‘Hier op de foto’s is duidelijk te zien hoe die banken in de zee naar boven komen’ De afbraak van slikken en schorren in de Oosterschelde, het ontstaan van een nieuw wad en andere verrassingen voor Rijkswaterstaat (5)
Volgend jaar zijn de Deltawerken klaar. Meer veiligheid, minder verzilting. Technisch klopt het wel. Maar de ingenieurs verdienen een onvoldoende voor een aantal ontwikkelingen die zij niet voorzagen. Het alleronaangenaamste gevolg is de vervuiling van het Haringvliet Ruim tien jaar geleden nog een mooie, woeste rivier waar ik met een peur in één nacht een roeiboot vol paling uit de kreek haalde. En waar de platvis en de garnalen op de slikken voor het opscheppen lagen. Nu is het afgedamde bekken zo smerig dat de zware metalen en de kankerverwekkende chemische afvalstoffen misschien wel een groter gevaar vormen dan destijds het zout en de noordwester. De Rijn voert het gif aan. Voor 1970 werd het door het open Haringvliet afgevoerd naar de Noordzee. Sinds een dam en sluizen werden gebouwd, hoopt het zich op en wordt het Haringvliet een reusachtige gifbelt waarbij Lekkerkerk kinderwerk is.
Drs. J.P. Al is geochemicus, in dienst van de hoofdafdeling milieu en inrichting, zeg maar de milieudienst, van Rijkswaterstaat. Hij onthult: ‘Binnen Waterstaat zijn we al druk bezig te praten over onderwaterbodems als saneringsgebied. Op het land worden regelmatig stortplaatsen van chemisch afval gevonden en dat is voor de politiek lekker duidelijk, maar de bodemverontreiniging in sommige rivieren is minstens zo erg. Het is nog niet precies aangetoond wat de effecten daarvan zullen zijn op het ecosysteem, maar wel duidelijk is dat de paling in het Hollands Diep en het Haringvliet hoge concentraties van pcb’s (kankerverwekkende gechloreerde afvalstoffen) bevat. ‘Naast pcb’s is het Haringvliet verzamelplaats geworden van zware metalen: koper, chroom, lood, cadmium en nikkel. Al: ‘Normaal duurt het tienduizend jaar voor je de onaangename gevolgen in water merkt van zware metalen, in het Haringvliet heeft het tien jaar geduurd. Je ziet die zwarte metalen gewoon oplopen, de gehaltes nemen elk jaar boemboem toe. In tien jaar tijd is de concentratie in het Haringvliet even hoog als in de Rijn zelf. Voor de Noordzee is het een voordeel dat het vuile Rijnslib niet meer daar terechtkomt, voor het bekken is de situatie verontrustend, en elk jaar worden de concentraties nog hoger’. Al verwacht dat als straks de Oesterdam en de Philipsdam klaar zijn het dan ontstane Volkerakmeer en het Zoommeer (ten westen van Bergen op Zoom waar nu het Tholense Gat ligt) hetzelfde lot als het Haringsvliet zullen treffen. ‘Ik ben bang dat de hoeveelheid pcb’s in het Zoommeer heel snel even hoog zal zijn. Het enige wat we kunnen doen, is meten en blijven roepen tegen onze buren en tegen onszelf dat we moeten stoppen met lozingen van giftige stoffen’. Hij erkent: ‘We hebben nooit kunnen voorzien dat de vervuiling zo snel zou gaan. Lange tijd hebben we trouwens ook verkeerd gemeten om dat de analyse- en monstertechnieken niet deugden.’
Maar is het niet mogelijk het Haringvliet veelvuldiger door te spoelen via het openzetten van de sluizen? Al zegt: ‘ Dat maakt niets meer uit, als het slib van de Rijn sedimenteert en het de kans krijgt vast te plakken helpt stroming niet meer.’
