Gevangen op Cuba (2)
RUDIE VAN MEURS – Van de nieuwe luchtmachtbasis Homestead in het uiterste puntje van Florida, kan een F-III in precies zeven minuten boven Havana zijn. In Miami worden paramilitaire organisaties, gevormd door gevluchte Cubanen en rechtse Amerikanen, openlijk getraind in guerilla. Leven met de eeuwige dreiging van de onverhoedse aanval. ‘Zolang de gringo’s denken als ze denken, doen als ze doen, kan Cuba zich niet ontwapenen en kunnen we niet zonder de doodstraf’, zegt de minister van justitie Juan Escalona Reguera. Er is één overeenkomst tussen de contra’s in Miami en de revolutionairen op Cuba. Die is ‘de gezamenlijke afkeer tegen homoseksualiteit’. Hoe ruk je de wortels van het machismo uit? Nog eens de gevangenissen. Opnieuw verslag uit Cuba.
De vrouwengevangenis van Camaguey is met een open ruimte, een hoge muur met prikkeldraad en gaas gescheiden van de mannengevangenis Kilo Siete. Omdat de ingang twee kilometer dichter bij het centrum van de oude stad ligt wordt het ‘Centro Femenino Penitenciario’ Kilo Cinco genoemd. Er is een hemelsbreed verschil. De ingang is een tussen de muur gespannen touw met met een rood-witte lap dat door een onzichtbare hand wordt neergelaten. Even verder wacht Conceptión Pena Pimenkel me op – een ontspannen lachende vrouw die directeur is. Naast haar twee even grote en struise vrouwen met rinkelende sleutelbossen op de rechterheup die ongebruikt blijven. Want alles in Kilo Cinco staat open. Er zijn 180 gevangenen die in kleine ateliers werken waar jurkens, blouses en kleden worden gemaakt die in Camaguay en in Havana verkocht worden. De vrouwen verdienen 120 pesos per maand – dertig pesos minder dan het minimumloon op Cuba. Een peso valt met enig kunst-en vliegwerk te vergelijken met een Amerikaanse dollar maar dan ontdaan van consumptiedwang, terwijl honderd procent sociale verzekering inbegrepen is.
Binnen gezamenlijke woonkamers met keuken, een bibliotheek en een schoonheidssalon. De slaapvertrekken voor 24 vrouwen, zien eruit als boudoirs waar de intimiteit zoek is. Met veel gehaakte kleedjes, gebloemde spreien en op bijna ieder bed een pop of een grote beer. Er is een ‘raad van gevangenen’ en over de jongste vrouwen(vanaf 16 jaar) waakt een ‘raad van ouders’ die toeziet op het gedrag en discipline. De gemiddelde straf die vrouwen in Kilo Cinco uitzitten is vijf jaar. De zwaarst gestraften blijven twintig jaar en zijn meestal veroordeeld voor ‘moord uit passie’ – als de directeur over de ‘liefdesdrama’s’ spreekt schudt ze heel aardig en vol begrip het hoofd. In een van de ateliers waar vrouwen met verschillende kleuren verf in mallen opdrukken maken op T-shirts, werkt Rosa Romero Castille(26). Ze ziet er verdrietig uit. Ze zegt dat ze nu vijf maanden en twaalf dagen in voorarrest zit omdat ze geprobeerd heeft zelfmoord te plegen. Hier in de gevangenis, zegt ze, stimuleren de andere vrouwen haar om vol te houden. Later vertelt directeur Pena me dat Rosa in werkelijkheid in een vlaag van jaloezie een fles brandende alcohol naar haar man heeft gegooid.
