Hoofdstuk 16 Het geheim van Van Baalens land
Freek moet me dringend spreken. Zijn stem klinkt gejaagd. Hij praat in code, drie woorden voor een zin en een fluistering voor een woord. ‘Nee, nee’, haast hij gedempt, ‘ik kan dit beter niet telefonisch zeggen. Ik ben over tien minuten bij je.’
Buiten zie ik dat het najaar is begonnen. Tussen de wilgen, de jasmijn en de jeneverbessen hebben onbekende meesters ragfijne draden gespannen in een eindeloos herhalend patroon. En deze dag heeft voor het eerst de ochtendnevel kristallen van kondens achtergelaten op het ijle lijnenspel. Dit is het moment dat het ene seizoen roerloos overgaat in het andere.
Boven op de dijk kijkt Freek even schichtig om zich heen en komt dan op een drafje naar beneden.
‘Er is toch niks ernstigs Freek,’ vraag ik bezorgd.
Ik ken hem al lang. Hij is achter in de zestig, tenger en onopvallend. Altijd op z’n hoede, gereformeerd maar met mate. Een man die altijd een jongen is gebleven. Hij spreekt de taal van de streek, aarzelend en een beetje geheimzinnig. Jaren geleden liet hij me eens een bunzing zien, in de stam van een oude wilg in de polder. Dat was een gebaar van vertrouwen dat onder mensen aan de rivier ongeveer hetzelfde is als het aanbieden van vriendschap.
Hij heeft vijf zonen die allemaal op elkaar lijken: rossig, wild en vrijgevochten. De oudste heeft de boerderij in ’t veld overgenomen. Sindsdien woont Freek aan de dijk, loopt de koeien na en houdt een oog op Van Baalens land – een drassig stuk griendbos, met diepe sloten, brandnetels, bereklauwen en taaie lianen van hopplanten.
‘Ik heb nou toch zoiets raars meegemaakt,’ zegt Freek. Hij buigt zich naar me over en gaat op fluistertoon verder. Het kan niet missen, zegt hij. Hij heeft dezelfde planten zien staan bij de zoon van Janus die een stuk moestuin heeft aan de buitenkant van de dijk. En die jongen van Thijs heeft ze achter de stokken van de bonen staan. Het zijn precies dezelfde.
‘Echt,’ zeg ik verrast, ‘in Van Baalens land?’
‘Zomaar een strook van ik schat dertig bij twintig meter, zo groot als een groepstal,’ zegt Freek. ‘Ineens zag ik ze, misschien wel honderd planten. Zo hoog,’ en hij houdt zijn hand bij z’n kin.
‘Maar wat ik het ergst vind, is dat ze er acht peppels zo maar voor afgebroken hebben. Zo ja…,’ hij aarzelt, ‘zo harteloos. Wat denk je, moet ik naar de politie gaan?’
Ik raad het hem af: ‘Als die komt wordt er alleen nog maar meer vernield. Misschien spuiten ze de planten wel kapot, dat is nog slecht voor de grond ook.’ Ik bied aan zelf te gaan kijken.
Die middag loop ik het pad af tussen de grienden en het bouwland, naar Van Baalens land. Aan de ene kant wordt het begrensd door een bos van populieren dat tegen de dijk aanligt. Aan de andere kant is de oude vuilnisbelt van het dorp, waarop nu duizend bloemen bloeien. Je moet hier echt de weg kennen om het griendbos te vinden en binnen te dringen. Ineens herinner ik me hoe een paar nachten geleden een onbekende auto met gedoofde lichten dit pad afreed en halverwege tussen het mais stopte. Zou die…? Maar je controleert zo’n aanplant toch niet midden in de nacht?
Bij hoge stapels stoven van gerooide wilgen, begint een smal pad dat tussen manshoge brandnetels, winden en wilgeroosjes diep Van Baalens land binnengaat. Na een paar honderd meter en drie brede sloten bereik ik de grote ronde plek die Freek me gewezen heeft. En zowaar, daar staan ze. Zo’n honderd hoge, mooie hennepplanten, die zijn uitgezet in holtes in de klei. Rondom is het hout gesnoeid. Het is er warm en vochtig en de geur bedwelmt. Dit is het werk van een vakman. Ik neem tweemaal twee planten onder m’n armen en loop onopvallend terug. Ik merk dat ik waarachtig ineens de schichtigheid van Freek heb overgenomen. Ik ga terug en haal andermaal vier planten en herhaal dat. Later bel ik P., die verstand heeft van deze dingen. Hij arriveert een dag later in gezelschap van zijn vriend M. die een grote zolder heeft met lijnen en draden waar hij zijn hennep pleegt te drogen. Ze geven prijzend commentaar. Mooie vrouwtjesplanten, met vettige, pluizige bollen. De beste kwaliteit nederweed. En het is de hoogste tijd om te oogsten. Als de schemer valt, wijs ik de weg naar de plantage in het bos. Onderweg tellen P. en M. de grammen die ze op gaan halen. Ze beloven plechtig, er zal niet worden gehandeld.
In de verte lopen schimmen over het land richting vuilnisbelt. Ik krijg een onbestemd voorgevoel. Zijn we te laat of laat genoeg? Want helemaal vrede voel ik ook niet. We volgen het pad, stil en zwijgend. In de verte worden autolichten ontstoken en gedoofd. We besluiten door te gaan. Er klinkt geritsel en geluid van verdwijnende bezoekers. Op kousevoeten naderen we de open plek.
Er is niemand en er staat ook niets meer. Alleen kuilen in de grond en geknakte takken herinneren aan wat hier in het geheim gebeurde.
Ver weg, achter de vuilnisbelt, horen we het geluid van een snel optrekkende auto. Dan valt de nacht.