Een andere verrassing voor de ingenieurs was de ontwikkeling van het Grevelingenmeer tussen Goeree -Overflakkee en Schouwen-Duivenland. Iedereen dacht, zegt Al, dat het daar een ‘puinhoop’ zou worden. Maar zie, er voltrok zich een mirakel. Het meer bleef (dankzij een inderhaast gebouwde spuisluis) zout. Oesters en mosselen gedijen er nog steeds. Wat dat betreft is het onnodig geweest, zoals voor1970 gebeurde, om de eigenaars van oester- en mosselenvelden uit te kopen. Maar de onwetendheid is nog steeds groot. Al: ‘Waar we ons over verbazen is dat in de Grevelingen elke zomer opnieuw de fosfaten tot ongekende hoogte stijgen. Maar het gekke is dat er geen alg te zien is. Dat komt omdat er geen stikstof is. Waardoor het gebeurt weet niemand, het zal wel een onbekende bacterie zijn, maar het blijkt dat de stikstof die uit de lucht in de Grevelingen komt vanzelf nul wordt. Hoe lang zal dat zo blijven? Het kan dat ineens een tijdbommetje ontploft, dat er plotseling een alg ontstaat die stikstof kan binden. Dan wordt het gevaarlijk.
En zo zijn er meer dreigende gevolgen van het Deltaplan waarvan niemand nog weet heeft. Het is zeker dat de haven van Stellendam, waar een vissersvloot ligt van vijfenvijftig schepen, aan het dichtslibben is. De oorzaak is de veranderende stroming in de monding van het Haringvliet. Door regelmatig te baggeren wordt de vaargeul nu nog op vier meter diepte gehouden. Binnen Rijkswaterstaat is al een discussie gevoerd om het project maar als verloren te beschouwen omdat het in de toekomst steeds moeilijker zal worden de haventoegang open te houden. De gemeente Goedereede heeft zich intussen tot de kamercommissie gewend voor garanties dat de havengeul openblijft en Rijkswaterstaat zijn verplichtingen zal na blijven komen.
De ooit om zijn prachtige begroeiing vermaarde Beningerwaarden en de Korendijkse slikken (daar waar het Spui uitkomt in het Haringvliet) brokkelen langzaam af door de veranderde golfslag. In de Grevelingen zijn alle platen (zandige en slibrijke, soms schaars begroeide banken in de rivier) in het steen gezet om ze te beschermen tegen de ondergang. De angst voor oeverafslag en dijkval is voortdurend aanwezig.
En heeft het misschien met de Deltawerken te maken dat het de laatste tien jaar elk regenseizoen hoog water is in het rivierengebied? Volgens overlevering is het tussen 1950 en 1970 één keer voorgekomen dat het water tegen de dijk reed. Sinds omstreeks 1970 het Haringvliet werd afgesloten en de sluizen gingen fungeren als de waterkraan van Nederland is het elk jaar raak. En mede daardoor worden nu voor één miljard gulden de dijken in het rivierengebied verhoogd. Ik ben geen ingenieur tegengekomen, tijdens mijn rondgang door de Deltadienst, die me met stelligheid op die vraag kon antwoorden.
De laatste verrassing is de vorming van een geheel nieuw wad voor de Zeeuwse kust. De zogenaamde voordelta. Weer een wonder waar niemand op gerekend had. Deze week deel vijf over de Deltawerken. Een bezoek aan de slikken van de Oosterschelde.
De verwachting is, dat er in de nabije toekomst in Zuidwest-Nederland een serie kustparallelle zandbanken, eventueel eilanden met daarachter een wadachtig gebied ontstaan, ‘schreef morfoloog Hohsiek naar aanleiding van ontwikkelingen in het milieu nu de Deltawerken in een vergevorderd stadium zijn. Een grote verrassing. Maar deskundigen verwachten er nog meer…..
De ‘Zeetijger’ is een oude verveloze sleper. In het vooronder stinkt het naar diesel en naar erwtensoep, die in een grote pan op een vastgebonden gaskomfoortje staat te koken. Het is twintig minuten varen vanuit de haven van Kats op Noord-Beveland naar het midden van de Oosterschelde. Daar valt de sleper stil. De laatste meters moeten in lieslaarzen door bijna een meter hoog water worden afgelegd. Dan sta ik op een van de grootste slikken in de rivier, land dat een uur geleden nog water was en over een paar uur weer door de vloed zal worden overspoeld.
