Help! Hans Brinker verzuipt
Rijkswaterstaat is bijna klaar. Er moeten alleen nog wat vergissingen hersteld worden. Zoals de Deltawerken
Zeven jaar nadat Zuidwest-Nederland veilig werd verklaard tegen een nieuwe watersnoodramp wordt duidelijk dat de ingenieurs van Rijkswaterstaat ook veel onheil hebben aangericht. Dat ze mysterieuze krachten hebben opgeroepen die niet voorzien waren en die nauwelijks bedwongen kunnen worden.
Zo lijdt de Oosterschelde nu aan ‘zandhonger’. Platen brokkelen af en verdwijnen onder water. Achter de sluizen in het Haringvliet ligt een gifbelt van honderd miljoen kubieke meter chemisch vervuild slib. De Biesbos zou eigenlijk tot riskant gebied moeten worden verklaard. In het Veerse meer is een tekort aan zuurstof. Het water is er troebel van de algen.
In de (open) Westerschelde hoopt zich steeds meer zand en slib op. Elk jaar moet er meer gebaggerd worden om de vaargeul naar Antwerpen open te houden.
De Deltawerken waren een ‘megaproject’; heel groot en geavanceerd. Maar ook onherroepelijk. Na de euforie over de technische prestatie veranderde de waardering. Veiligheid kan ook op andere manieren bereikt worden. En verzilting kan juist goed zijn voor het milieu en de natuur. Langzaam wordt duidelijk dat het herstellen van de fouten van de Deltawerken evenveel zal kosten als indertijd het Deltaplan zelf. ‘De technologie is de mens boven het hoofd gegroeid’, zegt een directeur van Rijkswaterstaat. ‘Hadden we niet méér moeten studeren, voor we met het Deltaplan begonnen?’ vraagt een oud top-man van de Deltadienst. Een ander stelt een open Veerse Meer voor, een open Grevelingen, een open kering in het Haringvliet en een zout Zoommeer; een revolutionaire terugkeer naar hoe het ooit was.
De dag is guur. Het land is verlaten. In de verte hangt mist waaruit zo nu en dan fijne onzichtbare regen daalt die de huid prikkelt. De Grevelingendam ligt als een liniaal op een tekentafel door het water. Aan weerzijden zijn strandjes opgeworpen voor een nieuwe vorm van bermoevertoerisme. Zover het oog reikt, drijven lelijke blauwe tonnetjes in de Grevelingen waaraan mandjes met mosselen hangen ‘De hangcultuur’ is de jongste redding van de mosselkwekers die hun percelen op de grond zien verkommeren. Maar de einder is nu lang niet zo uitgestrekt. Samen met ir. F. de Bruijckere, van de afdeling ‘integraal waterbeheer en planvorming’ van de directie Zeeland van Rijkswaterstaat, dwaal ik door het herschapen land. Hij is een sobere, ernstige Zeeuw, overtuigd dat als vandaag de Deltawerken weer gebouwd moesten worden, het heel anders en veel bescheidener zou gebeuren. Hier, waar we staan, is zoiets als een speeltuin van Rijkswaterstaat ingericht. Voor ons het Grevelingenmeer, waar op het allerlaatste moment het verstand overwon en daarom zout bleef. Bij de afdamming in 1971 was het voorbestemd een zoet meer te worden. Maar in die jaren arriveerden de eerste biologen binnen het ingenieursbolwerk van Rijkswaterstaat. Ze propageerden een ‘dialoog met de natuur’, wat ze wilden werd als ketters veroordeeld, maar ze kregen hun zin. Zo werd inderhaast een sluis gemaakt in de Brouwersdam voor een opening naar de Noordzee. Natuurlijk, het Grevelingenmeer is niet meer de Grevelingen. Het getij viel weg. Toen in de Oosterschelde geen oesters meer gekweekt konden worden vanwege de oesterziekte ‘bonamia ostrea’ werd die kweek verplaatst naar de Grevelingen. Helaas is nu ook de Grevelingen besmet.
Om de platen Hompelvoet en Veermansplaat voor afkalven te behoeden, moesten ze rondom in steen worden gezet. Het zoutgehalte vergt voortdurend grote aandacht. En dat het water zo mooi en helder bleef was meer geluk dan wijsheid. Want de algen, die hier en daar via afwateringssloten binnen komen, worden opgevreten door de onnoemelijke aantal schelpdieren – waarvan de uitwerpselen weer verzwolgen worden door bacteriën. Een prachtig systeem van biologische filters die het water tachtig keer per jaar verversen. Maar wel een geschenk van de natuur zelf.
Achter ons de Oosterschelde die, dankzij een dreigende crisis in de toenmalige regering-Den Uyl, niet werd afgedamd, maar een beweegbare stormkering kreeg. De Oosterschelde bleef daardoor een getijrivier. Wel met een handicap. Door de barrière die de kering in de monding vormt, komt bij elke vloed een meter water minder binnen dan vóór de afdamming. Daardoor wordt ook minder zand en slib aangevoerd, terwijl de rivier juist hevig naar een nieuw evenwicht zoekt. Want de geulen zijn diep en breed, uitgeschuurd door eeuwenlange hoge vloeden. Ze zoeken nu een nieuwe vorm. Ze zullen met zand van de platen, de slikken en de gorzen die langzaam verdwijnen. En om het behoud van die platen en slikken – foerageergebied voor honderdduizend watervogels – was het ontwerpen van de kering nu juist begonnen. De Bruijckere voorspelt somber dat, als de mens de rivier niet te hulp komt, de Oosterschelde over enkele tientallen jaren één grote watervlakte zal zijn. ‘Om de zandhonger te stillen zouden we zeshonderd miljoen kubieke meter zand naar de rivier moeten brengen. Dat is een manier om tot een nieuw evenwicht te komen, zodat de schorren en platen behouden kunnen blijven. Ik schat de kosten op tweehonderd miljoen gulden en de politieke moet zeggen of ze dat voor de natuur over heeft.’ De Bruijckere denkt dat het zand weggehaald kan worden uit de voordelta – die opeenhoping van zand en slib voor de Zeeuwse kust die zich ontwikkelt tot een wadachtige landschap. Het zand hier zou in de klassieke open Oosterschelde met het water naar de rivier zijn getransporteerd. Nu wordt het tegengehouden door de dorpelbalken van de Oosterscheldekering.
