Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars

Hoofdstuk 20 De roep van de roerdomp

Al een paar keer heb ik ’s nachts aan de overkant van de dijk een dof, klagend geluid gehoord. De eerste keer schrik ik hevig. Het is zo’n nacht waarin de duisternis volledig is en ik met m’n voet de grens tussen het wegdek en de helling moet aftasten om niet van de dijk te lopen. Het is een naargeestig, bijna melancholiek geluid dat van ver uit de uiterwaard komt. Even meen ik dat het een misthoorn is. Maar onmiddellijk verwerp ik die gedachte want het is niet mistig en op de rivier varen geen schepen.

Een paar nachten later, als ik langs het hoog opgestapelde rijshout loop, dat uit de griend naast het verlaat is gekapt, is het geluid plotseling heel dichtbij. Het is zo hard en zo doordringend dat ik kippevel voel. Misschien een tochtige vaars, probeer ik mezelf te overtuigen. Die kunnen soms wel een hele nacht luid en verlangend roepen om een stier. Maar het jonge vee, zo weet ik, staat nog binnen. Ik blijf geleund tegen de stapel hout staan en houd de adem in. Het geluid herhaalt zich, het lijkt nu wel op brullen. Dan klinkt geritsel en gekraak tussen het riet, enkele meters verder, en hoor ik het geklap en geruis van een dier dat zich uit de voeten maakt.

De dag daarop worden de nachtelijke ervaringen een beetje naar de achtergrond gedrongen. Elke lente verbazen de beesten in de griend achter het huis me weer door hun raadselachtig gedrag. Ze worden de laatste tijd steeds vrijpostiger en opdringeriger. De pauwevrouw, die vorig jaar nog stiekem haar eieren verborg onder de kleine klis aan de berm, heeft nu zes eieren gelegd in de voerbak van de schapestal. Ik ben nu wel gedwongen een afscheiding te maken, om te voorkomen dat de soms uitgelaten jaarlingen bovenop de broedende pauw springen.

Sinds een paar maanden huist een paartje kaapse eenden in de griend. Rare, sociale dieren die mooi zijn door hun lelijkheid. De woerd heeft rode lellen aan de kop en maakt, in plaats van te kwaken, een hijgend geluid. Als hij goed gehumeurd is slingert hij met zijn staart. De vrouwtjeseend heeft twaalf eieren gelegd in het kippehok. De kippen moeten daarom voorzichtig duidelijk worden gemaakt dat zij een nieuwe legplaats gaan zoeken. Anders eigent de broedende eend zich ook de verse eieren toe en komt er niets van het broedsel terecht.

De kaapse woerd voelt zich enigszins ontredderd, nu zijn vrouwtje besloten heeft vier weken in ascese op het nest te gaan zitten. Hij is nog zó hitsig, dat hij zich vergrijpt aan de jonge vrouwtjesgans. Langer dan een kwartier zit hij – alsmaar kwispelend met zijn staart – boven op haar in het water. Maar omdat de lijven niet voor elkaar bestemd zijn blijft de climax uit. Onvermoeid sjort de woerd aan de kop van de gans en drukt die onder water. Ik kan het niet langer aanzien. De gans dreigt te verzuipen. Ik haal ze uit elkaar.

Net als ik weer denk aan het mysterie van de afgelopen nacht betrap ik de ooievaar bij het nest van de ganzen. Al een paar dagen heb ik me gepijnigd afgevraagd hoe het toch komt dat elke keer weer het legsel van de ganzen verstoord wordt. Het nest ligt steeds uit elkaar, met schillen rondom en soms met half leegedronken eieren. Even heb ik de schuldige gezocht onder de eksters die hoog in de populier hun nest hebben. Misschien is het wel een egel. Zelfs heb ik de hond verdacht. Maar dat dier voelt zich altijd meteen schuldig en vertoont na elke escapade zo’n gereformeerd gedrag, dat ik het meteen aan haar gemerkt zou hebben. Verwonderd zie ik nu vanaf een afstand, hoe de ooievaar gratieus, bijna deinend, naar het nest beent dat zojuist verlaten is door de vrouwtjesgans. Dan zie ik hoe het dier met haar (want ik denk dat het een zij is omdat er voortdurend andere ooievaars neerstrijken die vervolgens door haar worden afgewezen) rode spitse snavel hakkende bewegingen maakt. Na misschien een minuut keert ze zich om en beent, onder een bijna hooghartig stilzwijgen, terug naar het weiland. Is dat de reden dat de ooievaar zich nu al maanden aan deze plaats hecht? Ik ren naar het huis en bel hijgend met S. die alles van vogels weet. Hij is stom verbaasd, heeft nog nooit gehoord dat ooievaars eieren leegdrinken maar acht het ook niet onmogelijk. Ik verkeer in hevige tweestrijd. Moet ik bescherming aanbrengen rondom het ganzenest? Tenslotte besluit ik niets te doen. Iedereen zal immers het vertrek van de ooievaar betreuren.

Dan, na al die zorgen van een dijkbewoner, herinner ik me weer dat eigenaardige, vérdragende geluid van de voorbije nacht. Ik moét het nu weten. Door de kale griend aan de buitenkant van de dijk, loop ik naar het hoog gestapelde rijshout. Daar, naast de kleiput waarin zwanen broeden en een fuut onderduikt, ligt het zompige, bijna onbetreedbare rietland. Hier heb ik het gekraak en geritsel gehoord. Behoedzaam buig ik het riet opzij en ineens zie ik haar staan aan de rand van de put. Met hoog opgetrokken schouders, groot en zwaar en in bruin camouflagepak. Ze weet zich niet bespied en staart ontspannen naar het water. Ik voel een vreemde vrolijkheid. Nu ken ik het geheim. Hier staat de roerdomp, of zoals Peer van de Oven die in de taal van de streek noemt, de domphoorn. Omdat zij het gedempte geluid maakt van de scheepshoorn. Terug na een periode van zeven jaar.

Langzaam treed ik terug en ren naar huis. Want ik ken nog maar al te goed de reacties toen ik jaren geleden, in een heldere maannacht in de besneeuwde polder achter het huis, tot tweekeer toe de sneeuwuil heb gezien. Het ongeloof, ja de meewarigheid – mischien was het wel jaloezie – die ik later onmoette bij mensen aan wie ik m’n ontdekking vertelde, wil ik niet nog eens meemaken. Thuis nodig ik H. dringend uit mij onmiddellijk te vergezellen naar de kleiput. Gelukkig beseft ze meteen het belang van haar getuigenis. We lopen snel door de griend naar het rietland, het laatste stukje op onze tenen. We buigen het riet opzij. Misschien iets te wild, want even mis ik de grote vogel. Dan stoot ik H. aan. Door het geluid dat we maken is de roerdomp razendsnel in paalhouding gaan staan. Ze staat daar strak en stijf midden in het riet, bijna één met het riet.

Weer voel ik die grote voldoening. H. is getuige. De roerdomp is terug.

Polderpers