Gevangen op Cuba (1)
RUDIE VAN MEURS – In Havana hebben vorige maand duizend juristen geprobeerd de ‘monoloog van laster en hetze’ vanuit de Verenigde Staten tegen Cuba te onderbreken – want meer lag niet in hun vermogen. Veel opbeurende woorden en solidariteit voor Tomás Borge uit Nicaragua en Fidel Castro – die beiden dominerend aanwezig zijn op het congres over de mensenrechten. Cuba zelf kondigt een hervorming van het strafrecht aan en zet de deuren van de gevangenis wijd open voor bezoekers. Wat de minister van justitie betreft is vanaf nu ook Amnesty International welkom. ‘Wij zijn vastbesloten de leugens over Cuba uit de wereld te helpen’. Een verslag uit de ‘tropische gulag’ van president Reagan.
De juristen, van het Amerikaanse continent en uit Europa, maken georganiseerde excursies naar Combinado del Este – nu in elk geval de méést besproken gevangenis van Cuba. Vorig jaar werden er nog op voorspraak van dominee Jesse Jackson en diepzeeduiker Jacques Yves Cousteau, die z’n hobby deelt met Fidel Castro, honderd gevangenen in vrijheid gesteld. Merendeels contrarevolutionairen en ‘plantados’ – zeg maar totaalweigeraars die zelfs het grijs-grauwe gevangenisuniform niet willen aantrekken en daarom in pyjama’s hun jaren slijten. Combinado del Este ligt daar waar de Malécon overgaat in een kustweg, in een buitenwijk een klein uur buiten Havana. Eigenlijk is het meer een klein streng bewaakt dorp dan een gevangenis. Met een ziekenhuis, werkplaatsen, een cafetaria, 26 matrimoniale ruimten waar gevangenen zich gedurende twaalf uur kunnen terugtrekken met hun partners, een bibliotheek, leslokalen, sportterreinen temidden van bloemen en rozenperken. Er wonen 3000 gevangenen. Het grootste deel werkt en ontvangt salaris en een klein deel zit permantent opgesloten in de hogere verdiepingen van de drie flatgebouwen.
De eerste indruk beantwoordt niet aan het beeld van ‘verschrikking en barbarisme’ dat de vertegenwoordigers van president Reagan hebben geschetst in de commissie voor de mensenrechten van de Verenigde Naties, een half jaar geleden in Genève.
Maar ik ben niet naar Cuba gekomen om een modelgevangenis te zien. Ik heb mijn zin gezet op Kilo Siete – een onbekende gevangenis in het stadje Camaguey meer dan 600 km buiten Havana. Ik had natuurlijk ook kunnen verlangen naar Boniato te gaan, een gevangenis nóg tweehonderd kilometer verder bij Santiago de Cuba. Of naar de Holguin-gevangenis in het gelijknamige stadje tussen Camaguey en Santiago. Maar ik wilde Kilo Siete zien. Omdat Amnesty International er in al haar verslagen maar één zin over weet te melden. Omdat me verteld is dat er de onverbeterlijkste gevangenen zitten en Camaguey een gebied is waar het traagst de zegeningen van de revolutie tot stand zijn gekomen. Kilo is de afkorting van kilometerpaal, maar betekent ook pover en arm. Ik heb mezelf voor dit congres uitgenodigd en ik wil zelf mijn programma vaststellen. Een gesprek met de minister van justitie, onderzoek naar de bejegening van homoseksuelen, contact met het illegale Cubaanse comité voor de mensenrechten van Ricardo Bofill Pages, misschien een bezoek aan de kerncentrale in Cienfuegos in midden-Cuba. Ik wil alles weten over de dramatische lage suiker- en olieprijs die Cuba economisch teistert en Kilo Siete bezoeken. De woordvoerder van de minister van justitie haalt aanvankelijk de wenkbrauwen op en veronderstelt dat de gevangenis in Camaguey misschien al lang gesloten is. De tweede dag waarschuwt hij voor de verschrikkelijke tocht die wacht en die minstens drie dagen vergt. De derde dag zegt de vertegenwoordiger van buitenlandse zaken dat het ‘a hell of a job is to get me in’. Ik herinner aan het gesprek met de nieuwe ambassadeur van Cuba in Den Haag, G. Mazorra, die me bezwoor dat Cuba geen geheimen heeft. Er bestaat een telex van de minister van justitie Juan Escalona Reguera die bevestigde dat ik overal heen kan. Op de vierde dag staat een Wolga van het ministerie van justitie gereed en is elke reserve verdwenen.
