Hoofdstuk 24 Het einde van het huis van Gelzing
Vandaag is het huis van de Gelzing afgebroken. Een dragline trok eerste het klompenhok omver, toen de keuken en daarna het huis met het hoge spitse dak dat boven de dijk reikte. Het was een prachtig huis. Mensen kunnen tegenwoordig zoiets niet meer bouwen. Slank en sterk, bijna gevleid tegen de luwte van de dijk. Het was zo gebouwd dat het ontzag uitstraalde voor de wind en de storm die hier vrij spel hebben. Ik herinner me nog goed die novemberstorm toen bij de oven een schip op de oever reed, bomen ontworteld raakten, de pannen bij Thijs naar beneden ratelden en bij Daan het riet uit het dak woei. De andere ochtend liep de Gelzing zo trots als een pauw over de dijk en riep luid naar beneden: `Sterk, sterk, nog geen pan is verschoven.’
Nu de slopers het huis omver halen, krijg ik ineens een vreemd weemoedig gevoel. Ik moet denken aan de laatste weken van de Gelzing, toen die lag te sterven in de bedstee van het voorhuis. Wij als dijkbewoners hielden beurtelings de wacht. Op een nacht hoorde ik de Gelzing vanuit het diepst van zijn onderbewustzijn vertellen over zijn jeugd en passeerden fragmenten van zijn leven in de polder en aan de dijk. Later werd hij begraven naast Rutje die een huis had aan de overkant van de dijk. Dat bestaat al lang niet meer.
Vorig jaar zag ik ineens een foto van Koos van Zomeren, die prachtige boeken schrijft en jaren van zijn jeugd doorbracht in ditzelfde huis. Rutje was zijn oom. In het huis woonden z’n opa, tantes en Atje en Lin. De Gelzing was een wat onduidelijk familielid. Toen hij al diep in de tachtig was leed hij er nog onder dat hij nooit een vader had gekend. De Gelzing woonde eerst in een schuur naast het huis. Later toen de Kiene naar het dorp verhuisde mocht hij er wonen.
Koos zat, op de foto, met Rekel tegen de glooiing van de dijk tussen het fluitekruid met op de achtergrond het huis dat ik – omdat mijn herinneringen korter teruggaan – het huis van de Gelzing ben blijven noemen. Toen ik die foto zag, flitste ineen de herkenning op. Daar zat Rutje met zijn hond, klein, gebogen en slim zwijgend. De geschiedenis van het leven dat zich eindeloos herhaalt. Op de foto liep diagonaal het weggetje van het huis naar boven waarover in `Een jaar aan scherven’ staat: `Omhoog voerde het stoepje naar de weidsheid van de wereld. Je kromde je rug en zette voor elke stap stevig af. Weldra kreeg de wind vat op je haar, dan kwamen de ogen ter hoogte van het wegdek, dan was je boven. Altijd weer spannend om te zien wat er op de dijk te doen was, altijd weer de verrassing van het panorama. God wat een uitzicht, wat een vrijheid.’
Dat was de wereld van de Gelzing. Het huis met rondom perebomen en achter de polder. `s Winters strooide hij kolenas op het stoepje tegen de gladheid. In de zomer hakte hij met een mes de brandnetels en het fluitekruid weg die het stoepje dreigden te overwoekeren. Toen hij al heel oud was, klauterde hij nog op het dak om de vorst aan te smeren. Elke lente zag hij erop toe dat zijn huis werd gewit en elke scheur werd hersteld. En elke dag opnieuw genoot hij van de sensatie van de dijk, de uiterwaard en de rivier.
Toen ik vanmorgen de dragline het huis omver zag duwen, voelde ik plotseling een scheurend gevoel van verlatenheid.
De laatste jaren woonde in het huis een jong gezin met een eigenwijze man die niets van de polder en het leven aan de dijk begreep. Hij behandelde het huis oneerbiedig, zonder het te beschermen tegen verval. Toen hij zonder afscheid te nemen vertrok, viel het huis ten prooi aan vandalen. Gulzige voorbijgangers rukten de jonge boompjes uit de grond. Vreemdelingen sloopten de waterleiding weg. Dakpannen werden geroofd en stukgeslagen. Wat de hevigste storm nooit was gelukt, werd in een paar weken tijd veroorzaakt door vernielzucht van mensen die geen enkel benul van geschiedenis hebben.
En nu doen dijkverzwaarders de rest.