Hoofdstuk 23 Onheil
Het is een roerloze avond. Een enkele keer trekt een flauwe rimpeling door de hoge populieren tussen de griend en het masveld. Om de stilte niet te storen, maken de bladeren fluisterende geluiden. Misschien dat ik er de laatste dagen te weinig aandacht voor heb gehad. Ineens zie ik dat de zon op een vreemde plaats ondergaat. Het licht is ook anders. Fletse gele kleuren aan een wazige horizont. Boven de rivier komt een lichte nevel omhoog die zich uitbreidt over het land. Aan de draden van de honderden webben die spinnen in de jasmijn en de kamperfoelie hebben geweven, vormen zich kristallen van vocht. Soms klinkt een een roffelend geluid over de dakpannen van vallende appels uit de goureinettenboom. Vanaf de tafel in de griend zoeken de pauwen een geschikte tak om daar de nacht door te brengen. Terwijl ze naar boven kijken maken ze gekke, spastische bewegingen met hun hals en kop. Dan vliegt de hen omhoog, even later gevolgd door de jongen. Elke avond gaan ze vroeger roesten.
Ik zie niet alleen het verschil, ik voel het ook. Het najaar is begonnen. Hoe mooier en stiller de avonden zijn, hoe groter de melancholie over wat voorbij gaat. En dit najaar hóór ik bovendien het onheil dat zich in de verte aankondigt. In de bovenwaarden hebben nietsontziende slopers met bulldozers een honderdvijftig jaar oude boerderij vernield. Van drie arbeiderswoningen van de steenfabriek is niets meer te vinden. Aan de oude dijk stond een mooi wit huis, omringd door boomgaarden en een tuin met een moerbeiboom. Acht jaar geleden kwam er een zwaar invalide man wonen, met een pinnige vrouw die hard is geworden door de zorg om het bestaan. Er gebeurde een wonder. Onder de moerbei fleurde de man op. Hij overleefde tegen alle voorspellingen in. Hij telde de seizoenen. Toen stonden de slopers voor zijn deur. Nu woont de man in zo’n geordend en net wijkje dat de gemeente veelzeggend `een postzegelplan’ noemt. Op de plaats van zijn oude, mooie huis hebben vrachtauto’s tonnen zand gedumpt. Draglines en shovels die geen dag stil kunnen staan omdat ze de aannemer geld kosten, bouwen een dijk. Dwars door boomgaarden, grienden, de helft van het oude wiel. Ze werpen een meter grond langs de huizen aan de binnenkant. Een grillig gevormde tweehonderd jaar oude treurwilg kon niet meer ademen en is gestikt. De oude, verbouwde smederij aan de rand van het dorp is nu rondom ingesloten door de dijk. De bewoners hebben het huis verlaten. Het staat te koop maar wie wil een huis in deze woestenij?
In het Ambtmanshuis van het polderdistrict tekenen de tekenaars verder. De dijken moeten hoger en zwaarder want over vierduizend jaar, mischien over tienduizend jaar, kan het water zo hoog stijgen dat het over de oude dijk heengaat. Dan kan – maar niemand weet het zeker – een ramp gebeuren. Maar weten die tekenaars veel over de ramp die zij nu aanrichten? Over de mensen die zij uit hun huizen verjagen? Over oude bomen die generaties eerder plantten en nu respectloos worden omgehaald? Over wielen en putten waarin het puin van de beschaving wordt gestort?
De tekenaars doen slechts wat andere naamloze ambtenaren hebben gezegd dat ze moeten doen. De dijkgraaf kijkt over hun schouders mee en maant hen tot spoed. Want de vrachtauto’s,de draglines en de shovels van de aannemers zijn ongeduldig. Ze kosten geld.
En nu tekenen de tekenaars de plannen voor de benedenwaarden. Een noteboom heeft zeventien jaar nodig om vruchten voort te brengen. Hoe lang is het geleden dat ik die plantte? De schil om de noot geeft groen af en ruikt naar jodium. Dit seizoen zal ik voor het eerst misschien wel een doos vol noten hebben. Hoe lang duurt het voor een rode ster appelen draagt? Misschien bedraagt de opbrengst dit najaar wel een halve kist.
Ik denk aan lang geleden toen mijn grootvader de mooiste rode sterappelen voor me bewaarde. Hij poetste ze met zijn zakdoek tot ze bloosden en glommen. Ze smaakten rins en binnen hadden ze een rode nerf. Nu sta ik onder mijn eigen boom. Maar waarom ben ik zo somber?
Ik zie de noten en de sterappelen en denk aan de tekenaars.