De Oosterschelde heeft meer noodmaatregelen nodig. De pijlers van de kering vertonen een hardnekkige roestvorming die moeilijk te bestrijden is. Er zijn het plan-Tuureluur en het plan plan-Lamsoor, om de natuur die in de rivier ten onder gaat, binnen en buiten de dijk terug te brengen. Zo moet de kokkelvisserij worden beperkt, omdat er steeds minder voedsel overblijft voor de scholeksters. De mosselpercelen mogen niet uitbreiden. En het voortwoekerende watertoerisme moet afblijven van de Galgeplaat, de Roggenplaat en de slikken van de Dortsman. Rechts van ons, opgesloten tussen de Grevelingendam en de Philipsdam, ligt het Zoommeer. Ooit spookten hier de Krammer en het Volkerak en was er een getijverschil van drie en een halve meter. Toen in 1987 het laatste gat in de Philipsdam werd gesloten, ontstond een zoet meer van tienduizend hectare. Er voltrok zich een ecologische ramp. Bodem- en waterorganismen stierven af. Zeedieren trokken zich in doodsnood terug naar de diepste delen van het meer waar het water het langst zout bleef – tot het onvermijdelijke einde kwam. Omdat het getij wegviel, bleven de golven steeds tegen dezelfde stukken oevers beuken. Die brokkelden af, er ontstonden klifranden, schorren verdwenen, oeverplanten werden weggespoeld. Om het meer voor verder ondergang te behoeden, worden nu over een afstand van zestig kilometer dammen gelegd als ‘vooroeververdediging’.
Op de Plaat van Vliet groeit de moerasandijvie, als bewijs dat de overgang van zout naar zoet bijna voltooid is. In het duinachtige landschap waar het water zich ver heeft teruggetrokken, galopperen fjordenpaardjes met wapperende manen, die zijn uitgezet om het gebleekte helmgras en de opschietende boompjes af te vreten. Rijkswaterstaat heeft zojuist weer een laatste geniale gedachte gekregen om de teloorgang van het Zoommeer te voorkomen. Uit riviertjes en polders wordt voortdurend fosfaat geloosd die algengroei veroorzaken die weer het meer in een stinkende brij kunnen veranderen. Dierlijk plankton, zoals watervlooien, eet algen op. Maar intussen gedijt in het zoete water van het meer de brasem die het plankton opvreet. Daarom zal nu de snoek worden uitgezet, die de brasem weer te lijf moet gaan.
Het corrigeren gaat almaar verder: het peil van de waterstand zal om te beginnen ’s winters een kleine halve meter omhoog gaan. Dat is goed voor de natuur.
Volgens drs. H.L.F. Saeijs, directeur van de directeur van de directie Zeeland van Rijkswaterstaat, valt het Zoommeer het best te omschrijven als ‘één groot laboratorium van geleide ecologie’. Maar het is ook een monument van traagheid van het menselijk denken. Het Zoommeer moest zoet worden, op grond van oude afspraken met de landbouw. Zes jaar later zijn de opvattingen over verzilting en de betekenis van de landbouw revolutionair veranderd. De Bruijckere zegt: ‘De strijd tegen verzilting weegt vandaag veel minder zwaar, dat was vooral een probleem uit de jaren zestig. Voorlopig zal het Zoommeer nog wel zoet blijven, hoewel we met de boeren afgesproken hebben dat de zoutgrens tijdelijk omhoog gaat, tot de lozingen gesaneerd zijn. Ik weet dat het maatschappelijk problemen zal geven maar de optie blijft om het Zoommeer ooit weer tot een zout water te maken.’
Op weg naar het kanaal de Eendracht, waar sinds kort zee-arenden worden gesignaleerd, passeren we de Krammersluizen. Een indrukwekkend bouwwerk met een reeks bunkerachtige flats die diep beneden in verbinding staan met een doolhof van gangen en kanalen. Daar wordt het zoute water van de Oosterschelde van het zoete water van het Zoommeer gescheiden, elke keer als schepen tussen Antwerpen en Rotterdam geschut worden. De zoet-zoutscheiding heeft een miljard gekost. Als de ontwerpers wat alerter waren geweest op de verdwijnende betekenis van verzilting en landbouw, had het systeem achterwege kunnen blijven. Beneden-Sas, een onaangeraakte buurtschap met bomen en twee huizen, ligt in het stroomgebied van de Steenbergse Vliet en de Dintel. Hier op de Dintelse gorzen, moeten voormalige kreken worden ingericht als paai- en en schietgebied van de snoek, die de brasem moet gaan uitroeien.
Sinds het Zoommeer zoet werd, staat de sluis bij Sas permanent open en passeren op weg naar het meer ongehinderd meststoffen, fosfaten en residuen van DDT, aldrin en dildrin. De Bruijckere zegt dat een overeenkomst met de landbouw over zuivering in de smaak is – maar die zal nog wel tien jaar op zich laten wachten.
De Biesbos met de Amer, het Hollands Diep en het Haringvliet zijn andere gênante voorbeelden van de dwalingen van de ingenieurs. Dagelijks dumpt de Rijn in deze contreien smerige afvalstoffen die vroeger naar zee gingen. Sinds het Haringvliet in 1970 werd afgedamd gaat dat niet meer. Terwijl Rijkswaterstaat toch al in 1952 gewaarschuwd was door het voorbeeld van de afgedamde Brielse Maas, waarin de riolering uitmondde van dertigduizend mensen. De gevolgen waren een dood meer, ziekten en huidaandoeningen bij mensen die er gingen zwemmen.
Het Veerse Meer is ook zo’n klein drama. Ooit voorbestemd om een zoetwatermeer te worden, werd het tenslotte brak. Er wordt vuil polderwater in geloosd, er is een hoge algenproductie, het meer is zuurstofarm, ondiepe gebieden vallen droog door verlaging van het waterpeil. De Buijckere: ‘Het Veerse Meer is ontstaan in de veronderstelling dat de Oosterschelde zoet zou blijven. Als eerder duidelijk was geweest dat de Oosterschelde half open zou blijven, had het Veerse Meer nooit behoeven te worden afgedamd.’
Maar het verstand wint alsnog. In de Zandkreekdam tussen de Oosterschelde en het Veerse meer wil Rijkswaterstaat voor een kleine veertig miljoen alsnog een gat (omschreven als ‘een doorlaatmiddel’) maken waardoor zout water het meer kan binnenkomen. De Bruijckere zou ook graag een opening maken in de Veersegatdam – naar de Noordzee. Daar is zijn chef, directeur Henk Saeijs, ooit zelf de rebel van Rijkswaterstaat, op tegen. Saeijs trekt ook de wenkbrauw op als hij hoort van het idee van De Bruijckere om van de noordelijke punt van Zuid-Beveland een ‘wetland’, een moerassig gebied te maken. Dat kan bereikt worden door het riviertje De Schengen door te steken en daar het toekomstige zoute water van het Veerse Meer heen te leiden. ‘Zo ver is het nog niet’, zegt Saeijs nors. De Bruijckere: ‘Eigenlijk zouden we de Veersegatdam naar de Noordzee gewoon weg moeten halen en in plaats daarvan de dijken moeten verhogen. Ik besef ook wel dat zoiets kapitaalvernietiging is en maatschappelijk op weerstand zal stuiten.’
Dammen in een rivierdelta zijn een kwaad, is de ervaring van De Bruijckere: ‘Ideaal is een geleidelijke overgang van zoet naar zout water. De natuur bouwt dan zelf biologische filters op. Dammen verwoesten dat biologische proces. De overgang wordt te abrupt. Je moet kapitalen investeren om zout water te houden en het zoete zoet. Het is veel efficiënter de natuur zelf het werk te laten doen.’