Het is het achtentwintigste jaar van de revolutie. De 120 suikerfabrieken produceren meer dan ooit. Maar de prijs van de rietsuiker is de laatste tien jaar naar een dieptepunt gedaald. Een tractor kost op dit ogenblik zeven keer zoveel ton suiker dan toen. De 17. 000 vaten olie die Cuba dagelijks uit eigen bodem haalt en die samen met geïmporteerde Russische olie op de wereldmarkt verhandeld wordt – na aftrek van eigen gebruik – brengen de helft op vergeleken met de gouden jaren. De wisselkoers voor de dollar is nog nooit zo laag geweest. Het zijn de problemen van elk land maar een ontwikkelingsland wordt er zwaarder door getroffen. Octavia Castilla, secretaris-generaal van het departement voor economische samenwerking, stuurt deze maanden bijna dagelijks delegaties naar het buitenland om te praten over de rentebetaling van de schuld die Cuba heeft. Banken weigeren nog krediet te geven. De Club van Parijs zegt nee. De Nederlandse Credietverzekeringsmaatschappij staat niet langer borg voor leveranties aan Cuba. Om de verplichtingen na te komen heeft Cuba zijn import met een half miljard verlaagd. De beste rum die Cuba maakt is voor de export bestemd. Schoenen, vlees, kip, benzine zijn op rantsoen. Met zijn libreta(bonnenboekje) kan een Cubaan één krat bier in de 45 dagen kopen. Op de parallelmarkt kan meer worden gekocht voor extra pesos. Op een avond wordt El Floridita waar Hemingway zijn daiquiri dronk, om acht uur gesloten omdat het water op is.
Alle ellende komt tegelijk. De economische misere valt samen met een nieuw ideologisch offensief vanuit de Verenigde Staten tegen Cuba. Onder president Carter leek de wereldmacht even bereid het strategisch gevaar in het Caraïbisch gebied te willen relativeren. Amerikanen konden zelfs, zonder door de CIA te worden geregistreerd, naar Cuba reizen. Toen verscheen het Santa Fe document dat Carter beschuldigde van verzoeningsgezindheid jegens Cuba en herstel wilde van de Monroe-leer. Dat document werd leidraad voor president Reagan. Sindsdien is de blokkade opnieuw totaal en Fidel Castro weer een ‘tiran’, de vleesgeworden ‘vorst der duisternis die heerst over een totalitair land waar geen menselijke waardigheid bestaat'(Reagan, Ronald).
Een beetje simpel, grotesk zelfs. Maar op het congres over de mensenrechten in Havana vertelt dr. Tony Platt, een hoogleraar van de universiteit van Californië(Sacramento), dat die boodschap kritiekloos door de massamedia wordt overgenomen. Als lid van de directie van het onderzoeksbureau Global Options liet hij de berichtgeving in zeventien dag- en weekbladen onderzoeken. Daaruit bleek dat het State Department uiterst tevreden kan zijn met de anti-communistische campagne tegen Cuba. Slaafs, zonder zelf te onderzoeken, werden aantallen van ’15. 000’ politieke gevangenen overgenomen – terwijl Amnesty International niet veel hoger dan 300 tot 1000 komt. Er werd gemeld over ‘executies, intimidatie, wrede en onmenselijke straffen’. Alleen de Washington Post sputterde wat tegen. Kortom, door de bereidheid van de media president Reagan in zijn afschuw te volgen, werd het een ‘monoloog van ideeën’. Platt:’De Verenigde Staten hanteren een dubbele moraal. Ze weigeren Chili te veroordelen, geen woord over Zuid-Korea, Soeharto, Zaïre en Liberia. Ze weigeren drastische sancties tegen Zuid-Afrika en verdedigen Pol Pot in Kampouchea. Nee, Cuba is de gevaarlijkste van alle’. Platt houdt de juristen van het Amerikaanse continent de vraag voor of de Verenigde Staten wel in de positie verkeren om Cuba te veroordelen voor het niet toepassen van mensenrechten. ‘Als enig westelijk land hanteren de Verenigde Staten de doodstraf. Er wachten 1900 mensen in de dodencel op hun executie. In de eerste zes maanden van 1987 is het vonnis aan twaalf van hen voltrokken. In de Verenigde Staten zitten 546. 000 mensen in de gevangenis’.