Yamile Martines(22) zit drie jaar gevangenisstraf uit. Ze is, zegt ze, veroordeeld voor ‘medeplichtigheid aan een overval’. De twee mannen die bij haar waren zijn voor vijf jaar opgesloten in Kilo Siete. De directeur legt later aan de hand van het dossier uit dat Yamile op het strand een Griekse toerist ontmoette die ze meenam naar haar huis. Ze bedreven de liefde. Toen de Griek naar buiten ging werd hij opgewacht door twee mannen die hem sloegen en zijn geld afnamen. Yamile heeft steeds volgehouden dat de Griek verliefd op haar was. De rechtbank oordeelde dat zij zich prostitueerde en op de hoogte was dat buiten twee vrienden wachtten. De vrouw zal spoedig worden vrijgelaten. Ze is opgewekt. Ze heeft inmiddels een vak geleerd dat zij straks wil gaan uitoefenen. Als in Cuba een vrouw of een man de gevangenis verlaat, wordt de terugkomst in de maatschappij zorgvuldig voorbereid. Het ‘Comité de defensa de la Revolutión'(CDR) in de wijk waar de ex-gevangene vandaan komt, stelt de buurtbewoners op de hoogte van de terugkeer. Er wordt voor werk en voor woonruimte gezorgd. Het stigma kan het buurtcomité niet verwijderen. Wél kunnen de kansen worden gegeven die ieder ander ook heeft.
Het afgelopen jaar werden in Kilo Cinco zes babies geboren. Seks in de gevangenis is gewoon. Hoe beter het gedrag, hoe meer seks. De directeur vertelt dat elk half jaar een verkiezing is voor de voortreffelijkste gevangene. ‘De vrouw die wint mag een wens doen en afhankelijk wat ze wil, bezoek van haar familie, kleren of seks – ze krijgt het. Dat stimuleert de anderen’. En als een vrouw haar partner ontmoet kan ze zelf zeggen of ze de pil wil of niet. Later als ze zwanger blijkt, kan de vrouw beslissen of ze het kind wil laten komen of niet. Op Cuba is de vrouw baas in eigen buik. Uitsluitend zij kan in de eerste tien weken van de zwangerschap beslissen of ze abortus wil of niet. Abortus is alleen strafbaar als de zwangere vrouw niet zelf toestemming heeft gegeven, als die niet in een ziekenhuis of kliniek gebeurt of als een arts betaling verlangt.
In een kinderkamer van Kilo Cinco staat Theresa Soto Hernandez over haar drie maanden oude baby gebogen. Over een paar maanden, als het kind zonder moedermelk kan, wordt het bij familie ondergebracht die er wekelijks mee naar de gevangenis zal komen. Theresa zit vier jaar in de gevangenis. Ze moet nog acht jaar. Ze werkte vroeger op de rechtbank. Ze vervalste – volgens haar dossier – documenten en eigende zich geld toe dan anderen aan boetes betaalden. Stelen van de gemeenschap is zo ongeveer het zwaarste delict dat bestaat. De directeur zegt dat het gedrag van Theresa na de geboorte van haar kind veel beter geworden is. Op het luciferdoosje dat ik eerder in het motel van Camaguey heb gekocht staat ‘nada es mas importante que un nino’. Kolonel Carlos Zayas Fernandes die, net als bij het bezoek aan Kilo Siete, zwijgend op de achtergrond heeft toegeluisterd zegt: ‘Als een vrouw een kind krijgt stimuleert dat ook de man tot meer inspanning en een betere houding’.
Terug naar Havana. M’n begeleider belooft me een volgende keer het oostelijk deel van het eiland te zullen laten zien. De plaats waar in 1492 Columbus Amerika ontdekte en waarop spoedig daarna van de negentig miljoen Indianen op het (latijns) Amerikaanse continent er nog drieeneenhalf miljoen over waren. Op Cuba zelf leefden ooit honderdduizend Indianen. Na de slachting bleven er enkele duizenden over. In de eeuwen daarna werden een kleine miljoen bantoe- en yorubanegers uit Senegal en Guinee naar Cuba gebracht die ook gemeenschappen vormden in bijvoorbeeld Brazilië. Op het eiland Cuba ontstond een Afro-Cubaanse cultuur van Afrikaanse legenden, Europese godsdiensten en magische rituelen. In dans en muziek zijn de bembé en de bolero, de caringa en de rumba, de congo en de son door negermuziek beïnvloed.