Hoe zouden de Deltawerken nu -een generatie later- worden aangelegd?
De Bruijckere: ‘Veiligheid staat voorop. Maar inmiddels is duidelijk dat dijkverhoging een zeer goed alternatief is voor de aanleg van dammen. Het Veerse Meer zou daarom niet meer afgedamd zijn. Het Grevelingenmeer was open gebleven. De kering in de Oosterschelde zou misschien nog wel overeind blijven, denk ik. Het Haringvliet had ongeveer een constructie als de Oosterschelde gekregen., daar komt trouwens het getij weer voor een deel terug omdat de sluizen open gaan. Het Zoommeer was zout gebleven.’
De Bruijckere beseft:’Die theorieën waren toe ondenkbaar. Alles was in die jaren gericht op zoet water. Nu hebben we andere uitgangspunten. Er is veel verloren gegaan aan natuurwaarden. Nu de landbouw in betekening afneemt, moeten we de schade herstellen en het lang teruggeven aan de natuur.
De grote dubbele huizen in de Voorburgse straat zijn grauw van kleur en dicht op elkaar gebouwd. Maar één springt ertussenuit. Het is helder wit, omringd door hoge bomen met een smeedijzeren hek en een naam die de guurste dag licht maakt: ‘In de bloeiende appelboom’ staat er. Toen het landhuisje hier in de jaren dertig werd gebouwd, stond het alleen in de wijde polder. Nu is het omringd door dichtbepakte straten, raast op de achtergrond het verkeer op het Prins Clausplein en is Voorburg een satelliet van Den Haag. Sinds het huis werd gebouwd kreeg Nederland er zeven miljoen inwoners bij.
De bewoner is ir. H.A. Ferguson. In de hectische jaren van het gevecht tegen de oorspronkelijke plannen om de Oosterschelde af te dammen, was hij hoofd van de Deltadienst – die de Deltawerken uitvoerder en doorging voor de kundigste dienst van Rijkswaterstaat. ‘We hebben het vrij goed gedaan,’ vindt hij achteraf nogsteeds. Ferguson was in die tijd tegen het openhouden van de Oosterschelde omdat er sprake was van een erosierivier. Hij was tegen dijkverhoging rondom de Oosterschelde en zijn dienst vertikte het daarom te onderzoeken of die mogelijk waren. De Provinciale Waterstaat van Zeeland, die volgens de opdracht ging uitvoeren, was vooringenomen. Zo ontstond het duurste compromis waarmee een regeringscrisis werd bezworen: een stormvloedkering met compartimenteringsdammen van acht miljard terwijl achteraf bleek dat met één miljard voor verhoging van de dijken dezelfde veiligheid had kunnen worden bereikt. Ferguson herinnert zich tenslotte de commissie-Klaasesz -die een uitweg moesten zoeken voor de dreigende regeringscrisis – de oplossing van een beweegbare kering aan hem voorlegde: ‘Ik zei tegen mijn directeur- generaal: ik zie aankomen dat ze ons niet vertrouwen. Ik wil het voorleggen aan een aannemers conbinatie. Ik heb dat gedaan, dat was een novum. Een paar dagen later belde het VVD-kamerlid Henk Koning dat hij in de kamer wilde gaan voorstellen om het plan van Klaasesz aan aannemers voor te leggen. Ik zei: dat is al gebeurd. Ik had er reuze de pest in, de hele situatie was volledig verziekt. Plotseling had de politiek meer vertrouwen in aannemers dan in ons, Rijkswaterstaat.’
Ferguson denkt hoofdschuddend na: ‘Het was niet zo dat wij almaar wilden maken en bouwen. Wij waren niet zo hebberig. De minister wel. Ik herinner me Westererp, die toen op Verkeer en Waterstaat zat. Die zei, god o god als dat nou eens kon. Zo’n kering. Hij vond dat machtig. God o god zei hij, als dat zou kunnen.’
Een jaar geleden publiceerde Ferguson het boek Dialoog met de Noordzee, dat door Rijkswaterstaat met grote scepsis werd ontvangen. Want het relativeert de technische onaantastbaarheid van de dienst op een pijnlijke manier. Nu, op zijn tweeëntachtigste, beoordeelt Ferguson de werken van zijn voorgangers en concludeert dat zij ‘vaak in onkunde hebben gehandeld’. Hij schrijft uit ervaring: ‘Met een beetje geluk zal het ons misschien lukken de misgrepen van onze voorouders niet te herhalen. Er zullen andere fouten kunnen worden gemaakt, op een hoger technisch niveau en daarom wellicht met gevaarlijker consequenties. Waterbouwkunde is een riskante bezigheid.’ Het oud-hoofd van de Delta-dienst vreest ook de hedendaagse technologische mogelijkheden: ‘Hebben we wel voldoende kennis om er verstandig gebruik van te maken? We zijn niet altijd zo verstandig onze dadendrang te beteugelen (…). Als wij nieuwe middelen hebben, willen we die ook gebruiken en veel mislukkingen zijn daaran te wijten.’ Hij geeft voorbeelden: de Haringvlietsluizen waren ‘een sprong zonder ervaring’. Ze zijn te groot, te plomp. Er zijn kostbare strandhoofden gebouwd. Overbodig, omdat de cyclische beweging van de zee tenslotte alles weer op zijn plaats legt.
‘Alles wat nu gebeurt,’ zegt Ferguson, ‘is een correctie op wat in het verleden fout ging.’
De Deltawerken zijn daar een sprekend voorbeeld van.
‘Hadden we eerst niet meer moeten studeren? Hadden we de bevolking niet meer inspraak moeten geven? Hoe komt het dat de mensen zich zo lieten overrompelen door het Deltaplan?’ vraagt hij zich af.
Ferguson: ‘We opereren lukraak. Dat geldt voor alle mogelijke dingen die we doen. Je moet bescheiden zijn, we ploeteren zo goed we kunnen en that’s all.’
Het is jammer dat mensen vaak pas zo laat de betrekkelijkheid van hun handelen inzien. Henk Saeijs staat nog midden in het leven. Een forse man in hemdsmouwen. Hij was in de jaren zeventig een van de eerste biologen die bij Rijkswaterstaat kwamen werken. Hij zei: het Grevelingenmeer moet zout blijven. Dat was ongehoord. Hij werd door de vormelijke civiele ingenieurs onmiddellijk ingedeeld bij de ‘milieumaffia’. Toch klom hij tenslotte op tot directeur van de directie Zeeland van Rijkswaterstaat. Hij zegt – net als Ferguson – ‘dat de technologie de mens boven het hoofd is gegroeid’. Maar anders dan zijn oud-collega vindt hij ‘dat Nederland het verdomd goed heeft gedaan’. Nee, kijk naar de Assoeandam in Egypte, waar na aanleg over een strook van duizend kilometer de hele zeevisserij verdween. Of zie de Mississippi-delta die door kanalisatie, dijkenbouw en verdieping in de toekomst voor een deel zal verdwijnen. Hij zegt: ‘In de Amazone staan achtendertig projecten op stapel waarbij gebieden zo groot als Nederland onder water zullen worden gezet. De ontbossing in de oerwouden is daarbij vergeleken kinderspel. Als straks de Ganges is afgedamd, worden ontelbare mensen de dupe van de verzilting die zal volgen. Ik heb eens uitgerekend dat in het stroomgebied van de Rijn 450 kunstwerken zoals sluizen en stuwen zijn aangelegd, zonder dat door iemand rekening is gehouden met de gevolgen voor het hele gebied.’