Later, op het congres van juristen, voegt Wilhelm Joseph – de voorzitter van de zwarte advokatenvereniging in de Verenigde Staten – eraan toe dat in veel gevangenissen de gedetineerden voor 80 tot 90 procent zwart zijn. ‘Het toepassen van de doodstraf manifesteert zich op een racistische manier in de Verenigde Staten’. Er zijn 90 gedelegeerden uit de Verenigde Staten op het congres in Havana. Ze geven persconferenties, ze komen met zelfbeschuldigingen. Vergeleken bij hen is Tomás Borge, held van de revolutie in Nicaragua, nog mild. Hij noemt de noord-Amerikanen ‘kampioenen in het schenden van mensenrechten, uitgerust met de beste wetenschappelijke methoden in het martelen’. ‘Half latijns-Amerika kan daarover meepraten’. In de wandelgangen van het internationaal congrescentrum verkoopt de delegatie uit Nicaragua ondertussen ‘waardebonnen voor de vrede’ à raison van vijf dollar per stuk. Want president Reagan hield (de CIA weet beter) het Amerikaanse volk voor:’Zie hoe Cuba de lucht- en marinebasis van Rusland werd. Als we niets doen wordt Nicaragua het tweede bruggehoofd van Rusland’. En zo wordt ook Nicaragua tot de bedelstaf gedwongen. Wie geen geld heeft kan ook niet over de massamedia beschikken. Er zijn, naast kranten uit Mecixo en Brazilië, welgeteld drie westerse journalisten op het congres over de mensenrechten in Havana. C. Wright Mills schreef al in 1960 in zijn boek ‘Listen Yankee’, dat noord-Amerikaanse journalisten eenvoudig niet kunnen begrijpen hoe zij over een land in revolutie moeten berichten.
Maar ik wil naar Kilo Siete in Camaguay. De treurige situatie in de Verenigde Staten en de overdrijving van president Reagan, ontslaat Cuba niet van de plicht de mensenrechten in eigen land ernstig te nemen. De minister van justitie Juan Escalona Reguera heeft me deemoedig gezegd dat de revolutie ‘fouten heeft gemaakt’. Hij herhaalt:’Verschrikkelijk grote fouten. Wij hadden in ons hoofd gegrifd dat het strafbare delict het gevolg was van werkloosheid, van a-sociaal gedrag, van gebrek aan betrokkenheid en verantwoordelijkheid. We wilden al die zaken eerst veranderen, de oorzaken van criminaliteit wegnemen. Voor ons jonge revolutionaire rebellen was het heel logisch om te zeggen, die hele rechtspleging hebben we niet nodig. Als we de basis van de maatschappij veranderen, verandert het gedrag van mensen vanzelf. Na een aantal jaren zagen we dat het niet zo was. We moesten onszelf bekritiseren. We stonden voor de taak naar juridische oplossingen te zoeken. Die kwamen er. Vervolgens hebben we al onze aandacht gericht op de sociale structuur, de gezondheidszorg, de landbouw. Het rechtssysteem is te lang minder belangrijk voor ons geweest. Dat verandert nu. We gaan nu in de vergadering van ministers en het centraal comité praten over hervorming van het strafrecht en strafvermindering’.
Het is vier uur in de ochtend. September is de heetste maand van het jaar. De warmte hangt als een lauwe loomte boven Havana. De zwarte Wolga raast over de Malecón naar het oosten. Bij de nieuwe woonstad Alamar begint een zesbaans weg die pas uren later ter hoogte van Sancti Spiritus overgaat in twee banen. De weg is na de revolutie aangelegd met overspannen verwachtingen van de groei. De bevolking steeg sinds 1959 van vijf tot tien miljoen mensen. Het aantal auto’s bedraagt niet meer dan 200. 000, met veel Lada’s, Moskowitch’s en nog mooie oude Oldsmobiles, Chevrolets en Cadillacs. Achteraf beseft de regering van Cuba dat ze beter geld had kunnen investeren in de spoorwegen, die met hopeloos verouderd materieel rijden. Het openbaar vervoer krijgt nu voorrang. In Havana, een eindeloos uitgestrekte stad die nog voortdurend uitdijt met afgeladen gua-gua’s(autobussen) en onvoldoende taxi’s, is een plan gereed voor de aanleg van een ondergronds vervoersnet. Rusland heeft beloofd te helpen.
