Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars

Hoofdstuk 36 De prachtige oplichter Van Kasteele

Het is ongeveer drie jaar geleden dat ik hem ontmoette. Het moet laat in het voorjaar zijn geweest want ik herinner me nog dat het gele koolzaad en de rode klaprozen hoog in de berm van de weg stonden. Bij ons op het dorp aan de rivier worden de bermen laat gemaaid om de bloemen de kans te geven zaad te schieten, zodat ze het volgende seizoen opnieuw kunnen bloeien. Ik weet daarom nu zeker dat het begin juni moet zijn geweest.
Hij stond in de kant van de weg. Een grote, zware man van ongeveer vijftig jaar. Hij zag er een beetje morsig uit, maar niet sjofel. Met een grof maar vriendelijk gezicht. Een man die paste in het landschap. Ik vond hem meteen sympathiek. Hij had z’n linkerarm op een opvallende manier opgetrokken, alsof hij die in een mitella droeg. Met de duim van z’n rechterhand liet hij weten dat hij mee wilde rijden.
Het kan verbeelding zijn geweest na wat hij later vertelde, maar ik vond meteen dat hij naar vis rook. Hij stonk niet, hij had de geur van verse vis rondom zich – althans zo is m’n herinnering. Toen hij begon te praten viel op dat hij half Vlaams, half Nederlands sprak. Heel harmonieus en aangenaam om naar te luisteren. En ik kreeg er nog meer plezier in dat ik hem meegenomen had.
Hij heette Louis van de Kasteele en hij vertelde dat hij in De Panne woonde, in Vlaams België dicht bij de Franse grens. Voordat ik verder ga moet je weten dat ik van Vlamingen hou. Ik weet niet hoe dat komt, misschien omdat ik een paar aardige Vlamingen ontmoet heb. Ik vond Van de Kasteele nog aardiger. Hij was vrachtwagenchauffeur. Dat was bescheidenheid. Hij was – we waren toen al weer een paar kilometer verder – samen met zijn broer eigenaar van een klein transportbedrijf. Nou ja, klein. Ze hadden vier combinaties op de weg, koelwagens voor het vervoer van vis. Ze hadden bovendien een viskotter. Die lag in Denemarken, ergens in Jutland, maar de naam van de haven ben ik vergeten.

Ik vroeg en vroeg en Van Kasteele praatte. Over wat zo’n vrachtwagencombinatie wel niet kostte. Over de prachtige contracten die hij en z’n broer met Parijse visrestaurants hadden. Ik noemde een restaurant ergens in Montparnasse en echt waar, Van de Kasteele kende het, beschreef het en zei dat hij daar bijna dagelijks kwam. Want ’s morgens haalde hij met z’n combinatie de vis uit de kotter in Denemarken, reed in één ruk naar Parijs en ’s avonds aten de mensen daar zijn verse vis.
Maar, bedacht ik ineens, waarom zit Van de Kasteele hier naast mij? En niet in z’n vrachtauto? En wat was er toch met z’n linkerarm? Elke keer als ik een onbedachtzame manoeuvre maakte of de auto door een kuil reed, zag ik hoe Van de Kasteele naar z’n arm greep en hoorde ik z’n adem stokken alsof hij een pijnscheut door zich heen voelde gaan.
Toen vertelde Van de Kasteele hoe hem een klein accident was overkomen. Niet echt ernstig hoor. Een aanrijding, een klap tegen z’n borst, maar verder was alles goed. Z’n vrachtauto stond met zware schade op een parkeerterrein aan de rijksweg en hij had zelf veel last van z’n ribben. Eén keer had hij zelfs bloed gespuwd. En nu? Nu was Van de Kasteele op weg naar een plaats waar hij die avond of de volgende morgen z’n broer zou ontmoeten om met hem mee te rijden naar België. Gezamenlijk zouden ze dan later de oplegger ophalen van het parkeerterrein.
Vol bezorgdheid vroeg ik of dat wel verantwoord was. Was het niet beter als hij direct per trein naar België ging en zich onder doktersbehandeling zou laten stellen?
Van de Kasteele beaamde dat. Maar helaas. Door de aanrijding was de koelinstallatie van z’n vrachtwagencombinatie kapot geraakt en hij had – om de lading vis niet te laten bederven – al z’n geld moeten uitgeven aan accu’s om de koelinstallatie weer op gang te brengen. En Van de Kasteele vertelde verder. Hij was ontegenzeglijk opgewekt, iemand die z’n humeur niet liet bederven. Binnenkort, zo vertelde hij, bestond zijn bedrijf vijftig jaar. Hij zou mij – want we hadden een heel aardig gesprek – dan uitnodigen om dat jubileum mee te vieren. En toen ik m’n adres gaf, reageerde Van de Kasteele verbaasd. `Maar ik ken dat, ik rijd daar vaak in de weekeinden met mijn vrouw langs. De eerste keer dat ik weer kom, zal ik je diepvries volstoppen met tong en paling.’

Ik zal een lang verhaal kort maken. Voor we op de plaats van bestemming waren waar Van de Kasteele z’n broer zou ontmoeten, had ik hem honderd gulden aangeboden en naar het station gebracht. Die avond belde hij me op om te zeggen dat hij in het ziekenhuis was geweest en men hem daar een aantal dagen rust had voorgeschreven. Maar er was niets ernstigs aan de hand. Twee jaar later had ik nog steeds niets van Van de Kasteele gehoord. Op een dag kwam een vriend op bezoek. Hij vertelde me een mooi en aandoenlijk verhaal van een gestrande Belgische vrachtwagenchauffeur genaamd Van de Kasteele, die die nacht bij z’n buurman had gelogeerd. De man vervoerde vis en had een klein accident gehad en daarvan een zere linkerarm overgehouden.
Ik zei niets, alleen zoiets van `oh ja?’ en `goh, wat vervelend’. Twee maanden geleden vertelde een andere vriend hoe hij een lifter mee had genomen. Een Belg, eigenaar van een transportbedrijf, die z’n linkerarm pijnlijk had verwond. Hij had hem honderd gulden gegeven en afgezet op het station.
Een paar weken later stond er in het streekblad een groot verhaal: `Van de Kasteele slaat weer toe’. `De politie te G. heeft diverse meldingen gekregen van streekbewoners die zeggen te zijn opgelicht door een naar schatting vijftigjarige man met een Vlaams accent die…’
Ik behoorde niet tot die streekbewoners. Want eerlijk gezegd vind ik Van de Kasteele te fantastisch om een oplichter te kunnen zijn.

Polderpers