Maar in Nederland, zegt Saeijs, heeft de afgelopen tien jaar ‘een revolutie in het denken plaatsgehad’. Dat is niet het geval in de rest van de wereld: ‘Daar vinden ze ons lastig, ingenieurs willen uitsluitend bouwen. Zij vinden dat wij hun werk overbodig maken.’
Saeijs gaat liever weer in de aanval, net als in 1970 toen hij zei dat de Grevelingen zout moesten blijven. Hij wil nu gaan ‘ontpolderen’, polders en uiterwaarden in de Westerschelde teruggeven aan het getij. Opnieuw een reparatie van wat in het verleden misging. Toen werd door inpolderingen het oppervlak van de Westerschelde met een derde verkleind en raakte de rivier uit evenwicht. Daardoor slaat elk jaar meer slib en zand neer op de bodem van de rivier. Op dit moment is dat tien miljoen kubieke meter per jaar, het zal straks achttien miljoen worden. Elke ton slib die bij eb verplaatst wordt, spoelt bij vloed weer terug. Saeijs wil af van Rijkswaterstaat in de rol van Don Quichot.
Het begon met veertig hectare buitendijks gebied in de Selena-polder, die nu weer onder water loopt. België is bereid om te overwegen om tweeduizend hectare uiterwaarden (‘potgronden’ heten ze daar) prijs te geven aan de rivier als dat baggerwerk minder noodzakelijk maakt.
‘Dit is wel een heel nieuwe gedachte die afrekent met traditie,’ zegt Saeijs, ‘maar het past bij de flitsende manier waarop wij op de ecologie reageren.’
Maar, waagt de verslaggever, op de Deltawerken valt toch ook wel het een en ander aan te merken? Is, op Nederlandse schaal, het Veerse Meer niet een tragische mislukking? Is er in het Haringvliet en de Biesbos geen doos van Pandora geopend.
Saeijs schudt ongeduldig het hoofd: ‘Aan terugpraten in de geschiedenis heb ik weinig. Natuurlijk zou nu naar alle waarschijnlijkheid de Oosterschelde geen kering meer hebben gekregen, maar hogere dijken. Dan hadden we nu zeven miljard gespaard. Ik denk ook dat de Grevelingen nu open zou blijven. Maar dat is kostbaar, en moet je blijven knutselen? Het is moeilijk om het verleden te beoordelen met de ogen van deze tijd. Ik vind het zo verduveld moeilijk mensen te veroordelen omdat ze zo stom zijn geweest.’
Prof.dr.ir. J.F. Agema zat samen met Ferguson in directie van de Deltadienst. Hij was in die jaren een uitgesproken voorstander van verhoging van de dijken rondom de Oosterschelde. ‘Ik vond dat zoiets ernstig in overweging genomen moest worden. Ik weet niet of ik een minderheid was. We hadden het toen te druk met het oplossen van problemen van de politiek.’ Toen die een beweegbare kering wilde, werd Agema lid van het ontwerpteam.
Hij woont in het Westland, in een dorp vol minirotondes en omringd door kassen die de nacht verdrijven met een geheimzinnig licht. Agema is autodidact. Hij begon op de ambachtschool en eindigde via avondstudies als hoogleraar aan de Technische Universiteit Delft. Op verzoek van Henk Saeijs van de Zeeuwse Rijkswaterstaat licht hij met collega’s het plan door polders in de Westerschelde terug te geven aan het water.
Hij is nu emeritus en moppert op het land dat mensen wegstuurt die een bepaalde leeftijd bereiken. Hij werd adviseur van de Wereldbank en van het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking. Hij reist de wereld rond en is zojuist terug uit Bangladesh. ‘Het is opmerkelijk,’ zegt hij, ‘dat de inspraak – afgedwongen door de donorlanden – veel verder gaat dan hier in Nederland. We kunnen er iets van leren. Er worden hier te veel beperkingen opgelegd bij uitwerking van plannen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de hogesnelheidstrein, de Betuwespoorlijn en de dijken. Er moet veel meer vooraf met mensen gepraat worden.’
‘Achteraf kom je tot de conclusie dat het anders had moeten gebeuren. Maar civiele werken zijn eenmalige grote projecten. Het zijn geen auto’s waar je voortdurend iets aan kan veranderen. Je kan alleen maar proberen de kans op fouten zo klein mogelijk te maken.’
Agema is door zijn ervaringen in staat te vergelijken en weet dat Denemarken en Nederland met hun civiele kennis op eenzame hoogte staan. Toch zijn beide landen heel verschillend. Denemarken heeft zijn kennis ontwikkeld via de universiteiten. In Nederland is dat gebeurd door Rijkswaterstaat. Dat is ook een zwakte: ‘Het delen van kennis is hier altijd een moeilijk probleem geweest. Rijkswaterstaat is gewend zelfstandig te handelen. De dienst wil het zelf doen, daarom is het inschakelen van particuliere ingenieurbureaus altijd afgewezen. De onwil om te delen is ook de reden geweest dat het niveau van kennis bij de waterschappen erg laag is gebleven. Jonge mensen binnen Rijkswaterstaat willen wel anders. Maar het probleem zit in de structuur van Rijkswaterstaat, in de top, bij mensen die het beleid maken. Die willen projecten tot stand brengen en verder: basta.’
Heeft Rijkswaterstaat daarom zo weinig belangstelling voor andere meningen?
Agema: ‘Ik ben tot de conclusie gekomen dat je overheidsdiensten zoals Rijkswaterstaat los moet koppelen van de ministeries. Ze worden nu bij het uitwerken van een project te veel beïnvloed door het ministerie. Dat zou niet moeten.’
Rijkswaterstaat heeft altijd huiverig gestaan tegenover nieuwe ideeën. Ooit kwam de Deltadienst met het voorstel in het Veersegat een dam aan te leggen van zand – veel vriendelijker en natuurlijker dan de afsluiting van asfalt en basalt die er nu ligt. Dat werd afgewezen. ‘De hoge ambtenaren in Den Haag vonden het te griezelig. Dat was vreemd. We leven in Nederland achter duinen. Maar de top heeft bepaalde gewoonten en een cultuur. Die spelen een grote rol in de techniek. Als je iets anders wilt, is dat heel moeilijk te verkopen. We hebben voor de eerste keer in Europoort golfbrekers in zand uitgevoerd. Daar keek de top heel gek tegenaan. We hebben het toch gedaan.’
