Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars

Hoofdstuk 39 De dood van de oude Gerrit

Vorige week is de oude Gerrit overleden. Hij was nooit eerder ziek geweest. Hij heeft nooit pijn gekend en nooit echt pijn gedaan. Hij heeft een prachtig leven gehad. De dood kwam zacht en bijna vriendelijk zijn huisje onder aan de dijk binnen.
De laatste weken voelde hij zich niet lekker. Als hij over de dijk liep in z’n manchester jas, moest hij soms stoppen omdat z’n ogen zo begonnen te tranen dat hij niets meer kon zien. Als hij ’s avonds, na zijn vaste visite aan Daan, de dijk op liep moest hij wel twee keer rusten omdat hij zo moe was.
Op een ochtend, toen Thijs de buurman hem koffie kwam brengen, lag hij op de grond. Hij steunde en sprak onverstaanbare taal. Een paar uur nadat Thijs hem in de bedstee had geholpen kwam hij overeind en zei dat hij nooit meer de oude zou worden. Zes dagen leefde hij in een andere wereld. De mensen aan de dijk dachten eerst dat hij z’n geheugen had verloren. Dat was niet waar. Gerrit overzag de achtentachtig jaar die hij had geleefd. Hij begroette mensen die al zestig jaar dood zijn. Hij zette fuiken in de put aan de overkant van de dijk. Hij strikte weer hazen en hij trok kalmoes aan de rand van de wiel. Hij plukte snijbonen en hij lachte een beetje stiekem omdat hij weer ’t vroegst was en aan de stokken van Daan pas de eerste bloesem verscheen. Hij praatte met z’n oude vriend Rutje, die acht jaar geleden stierf en ging nog één keer met hem door de polder. Twee stropers die iedereen te slim afwaren.
De dokter zei dat Gerrit z’n leven opnieuw beleefde.

Op zaterdagavond was Gerrit weer even de oude. Hij zei dat hij nog twee dagen zou leven. Op maandagavond kwam hij uit de bedstee. Hij zette z’n pet op, liep door de mooie kamer naar de bijkeuken en zei dat iedereen het huis uit moest. Alleen Thijs mocht blijven. Hij ging in z’n stoel zitten naast de driegaatskachel. Hij pakte de pook en porde door het rooster waardoor het vuur plotseling rood opgloeide. Daarna ging hij weer zitten. Hij vroeg om een halve borrel. Hij pakte de krant van die middag en bladerde erin. Hij keek nog even om zich heen. Toen gaf hij een snik en was dood. Hij stierf net zo mooi en waardig als z’n leven was geweest.
En nu is het leeg op de dijk van het dorp aan de rivier. Elke dag kwam hij twee keer langs. Dan riep hij luid naar beneden wat het water zou gaan doen. Dan voorspelde hij het weer. Dan adviseerde hij dat het nu tijd was om fuiken te zetten. Daan liet een advertentie zetten die eindigde met de woorden `hij was een ruwe diamant’. Toen Cor, die toch heus niet een van de gemakkelijkste was, een beroerte kreeg, paste Gerrit zes weken dag en nacht bij hem op. Toen Pietje, die ook al diep in de tachtig is, last van dikke benen kreeg ging Gerrit elke dag bij hem de kachel aanmaken. Toen hij dacht dat iemand aan de dijk z’n schuld niet kon betalen bood hij z’n spaarboekje aan.
De oude Gerrit had geen familie. Hij is nooit getrouwd geweest. Hij leefde op een manier zoals mensen nu niet meer kunnen leven. Zonder luxe, zonder warm water, zonder comfort. Maar hij was de gelukkigste man van het dorp. Hij is, op de jaren 1914-1918 na toen hij gemobiliseerd was, nooit weggeweest van het dorp. Maar heel de wereld was van hem. Hij kende elke boom en elke vogel. Hij was de beste stroper uit de hele omtrek.
Pas toen Gerrit tachtig werd heeft hij het geheim verteld van de manier waarop hij honderden hazen strikte. Als hij door de polder ging, tastte hij met z’n vingers over de klei en langs de struiken. Als hij dan pluis- en donsharen voelde, wist hij dat hier het spoor liep waarlangs een haas ging. Dan zette hij een strik van koperdraad en de volgende dag zat er een vette haas in. Dat lijkt misschien een beetje wreed. Maar Gerrit leefde, toen hij jong was, in de diepste armoede. Hazen hielden de mensen in leven. En Gerrit heeft ze nooit voor zichzelf alleen gehouden.
Hij dronk een borrel, ja. Maar hij hoefde aan niemand verantwoording af te leggen. Het was niet nodig, maar hij voelde zich er altijd een beetje beschroomd over. Als een fles leeg was wierp hij die met een grote zwaai tussen het riet van de put. Als het hoog water werd spoelden de lege flessen aan tegen de dijk. Het waren er heel veel. Dan zei Gerrit: `Die schippers gooien vandaag de dag alles maar over boord.’

