Hoofdstuk 38 De snijbonen van de oude Gerrit
Op een dag zijn bij de oude Gerrit twintig staken met snijbonen gestolen. Hij had, vanuit zijn bedstee, wel wat rumoer gehoord, maar hij dacht dat het de koeien waren die met hun nek tegen de afrastering van zijn tuin schurkten.
Om half zeven in de morgen maakte hij zijn dagelijkse ronde door de moestuin, achter het witte huisje onder aan de dijk. Hij liep langzaam over het grindpad langs de rozenstruiken voorbij de vlierhaag.
Plotseling stond hij stil. Vol ontzetting zag hij voor zich afgerukte stengels en bladeren van de stokbonen. Dwars door de kroten en de peen, waarvan het lof plat op de grond lag, liep een spoor van geknakt groen, gebroken snijbonen en uitgetrokken stokken waartegen de bonen omhoog waren gegroeid.
De oude Gerrit die gewoonlijk te beschaafd is om te vloeken, vloekte nu hartgrondelijk. Woedend sloeg hij zijn stok tegen de grond toen hij de ravage overzag. In de muur van groen, die de omhoog klimmende stokbonen in de zomer waren gaan vormen, zat een groot gat. Overal verspreid vond hij twintig staken die uit de grond waren gerukt. De groene stengels waaraan trossen bonen hadden gehangen, waren er haastig afgeschoven en meegenomen. Misschien drie emmers vol. Weg.
De oude Gerrit liep zo snel hij kon naar het huisje van Daan. Opgewonden, hardop tegen zichzelf pratend, sjokte hij door de ochtendmist langs het paadje tussen de brandnetels onder aan de dijk en bonkte op de deur van Daan. Die was nog niet opgestaan. Eerst dacht hij dat Gerrit niet goed was geworden. Bonen stelen? Dat was nog nooit gebeurd. Je hoorde wel eens gekke verhalen van tuinders die hun land hebben vlakbij het provinciestadje G. Daar kwam het voor dat toen de aardappelen meer dan een gulden per kilo kostten, plotseling rijen aardappels uit de grond bleken te zijn gerooid. Er waren ook wel eens midden in de winter, toen de groente schaars en duur was, spruitenplanten meegenomen. Iedereen sprak daar schande over. Maar het gebeurde bij de stad, waar de mensen nauwelijks weten van de zorgen, het zweet en de emoties van de teler. Die de verbondenheid niet kennen tussen de grond, de man of de vrouw die de grond bewerkt en de vruchten die de aarde oplevert. Maar hier, in het dorp aan de rivier kwam zoiets toch niet voor?
Daan ging met Gerrit mee en zei dat die zich niet zo moest opwinden. Toen zag hij het ook. Verbijsterd schudde hij het hoofd. Ze hadden zoiets nog nooit meegemaakt. En Daan nam Gerrit bij de arm en zei: `Laten we eerst maar eens thee gaan drinken.’
Gerrit is er drie dagen ziek van geweest. Die gestolen bonen konden hem niks schelen. Hij is gewend die elk jaar te verdelen onder zijn buren en aan zijn werkster te geven die hem dagelijks om half twaalf z’n warme eten brengt. Gerrit was ziek om de woestheid waarmee de bonen uit de grond waren gerukt. Want die hoor je te plukken, op je knieën, voorzichtig zodat de bloesem van de bonen die nog moeten komen er niet afvalt. En snijbonen mag je pas plukken als ze 30, 35 centimeter lang zijn en die van Gerrit zijn altijd de langste.
Daarvoor was hij dagen in de weer. Hij heeft eerst het zaad verzameld, mooie gladde boontjes uitgezocht die het leggoed voor de nieuwe zomer zouden worden. Hij heeft die in een wit zakje gedaan, waarin hij vroeger het brood deed dat hij meenam naar de steenfabriek. Hij heeft dat zakje onder de bedstee gelegd, op een droge plaats waar het niet vriest en niet te warm wordt. Toen is hij in mei de grond, die in november al was gespit, klaar gaan maken. Hij is er met een hak doorheen gegaan en met een hark. Hij heeft de stokken gepunt, ze tien centimeter in de grond gedrukt, tegenover elkaar op een afstand van ongeveer zestig centimeter. Hij heeft ze bovenaan vastgebonden met een strotouw. Zo ontstond een lang, kaal geraamte van staken, dwarsstaken en nokstaken. Stevig, zodat ze – eenmaal volbeladen – een zomerstorm kunnen overleven.
Toen heeft Gerrit zijn witte zakje onder de bedstee vandaan gehaald en is hij op z’n knieën bij de staken gaan zitten. Om elke stok heeft hij vijf boontjes gelegd, op een diepte van ongeveer twee centimeter. Hij heeft er met zijn hand over gestreken en erop gespuwd want dan krijg je mooie bonen en Gerrit heeft altijd de mooiste bonen. Hij is tien dagen lang bezorgd geweest over de mollen, die de boontjes naar boven kunnen woelen. Hij heeft met emmers water gesjouwd om de grond vochtig te houden. Opeens verschenen witte puntjes rond de stokken, de bonen waren ontkiemd en langzaam werden het plantjes. Precies op tijd. Want een bonenplant mag nooit het meilicht zien, zei de oude Gerrit altijd. Toen die van hem opkwamen was het begin juni. Daarna heeft Gerrit ze uit de grond zitten kijken. Elke dag zat hij naast de stokken, uren lang en snoefde tegenover Daan dat die van hem al klommen, terwijl er nergens anders nog snijbonen uit de grond kwamen. De oude Gerrit voorspelde emmers vol bonen en de buren kochten kilo’s zout want snijbonen zijn het lekkerst uit het zout.
Op een nacht werd de oude Gerrit wreed in z’n droom gestoord.