Agema, zelf civiel ingenieur, is niet zo vleiend over zijn métier: ‘Heel de instelling van de civiele wereld is conservatief. Uit onderzoek is gebleken dat het rechtdoorkijkers zijn, mensen die heel moeilijk te betrekken zijn bij maatschappelijke problemen. Het zit in de cultuur. Gelukkig is een kentering te zien op de universiteiten. Het onderwijs moet de basis leggen voor een andere richting. De jonge generatie moet leren niet meer primair te kijken naar technische oplossingen, ze moet niet meer met eigen hobby’s aankomen en techneuterij, maar met wat de maatschappij vraagt. Rijkswaterstaat moet als denktank met alternatieven komen. De Tweede Kamer dient dan onafhankelijke deskundigen in te schakelen om die alternatieven uit te werken. In het verleden is het gebeurd dat Rijkswaterstaat zelf wilde sturen. Zoals bij de bochtafsnijding bij Nijmegen. Het was de enige manier en de eis was: slikken. Later bleek het helemaal niet de enige oplossing te zijn.’
Op de Beningerslikken, achter de zeedijk waar in godverlaten land het Spui in het Haringvliet vloeit, heb ik eigenlijk nooit meer terug willen komen. Herinneringen zijn er om te koesteren. Ze gaan terug tot voor 1970, toen er dagen waren dat het water schuimend over de weg op de dijk joeg. Van zoele nachten in een roeiboot voor een kreek, waar met een peur bij afgaande water een bodem vol paling werd opgehaald. En van dagen in december, toen ik met lieslaarzen door geulen van de slikken waadde om ver weg bij de eblijn fuiken te lichten.
Toen werd het Haringvliet met een dijk en sluizen afgesloten, viel het getij stil en werden de slikken roerloos en saai. Met zoet water waardoor de slikken afstierven onder leven dat er niet thuishoort. In Lessen uit twintig eeuwen waterbouwkunde schrijft bioloog Henk Saeijs opgetogen: ‘Tussen de dijken zal een nieuw evenwicht kunnen ontstaan, met een veranderende rivier, omzoomd door zoetwater-moerasvegetaties en rivierbossen. Een oeroud Nederlands landschap.’ Hij noemt dat ‘geleide ecologie’.
Ik klim over het hek met een bord waarop de Vereniging van Natuurmonumenten waarschuwt dat dit verboden gebied is. Boven op de dijk wankel ik onder de aanblik. Ver weg ligt de rivier, die nu een meer is. De riet- en biezenlanden zijn van vroeger zijn verdwenen voor nieuw ingepolderd land waarop boeren overbodige suikerbieten verbouwen. Langs de waterlijn ligt een stenen rand om de kust te behoeden voor afslag en om brutale watertoeristen ervan te weerhouden het land op te gaan. Zover het oog reikt groeit gras met opschot van zielige boompjes. Want het land ‘verruigt, er is nu bosontwikkeling,’ zegt mijn gids.
Alleen het silhouet van Goeree-Overflakkee is nog hetzelfde en het licht, dat weermoedig maakt. Drs. J.W.M. Kuijpers, hoofd planvorming water van de directie Zuid-Holland van Rijkswaterstaat, is amateur- ornitholoog. Hij somt enthousiast de winterpopulatie op: smienten, roofvogels, zeearenden, brandganzen, kolganzen, wintertaling en pijlstaarten. In de zomer broedt hier de tureluur, kluut, karekiet, baardmees, blauwborst, bosrietzanger. ‘Er zijn hier meer baardmeesbroedparen dan op alle Britse eilanden.’
Hier en verder naar het oosten in de Biesbos ligt een deel van honderd miljoen kubieke meter chemisch vervuild slib – dat binnenkwam omdat vergeten werd dat ‘je eerst rivieren moet schoonmaken voor je met afdammen begint’. Soms zijn er lagen slib meters dik. Volgens De Bruijckere kost opslaan twintig gulden per kubieke meter en schoonmaken honderd gulden. Los van de erfenis uit het verleden, zegt De Bruijckere, zal Nederland de komende decennia jaarlijks ruim één miljard moeten besteden aan het opruimen van nieuw vervuild slib inclusief de kosten voor het saneren. Op de Beningerslikken, die de naam niet meer verdienen zegt Jos Kuijpers: ‘Daar ben ik niet pessimistisch over. Wij werken nu aan een depot van 250 hectare in het Hollands Diep om daar een deel van het slib te concenterren. We wisten dat het slib zich zou ophopen, maar dat het zo’n probleem zou geven, hebben we niet voorzien.’ Hij zegt slim: ‘Als het Haringvliet niet was afgedamd dan was al dat vervuilde slib naar de Noordzee en de Waddenzee gegaan. Heb u daar wel eens aan gedacht?’
Hij neemt me mee naar het bedieningsbouw van de Haringvlietsluizen in Stellendam. Een log, vierkant gebouw dat als monument van fantasieloosheid in de monding van de rivier staat. De manier waarop de sluizen nu nog bediend worden, dateert uit het eind van de jaren zestig, zegt Kuijpers. Het is vooral gericht op veiligheid en tegengaan van verzilting. Dat zal nu gaan veranderen. Besprekingen zijn in een laatste fase om de sluizen permanent te openen waardoor het getijverschil in het Haringvliet tot zestig centimeter kan toenemen. In de Biesbos zal het verschil tussen eb en vloed een meter worden – allemaal nog niets vergeleken bij de oude situatie toen er getijverschillen van meters waren. Het water zal een beetje zouter worden. Maar het is het begin van herstel van een historische vergissing.
Er kunnen problemen ontstaan met Shell en het Industrieschap Moerdijk. Want ooit sloot Rijkswaterstaat een nooit gepubliceerde afspraak met Shell-Chemie dat het industrieterrein bereikbaar moest blijven voor schepen tot twintigduizend ton. Met open sluizen kan de waterstand zo ver zakken dat het industrieterrein onbereikbaar wordt. Kuijpers: ‘Als dat zo is, kunnen we overwegen de geul naar Shell via baggeren dieper te maken.”
Het openen van de sluizen kan nog meer vergissingen van Rijkswaterstaat aan het licht brengen. Tien jaar geleden toonde wetenschappelijke onderzoeker dr. Fred Muller aan dat er verband bestaat tussen de (hogere) waterstanden in de Waal en Merwede en de manier waarop het water wordt tegengehouden voor de Haringvlietsluizen. Door een verkeerd lozingsprogramma zou het water op de Waal worden opgestuwd. Rijkswaterstaat spreekt dit tegen en concludeerde uit die hogere waterstanden dat de dijken verder omhoog moesten. ‘Volgens ons klopt het onderzoek van de heer Muller niet,’ zegt Kuijpers – de nabije toekomst moet het bewijs leveren.
