Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars

Hoofdstuk 29 Een lente vol verwondering

Het is mei en nog nooit heb ik zoveel fluitekruid gezien als dit jaar. Het staat meer dan een meter hoog op de helling van de dijk. In het weitje tussen de griend kun je je erin verschuilen. Een golvende, witte zee van bloesem die alles heeft overwoekerd. ’s Morgens als het flink heeft gedauwd, ruik je het. Het is niet echt lekker maar wel heel bijzonder. Een beetje, hoe zal ik het in eigen woorden zeggen, een beetje damstig.
Je moet er tussen staan om dat te begrijpen. Het heeft te maken met roerloze stilte, smetteloosheid, maar ook een wat drukkend gevoel door de geur.
Daan, die twee huizen verder woont, noemde het fluitekruid gisteravond `bocht’ en daar was ik een beetje boos over. Vroeger, vertelde hij, zag je het bijna niet omdat er veel eerder in het seizoen werd gezeisd. Daardoor kreeg het fluitekruid niet de kans zaad te schieten en kon het jaar erop niet weer opkomen. Maar tegenwoordig wordt er heel laat gemaaid. Daar heeft de wethouder van het dorp op aangedrongen en de dijkgraaf, die de baas is van de dijk, heeft naar hem geluisterd.
Elk jaar komt nu het fluitekruid uitbundiger op en elk jaar zijn de bermen mooier. Want onder het fluitekruid groeit bijvoorbeeld de judaspenning. Rode en paarse bloemen, die nauwelijks zonlicht zien maar heel goed gedijen. En het look-zonder-look, dat een beetje naar uien ruikt, bloeit ook met witte bloemetjes gewoon door.
Het fluitekruid staat er maar even. Eind mei is het weg, dan is de bloesem veranderd in een korrelige massa die verstuift over het land. Wat overblijft zijn grote gekerfde bladeren, die een beetje op kleine varens lijken. En natuurlijk de stengel, opgebouwd uit holle segmenten die onderaan het dikst zijn. Als je ze op de goede manier afsnijdt en er een kerfje in maakt, ontstaat een prachtige fluit, die een gedempt geluid maakt.

En zodra het fluitekruid verdwenen is, gaat de meidoorn bloeien. Hier en daar is hij al begonnen. Op stille avonden is de geur zo bedwelmend dat die je stil doet staan op de dijk. En als je geluk hebt en een late seringeboom treft met daar tegenover een vroege meidoorn – en bij ons op het dorp aan de rivier is dat mogelijk – dan is het wonder volmaakt. Die combinatie van geur is echt niet te beschrijven.
Deze lente is er weer een van verwondering. Op een dorp vijf kilometer verder heeft het de afgelopen winter zo hard en zo vreemd gevroren dat op een smalle stroom grond met een lengte van honderden meters alle vruchtbomen dood zijn gegaan. Er is geen blaadje aan gekomen. Aan de overkant van de rivier heeft het zo hard gehageld dat de bloesem van de appelbomen is geslagen. Maar hier hebben de morelleboom en de kerseboom nog nooit gebloeid. De pereboom, de pruimeboom en nu de appelbomen – die het laatst bloeien – gaan bijna gebukt onder de bloesem.
Lente op het dorp aan de rivier betekent broedse kippen, ritse geiten, tochtige koeien, loopse honden en krolse katten. Alles paart, werpt jongen of zit op eieren. Er zijn nu al vijf kippen broeds. Zodra ze dat nestgevoel krijgen veranderen de wildste kippen in tamme dieren. Ze vleien zich neer voor je voeten en ze wachten tot je ze oppakt, om op een nest met eieren te worden gezet. Vorige week kwam een vriend uit de grote stad op bezoek, die er vanzelfsprekend niks van begreep. Ik vertelde hem dat je niet elk ei onder een kip kan leggen. Die eieren moeten wèl bevrucht zijn.
`O ja?’ vroeg hij verbaasd. `Maar hoe weet je dat nou, of die eieren echt bevrucht zijn?’ En toen heb ik hem verteld van de haan die een koppel van acht, negen kippen om zich heeft. Elke dag bespringt een goede haan een paar van die kippen. De kip die door de haan besprongen is, krijgt eieren die bevrucht zijn. Als een broedse kip daar drie weken op gaat zitten, komen er kuikens uit.

Ik heb nu al drie nesten. De dieren hebben wel strikte normen. Er zijn in de griend drie ganzen. Dat zijn een mannetje (een gent) en een vrouwtje die al zes jaar een paar vormen. De derde gans is een dochter, voortgekomen uit een broedsel van twee jaar geleden. Ze zijn met z’n drieën onafscheidelijk maar de vader (de gent) weigert nadrukkelijk met de dochter te treeën – te paren. Dat doet hij wel met de moeder. Maar zowel de moeder als de dochter leggen eieren. In hetzelfde nest. Een deel van de eieren is wèl bevrucht, de andere helft niet. Dat kun je niet zien. Dat zal later duidelijk worden. Het is alleen een beetje sneu voor de gans die zich op het nest zet, daar dertig dagen op moet blijven zitten – want zo lang broedt een gans – en dan tot haar stomme verbazing merkt dat een heleboel eieren niet uitkomen.
Soms kun je de natuur een beetje naar je hand zetten. Aan de overkant van de dijk waar een strook niemandsland ligt met knotwilgen, sloten, tientallen wilde planten en hoog opschietende brandnetels, vond ik op een avond een nest met eendeëieren die nog warm waren en waarvan de moeder was weggevlucht toen ze me hoorde aankomen. Ik heb drie eieren uit dat nest weggenomen en die onder een broedende kip in het kippenhok gelegd. Na tien dagen waren er drie jonge eendjes. De kip gedroeg zich normaal en merkte geen verschil. Daarop heb ik de deur van het hok geopend en de kloek ging met drie eendekuikens naar buiten. Naast het weitje, buiten het hok, is een grote vijver. Wat ik voorzien had, gebeurde. De jonge eendjes stortten zich roekeloos in het water en nooit eerder heb ik een kip gezien die zo in paniek raakte. Het beest riep, kakelde, klokte, maar de eendjes kwamen niet. Woedend vloog de kip in mijn richting en klemde zich met poten en snavel aan m’n been vast. Met moeite kon ik haar van me afschudden.

Polderpers