Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars

Hoofdstuk 25 Storm uit het westen

Als ik zeg dat het stormt, dan druk ik me heel ingehouden uit. Het raast. Het buldert. Het huis aan de dijk kreunt en kraakt en protesteert. De wind komt uit het westen. Dat is de gemeenste hoek.

Voor een storm uit het zuiden ben ik niet bang. Die komt met veel poeha over de rivier, ranselt de waard, treitert het griendhout dat diep buigt maar botst vervolgens tegen de dijk. Soms gaat dat gepaard met doffe, ploffende geluiden. Alsof het golven zijn die stuklopen tegen het basalt. De wind, woedend om het verzet, stuwt omhoog en gaat met een wijde boog over de dijk heen. Het huis ligt pal achter de dijk en is bovendien nederig gebouwd. De wind maakt zo’n wilde stijging dat hij pas veertig, vijftig meter achter het huis weer terugkomt op de aarde. Het huis staat daardoor in een aangename luwte. Ook als alles rondom ons ziedt en kolkt, is het in huis stil. Het lijkt wel een epicentrum. Zelfs voor een vliegende storm uit het zuiden maak ik me geen zorgen.

Eigenlijk deert een storm uit het noorden me evenmin. Hij komt wel met vreselijk veel kabaal over de polder op ons af. Hij wint wel in kracht boven het kale bouwland tussen Freek van het Hooge Land en de dijk. Maar plotseling wordt zijn vaart gestuit door hoge peppels. Door de zware kruinen van knotwilgen, door hoge jonge essen en linden die wel buigen maar weer overeind komen. En de kastanjes en de notenbomen zijn inmiddels al zo sterk dat ze de storm tarten. Een storm uit het noorden loopt onvermijdelijk stuk tegen de barrière die de griend vormt.

En een storm uit het oosten, nee die is geen partij voor de elzenrij die de ganzenwei omringt. En helemaal niet voor de tachtig jaar oude, knoestige waterwilg die Cor de Pruis ooit nog plantte en die nu een symbool van kracht en pracht vormt.

Maar voor een storm uit het westen ben ik, ik zal eerlijk zijn, eigenlijk een beetje bang. Die is onbetrouwbaar, ongeremd. Die komt over de dijk, over de berm, spookt langs schuren, zwiept over de grienden naast de berm en stort zich dan meedogenloos op het huis aan de dijk. Het lijkt wel of de storm van alle kanten het huis bedreigt. Hij boldert, hij bralt. De pannen schuiven onrustig heen en weer. Het dak beweegt echt. Binnen is het een leven als een oordeel.

Maar het bezorgdst ben ik die avonden en nachten altijd over de es. Ik ben dan net zo onrustig als de ganzen die opgewonden gakken in de griend. De es is honderd jaar oud. Met een stam die je met twee volwassenen kan omvamen. Met een kruin van sterke, dikke takken die wonderlijk evenwichtig zijn gegroeid zodat het uit de verte bijna een boeket lijkt. Voor mensen aan de overkant van de rivier is de boom een baken aan de andere kant. De es staat tussen de schuur en de dijk. Ik ken geen andere boom die zichzelf zo goed en mooi onderhoudt. Die zichzelf `schoont’ door zich elk seizoen van dood hout te ontdoen. Bij elke normale najaarsstorm breken de dode takken af en waaien tegen de dijk of komen soms ratelend neer tegen het huis. Daarom hebben dijkhuizen luiken voor de ramen die bij storm gesloten worden.

Bij een westerstorm loop ik soms naar buiten om de es moed in te spreken. De boom is dik en sterk maar zo onbeschut en zo kwetsbaar tegen die uit alle hoeken opkomende wind.

Gisteravond was de westerstorm weer zo kwaadaardig aan het tieren, dat ik zelfs Mark niet op de trap naar beneden hoorde komen. Het was half een. Hoewel ik altijd probeer mijn bezorgdheid voor mezelf te houden, is dat denk ik niet gelukt. Mark maakte zich ernstige zorgen over de es. Ik stelde hem gerust. Ik ben al bij de boom langs geweest, zei ik hem. Hij was nog maar voor de helft tevreden gesteld. Hij maakte zich ook zorgen over Sander. Sander slaapt aan de andere kant van de zolder – het dichtst bij de es. Het is natuurlijk waar dat als de es valt, het huis minstens voor de helft in de val meegenomen wordt. En de zolderkamer van Sander loopt dan het meest gevaar. Ik ben toen weer naar buiten gegaan en heb op de stam van de es bemoedigend m’n arm gelegd.

Daarop gebeurde een wonder. Plotseling zweeg de storm. De maan kwam boven de rivier door witte stapelwolken. De ganzen werden stil. Uit de griend in de uiterwaard hoorde ik het hoge geluid van een uil.

Polderpers