Ruim tweehonderd kilometer verder van de plaats waar Columbus landde, begon in 1895 dichter, politicus en volksheld José Marti de oorlog tegen de Spaanse kolonialisten. Toen de Cubanen de oorlog zo goed als gewonnen hadden, kwamen de Verenigde Staten tussenbeide. Zij zagen – zo hekelde later de uit Camaguey afkomstige dichter Nicolas Guillén – Cuba als één groot suikerrietveld, ‘een lange groene hagedis met ogen van edelstenen’. Wéér ruim tweehonderd kilometer verder begon in 1956 de nieuwste geschiedenis toen Fidel Castro in de Sierra Maestra landde en de strijd aanbond tegen de zetbaas van de Amerikanen, Batista.
Het is het seizoen van de Indian Summer. Een roerloze namiddag. Ver weg boven het open landschap met hier en daar wat eucalyptusbomen zweven traag enkele gieren. Langs de weg staan kleine, met riet bedekte hutten met een waranda en schommelstoelen. Ze zijn omringd door bananenplanten en sinaasappelbomen. Het land is vlak en vruchtbaar maar lang niet alles is in cultuur gebracht. Soms een perceel rijst, een plantage met ananas, cacaobomen of zoete aardappelen. Dan braakliggende stukken rode aarde. Palmen rijzen donker op tegen de lichte achtergrond waar de zon is ondergegaan. Het is zo’n avond vol nostalgisch verlangen wat de Cubanen omschrijven met ‘saudade’, heimwee naar het volmaakte. Het land wordt nu heuvelachtiger, stiller met eindeloze plantages suikerriet. Links in het zuiden passeren we de Sierra Escambray waar in 1961 door de CIA opgeleide contra-revolutionairen, die bij playa Giron aan land kwamen, werden teruggeslagen. De boeren die hier woonden en de contra’s van voedsel voorzagen werden naar een ander deel van het eiland verbannen. Er staan nu staatsboerderijen.
Ineens slaan de zekeringen van de Wolga door en vallen de lichten uit. De duisternis is ondoordringbaar en de chauffeur mikt op goed geluk naar rechts waar we in de berm tot stilstand komen. Buiten is overal verlatenheid. Er heerst een razende stilte, veroorzaakt door miljoenen insekten in de vochtige plantages. Als we met behulp van een ijzeren draad een noodverbinding maken, spuwt de accu vuur. In de vroege ochtend is ‘Havana een wachtende stad’, schreef José Yanés. ‘Iedere morgen opnieuw, als overlevenden die na een bombardement te voorschijn kruipen, beginnen de mensen van deze stad zo goed en zo kwaad mogelijk te leven. Met geloof in de revolutie, haat, pessimisme, maar vol overtuiging'(uit ‘Stem van alarm en vuur’).
Een ochtend op de zitting van het gemeentelijk volkstribunaal in de wijk Cerro in oost-Havana. De voorzitter is een 25-jarige vrouw, haar twee bijzitters zijn lekenrechters die gekozen zijn door de buurtvergadering. Eén werkt in een fabriek, de ander is automonteur. De lekenrechters hebben dezelfde stem als de voorzitter die afgestudeerd juriste is. Als zij meent dat een verdachte schuldig is en de andere twee vrijspraak concluderen, volgt vrijspraak. Elke maand wisselen de lekenrechters met andere mensen uit de buurt. Zij krijgen allemaal, in avonduren, een korte juridische opleiding. De enige voorwaarde om lekenrechter te worden is een blanco strafblad. Vóór 1976 waren de basistribunalen, zo schrijft de Amsterdamse juriste dr. Adèle G. van der Plas in haar kort geleden verschenen proefschrift ‘Revolution and Criminal justice: the Cuban experiment, 1959-1983′ nog veel gedemocratiseerder. Toen werd de hele rechtbank door en uit de buurtvergadering gekozen en werden zittingen uitsluitend ’s avonds gehouden om iedereen de kans te geven erbij te zijn. Het gebouw waarin de rechtbank van Cerro bijeen komt is nog vrijwel nieuw, gebouwd door de microbrigade – een groep van vrijwilligers en vakmensen die een belangrijke rol speelt bij de bouw van openbare gebouwen en speeltuinen voor kinderen. Er hangt een ongedwongen sfeer. De toga’s zijn losjes om de schouders geslagen. Er zijn vier zaken die alle om mishandeling gaan. In drie gevallen wordt veroordeeld tot een geldboete, een man die door zijn ex-vrouw beschuldigd wordt haar mishandeld te hebben wordt vrijgesproken.