Gerrit wilde per se in z’n huisje aan de dijk blijven. Hij schamperde over het bejaardenhuis. Hij wilde er nooit van z’n leven heen. De mensen aan de dijk hebben dat verlangen gerespecteerd. Toen hij de laatste tien dagen niet meer alleen kon zijn, hebben ze om de beurt bij hem gewaakt. Thijs, Gijs, Freek, Hein, Dir, iedereen. Dag en nacht waren er mensen om voor hem te zorgen. En als het nog een maand langer had geduurd zouden er nóg meer mensen gekomen zijn om te helpen. Zo hoort het ook. Gerrit zou hetzelfde gedaan hebben.
Hoog bezoek in de winkel van Hak

Het zal ongeveer elf uur in de morgen zijn geweest. Misschien iets vroeger, want de pauze op de openbare basisschool was net voorbij. Sommige kinderen zouden later zeggen dat ze hem ook gezien hadden. Maar dat was gewichtigdoenerij en grootspraak. Het kon gewoon niet.
Het was stil in de straat. Een doordeweekse ochtend in de herfst. De linden voor het vroegere gemeentehuis hadden prachtige groen-gele kleuren. Zelfs als de zon er helemaal niet is, lijkt het net alsof de bladeren in deze tijd van het jaar betoverd worden door een lichtbundel. De zoon van de eierboer had even eerder een tank drijfmest uit de kelder onder de ligbox gepompt, om die op het land bij de radar te dumpen. Er was natuurlijk weer iets mis met de afsluitklep achter aan de tank. Een breed spoor gier gaf de weg aan die hij was gegaan.
Plotseling stopten voor de winkel van bakker Hak op het dorp vier ernstige, zwarte auto’s. Vrijwel onmiddellijk sprongen zes forse mannen naar buiten, even later gevolgd door een vrouw en nog een paar mannen die omringd werden door de zes anderen. Even keken ze zoekend om zich heen, toen liepen ze in een rechte lijn en doelbewust in de richting van de bakkerij.
Nu is bakker Hak vanzelfsprekend niet de eerste de beste. Hij is tot in wijde omgeving bekend om z’n zoute krakelingen die Hak senior op z’n achtentachtigste nog elke vrijdagavond met de hand draait. En zoon Henk, van wie nu de winkel is, kreeg – ik mag wel zeggen – nationale bekendheid dankzij zanger/dichter Hans Dorrestijn. Die bewoonde ooit een huis met een wilde tuin achter de bakkerij van Hak. Elke ochtend werd Dorrestijn met het water in de mond wakker van de geur van versgebakken brood. Daar schreef hij toen een lied over.
Er waren, op dat moment, geen klanten in de winkel. Jolanda stond achter de toonbank. Door de etalageruiten zag zij het gezelschap mannen en één vrouw naderen. Later vertelde ze me dat ze absoluut niet geschrokken was. Integendeel, haar eerste gedachte was dat haar patroon een prijs gewonnen had in de jaarlijkse wedstrijd van de warmste bakkers. Snel ritste zij nog de laatste kruimels van de vitrine op de toonbank.

De verwachting van Jolanda was wel begrijpelijk. Het brood van Hak is misschien wel eens een beetje saai, maar uitstekend van kwaliteit. Het gebak wordt zelfs gekocht door mensen uit het provinciestadje G. En sinds de komst van Jolanda is de winkel, het lijkt wel, veel fleuriger geworden. Het vorige meisje had nog wel eens de neiging kinderen van christelijke ouders wél een snoepje te geven en kinderen van niet-christelijke ouders niét. Daar is nu geen sprake meer van. Hak verdient een prijs.
Toen zag Jolanda hoe drie mannen zich voor de ruiten van de bakkerswinkel posteerden. De andere drie, die even somber en uitdrukkingsloos leken, openden de deur van de winkel en stelden zich na een korte groet strategisch op tegen de vitrine met het gebak en de schappen met beschuitrollen. Daarop kwam de rest van het gezelschap binnen.
De gebeurtenis heeft later grote opwinding in het dorp veroorzaakt. Overal vormden zich groepjes mensen die aanvankelijk ongelovig reageerden. Vooral toen de vrouw van rooie Willem
zich in de gesprekken mengde. Zij is een grote, zware vrouw, met een adembenemend snel oordeel over anderen. Ze leeft op bij narigheid en tumult. Als ze zich met de handen in de heupen in de steeg posteert, kan niemand meer om haar heen. Ze wordt een lopend vuurtje genoemd. Deze keer was haar verhaal echt. Het werd zelfs in de winkel van Jetty van Teuske verteld.
Plotseling herkende Jolanda de bezoeker die het laatst de winkel binnenkwam. Later zei ze me geen tijd te hebben gehad voor verbazing of zenuwen. Ze had hem zo vaak op de televisie gezien dat het leek alsof hij tot haar wereld behoorde.
`Do you speak English’, zei de man die omringd werd door de anderen vriendelijk. Ze beaamde het haastig. `Well’, vervolgde hij, mijn vrouw en ik zijn heel geïnteresseerd in het leven op het Nederlandse platteland (en dat natuurlijk in het Engels). `En vooral in bakkerswinkels, `we don’t have these kind of shops in Plains’.

`Well, mister Carter’, zei Jolanda, als ik u mag adviseren dan moet u vooral ons spijsbrood proberen.’ En ze toonde Jimmy Carter, de vroegere president van de Verenigde Staten, een groot gevuld krentenbrood. En ze legde hem uit hoe spijs wordt gemaakt van amandelen. Vervolgens vroeg ze met klem de voor Holland typische gevulde koeken te proberen. Carter vroeg onderwijl honderd uit over het brood, de bakker en de bakkerij. Snel glipte Jolanda naar achteren om de bakker op de hoogte te stellen van de klanten. Maar die geloofde het niet en zei gevat dat de paus gisteren nog geweest was.
Afijn, toen alles betaald was had Rosalynn nog twee dubbeltjes over. Ze waren, zei ze, van een Amerikaanse tentoonstelling in het Brfabantse Veldhoven op weg naar Schiphol. Wat kon ze met die twee dubbeltjes nog doen?
Daarop heeft Jolanda haar vier chocolaadjes gegeven in ruil voor de twintig cent.
Op dat moment hadden zich al groepjes nieuwsgierige mensen op het plein voor de winkel gevormd. De zes forsgebouwde mannen vormden een haag waardoor Rosalynn en Jimmy Carter snel naar de auto’s werden gebracht. Nog dagen daarna werd over hen gepraat.

Polderpers