Hoofdstuk 34 De dood van de boom van Rutje
Nog nooit is de lente zó mooi geweest. Nog nooit is de lente zó mooi geweest. Omdat het lang koud en guur bleef, treuzelden de kers en de morel langer dan ooit. Elke dag bekeek ik ongeduldig de knoppen. Maar als ’s morgens vroeg de griend wit zag van de rijp, begreep ik waarom ze zich niet haastten.
Toen op een ochtend, geurde het buiten zoals het in maanden niet geroken had. En terwijl ik tussen de bessestruiken, door het natte gras, naar de bongerd liep zag ik bijna hoe de knoppen uitkwamen. Ineens zag ik de bloesem, smetteloos en teer. En een dag later stonden de pruimebomen in bloei. En nog een paar dagen later zag ik de bloemen van de perebomen. De dagen daarna waren roerloos en stil en de bloesem – die andere jaren acht of tien dagen bleef – hield het nu weken uit. Het was een mirakel. Ze stonden zelfs nog steeds in bloei, toen de knoppen van de goudreinet, de rode ster en de notariskinderen opengingen. Het was één wolk van bloemen. En ’s avonds klonk, in de gedempte stilte, de koekoek. Wie was het ook weer? Jacqueline van de Waals? die schreef en ik had het leven nooit zo lief gehad.
Maar misschien is het tragische van geluk wel dat het ongeluk in zich bergt. Want terwijl ik dit schrijf klinkt in de verte het snerpende en dreunende geluid van boomzagen en bulldozers. Ik berichtte al dat de dijkgraaf op oorlogspad was bij ons op het dorp aan de rivier. Ik moet je nu helaas berichten dat hij gewonnen heeft. Het voorjaar zal nooit meer zo mooi worden als het geweest is.
De dijkgraaf is de baas van de dijkstoel en hij gedraagt zich op dit ogenblik als een soort generaal. Een generaal is iemand die steeds om meer wapens, om moderner materiaal en méér raketten vraagt. Een dijkgraaf is iemand die steeds hogere dijken wil en die – net als de generaal – dreigt dat als de dijken niet hoog genoeg zijn het land in gevaar is. De aannemers, die graag werk willen, zeggen dat de dijkgraaf gelijk heeft. Rijkswaterstaat, die de baas is van alle rivieren en havens in Nederland, staat achter de dijkgraaf. En de minister, die graag de aannemers en Rijkswaterstaat tot vriend houdt, vindt alles wat ze voorstellen heel goed.
Een paar dagen geleden heeft de dijkgraaf order gegeven om de boom van Rutje te slopen. Ik weet dat `slopen’ heel cru klinkt, maar zo ging het ook. Rutje wás iemand. Hij stierf tien jaar geleden op hoge leeftijd langs de sloot onder z’n boom, toen hij bezig was paling schoon te maken. Rutje was een stroper. Rutje strikte snoek, Rutje was een prachtig mannetje dat alle veldwachters te slim af was. Hij woonde in een onooglijk huisje aan de buitenkant van de dijk met twee grote honden die altijd een nest met jongen hadden. Samen met de Gelzing, (zoals de oude Gerrit altijd werd genoemd), met wie hij tachtig jaar bevriend was, zwierf hij door de polder en niemand die hem iets maakte. Toen hij dood ging verviel z’n huis, maar de boom, waaronder hij moe van het stropen rustte, bleef. Honderd jaar oud, grillig gevormd met stakerige takken. Twee keer sloeg de bliksem in de stam, maar zelfs gekliefd bleef de boom overeind. Een monument van onverzettelijkheid, en de oude mensen van het dorp die voorbij gingen dachten aan Rutje. Maar dit voorjaar kwamen de bulldozers in de uiterwaard. Ze graven een diepe sleuf door het land waarin de nieuwe dijk moet worden opgeworpen. Die nieuwe dijk komt tot vlak bij de boom van Rutje, maar er was toch altijd nog een afstand van vijftien meter. De dijkgraaf vond het ongepast, een boom in de oude dijk bij de nieuwe dijk.
Vorige week kwamen de bulldozermachinist en de draglinemachinist en de vrachtwagenchauffeur van de aannemer die de nieuwe dijk aanlegt, voor de zoveelste dag naar hun werk bij ons op het dorp. Ze komen van ver en dat heeft de dijkstoel zo gewild. Want zo weten ze ook niets van de emoties van de mensen op het dorp, kennen ze niets van de geschiedenis en doen ze gevoelloos wat ze moeten doen. Zoals elke morgen parkeerden ze hun prachtig gepoetste auto’s bij de keet in de uiterwaarden – vooral niet onder de rij wilgen waar de auto’s misschien bedekt zouden worden met vogelpoep. Toen stapten ze in hun vreselijke machines. Eerst gingen een paar perebomen, nog vol bloesem, tegen de vlakte. Toen kwamen ze bij de boom van Rutje. In de ogen van de ene machinist kwam een vreemd licht. Hij mat de afstand en hij taxeerde de boom en vergeleek die met de kracht van zijn machine. Toen, verbeten, ging hij erop af. Een ketting om de stam. Het duurde maar even. Toen de boom viel braken de oude dikke takken en vormden een kruis over de sloot waar Rutje dood is gebleven.
Daan, die vorige week tweeëntachtig is geworden, was zo boos dat z’n verjaardag in stilte is gevierd.