Hoofdstuk 18 Een museum in de griend
Met enig feestelijk vertoon is op een mooie zaterdagmiddag in november onder aan de dijk `het museum voor stenen,schelpen, opgravingen en fossielen’ geopend. Mark, oprichter en directeur van het nieuwe museum, hield alles in eigen hand. Hij knipte zelf het tussen de afrasteringen van de schapenweiden gespannen lint door. Op een kleine verhoging onder de perebomen vertelde hij vervolgens over de geschiedenis van de schuur waarin het museum gevestigd is. En later serveerde hij limonade en thee met appelgebak aan zijn klasgenoten en de dijkbewoners die massaal de opening bijwoonden. De zon scheen bleek over de dijk. Hoog boven vlogen de eerste ganzen naar het zuiden. Het gras rondom het museum maakte knerpende geluiden omdat het licht was gaan vriezen.
Het museumgebouw, zo vertelde de directeur, heeft een rijk verleden. Ooit diende het als kleedlokaal voor de plaatselijke voetbalvereniging die een veld had in de uiterwaarden. Later was het een slaapvertrek voor een ongetrouwde buurman die het slecht kon vinden met zijn moeder en zusters. Nog maar een paar jaar geleden hield Kobus er kalkoenen en kippen in. Inmiddels is de ruimte schoongemaakt, geverfd en ingericht als museum. Langs de wanden zijn planken op schragen gelegd met honderden stenen en schelpen. In mooie, oude vitrines van oma die een winkel had, liggen mineralen, fossielen en pijpen uitgestald. Het ruikt er lekker en al die mooie oude dingen geven een spannend gevoel. Er zijn stenen uit Portugal, Denemarken, Algerije, Hawaii – zelfs uit Carthago waar Mark toen hij twee was zijn eerste vondst deed in een oude Punische haven dicht bij het paleis van president Bourguiba van Tunesië.
Na afloop had ik een kort gesprek met de directeur. De eerste vraag was natuurlijk: een museum? Hoe kom je op de idee?
De directeur:`Mijn opa die heet Ger, hij wil niet dat ik hem opa noem. Hij is de vader van mijn moeder, hij spaarde stenen. Ik vond ze steeds mooier worden en ik ging ze ook zelf zoeken. Eerst gewone stenen, van binnen bruin en van buiten wit. Later zocht ik steeds mooiere en vond ook kristallen in onderaardse grotten.’
Ga je die speciaal zoeken?
De directeur: `Bijvoorbeeld op het strand of langs beken in het buitenland. Ger heeft er heel veel in Frankrijk gevonden. Ik vraag ook anderen of ze willen uitkijken. Ik heb nu stenen uit misschien wel twintig landen.’
Waarom ga je die tentoonstellen, ik kan me indenken dat je ze in je kamer uitstalt. Maar een museum?
De directeur: `Ik heb niet zo’n grote kamer. Ik wil graag een museum om anderen te laten zien wat ik doe. Nou, eigenlijk doe ik het vooral omdat ik het zelf leuk vind. Het is een soort museum waar ik zelf graag naartoe ga.’
Als je iets ouds opgraaft, geeft dat je dan een spannend gevoel?
De directeur: `Ik vind het altijd leuk iets te vinden dat een mooie vorm heeft. Als je een pijpekop vindt ben je heel blij. Als je een pijpekop vindt met een vis erop of met letters of met Nederlandsch Indië dan vind ik dat verschrikkelijk leuk’.
Zo’n museum is wel een kostbare geschiedenis?
De directeur:`Het is heel leuk ja’.
Ik bedoel, duur. Jij bent nou directeur van een museum. Jouw collega’s klagen verschrikkelijk dat alles zoveel kost. Verwarmen, schoonhouden, rondleiden?
De directeur: `Je moet je voorstellen dat mijn museum niet zo groot is. Drie bij vier meter ongeveer. Ik heb er wat tafels ingezet en geverfd, dat is natuurlijk wel een beetje duur. Verder doe ik alles zelf. Ik onderhoud het, ik leid zelf rond en sorteer de stenen. Ik ben natuurlijk nog maar tien. Mijn moeder heeft gezegd dat als ik niet te veel winst maak ik geen belasting behoef te betalen’.
Heb je wel contact met andere musea?
De directeur: `Ik kom graag in Kröller-Muller, het Van Gogh-museum het het Stedelijk. Ik ben nog niet aangesloten bij de bond van musea maar dat ga ik nog doen. Dan kunnen de mensen op hun museumkaart ook bij mij komen. Jammer is dat ik net de schookrant gemist heb voor een stukje. Ik heb ook nog De Gecombineerde voor de opening gebeld maar alle journalisten waren met iets anders bezig’.
Ben ik misschien nog iets vergeten te vragen?
De directeur: `De toegang is een beetje moeilijk. Er staat een hek voor de schapen voor.Maar het is niet zo hoog en bovendien is er een klein poortje dat open kan’.