De president van het gemeentelijk volkstribunaal Manuel Péna Aguilar, zegt dat ondanks de veranderingen van tien jaar geleden justitie in handen is van het volk. Elke zitting is openbaar, soms wordt een voorbehoud gemaakt voor zaken die om een ‘publiek schandaal’ gaan – vooral homoseksualiteit. De president zelf houdt zich daarmee bezig. Danilo Chaparro Pérez die namens het provinciale volkstribunaal(zeg maar het gerechtshof) het gesprek bijwoont wil eerst vaststellen dat alles wat privé gebeurt de staat niets aangaat. Wel als het in het openbaar geschiedt. De president van de rechtbank in Cerro Péna Aguilar zegt dat hij gemiddeld twee keer per maand een ‘publiek schandaal’ behandelt. De laatste keer ging het om twee mannen die in een toilet aan het strand vrijend werden opgemerkt. Ze kregen zes maanden celstraf. De president zegt dat die veroordeling terecht is. Homoseksualiteit is een slecht voorbeeld voor de jeugd, burgerlijk en decadent. Homoseksuelen kunnen eenvoudig geen leraar of dokter zijn.
Die middag bezoek ik Monica Krause van de Nationale Werkgroep voor seksuele opvoeding (GNTES) op Cuba. Zij komt uit de DDR, is getrouwd met een Cubaan die enige tijd onderminister was en woont meer dan 25 jaar op het eiland. Zij stelt vast dat in Cuba sprake is van ‘homofobie’. Ze heeft voor haar werk veel gereisd door het Caraïbisch gebied en in latijns-Amerika. Ze zegt: ‘Ik was in Argentinië en Honduras. De homoseksuelen worden er gediscrimineerd. In Chili is het vreselijk voor hen. In andere landen rondom ons worden ze verdoemd. Het geldt voor bijna alle delen in het Caraïbisch gebied waar Spaans en Engels gesproken wordt. Nergens gebeurt het met zo’n virulentie als hier op Cuba. Dat was zo onder Batista en is nog steeds zo. Het heeft te maken met ons verleden. Altijd is de man overgewaardeerd geweest, honderden jaren was hier een mannenoverschot en is de vrouw onderdrukt. Dan de invloed van de katholieke kerk. Het is allemaal misgegaan’. Regelmatig krijgt Monica Krause brieven van jongens die om advies vragen omdat dokters, onderwijzers en sportleraren hen verbieden te masturberen – ‘een teken van zwakheid, geestelijke onvolwassenheid die ziekten veroorzaakt’. Mannen zijn volgens Krause ‘zo fallokratisch ingesteld dat ze zich beledigd tonen als vrouwen de penis niet als het hoogste goed beschouwen’. En tegen condooms is een bijna even grote aversie als tegen homoseksuelen.
Monica Krause: ‘Die houding komt tot uitdrukking in het wetboek van strafrecht op Cuba dat in 1979 in werking trad. Alle artikelen die met seksualiteit en homoseksualiteit te maken hebben zijn het bewijs van diep gewortelde conservatieve opvattingen. In plaats van de seksuele varianten met naam en toenaam te noemen, wordt in de wet gesproken van ‘acceso carnale’ – zoiets als ‘toegang tot het vlees’. Een terminologie die aan de bijbel of Thomas van Aquino zou kunnen zijn ontleend. Taboes, vooroordelen, onwetendheid en aversie’.
Ze vertelt over een brief van een jongen die heel bewust van zijn aantrekkelijkheid rondliep door Havana. Een politieman hield hem staande en vroeg om zijn identiteitskaart. Luid voegde de politieman eraan toe: ‘Jij bent een maricon die niet het recht heeft hier vrij rond te lopen’. Monica Krause: ‘Ieder ander zou zich hebben beklaagd over de belediging van die politieman. De jongen liep snel door. Eigenlijk had hij nog geluk. Een paar jaar geleden zou hij zijn opgepakt en in een gevangenis gestopt voor heropvoeding’.