Dit is Vondelingsplaat in het midden van niets. Dit zou de tweede dag uit het verhaal van Genesis kunnen zijn: en er was land. Het is dood tij en de plaat is nu op zijn grootst, tien kilometer lang en drie kilometer breed. Een kale vlakte zo ver het oog reikt, maar vol leven. In het slib en de zandribbels van de plaat trekken kruipertjes, slijkgarnalen, wadslakjes en zeeduizendpootjes vermicelliachtige sporen. Ineens zijn ze overal. Wadpieren boren kleine gaatjes in de bodem en laten cocons na van slijmsporen die ze afscheiden bij het ingraven. Ongeveer vijftig meter verderop – en die afstand zal tijdens de wandeling over het slik zo groot blijven – duizenden, nee tienduizenden steltlopers. De scholeksters, de bonte strandlopers en de meeuwen domineren. De dag is mooi, de lucht licht en het vergezicht oneindig. De horizont meet 380 graden, met van links naar rechts het Keeten, Stavenisse schuilgaand achter populierenbosjes, de slikken van de Dortsman, het silhouet van de kerktoren van Yerseke , Wemeldinge, Kattendijke, de jachthaven van Kats en tenslotte de Zeelandbrug die wit oplicht boven de Oosterschelde.
Mijn begeleider is drs. L.H.M. Hohsiek, morfoloog van beroep, in dienst van de Deltadienst, waar hij, zeg maar, het gedrag van de bodem en het aanslibben en afkalven van platen, schorren en slikken bestudeerd. Een jonge, nog enthousiaste ambtenaar die me bij onze ontmoeting in Kats al van ver toeriep dat zijn theorie bevestigd is. En triomfantelijk toonde hij me luchtfoto’s van zijn jongste ontdekking. Acht tot tien kilometer voor de Zeeuwse kust, waar de Deltawerken zijn uitgevoerd, is een nieuw wad aan het ontstaan. Als gevolg van de verandering van de stroming – die vroeger de zeegaten in- en uitging en de zeebodem uitschuurde – vormt zich een nieuw milieu. Het beste kan het misschien zo omschreven worden: omdat de stroomsnelheid voor de kust is afgenomen krijgt slib en zand de kans zich af te zetten op de bodem van de zee. Of, in de woorden van Hohsiek, ‘het sedimenttransport is toegenomen’. Hij vervolgt: ‘Omdat de stroming is stilgezet, is ook de golfwerking anders geworden en worden er banken opgebouwd. Het is allemaal nog speculatief, maar als volgend jaar de dorpelbalken in de stormvloedkering gaan en de stroming nog verder wordt afgeremd, kan dat versneld gaan werken. Hier op de foto’s is al heel duidelijk te zien hoe die banken in de zee naar boven komen. Ik denk dat achter die banken zich een wadachtig milieu gaat ontwikkelen, een nieuw lagune
Systeem.
De vorming van het wad is misschien wel dé grootste verrassing voor Rijkswaterstaat. Goed, er waren enige vermoedens. Er was het voorbeeld van de Hinderplaat, die zich revolutionair ontwikkelde als gevolg van de aanleg van de maasvlakte. Dat zou ook weleens voor de Zeeuwse kust kunnen gebeuren, maar dat zou – bedachten de ingenieurs – nog wel tweehonderd of misschien wel driehonderd jaar duren. Maar Kohsiek geloofde daar niet in. Afgelopen zomer ontdekte hij dat voor de Grevelingen hetzelfde gebeurt als bij de Maasvlakte gebeurde. En nu heeft hij vastgesteld dat de zeebodem voor de andere Zeeuwse gebieden in tien jaar tijd met drie meter omhooggekomen is. In de literatuur voor vakgenoten heeft Kohsiek het inmiddels zo beschreven: ‘Een realistisch beeld voor de toekomstige situatie is dat zich in de loop van tien à vijftig jaar (de recentste ontdekkingen geven aan dat dit nog veel eerder kan gebeuren – RvM) uitgebreide langgerekte intertijdegebieden of eilanden op enkele tot tien kilometer buiten de huidige kustlijn gaan ontstaan (…) de verwachting is dat er in de nabije toekomst in zuidwest-Nederland een serie kustparallelle zandbanken, eventueel eilanden met daarachter een wadachtig gebied ontstaan.’
