Hoofdstuk 30 Verstoorde rust
De avond daarvoor waren we nog nietsvermoedend door de waard gegaan. De zon zonk achter de steenfabriek in de rivier en kleurde de verte geel-rood. Het waren de laatste tien minuten van de dag, dat spannende moment als de zon steeds weer aarzelt of ze nu wel of niet onder zal gaan.
We liepen aan de buitenkant van de dijk door het landje van Kobus. Ik noem het altijd zo. Het is eigenlijk een stukje niemandsland met slootjes en peppels waar mesttanks en grasmaaiers niet kunnen komen. Vroeger joeg Kobus er jong vee in en zette er een bordje `Verboden toegang’ neer. Dat bordje staat er nog steeds, maar Kobus is al een jaar in een tehuis in de stad.
De natuur heerst er nu uitbundiger dan ooit. De Gelderse roos bloeit, er groeit haagwinde, bitterzoet, de grote engelwortel en ereprijs.
Die avond is de smeerwortel op z’n mooist, met rode en witte bloemen die ’s avonds opengaan en kelkjes vormen. Mark verwart de witte smeerwortel steeds weer met de dovenetel. Gretig trekt hij er de bloemen vanaf om ze uit te zuigen en zo leert hij het onderscheid. Want in plaats van een honingzoete substantie, proeft hij een bittere, vieze smaak. Ik waarschuw hem niet meer.
Het is een roerloze avond. We lopen, zo weinig mogelijk geluid makend, aan de rand van de hooiwei naar de put die al bijna geheel bedekt is met de gele plomp. Langs de kant staan dotterbloemen en de gele lis. Plotseling vliegt voor onze voeten een koppel patrijzen weg dat in het halfhoge gras beschutting heeft gezocht voor de nacht. De ouders maken veel misbaar en vliegen laag over het land om honderd meter verder te dalen. Klaar om terug te keren naar hun jongen. Die zijn hevig geschrokken, kunnen nog nauwelijks vliegen en maken zwalkende, levensgevaarlijke bewegingen boven ons hoofd. Mark laat zich vallen en roept dat hij het zielig vindt. Snel maken we ons uit de voeten en zien vanaf een afstand toe hoe de ouders zich weer met hun jongen verenigen en hen geruststellen.
Ik zeg tegen Mark dat we nog voorzichtiger moeten zijn. Op kousevoeten gaan we langs de sloot die de put met een rietkraag verbindt. Het is er doodstil, maar als we tot op twee meter genaderd zijn stijgt ineens een bruine wolk omhoog van honderden protesterende jonge spreeuwen. De wolk blijft hangen tot we voorbij zijn. Dan daalt de wolk weer neer in het riet en keert de stilte terug. Mark kijkt me fronsend aan, maar ik leg m’n vinger op zijn lippen.
Als het avond wordt, geven allerlei bloemen en planten pas echt hun geuren vrij. De watermint is het overweldigendst. Als je ertegen stoot lijkt de mint je te willen vangen met z’n geur. Mark legt een tikkeltje gepikeerd uit dat zelfs de bloemen op dit uur van de dag niet gestoord willen worden.
Door de griend, vol met broekeinden van door een boer doodgespoten knotwilgen, lopen we naar de grote put. Niemand kan daar komen omdat twee meter hoge brandnetels een ondoordringbaar scherm vormen. Daarom kan de purperreiger er broeden. Uit een pol weegbree aan het eind van het dammetje vliegt een eend omhoog. We schrikken zelf het hardst. Een eend vliegt toch al lomp en lui omhoog, maar deze maakt extra veel kabaal. We doorzoeken de omgeving rondom de weegbree en begrijpen waarom de eend zo kwaad reageerde. Op de grond liggen twee jonge eendjes, piepend van angst. Ze drukken zich tegen elkaar aan om bescherming te zoeken. Mark smelt eerst weg. Dan spreekt hij me op gedempte toon verwijtend toe. Ik zeg hem dat de moedereend heus wel weer terugkomt en ik mompel nog wat over dat dit nou echt genieten is. Maar Mark zegt dat we niet alleen aan onszelf moeten denken. Ik hou nog even vol. We lopen door het elzenbosje waar het al een beetje donker is. Ineens vliegt laag boven ons een koekoek, een jong beest nog, dat overrompeld is door onze komst. Het dier vliegt heen en weer, maakt kuchende geluiden en roept dan wel tien keer achter elkaar `koekoek’. Mark maakt zich nu echt kwaad en trekt me mee. Nu voel ik ook overal om me heen verwijtende, protesterende en misnoegde blikken van dieren die willen rusten.
We lopen over de kade die de buitenpolder van de waard scheidt terug naar huis. Het water in de rivier is de laatste dagen veel hoger geworden. Op de uiterwaard vormen zich hier en daar kleine plassen. Als we daar met onze laarzen tussendoor lopen worden we eensklaps belaagd door een kievit die recht boven ons een duikvlucht maakt en pas op het laatste moment naar rechts wegdrijft. Het beest herhaalt z’n aanval opnieuw en opnieuw. `Ik weet zeker,’ zeg ik tegen Mark, `dat hier in de omgeving een broedsel ligt.’ Hij dreigt weer te gaan ruziën, maar nu wint zijn nieuwsgierigheid het. Hij heeft nog nooit een nest jonge kieviten gezien. We hebben eerder gezocht, maar geen vogel is zo behendig in het misleiden van toeschouwers als kieviten.
Het is nog steeds niet helemaal donker. We trekken ons terug achter de zomerka en zien vanaf korte afstand – onopgemerkt door de kieviten – toe. Het mannetje vliegt nog steeds onrustig roepend boven de waard, maar na enige tijd waant hij zich alleen. Hij strijkt neer, daar waar het gras onder water staat. Wij turen onafgebroken over de waard. Dan stoot ik Mark aan. Misschien zestig meter verder, op een hoger gedeelte waar wat brandnetels staan, loopt aarzelend een tweede kievit. Dat moet het vrouwtje zijn. De vogel staat lang stil, komt vijf meter dichterbij, staat weer stil. Dat herhaalt zich. Ineens is de kievit verdwenen. `Het laatst,’ zeg ik tegen Mark, `zag ik haar lopen achter die drie hoge brandnetels.’ We staan op en lopen regelrecht op het herkenningsteken af. Als we tien meter gelopen hebben lijkt de mannetjeskievit zich woedend op ons te zullen storten. Ver weg stijgt de vrouwtjeskievit op. Mark wil er op af rennen maar ik zeg hem dat zij ons voor de gek wil houden. We moeten bij die drie brandnetels zijn. Nu vliegen beide kieviten boven ons. De woede heeft plaats gemaakt voor klagend geroep. Er is geen vogel die zo klaaglijk kan roepen als de kievit die ziet dat zijn listen niet werken. We lopen recht op het broedsel af. In een slordig kuiltje in het grasland liggen drie groen-bruine donzige kuikentjes, jonge kieviten. Zo aandoenlijk mooi. Maar boven ons snijdt het geroep van de ouder-kieviten als een mes door de ziel van Mark. Hij vindt het prachtig, maar wil weg. Nu.
De volgende morgen is het water in de rivier nog meer gestegen. De uiterwaard staat nu bijna helemaal onder. Als we ’s morgens op de dijk staan zien we twee kieviten, radeloos heen en weer vliegend boven de plaats waar gisteravond het broedsel lag maar waar nu water staat. In de vroege ochtend moet zich het drama hebben afgespeeld. Nog nooit heb ik kieviten zo smartelijk horen schreeuwen als deze morgen.