Hoofdstuk 26 De verloren strijd om de trompetboom
De andere dag groeit de storm tot een orkaan. Angst is onder deze omstandigheden geen goed woord. Er is gevaar, maar dat is zo onbestemd. Terwijl buiten het tumult steeds groter wordt, groeit binnen de spanning. Een vreemd drukkend gevoel komt op vanuit m’n maag en gaat over in gejaagdheid. Ik kan niet meer blijven zitten. Ik loop door het huis en voel aan ramen en deuren of ze goed gesloten zijn. Ik klim de trap op naar de zolder en staar naar zwiepende takken die langs de daklijst schuren. Uit de oude es breekt dood hout dat over de pannen van de schuur naar beneden boldert. Nu zie ik voor het eerst hoe de dikke stam, die zo breed is dat twee kerels hem niet kunnen omvamen, heen en weer deint. Hoeveel veerkracht heeft hij nog na honderd jaar? Dakpannen worden opgetild en vallen weer terug. De houten spanten kraken. Van alle kanten wordt het huis nu belaagd. Het lijkt wel of de vier windrichtingen samenspannen. Nu eens uit de richting van de uiterwaarden, dan weer van de kant van de polder nadert het geraas. We zijn opgehouden met praten. Als er iets gezegd moet worden, wordt dat gedaan op fluistertoon. We luisteren in ontzag naar de geluiden buiten. En we hopen te horen dat de kracht het hoogtepunt voorbij is.
Om twee uur in de nacht kunnen we gaan slapen.
De andere ochtend, als het nog donker is, zie ik dat de pauwen uit de boom zijn gewaaid. De tak waarop ze elke nacht roesten is afgebroken. Nachtblind liggen ze uitgestrekt tegen de omgewaaide pruimenboom te wachten op het daglicht. Nu, in de duisternis, zijn ze nog weerloos. Als ik er één oppak maakt ze verbaasde, hoge, knorrende geluiden. De ganzen zwijgen alsof ze opnieuw een groot avontuur hebben beleefd. Het was de vierde storm in tien dagen.
Spoedig verneem ik van passanten op de dijk dat de dorpsdokter het verschrikkelijkst is gedupeerd. Hij woont aan het begin van het boveneind in een groot vierkant huis met een exotische tuin die grenst tot aan de dijk. Tegenover het doktershuis, aan de andere kant van de dijk, stond tot voor kort `Het Swaantje’, een oud café met een vermoeide waard die Simon heette. Simon hield ermee op. Het café werd afgebroken en misschien dat daardoor de storm vrij spel kreeg. In elk geval velde die op de avond toen de wind tot een orkaan groeide, de enige trompetboom van het dorp die in de tuin van de dokter stond.
De trompetboom, of de `catalpa’ zoals de oude Maarten Brons die elke boom kent hem noemt, was honderd jaar oud. Met een indrukwekkende kruin en een dicht bladerdek waartussen in het seizoen lange sigaarachtige vruchtdozen hingen met daarin bonen die je kon eten. En eerst, in de lente voor de vruchten kwamen waren er prachtige bloemen waarvoor het verkeer op de dijk stilhield. Die boom bestaat niet meer. Die boom heeft een geschiedenis. Kort geleden zijn daar nog allerlei feiten aan toegevoegd. En dáárover heerst op het dorp, hoe moet ik dat zeggen, een beetje leedvermaak. Dat is niet aardig tegenover de boom. Maar laat ik het over de dokter hebben.
Dokters op een dorp nemen, misschien is het toch beter om te zeggen namen, een voorname plaats in. Toen niemand nog iets wist, wist de dokter alles. Nu iedereen iets weet, is de glans van de dokter wat verbleekt. Er bestaan op het dorp legendarische verhalen over De Kruif, een dorpsdokter die vooral niet vormelijk was en de huizen van zijn patiënten betrad via de achterdeur. Als je de voordeur neemt ben je deftig. Oudere mensen herinneren zich dat De Kruif de deksels optilde van de pannen die op het vuur stonden om te zien wat er die dag gegeten werd. Dat was het toppunt van gewoonheid, daarmee was dokter één van hen. Soms at hij een aardappel mee van de schotel. En als de patiënten arm waren stuurde hij geen rekening. Maar boeren moesten soms het dubbele betalen. Hij reed met een koetsje langs de huizen. Misschien dat alle verhalen wat gekleurd zijn in de herinnering van de mensen maar De Kruif was een dokter die paste in het dorp aan de rivier.
Daarna kwam iemand van wie niemand meer iets weet. Toen vestigde zich weer een andere arts in het doktershuis, die de nieuwe eigenaar van de trompetboom werd. Zelf herinner ik hem de eerste week toen hij in het dorp woonde. Er werd een hoorzitting gehouden tegen de dijkverzwaring en wat me opviel was de voortvarendheid, of moet ik het luidruchtigheid noemen, waarmee de dokter zich meteen in de discussie mengde. Welzeker, hij stond aan de goede kant. Hij was tegen. Maar het leek wel of hij de enige was die over het vermogen beschikte het woord te voeren. De nieuwe dokter schafte zich vervolgens, hoewel alle wegen in de polder toch geasfalteerd zijn, een `four-wheel drive’ aan – een jeepmobile die onmisbaar is in de Sahara. Op sommige dagen zie je hem in rijlaarzen, met een dunne leren zweep, op een paard op de dijk voorbijkomen. En aan het eind van het jaar trekt hij een groen jagerscostuum aan, pakt de dubbelloops en mengt zich tussen de herenjagers die het plezierig vinden dieren te doden. Er is niemand die hem die geneugten ontzegt. Ik zou ook niet weten wie daarop jaloers zou kunnen zijn.
Toen kwam de polder met onzalige plannen. De nieuwe dijk zou precies de tuin doorsnijden van het doktershuis. Dat beloofde een ramp. Het polderdistrict zette een streep links, trok een bocht naar rechts. Tenslotte waren alle mogelijkheden uitgeput. De tuin moest voor een deel worden geofferd. De dokter voelde zijn bloed koken. Hij nan een adviseur, hij nam een advokaat, hij ging voor duizenden guldens rechten. Hij verloor. Er waren, vond de rechter, echt geen andere mogelijkheden. Misschien dat de trompetboom de ingreep van de polder zou overleven. Het district beloofde heel voorzichtig te zijn. Intussen belde Brons, die de trompetboom als zestig jaar kent en hem ook een beetje als zijn eigendom beschouwt, keer op keer bij de dokter aan met het verzoek de boom te mogen snoeien zodat die nog jaren zou kunnen blijven staan. `Hij vindt mij zeker een boerige man’, mopperde de hovenier. `Hij heeft mijn hulp niet nodig, hij heet z’n eigen adviseurs.’
Toen woei de storm door de open ruimte van de dijk waar vroeger `Het Swaantje’ stond. De trompetboom trilde, schudde en weerstond de eerste aanslagen. Daarop – het was al diep in de avond – zwol de storm tot orkaan. Langzaam helde de trompetboom over naar rechts. De grond tegen de dijk, waarin de wortels zich hadden vertakt, scheurde. De dreun werd tot honderden meters in de omtrek gehoord.
De oude Brons zei me nog dat hij voor minder dan tienduizend gulden de boom weer omhoog kon halen en met kabels zou kunnen vastzetten. De andere dag was er van de catalpa nog alleen haardhout over.