En er gaat een wonder gebeuren. Volgens Kuijpers zal door de open sluizen, spiering en zalm naar de bovenloop van de rivier trekken. Het enige probleem is nog de temperatuur van het water, dat als gevolg van opwarming door koelinstallaties niet koud genoeg is voor de zalm om te schieten. Maar Kuijpers belooft te zullen kijken naar de normen van de Europese gemeenschap voor watertemperatuur. Zo is voor elk probleem een oplossing. Hij zegt: ‘Rijkswaterstaat is echt heel erg veranderd. Na de Oosterschelde, Amelisweerd en de nederlaag van de dienst bij de bochtafsnijding van Nijmegen is het denken anders geworden. Vroeger bestond Rijkswaterstaat voor negentig procent uit ingenieurs en een enkele jurist. Nu zit er een heel breed scala wetenschappers.’
Rijkswaterstaat werd bijna tweehonderd jaar geleden in de Franse tijd opgericht omdat waterschappen elkaar beconcurreerden en provincies, die toezicht moeten houden, maar niet deden. De dienst werd opgezet als een militaire organisatie en die geest is lange tijd gebleven. Hiërarchische, autoritair en ongevoelig voor kritiek. Maar nog altijd heeft Rijkswaterstaat niets te zeggen over de waterschappen – waarvan er ooit drieduizend waren, nu nog ruim honderd en het aantal wordt nog veel kleiner. De dienst mag adviseren, over de schouders meekijken, maar provincie of wetenschappen zijn baas in eigen huis. Ferguson vertelt dat zijn Deltadienst werd weggestuurd van projecten in Zeeland omdat het waterschap dwars lag.
De waterschappen op hun beurt zijn archaïsch, ondemocratisch met nog altijd voorbeelden van hoe boeren grotere boeren tot hoofdgeërfden kiezen en hoofdgeërfden die de grootste boer als dijkgraaf aanwijzen. Een nieuwe waterschapswet moet over enkele jaren voor meer democratie zorgen, maar veel verder dan inspraak uit het jaar 1900 zal het niet komen. Straks mogen landbouw, gemeenten en de Kamers van Koophandel elk voor een derde vertegenwoordigers in de waterschappen gaan aanwijzen – de burger blijft op grote afstand. En in Zuid-Holland kunnen de grote waterschappen zelfs ‘direct’ gekozen worden. De laatste keer was het opkomstpercentage zeven procent. ‘Levensgevaarlijk omdat heel gemakkelijk gemanipuleerd kan worden,’ zegt ir. H van Rossum.
Het vroegere kamerlid ir. H. van Rossum komt uit de waterschappen voort. Zijn naam wordt door mijn gesprekspartner van Rijkswaterstaat steeds met achting genoemd als autoriteit in eigen kring en daarbuiten. Hij zat negentien jaar voor de Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP) in het parlement, samen met de rooms-katholieke ir. P.A.M. Cornelissen de enige civiel ingenieur. Zijn aanwezigheid in de geschiedenis is zo relevant omdat daarmee wordt verklaard hoe plannen van ‘conservatieve’ (Agema) ingenieurs van Rijkswaterstaat beoordeeld en verdedigd werden door behoudende politici met invloed. Een samenspel dat oorzaak kon worden van de mislukkingen die zich nu openbaren. Van Rossum was voor een afgedamde Oosterschelde en wilde nergens anders over horen – met name niet over hogere dijken rondom de Oosterschelde omdat de waterschappen daaraan toen project zelf hadden moeten bijdragen. Ir. D.S. Tuijnman, een onopgemerkte minister in het eerste kabinet-Van Agt (’77-’81) met de portefeuille van Verkeer en Waterstaat zei eens: ‘Ik weet niets over de Oosterscheldekering. Er is maar een die er alles van af weet en dat is Van Rossum.’ Van Rossum: ‘Als het over veiligheid ging, werd wel naar ons geluisterd.’
Van Rossum vertelt hoe rivaliserende en concurrerende waterschappen in het verleden hun belangen veilig stelden: ‘U kent toch wel het gat van Varik? Alle waterschappen in de omgeving wisten dat ze bij storm veilig waren omdat, als er iets gebeurde, Varik onder zou lopen. Het behoud van Tholen is geweest dat de dijk van Halsteren een halve meter lager lag waardoor het daar onderging. Dat is altijd zo geweest, door overdijking was de ene polder veilig en de andere onveilig. Zo was de situatie in 1953. Iedereen had dat kunnen weten.’
Er was maar één oplossing: alle dijken op dezelfde hoogte om zo te voorkomen dat het ene waterschap, omdat het rijker en machtiger is, het andere kan overtroeven.
Het oud-kamerlid ontvouwt zijn mening over hoe het volk van Nederland gevormd is door de strijd tegen het water: ‘De wielen en gaten achter de dijken zijn evenveel monumenten en grafstenen van rouw en verdriet. Die hebben geweldige invloed op de mensen. Niet voor niest bouwden ze vroeger hun huizen en boerderijen langs de dijken, dan hadden ze een vluchtmogelijkheid. Als ik nu zie hoe tegenwoordig veel dorpen en stadswijken midden in het veld worden gebouwd dan denk ik wel eens: als er iets gebeurt verzuipen de mensen daar als ratten.’
Is dat dan niet lichtzinnig?
‘Lichtzinnig… huh… als we er niets aan doen dan is het lichtzinnig. De oorspronkelijke bewoners van het rivierengebied kennen de gevaren wel. De nieuwe bewoners denken er niet over na.’
Maar hoe heeft zich dat dan ontwikkeld?
Van Rossum herinnert zich zijn vriend Jan Stuvers, die dijkgraaf van de Bommelerwaard was, secretaris van de ruilverkavelingscommissie Maas en Waal en bekend zou worden als de sloper van Brakel: ‘Hij heeft achter uit zijn keel moeten praten om de boeren zover te krijgen dat ze op de komgronden in de polders gingen bouwen. Hij kreeg het voor elkaar door hun te beloven dat de dijken verhoogd zouden worden. Dar was de eis die de boeren stelden. Want wees nou verstandig, we hadden in Maas en Waal en de Bommelerwaard nooit kunnen gaan verkavelen als de boeren aan de dijk waren blijven zitten. We moesten iets aan hen beloven en dat natuurlijk achteraf zelf uitvoeren.’
De dijkverhogingen zijn opnieuw een voorbeeld van de ‘misgrepen’ (Ferguson) en de ‘onwil’ (Agema) van de civiel- ingenieurs. De commissie-Boertien rapporteerde begin dit jaar dat de dijken in Nederland lager, smaller en met veel meer fantasie kunnen worden aangelegd. Daarmee werden de waterschappen en Rijkswaterstaat gekapitteld, die immers dijkgraven als Stuvers en supporters als Van Rossum kritiekloos hun gang lieten gaan. Rijkswaterstaat greep niet in toen waterschappen de adviezen van de commissie-Rivierdijken onder voorzitterschap van C. Becht uit 1977 niet opvolgden, dat de dijken lager en met minder schade aan de omgeving konden worden aangelegd. En de ingenieurs van Rijkswaterstaat waren bovendien op hun conservatiefst bij het vaststellen van regels , leidraden en berekeningen op grond waarvan de waterschappen de dijkplannen uitvoeren.