M’n begeleider, om wie ik gevraagd heb, is een historicus en jurist van de universiteit van Havana. Overal heerst volslagen duisternis. Soms passeren we een gestrande bus met zwaaiende passagiers. Auto’s die zijn blijven steken, worden op de rechter weghelft gerepareerd. Paard en wagens met flambouwen. Soms rukt de chauffeur de auto naar links voor een eenzame midnight cowboy die recht overeind op z’n paard zit. Als de zon om zeven uur opkomt wordt de in de voornacht gevallen regen als een nevelgordijn omhooggehaald. Ik zie bloeiende magnolia’s in het ochtendlicht maar als de auto dichterbij komt zijn het witte Ibissen die zich in kale bomen hebben genesteld.
Het is zondag, zoals elke week de dag van de verdediging. Overal komen groepjes mensen uit het niets te voorschijn in het groene uniform van de volksmilitie. Aan de rand van de dorpen vormen ze kleine legers die zich oefenen in exerceren en discipline tegen de vijand die negentig mijl verder in Miami om een militaire oplossing roept. De volksmilitie is nog een idee van Lenin. Die riep z’n gardisten één rode zondag per jaar op. Cuba herhaalt het elke week want het eiland beschouwt zich constant in een situatie van oorlog.
Camaguey ligt acht uur van Havana. Een kleine provincieplaats uit de zestiende eeuw, midden in het land. Prachtige oude gebouwen met moorse invloed en spaanse geschiedenis. De auto’s zijn nóg ouder dan in Havana, de rij wachtenden voor de bakker en de bioscoop langer, maar de mensen zijn er even zelfbewust. Met veel industrie aan de rondweg, abattoirs en de nieuwe Tinina-brouwerij – gebouwd met hulp van de DDR en Tsjechoslowakije. Sinds vijf jaar heeft Camaguey een universiteit. Het onderwijs ligt er een paar niveau’s lager dan in Havana. De slechte studenten in de hoofdstad worden naar de provincie verbannen – zoals Sanaka Nyerere die ik via m’n begeleider ontmoet in het motel van Camaguey.
Kilo Siete ligt precies zeven kilometer buiten het centrum van Camaguey. Een kilometer lange witte muur met daarop een meter hoog prikkeldraad. Een rode schuifdeur. Gebouwen van de bewakers en dan opnieuw een hoge witte muur. Op regelmatige afstand zijn wachthokken gebouwd waar militairen met geweren en omringd door een bataljon van grote sterke lampen zich presenteren. Op de binnenplaats is de hitte verzengend, de temperatuur in Camaguey ligt gemiddeld vijf graden hoger dan in Havana. In het kantoor word ik opgewacht door directeur Francisco Menzano Gozá ález. Hij is omgeven door een carré van bewakers – zware, grote mannen in groen met koppels waarboven de buiken naar buiten bollen. Een beetje terzijde zit kolonel Carlos Zayas Fernandes die nanems het minister van binnenlandse zaken in de provincie Camaguey verantwoordelijk is voor de gevangenis. Iedereen is even gespannen. Nooit eerder kwam in Kilo Siete een journalist op bezoek en even slikt de directeur iets weg als hij zegt dat hij vanuit Havana de opdracht heeft gekregen aan al mijn vragen te voldoen. Alleen fotograferen mag niet. Dat zijn internationale regels.
Op weg naar Cuba heb ik ‘Against all hope’ van Armando Valladares gelezen – een verslag van 22 jaar verschrikking in Cubaanse gevangenissen. Een afschuwelijke relaas maar nadien heb ik het beeld weer moeten corrigeren. Van het ministerie van justitie kreeg ik dossiers waaruit blijkt dat Valladares in de laatste jaren van Batista(die door Castro werd verjaagd)nog in dienst trad van de gehate nationale politie van de dictator. In die laatste periode van Batista werden 20. 000 Cubanen vermoord. Valladares had daarin een aandeel. En later, toen Castro de macht had overgenomen, werde Valladares betrapt bij het leggen van bommen in bioscopen. Volgens procureur-generaal Ramon de la Cruz Ochoa, met wie ik uitvoerig spreek, heeft ‘de CIA van Valladares een martelaar gemaakt’.