Wat gebeurt er met mannen of vrouwen die samenleven met een partner van het eigen geslacht? Monica Krause: ‘Het hangt er vanaf wat voor instelling de mensen hebben die het weten of zien. In mijn woonblok woont bijvoorbeeld een jongen die heel manifest, zelfs enigszins agressief homoseksueel is. Iedereen kent hem, iedereen weet wie hij is maar hij wordt volledig gerespecteerd. Niemand zal in een buurtvergadering ook maar één kwaad woord over hem zeggen. Het kan ook dat een comité voor de verdediging van de revolutie zo’n jongen of vrouw het leven moeilijk maakt’. Het kan bijvoorbeeld gebeuren dat een buurtcomité aan iemand die verdacht wordt van homoseksualiteit, verbiedt om ’s avonds na tien uur nog bezoek te ontvangen. In het ergste geval kan iemand een gevangenisstraf van negen maanden krijgen. ‘Toch kan ik zeggen dat de laatste twee, drie jaar heel langzaam mensen tot de overtuiging komen dat homoseksualiteit niet iemands schuld is. Die homoseksualiteit als een natuurlijke variant in het seksueel gedrag zien. Maar op korte termijn zie ik geen spectaculaire verandering’.
Het is niet alleen de straf die dreigt. Ik verneem van tragische ervaringen in vriendenkringen op Cuba. Een jongen wordt op straat beroofd van zijn horloge. Luidkeels doet hij zijn beklag bij de politie. De aangeklaagde verdedigt zich door te zeggen: hij wilde met mij naar bed. Op dat ogenblik wordt het slachtoffer zelf beklaagde.
Een wiskundige die veel met mannen omgaat en in zijn flat Amerikaanse muziek voor hen draait, komt op een avond thuis. Zijn hond is vergiftigd door strychnine en zijn huis beroofd. Hij meldt de inbraak bij de politie. Die arriveert vijf uur later. De politie is sceptisch en eigenlijk niet bereid iets te doen. Een vriend zegt dat iedereen op Cuba recht heeft op bescherming van de wet. ‘OK’, zegt de grootste politieman, ‘dan willen wij dat hier voortaan geen exhibitonistisch gedrag meer wordt vertoond. Anders komen er moeilijkheden’. De inbraak is nooit opgelost.
President Fidel Castro is helaas zelf ook geen voorbeeld van tolerantie als het om homoseksuelen gaat. Toen enige tijd geleden een kolonel van de luchtmacht, Rafaël de Pino, met zijn gezin in een Cessna naar Miami vluchtte en daar zijn land en militaire geheimen verraadde, reageerde Fidel aanvankelijk bedroefd voor de radio. Hij sprak over een ‘trouweloze vriend’. Ineens viel hij uit: ‘Deze De Pino is erg ongelukkig. Hij is naar de Verenigde Staten gegaan met zijn miserabele zoon Ramses die homoseksueel is en zijn perverse activiteiten in noord-Amerika wil uitleven’.
Voor het eerst in de geschiedenis van de revolutie heeft vorig jaar een werkgroep van deskundigen de minister voorgesteld om de artikelen in het wetboek van strafrecht die over homoseksualiteit als ‘publiek schandaal’ gaan(354 en 359) te schrappen. Het ministerie van justitie is een hoog flatgebouw in het bestuurscentrum van Havana – omringd door de departementen van ‘opvoeding’, ‘suiker’ en ‘volksgezondheid’. Hoog torent ‘Havana Libre’, het vroegere Hilton, boven alles uit. Daar ergens beneden is Pica Blanca waar de mooiste gitaarmuziek van de stad wordt gemaakt. Minister Juan Escalona Reguera zegt dat zijn ideaal is ‘onze machismo wortels te verminderen’. Hij herinnert aan ‘de grote tragedie uit de jaren zestig toen homoseksuelen gedwongen werden in arbeidslegers te werken’. Hij zegt: ‘Nu wonen de homoseksuelen op Cuba heel rustig. Het zijn schilders, acteurs, je vindt ze overal. Wij straffen hier niet de homos omdat ze homoseksueel zijn. Maar als ze in het openbaar een schandaal maken zijn ze strafbaar. Dat geldt ook voor heteroseksuelen die op de Malecon gemneenschap hebben. Als je iets wilt moet je dat privé houden’. De minister zal bij de besprekingen in de ministerraad over hervorming van het strafrecht, aandringen ‘elke aanduiding van homo te schrappen waar het niet hoort’. Hij wil ook minimum gevangenisstraffen voor het ‘openbaar schandaal’ – maar het blijft wel in de wet bestaan. Minister Escalona: ‘Wij zijn het er ook niet mee eens dat hier een organisatie komt van homoseksuelen zoals in Amerika. Dat heeft met onze traditie te maken’. En blijven beroepen als onderwijzer en dokter voor hen onbereikbaar?