Is dat nu goed of slecht nieuws? Vraag ik Kohsiek. We praten over het plan-Waterman, dat een nieuw (industrie-) eiland voor de kust van Zuid-Holland beoogt en dat we beiden als onzalig kwalificeren. Zal er nu niet misschien een commercieel genie opstaan die zegt: waarom zo veel geld uitgeven voor een eiland voor de kust van Hoek van Holland als voor Zeeland uit zichzelf een eiland naar boven komt? ‘Ik hoop van niet,’ zegt de morfoloog. En wat gebeurt er met de huidige Zeeuwse kust en de Zeeuwse stranden als er een nieuw gebied ontstaat? Kohsiek: ‘Als je achter die nieuwe eilanden een natte duinvallei wilt bewaren, zal je daarvoor beschermende maatregelen moeten nemen.’ Moet je, kortom, de natuur haar gang laten gaan? De morfoloog: “Ik denk van wel, maar moet je er ook helm gaan aanplanten waardoor nieuwe duinen ontstaan? Moet je het stimuleren? Op dat gebied ben ik niet de aurtoriteit.’
De wind die van over het water komt is ijl en weldadig. We lopen nu over het midden van de plaat en zakken soms tot de knieën weg in mossel- en kokkelbanken. Ik tel tweeduizend kokkels, eetbare schelpdiertjes, per vierkante meter. Er moeten er hier miljoenen en miljoenen liggen. Meeuwen en andere steltlopers doen zich tegoed aan oesters en zeesterren, die weer kokkels eten. De morfoloog is somber gestemd over de toekomst. Hij praat over het moment dat de dorpelbalken in de stormvloedkering worden geplaatst – volgend jaar en de laatste in 1986 – en de getijstroming met veertig procent zal afnemen. Wat zal er bijvoorbeeld van de mosselbanken in de Oosterschelde overblijven? Mosselen voeden zich met het zoute zeewater, ze filteren het water, krijgen slib en zand binnen dat aan het voedsel kleeft en poepen dat vervolgens uit. Daardoor ontstaan bulten op de platen die – als er niets zou gebeuren – binnen een aantal maanden een halve meter hoog kunnen worden. Als de eb- en vloedstroom zou wegvallen, zouden de mossels tenslotte in het uitgepoepte slib stikken. Nu wordt het slib voor een deel door de stroming meegenomen, een ander deel verdwijnt door de golfwerking en de rest wordt met karren weggehaald door mosselvissers. Dat gebeurt met name op de verwaterplaatsen voor de kust van Yerseke. Daar is het mosselcentrum van Nederland, waar per jaar voor honderdvijftig miljoen gulden omgaat. Straks gaat het minder hard stromen, wordt het getijverschil bij Yerseke tachtig centimeter tot een meter minder. Zullen de verwaterplaatsen in tact blijven en zullen de miljoenen mossels hier op de Vondelingsplaat overleven? Of gaat alles verslibben? Er is niemand die daar met zekerheid uitspraken over durft te doen.
Ik herinner me het gesprek met de geochemicus drs. J.P. Al. Hij vertelde over een congres dat hij vorig jaar bijwoonde over grote kustwerken in de wereld. Een professor uit India hield een lezing over een fabriek van pesticiden die midden in een landbouwgebied in zijn land is gebouwd. En naast dat bedrijf aan de Ganges staat een fosfaatfabriek. Heel de streek is vergiftigd, de garnalenvissers werden brodeloos. Al: ‘Ik zag een dia met een schip waarvan ik dacht dat het op het land lag. Maar het was geen land, het was een meer dat door de vele fosfaattoevoegingen aan het land eromheen helemaal dicht was gegroeid. Op zo’n moment denk je: nou, we zijn in de Oosterschelde wel erg sophisticated bezig! Maar aan de andere kant, je begrijpt ook wel dat wij het hier op de milieudienst niet zo gemakkelijk hebben. Wij komen hier met vage verhalen over bodemdieren die doodgaan, en de civielen hebben harde rekensommen, en dan is het weleens moeilijk om een evenwicht te vinden.
Want sophisticated of niet, ook in de Oosterschelde zal veel verloren gaan. De slikken zullen, na aanleg van de Oesterdam en de Philipsdam, teruglopen van 22.000 tot 10.000 hectare. De schorren, hoger gelegen randgebieden die af en toe overspoeld worden door water, met een fijn vertakt geulen- en krekenstelsel en een wonderlijke vegetatie, zullen straks nog een totale oppervlakte hebben van zeshonderd hectare. Het is bovendien de vraag wat ervan overblijft. Zullen het Engelse slijkgras en zeeaster zich wel laten verdringen door de unieke plantengemeenschappen van de schorren die zich door de verandering van het getij willen verplaatsen? Koshiek zegt: ‘Toen met de bouw van de stormvloedkering werd begonnen , gingen we er nog van uit dat er schorren bij zouden komen. Dat is niet uitgekomen. Van de tweeduizend hectaren zullen er zeshonderd overblijven. In het algemeen, vrees ik, zal er alleen maar sprake van achteruitgang zijn. Dat geldt ook voor de platen en slikken. Door de verandering van stroming gaan de golven langer branden.