De onderzoeker van de Erasmus Universiteit Fred Muller begon vijfentwintig jaar geleden met zijn verzet tegen de dijkverzwaring in de Alblasserwaard. Hij dwong, met steun van gemeentebesturen, Rijkswaterstaat tot een proefproject in Sliedrecht. Twintig jaar geleden werd daarop vastgesteld dat damwanden en kistdammen goede alternatieven zijn voor dijkverzwaringen. Ze werden sporadisch toegepast.
Daarop toonde Muller aan dat Rijkswaterstaat uitging van de verkeerde peilen, waterwaterstanden in de rivier en hoogten van de dijk. Weer zag Rijkswaterstaat zich genoodzaakt de berekeningen over te doen. Muller kreeg opnieuw gelijk. Maar Rijkswaterstaat bracht de nieuwe cijfers niet in praktijk.
Vervolgens werd op verzoek van de actiegroep Alblasserwaard en van gemeentebesturen, via een motie in de Tweede Kamer de commissie-rivierdijken van Becht ingesteld. De concludeerde dat bij de bouw van dijken kon worden uitgegaan van minder waterafvoer. Bovendien zouden voortaan dijken moeten worden verhoogd via ‘uitgekiende’, fantasievollere ontwerpen.
Die adviezen werden – zo heeft de commissie-Boertien vastgesteld – niet tot uitvoer gebracht. Het is van belang te melden dat in de commissie-Becht destijds ook van Rossum zat. Hij vond persoonlijk, zegt hij mij, dat de adviezen te ver gingen. Hij vormde een minderheid en heeft nooit zijn stem verheven toen bleek dat Rijkswaterstaat en de waterschappen zich er niet aan stoorden.
In zijn half verbouwde boerderij in Brandwijk praat ik met Fred Muller over het gelijk van Rijkswaterstaat. Hij zegt: ‘Veel hangt ervan af met wie je spreekt. Als je praat met knappe mensen, als je op hoog niveau discussieert, dan is er overeenstemming. Zodra je mensen ontmoet die zich bezighouden met uitvoering en beleid dan is elke discussie onmogelijk. Beleidsambtenaren kunnen geen kritiek verdragen. Dan is Rijkswaterstaat een bolwerk van macht. ‘ Muller herinnert zich topambtenaar J.R. Hoogland, chef van de hoofdafdeling water en omschreven als een van de invloedrijkste ambtenaren rondom de minister. Muller: ‘Op een dag ging hij, zonder dat ik het wist, mijn decaan aan de economische faculteit van de Erasmus Universiteit bellen om te vragen wat voor rare snuiter ik was. Later heeft hij voor minister Kroes een rapport aan de Tweede Kamer geschreven waarin hij werkelijk alles verdraaid weergaf wat ik gezegd en geschreven had.’
Maar u heeft nu toch van de commissie-Boertien op alle fronten gelijk gekregen?
‘Ja, maar het is wel erg wrang. Als er eerder geluisterd was, dan hadden langs de Lekdijk geen honderden woningen afgebroken hoeven te worden. Dan hadden de dijken hier helemaal niet verzwaard hoeven te worden. Dan had kunnen worden volstaan met achterstallig onderhoud.’
Hoog in een van de lelijkste flats bij het Malieveld in Den Haag, ontmoet ik ambtenaar J.R. Hoogland. In zijn kamer staan mooie attributen die herinneren aan Nederland-waterland. Hoogland spreekt zacht en sussend en is op en top loyaal aan de dienst.
U gaat nogal onaardig en bits met uw tegenstanders om.
‘Ja? Vindt u dat onaardig? Met Muller heb ik redelijk veel contact gehad, ik dacht dat het wel ging. Wat hier wel speelt, is dat mensen vanuit de organisatie vragen van derden als hinderlijk ervaren. ER bestaat een zekere weerstand alles steeds weer uit te moeten leggen. Die rivierdijken zijn echt een ingewikkelde materie. Het is moeilijk om dat op een begrijpelijke manier uit te leggen. Een aantal mensen uit de dienst, ikzelf ook, wordt daar wel eens moe van.’
Rijkswaterstaat komt over als hooghartig: wij zorgen voor de veiligheid en jullie moeten niet zeuren. ‘Ja, dat lees ik ook steeds in de krant en dat doet pijn. Maar vergeet niet dat wij de infrastructuur van het landen moeten realiseren. Dat kan heel erg ingrijpend zijn in het leven van mensen. Elke keer als ik kritiek op onze dienst lees, is dat heel vervelend. Ik word daar moet van.’
Een paar deuren verder zit ir. G. Blom, directeur-generaal van Rijkswaterstaat. Hij zit twintig haar bij Rijkswaterstaat en heeft het hoogste in de dienst bereikt. Met de grootste kamer op de vijftiende verdieping en de blazer van de manager.
We spreken over Saeijs die zegt dat de technologie de mensen boven het hoofd is gegroeid en over Ferguson die meent dat veel mislukkelingen in de waterbouw te wijten zijn aan verkeerd gebruik van technische middelen. En natuurlijk over de Deltawerken.
En Blom geeft toe: op de algengroei in het Veerse Meer valt nog geen greep te krijgen. Niemand kon voorspellen dat zich in het Haringvliet zoveel giftig slib zou ophopen als gevolg van de sterk toegenomen vervuiling van de rivieren in de jaren zestig en zeventig. Het langzaam verdwijnen van platen en schorren in de Oosterschelde is een zorgelijke ontwikkeling. Maar het is ook een kwestie van geld, meer geld. Aan de andere kant toont een recente evaluatie van het Oosterscheldeproject aan dat de meeste doelstellingen worden gehaald. Hij zegt: ‘Ik vind niet dat je kan spreken van vergissingen. Veel van wat anders moet, is een gevolg van het verschuiven van prioriteiten. Een paar decennia geleden was de zorg voor zoet water voor de landbouw uitermate belangrijk. Pas later beseften we dat zoetwaterreservoirs in de delta grote ecologische consequenties hadden. Nu zeggen we als het voor de ecologie van belang is moet we het ongemak van verzilting op de koop toenemen.’ U werkt nogal traditioneel, en doordat oude technieken worden toegepast bij het verhogen bij het verhogen van dijken is in het riviergebied veel schoonheid verloren gegaan.
‘De technische grondslagen voor de verhoging van de dijken komen van ons, daar kunnen we op beoordeeld worden. Maar een polderdistrict is verantwoordelijk voor hoe wordt verhoogd. De provincie heeft toezicht en pas dan komt de minister. Het is bestuurlijk gezien juist dat wij ons bij de uitvoering terughoudend hebben opgesteld. Ik heb alles met veel belangstelling gevolgd en ik heb er uiteraard ook een mening over.’
Blom komt zelf uit Neerijnen waar hij ooit, als jongen, in de bossen rond het kasteel freule Van Pallandt tegenkwam. Het dorp lijdt al jaren onder de aankondiging dat veel mooi landschap moet verdwijnen door dijkverzwaringen. Sinds enige tijd is Neerijnen tot proefproject verklaard en heeft de bouwdienst van Rijkswaterstaat zich als beschermheer van het dorp opgeworpen. Bovendien heeft de commissie-Boertien gezegd dat dijkverzwaringen veel eleganter kunnen worden opgelost.