Minister Escalona: ‘Ik vind dat het geen voorkeur verdient dat onderwijzers, mannen of vrouwen, homoseksueel zijn. Ik zou het niet prettig vinden als de leraar van mijn kind zo is. Een kind kan snel het gedrag van zijn onderwijzer gaan idealiseren’. Ik signaleer overeenkomst met steile christenen op de Veluwe. Het kost enige moeite dat uit te leggen. De minister zucht. Het zij zo. ‘Ik ben het produkt van deze maatschappij. Ik accepteer homoseksualiteit maar verder ga ik niet’.
Zo botsen nieuwe inzichten regelmatig met tradities. We praten lang over de hervorming van het strafrecht. De minister zegt: ‘Ik doe je een bekentenis. Persoonlijk ben ik tegen de toepassing van de doodstraf. Na de val van Batista is de doodstraf ingevoerd omdat we tegemoet moesten komen aan de wens vsan de bevolking. Er waren 20. 000 families waarvan een familielid dood was. Onze strafwet spreekt in 31 artikelen over de doodstraf. In de praktijk wordt die straf in een waanzinnig klein aantal toegepast. Ik ben nu vier jaar minister. Ik heb het opgeteld. Vanaf 1982 zijn er twee mensen geëxecuteerd. Beide keren waren de terechtgestelden veroordeeld voor moord. Ik ben tegen doodstraf maar door de speciale positie waarin Cuba verkeert kunnen we niet zonder. Wij hebben hier veel contrarevolutionairen, de bendes van Miami, allerlei vormen van sabotage. Volgens een commissie uit de senaat van de Verenigde Staten zijn er zes pogingen geweest Fidel Castro te vermoorden. Dat is de reden waarom we de doodstraf in de wet moeten handhaven’.
In hotel Commodore in Havana-Miramar zie ik dagelijks bezoekers met huidaandoeningen. Prachtige zwarte mannen en vrouwen van wie de huid in het gezicht, aan benen en armen grote witte plekken toont. Meisjes hebben zich soms zwart gesminkt om minder op te vallen. Anderen hebben hun haar voor het gezicht gekamd zodat alleen nog de ogen zichtbaar zijn. Nieuwsgierig vraag ik aan een van hen, een man uit Brazilië, waarom hij hier is. Het blijkt om een onschuldige huidziekte te gaan die ‘vitiligo’ wordt genoemd. Een pigmentstoornis die bij witte mensen nauwelijks opvalt maar voor zwarte en gekleurde mensen heel vervelend is. In heel de wereld lijden veertig miljoen mensen aan vitiligo – de witte westerse maatschappij is er nauwelijks in geïnteresseerd. Daarom komen dag in dag uit uit (latijns-) Amerika maar ook uit Europa, de patienten naar Cuba waar dr. Millares in ‘hospital Calixto Garciá á’ hen helpt. De behandeling in de voor het Amerikaanse continent unieke kliniek die een week duurt kost 35 dollar en nog eens drie dollar aan zalf.
