Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars

Hoofdstuk 28 Alles hitst, gist, gonst en bronst

Al twee keer heb ik de laatste dagen de gans met de manke poot van de dood gered. Vier lentes geleden heeft ze om een onverklaarbare reden besloten haar rechterpoot tot hoog onder haar vleugel op te trekken en niet meer te gebruiken. Sindsdien hipt ze op één been door de griend.
Ik heb nooit begrepen waarom. De poot die ze verbergt is niet gebroken en zo op het oog onbeschadigd. Soms denk ik wel eens dat ze zich zelf met opzet verminkt heeft uit bedroefdheid om de dood van haar mannetje – vier lentes geleden. Je met weten dat een manke gans voortdurend evenwichtsproblemen heeft, waardoor het voor een gent vrijwel onmogelijk is met haar te paren (treeën noemen ze dat bij ganzen). Toen haar mannetje dood ging was er een andere gent die haar het hof maakte. Ze wilde niet, ze blies, gakte en wiekte woedend weg door de brandnetels. Maar de gent hield vol. Ten slotte trok de gans haar rechterpoot omhoog en vanaf dat moment werd ze met rust gelaten.
De gans werd ouder en zwakker. En deze lente is er een jonge gent die de oude wetten nog niet kent. Eerst achtervolgde hij de gans zo lang tot ze uitgeput in het gaas van de omheining hing en bijna was gestikt. De andere keer dreef hij haar in de poel en duwde haar kop, in een poging de gans te treeën, zolang in het water dat ze bijna verdronk. Ze zit nu alleen op een omheind stukje grond.
Ineens roept het leven op het dorp aan de rivier nieuwe zorgen op. Alles hitst, gist, gonst en bronst. In het kippenhok is een jonge haan door de oude haan van zijn kam beroofd en tot bloedens toe gepikt omdat hij de orde wilde doorbreken. En bij de buurman heeft een jonge stier zich losgerukt uit de stal en een nacht over de dijk gedwaald. De volgende ochtend werd het beest gevonden tussen de vetweiers van een boer in de polder, die nu overweegt een schadeclaim in te dienen. Want er waren tochtige koeien bij die nu vast en zeker bevrucht zijn.

Zorgeloos is het voorjaar niet. Elke ochtend weer ligt de dijk bezaaid met lijkjes van padden die de oversteek naar de put in de uiterwaard niet haalden. Een naar gezicht. Het is de tijd van de paddentrek.
Om die te zien moet je ’s avonds, als de duisternis valt en het buiten klam is of een beetje regent, naar de dijk komen. Dan komen ze met z’n honderden voorbij. Als je goed luistert hoor je het geschuifel in het gras. Ze komen overal vandaan. Uit de polder, uit de griend achter het huis waar ze in kuiltjes in de grond, in walkanten, onder boomstronken en stenen de winter hebben doorgebracht. Ze kennen feilloos hun weg. Ze gaan altijd terug naar de plaats waar ze zelf geboren zijn en waar ze zich steeds weer opnieuw voortplanten. Bij ons aan de dijk zijn dat een oude kleiput in de uiterwaard en sloten tussen grienden en weilanden. Daar zetten de wijfjes slierten met soms wel drieduizend eitjes af (kikkerdril). De mannetjes zorgen tijdens het leggen van die eitjes voor de bevruchting. En na dat paringsritueel keren ze terug. De vrouwtjes meteen. De mannetjes later. Maar een heleboel van die padden overleven de trek niet. Het gemeentebestuur van het dorp aan de rivier heeft op de dijk bordjes gezet met `paddentrek’ en elders is zelfs een comité opgericht dat `stop de paddenmoord’ heet. Maar ach, een pad is maar een pad, zegt de buschauffeur en geeft nog wat extra gas. Een spoor van platgereden padden achterlatend.
Het was winter, een paar jaar geleden. Ik had wat bomen geknot in de griend en wilde een oude stronk uitgraven om als brandhout te gebruiken. Ineens hoorde ik een schor, blazend geluid. Onder de stronk die ik optilde lag een pad zo groot als ik nog nooit gezien had. Het dier voelde zich duidelijk ongelukkig in het plotselinge daglicht en ik besloot de stronk terug te zetten om de pad zijn winterschuilplaats te laten behouden.

Een paar maanden later, toen de paddentrek was begonnen, zat op een avond een reuzenpad voor de drempel van de voordeur. Dat was niets ongewoons. Op het paadje naar de dijk schuifelen tientallen padden voorbij. Soms twee op elkaar, soms drie op elkaar. Dieren die een voorschot nemen op het paringsritueel dat vaak uren kan duren. (J. die onlangs op bezoek was vond dat een heel opwindend verhaal). Maar die reuzenpad voor de drempel had iets hardnekkigs. Hij bleef zitten, drie, vier dagen lang. Doodstil. Het enige wat gebeurde was dat zo nu en dan zijn tong naar buiten flitste om een insect te vangen – een pad eet per maand zo’n 2500 insecten op, een betere vliegenvanger bestaat niet. En de pad tuurde onafgebroken met zijn grote gouden ogen (echt waar, de ogen van een pad zijn heel mooi) naar ons, bewoners van het huis. ’s Avonds, als de andere padden passeerden, maakte het dier zacht monkelende geluiden. Maar het bleef op zijn plaats. Soms tilden we het dier op, en op een dag namen we het in huis. De pad bleef meer dan vier weken in de kamer. Toen ineens was het dier verdwenen. Ik denk nog steeds dat de pad onder de boomstronk en de pad die later in huis kwam een en dezelfde waren. Het merkwaardige is dat we de maanden na het bezoek van de pad geen vlieg of ander insect in huis hebben gehad. Dankbaarheid? Misschien dat we hem dit jaar weer terugzien.

Polderpers