Blom geeft zich niet bloot. Hij zegt: ‘In elke organisatie heb je instanties die het beter of slechter doen. De technische oplossingen die de commissie-Boertien noemt waren bij ons bekend. Maar die kosten extra geld. Er zijn ook waterschappen die het uitstekend hebben gedaan.’
Kan Rijkswaterstaat wel kritiek verdragen?
‘Ik heb nooit goed kunnen verklaren waarom wij het beeld oproepen van een staat in een staat. Natuurlijk zijn wij als grote organisatie die aan de weg timmert vatbaarder voor kritiek van collega’s die op papier bezig zijn. Wij hebben een budget van vier miljard, dat is ongeveer twee keer de omzet van Fokker. Maar wij zijn ondergeschikt aan de minister, we kunnen geen cent uitgeven zonder goedkeuring van het parlement. Niettemin slagen we erin over te komen als autoritair en niet-flexibel. Terwijl we in de afgelopen jaren ook veel positieve resultaten hebben bereikt, bijvoorbeeld op het gebied van waterbeheer. Internationaal scoren we heel hoog.’
Maar in Nederland lijkt uw rol uitgespeeld. De stormvloedkering in de Nieuwe Waterweg kan wel eens uw laatste grote project zijn.
‘Het is bij Rijkswaterstaat altijd op en af gegaan. Ooit zijn we opgericht voor alleen waterstaatkundige werken. Later hebben we kerken gebouwd, scholen, stations. Toen wegen en bruggen en later kwam de ramp van 1953. Er waren altijd weer zaken waarvoor we nodig waren. Ik zie niet in waarom dat de komende jaren zal veranderen. We hebben nog steeds een groot bouwprogramma. Ik vind het heel belangrijk dat mensen van Rijkswaterstaat ook naar het buitenland gaan. Daardoor blijft kennis in stand.’
Blom ziet toch met zorg de toekomst tegemoet. Ooit werkten er veertienduizend mensen, straks zullen dat er negenduizend zijn. ‘Onze leeftijdsopbouw is veel te eenzijdig, we kunnen nauwelijks nog jonge mensen aannemen. Dat betekend wel dat we elan en kennis kwijtraken. Toch zal het sterkste punt van Rijkswaterstaat de techniek moeten blijven.’
Want de toekomst is ongewis. De zeespiegel stijgt en achter de duinen klinkt het land in. We hebben ons letterlijk omlaag gemaald, zei Saeijs.
Blom: ‘Technische kunnen we het in Nederland heel lang volhouden. Wat me bijgebleven is, is het verhaal dat ik enkele jaren geleden op een congres hoorde. Hoe zal een samenleving zich gedragen die zich achter een muur water bevindt? Er kunnen dan wel eens zoveel problemen van sociaal-psychologische aard ontstaan dat uitsluitend technische oplossingen niet meer helpen.’
Samen met drs. R. Hillen van de dienst getijdenwateren van Rijkswaterstaat, sta ik op het strand van Katwijk. Achter ons lopen mannen in trainingspakken met agressieve honden. We turen over de zee. Daar, een kilometer verder onder het water moet fort Brittenburg liggen, gebouwd door de Romeinen die daarmee hun rijk van de Zwarte Zee tot de Hollandse kust markeerden. Het fort stond ooit op een strandwal. Eerste verdween het onder het zand van de jonge duinen, toen verdween het onder het water. Nog maar een eeuw geleden zagen mensen op het stand de Ruïne aan de horizon.
Want het water stijgt. Dat is op zichzelf niets nieuws.
Roeland Hillen filosofeert dat het 8000 jaar geleden nog mogelijk geweest was via de Doggersbank naar Engeland te wandelen. De eeuwige op- en neergang van de zee, de cycliciteit van het klimaat en de regelmatige frequentie van ijstijden, maken het waarschijnlijk dat het over 8000 jaar weer kan.
Vroeger, toen mensen nog opletten wat om hen heen gebeurde, zagen ze de veranderingen. Ik heb het fascinerende boek Het lege Land gelezen – het proefschrift van Auke van der Woud die hoogleraar is in de geschiedenis van de architectuur van de Vrije Universiteit. Hij meldt getuigenissen van bewoners van Enkhuizen die letterlijk zagen hoe het water in de negentiende eeuw steeds hoger rees. Hij schrijft: ‘In het begin van de achttiende eeuw reed men nog met paard en wagen buitendijks van Harlingen naar het zuiden. Honderd jaar later reikte de Zee tot de teen van de dijk. Als gevolg van het langzaam warmer wordende klimaat waren vanaf de late achttiende eeuw getuige van een gestaag verder oprukkende zee, en lang niet alleen bij Harlingen. Bij Kuinre en Blokzijl verdween het voorland. Schokland werd voortdurend kleiner.’ In de zeventiende eeuw, toen er een kleine ijstijd was en het water aan de poolkappen vastvroor waardoor de zeespiegel lager werd, was er in Nederland een hausse aan inpoldering. In de negentiende eeuw verdween dat land plotseling weer onder water. Dr. Ir. Joh. Van Veen, die zijn tijd ver vooruit was en al in de jaren veertig aandrong op maatregelen tegen een superstorm – hij kreeg van zijn werkgever Rijkswaterstaat een spreekverbod opgelegd- heeft becijferd dat tot 1900 ruim vijfduizend vierkante kilometer land is gewonnen en evenveel land verloren is gegaan. In de twintigste eeuw kunnen mensen zelf waarnemen hoe de Hondsbosse Zeewering, die korte tijd gelden nog in de duinen lag, nu in de zee verdwijnt.
De snelheid waarmee de zee stijgt zou geen twintig centimeter per eeuw meer zijn, maar wel eens zestig centimeter kunnen bedragen. Hillen: ‘Rijkswaterstaat is niet in paniek over de gevolgen van het versterkte broeikaseffect. Wij willen eerst weten of de zeespiegel echt versneld rijst. De voorspellingen van nu zijn dat het aanzienlijk sneller gaat.’
Hillen zegt dat we op Rijkswaterstaat kunnen vertrouwen: ‘We hebben een enorme technologie. We zijn in staat dit land te beschermen. Ik geloof wel, en daar ligt onze kwetsbaarheid, dat waardevolle intergetijdengebieden zoals de Waddenzee, de Ooster en Westerschelde in omvang kunnen afnemen.’
Misschien is dat al lang bezig zonder dat we het echt zien. Maar Rijkswaterstaat gaat ons redden. Met ‘zandsuppleties’. Met stortingen van miljoenen tonnen zand op strand wat verloren dreigt te gaan. Het is even simpel als vertederend. Na de explosie van geavanceerde technologie is er weer een terugkeer naar de theorie van Andries Vierlingh, rentemeester van Steenbergen, die in de zestiende eeuw schreef dat we het water ‘zachtkens en soetekens’ moeten begeleiden.
Zo kunnen we overleven
Vrij Nederland 27 maart 1993