Dat heeft tot gevolg dat de platen gaan eroderen. Stel je nu eens voor dat hier van de Vondelingsplaat en de Galgeplaat, een eindje verderop, per jaar twintig meter afbrokkelt, dan betekent dat per jaar een verlies van zestien hectare. In de Grevelingen hebben we op een gegeven moment alle platen met basaltsteen omgrensd als bescherming, maar dat kan hier in de Oosterschelde niet. Maar als het hard gaat met de afbraak van de slikken en de schorren dan zal het misschien nodig worden om drijvende oeververdedigingen te maken van bijvoorbeeld wier- of mosselvelden.
Ook met de stormvloedkering van acht miljard zal de Oosterschelde een zorgenkind blijven en zullen jaarlijks miljoenen nodig zijn voor onderhoud van het milieu. Hoe houdt Zeeland de commercie en de recreatie uit het natuurgebied? Dat is zorg voor gedeputeerde mr. J.P. Boersma, voorzitter van de stuurgroep Oosterschelde. Hij zegt:
‘Als je ervan uitgaat dat er niks mag, dan gebeurt er toch al genoeg. In het algemeen vind ik dat we het gebied niet moeten openleggen voor recreanten. Je moet consequent zijn , en dat betekent altijd een rot verhaal houden en zeggen: het mag niet. We hebben voorlopig de economische situatie mee, er is weinig of geen druk van het bedrijfsleven. Bovendien hebben we de ontwikkeling zelf in de hand. Toen de stuurgroep Oosterschelde
werd opgericht, hebben we gezegd: kom maar op met je plannen, maar wij gaan die toetsen. Het rijk was daar boos over, maar wij hebben voet bij stuk gehouden. Wij in Zeeland beoordelen zelf wat kan en niet kan’.
In de monding van de Oosterschelde blijft het werkeiland Neeltje Jans intact. Een gebied van alles bij elkaar een kleine driehonderd hectare, doorsneden met wegen en aan de kant van de Noordzee voorzien van stranden. Er is al een plan om er een pretpark te vestigen, met golfbaan, hotels, een camping met oeverrecreatie. Het ziet ernaar uit dat het op de instemming van niemand kan rekenen. Er is ook de idee om er een centrum van maricultuur te vestigen waar sportieve vissers tegen betaling op forel en zalmforel mogen vissen. Meteen wordt dan al gedacht aan een visspecialiteitenrestaurant annex speeltuin langs de werkhavens die als visbekkens zouden moeten ingericht. Ook daar is Boersma niet enthousiast over. Hij denkt wel aan een ‘educatief project’. Misschien een ‘water-evoluon’, misschien ook wel iets op gebied van de visserij.
De zon gaat nu bloedrood onder achter het kerkdorp Wemeldinge. De vloed komt opzetten en de plaat wordt nu snel kleiner. Bij hoogwater zal hier op het hoogse punt minstens een meter water staan. In de verte vaart de ‘Zeetijger’ de haven van Kats binnen met personeel van het werkeiland dat naar huis gaat. Kohsiek stelt zichzelf en de verslaggever gerust. Als de kapitein van de sleper ons vergeet kunnen we altijd nog in het houten meetstation, op vier ijzeren kolommen boven de plaat gebouwd, het hoge tij afwachten. Dat is solide, want een week eerder overleefde het gebouwtje nog een storm met windkracht dertien die een observatieponton dat een eindje verder verankerd lag, lossloeg. Maar het plan hoeft niet te worden uitgevoerd. Het is bijna donker als de ‘Zeetijger’ op de Vondelingsplaat – nu ineengeschrompeld tot enkele honderden vierkante meters – afvaart. De kapitein lacht slim en vraagt of het de bedoeling is dat hij ons nu al komt halen.
‘Ter wille van de ecologie zijn miljarden in de Oosterscheldewerken gepompt.
|