Hoofdstuk 32 De dood van een buurman
Cor is dood. Hij is achtenzeventig jaar geworden. Hij bezat kind noch kraai. Alleen een nog oudere zuster. Ze woont acht kilometer verderop, maar de laatste dertig jaar hebben ze elkaar niet meer gezien. Er leeft ook nog een verre nicht. Die kwam wel eens zijn huisje aan de dijk opruimen. Op een gegeven moment bleef ze weg.
Echte vrienden had Cor niet. Er gingen wel regelmatig bezoekers over het grindpad langs de dijk naar beneden. Soms kwam er nog wel eens iemand terug. Meestal bleef het bij één keer en kwamen weer nieuwe bezoekers.
Om het maar meteen te zeggen, Cor was geen gemakkelijk mens. Hij trok mensen aan en stootte ze af. Hij prees ze de hemel in om ze de volgende dag bokkig voorbij te fietsen. Hij gaf hun grote gele en blauwe pruimen uit het boomgaardje onder de brem. Maar een week later liep hij ze stuurs voorbij. Cor had het er moeilijk mee. Hij was eenzaam. Hij wilde verschrikkelijk graag dat de mensen hem aardig vonden.
`Ze hebben veel met me op,’ zei hij altijd, als er weer nieuwe kennissen waren geweest. Maar een tijdje later bleek dat hij zich vergist had. Dan ging hij de dijk op en klampte voorbijgangers aan. Of hij ging op de bank zitten voor zijn grillig geverfd huisje, tussen de seringen en de gouden regen. Er waren altijd wel dagjesmensen die hem wilden fotograferen en zo werd weer een nieuw contact gelegd.
Al die jaren heeft Cor daar onderaan de dijk gewoond. In een huisje van drie bij vier, met een bedstee, een opkamertje met daaronder een kelder waarin de aardappelen voor de winter werden bewaard. Eerst met zijn vader en moeder, drie zusters en een ongelukkige broer. De kinderen sliepen boven, tussen de schuine balken. Wie het laatst de trapleer opkwam moest het luik naar de zolder sluiten. Zo ontstond ruimte voor een vijfde slaapplaats.
Later, toen Cor volwassen was, verhuisde hij naar een schuurtje in de boomgaard. Toen alleen nog zijn moeder over was, ging hij weer terug naar het zoldertje. Hij verdiende wat geld als griendwerker. Of hij kruide stenen in een schip dat aanlegde bij de steenfabriek. In de herfst raapte hij aardappelen bij de boeren in de polder, die hij altijd wantrouwend zou blijven begroeten. Eén keer werkte hij voor een aannemer en hij moest toen helemaal naar Slotervaart bij Amsterdam. Dat verhaal heeft hij honderden keren verteld. Toen zijn moeder stierf, verhuisde Cor nog één keer: hij sliep sindsdien in de bedstee.
Hij kon niet tegen alleen zijn maar hij was niet iemand om met een ander te leven. Een paar jaar geleden verkocht hij zijn huisje aan een varkensboer die veel zwart geld had verdiend met de vleeshandel. Cor had in het contract gedongen dat hij tot aan zijn dood in z’n dijkhuisje mocht blijven wonen. Hij was nu plotseling een rijk man. De rijkste man van de dijk.
Hij kocht een auto in de hoop daarmee vriendschappen met andere mensen te kunnen kopen. Cor had geen rijbewijs maar hij dacht dat er tientallen mensen op het dorp gereed zouden staan om hem te rijden. Wie zou dat niet willen, in zo’n glanzende auto met een stereo-installatie? Dat viel tegen. Eén keer reed iemand hem naar het concours waar de fanfare van het dorp aan de rivier de zoveelste eerste-prijs-met-lof behaalde. Daarna bleef de auto in de schuur staan. Alle chauffeurs hadden immers een eigen auto en Cor verkocht in arren moede de zijne.
Twee jaar geleden kreeg hij een beroerte. De oude Gerrit die vijfhonderd meter verder woont en al zevenentachtig is, sliep zes weken lang op de bank naast de bedstee van Cor. Hij waste hem, hij waakte bij hem en gaf hem te eten. Toen Cor weer een beetje kon lopen, stuurde hij de oude Gerrit zijn huis uit. Dat was niet mooi van hem. Maar ja, Cor was geen gemakkelijk mens.
Cor is na die beroerte nooit meer de oude geweest. Hij werd nóg eenzamer en klemde zich wanhopig vast aan mensen die hem kwamen bezoeken. Er waren nare, onaardige mensen bij. Die vroegen geld van Cor en hij gaf het als ze maar bleven komen. Hij veranderde zeker zes keer z’n testament. Soms werd er midden in de nacht een notaris ontboden om de paar duizend gulden die hij had op naam te laten zetten van weer nieuwe kennissen.
Ten slotte kon Cor niet meer in zijn huisje blijven. Soms viel hij en kon dan niet meer overeind komen. Eén keer werd hij gevonden aan de rand van de berm. Het was maar goed dat daar een haag van vlierstruiken stond, anders was hij naar beneden gerold tussen de brandnetels. Hij huilde hard en gierend toen de mensen zeiden dat hij nu echt niet meer alleen kon blijven. De mensen op het dorp en vooral de mensen aan de dijk, die willen thuis sterven. Cor wilde dat ook, maar echt, het was onverantwoord om hem daar te laten. Hij moest wel naar het bejaardenhuis.
Vorige week is hij overleden. De oude Gerrit is er vier dagen van overstuur geweest. Daan, die tussen het huisje van Cor en Gerrit in woont, heeft dagenlang last gehad van maag- en buikkrampen. Want als je oud bent grijpt de dood van een buurman je heel erg aan.