In het vliegtuig naar Cuba zit een Belg die naar het ziekenhuis ‘Hermanos Ameijeiras’ in Havana gaat voor een hartoperatie die hij in eigen land niet kan krijgen. Er zijn in de jaren van de revolutie binnen de gezondheidszorg op Cuba grote prestaties geleverd – dat moet, ook zonder de ronkende overzichten van de regering zelf, worden toegegeven. Toen Batista met 150 miljoen dollar uit de schatkist naar de Verenigde Staten vluchtte, was het kindersterftecijfer 60 op de 1000. Vorig jaar daalde het tot 13. 5. Ik bezoek de polikliniek van professor Ordoney in een oude wijk van Havana. Binnen in zijn geblindeerde kamer waar de air conditioning op maximum staat hangt een foto van Fidel Castro met links Ordoney en rechts prof. dr. J. M. Greep uit Maastricht. ‘My friend Co’. Het gesprek gaat ineens veel gemakkelijker. In de periode van Batista was Ordoney internist met een eigen praktijk. Na de revolutie besloot hij niet zijn drieduizend collega’s te volgen die naar Amerika vluchtten. Hij ging meewerken aan de opbouw van de revolutie. ‘Een olm die werd omgeënt om peren voort te brengen’ – zoals Che Guevara die niet authentieke revolutionairen noemde. Hij schetst de tragiek van toen. In 1958 stierven mensen aan polio, difterie, malaria en tetanus. De mensen gingen niet alleen aan ziekten dood, ook aan sociale misere. Er waren slechte huizen, er was racisme en mensen werden geëxploiteerd. In 1958 stak de regering Batista 22 miljoen pesos in de gezondheidszorg. Nu is dat bijna 800 miljoen pesos. Moet, nu het Cuba economisch slecht gaat, ook de gezondheidszorg het met minder doen, ‘inleveren’ zoals ze in het westen zeggen? Ordoney die adviseur is van de minister is ervan overtuigd dat dit niet gebeurt. ‘Als overal minder geld is, zal de gezondheidszorg krijgen wat ze nodig heeft’. Fijntjes herinnert hij eraan dat de gezondheidszorg op Cuba vanzelfsprekend niet zo geldverslindend is dan in het westen. ‘Jullie hebben duizenden soorten medicijnen waaraan de famaceutische industrie veel geld verdient. Op Cuba hebben we 250 verschillende medicijnen. Dat is genoeg, daarmee kunnen we elke ziekte bestrijden’.
Later gidst de chef van de kliniek Daisy Guerra Diaz me door de wijk rondom de polikliniek. Er wonen 30. 000 mensen, er zijn 45 huisarten. Eén family-doctor op 700 patienten. Elke arts heeft een kaartenbak, zoals Raul Ranos Ochoa. Hij leest voor, 114 oude mensen, 96 anderen die lijden aan hyperventilatie, 27 diabetici, 43 met hartproblemen en 29 met astma. Elke morgen komen 45 van de oudste mensen uit de wijk bij hem naar het consultatiebureau om in de tuin fitheidsoefeningen te doen. De dokter verdient 350 pesos per maand, honderd pesos minder dan de minister en honderd meer dan een geschoolde arbeider in een fabriek. Maar het meubilair en het televisietoestel in de dokterswoning is geschonken door de overheid.
Een nacht op het strand in Playa del Este, dertig kilometer buiten Havana. M’n gezelschap heeft het wachten opgegeven om binnengelaten te worden in een etablissement waar meeslepende Cubaanse muziek klinkt. Net als overal staan ook hier lange rijen mensen. Aan pesos is geen gebrek, wel aan mogelijkheden ze om te zetten in consumptie. We drinken rum in de lauwe warmte van de nacht. Boven vluchten melkwegstelsels weg van elkaar. Plotseling doemen uit de duisternis twee tot aan de tanden gewapende militairen op die belast zijn met de grensbewaking. Ze zijn keurig formeel. Ze salueren en vragen om identiteitskaarten. De stilte is voelbaar. Na tien minuten wordt opnieuw gesalueerd. De soldaten verzekeren ons dat we hier kunnen gaan en staan waar we willen. Maar Cuba is in staat van oorlog. Er kunnen contra-revolutionairen het land binnendringen. En er kunnen mensen plannen beramen – want ook dat hoort tot de mogelijkheden – het eiland met bootjes te verlaten. Controle daarom aan het strand, bij het vliegveld, op de verkeersweg en in de woonbuurten. De vrijheid van het individu is beperkt – maar desondanks zijn Cubaanse vrouwen en mannen zo zelfbewust, zo fier. Ik heb op het congres voor de mensenrechten in Havana duizend juristen uit Peru, Haïti, Honduras, Mexico, Brazilië en de Verenigde Staten horen zeggen dat de vrijheid in hun land tot miserabele problemen leidt. Cuba doet het op een andere manier.
Vrij Nederland, 17 oktober 1987