plattelandsvrouwen, aan betekenis inboeten.
Het kan, kortom, behoorlijk onrustig zijn op het dorp. Volgend jaar staan nieuwe ideeën te wachten. Want de ijsvereniging heeft geld nodig voor de reparatie van de ijsbaan, een aantal mensen wil een eigen tennisbaan en de voetbalclub een vierde veld. En dat kost geld. Ik probeer Sander en Mark wat te temperen. Ze hoeven niet overal aan mee te doen, hou ik ze voor. Tot mijn genoegen heb ik gemerkt dat met het toenemen van al dat gekunstelde tijdverdrijf, de opwinding wegebt.
Soms constateert Mark tevreden dat hij gelukkig ver weg aan de dijk woont zodat al dat gedruis aan hem voorbij gaat. En samen met Sander trekt hij zich terug in de oude kippenschuur in de boomgaard langs het maïsveld, die wordt omgebouwd tot clubhuis voor een geheim genootschap. Want eigenlijk vinden ze dat toch het allermooiste.