Professor Tony Platt van de universiteit van Californië, die op het congres over de mensenrechten zorgvuldig gedocumenteerd vanuit de Verenigde Staten bericht, zegt dat de vraag onopgelost is gebleven ‘of Valladares echt een dichter en een martelaar is óf een facist en een vervalser’. Zijn boek is in elk geval ‘door het State department en president Reagan uitgebuit als propaganda tegen het kwaad van het communisme’. In Cuba wordt gezegd dat het werk van Valladares in werkelijkheid geschreven is door Aberto Padilla. Als dat zo is gaat Valladares de weg van Ricardo Bofill Pages – de president van het Cubaanse comité voor de mensenrechten. Bofill, die ook gevangen zat en inmiddels vrij man is, schreef het boek ‘El Tiempo es el diablo’ – waarbij de uitgever op de flaptekst liet zetten dat het gaat om ‘de bijzondere novelle van een dissidente marxist uit de gevangenis van Cuba’. Toen het boek in Spanje verscheen herkende een daar wonende Cubaan het als het meesterwerk van Lorenzo Fuentes. Na veel aandringen gaf Bofill de plagiaat toe. Overal liggen voetangels van desinformatie.
Omringd door zwijgende stafleden en bewakers, met de directeur voortdurend in het midden, gaan we door de tweede poort. De muur hier is drie meter hoog met daarboven tweemeter gaas. Voor de muur is een net van vier stalen kabels gespannen die volgens de directeur niet onder stroom staan. Het hele terrein van Kilo Siete is slechts twee hectare groot. Tussen de binnenste muur en de gevangenisgebouwen ligt een binnenplaats van tien meter breed. Een gedeelte is afgescheiden met een laag hek dat je op de veemarkt ziet. De grond is er rul en half omwoeld. Hier worden twee uur per week de strengst gestrafte gevangenen gelucht. Het gaat om een aantal van ruim 500, die wegens slecht gedrag niet in aanmerking komen voor werk. Zij zijn gedoemd tot jarenlange opsluiting. Sinds 1986 heeft de Cubaanse regering 13. 000 mensen vroegtijdig uit de gevangenissen op het eiland ontslagen. Dat is ook in Kilo Siete te merken. Er is ruimte voor 2300 gevangenen. Er verblijven er nu 1623. Onder hen zijn 110 ‘contrarevolutionairen’ – mensen die, verklaart de kolonel, óf een ideologische misdaad begingen óf iets gemeens ondernamen tegen de revolutie wat omschreven wordt als ‘sabotage’. De laatste ‘plantados’ zijn, zegt de directeur, vorig jaar vrijgelaten. Een aantal van de gevangenen in Kilo Siete zit een straf uit van dertig jaar. Een op de drie is recidivist.
Op de nu verlate zalen van de gevangenen die aan het werk zijn, valt weinig aan te merken. Er zijn 160 slaapplaatsen. De plunjezakken hangen ordelijk langs de stapelbedden. Ik verbaas me over de massaliteit maar – zo wordt me duidelijk gemaakt – dit behoort tot het collectieve systeem waarvoor Cuba gekozen heeft. Geen cellen voor ieder apart. Maar een zaal, bestuurt door een raad van gevangenen en een raad van vrijwilligers die zich met de heropvoeding bezighouden. De rondleiding is nog maar pas begonnen. We steken een binnenplaats over waar met grote letters op de muur staat geschreven:Tiro al Yanki.
Plotseling bevind ik me in een gang naast met tralies afgesloten ruimten waarin honderden mannen, soms nog jongens, zijn opgesloten. De bewaker heeft bij onze binnenkomst luid ‘frontera’ geroepen. Alle gevangenen hebben zich onmiddellijk tussen de stapelbedden in rijen van zes opgesteld. Ik zie spanning, schrik en angst op hun gezichten. Zelf ben ik verbijsterd. Ik stop en wil naar binnen. De directeur geeft een kort bevel aan de bewaker die de getraliede deur openmaakt. De zaal is misschien zes meter breed en ik schat ruim twintig meter lang. Achterin zijn drie hurktoiletten, vier kranen en boven een goot waar door een defecte waterleiding constant water stroomt, hangen drie douches. In de muur, gescheiden van de binnenplaats, is een grote ventilator gemetseld die warme lucht naar binnenvoert. De hitte is onverdragelijk. De ongeveer 150 gevangenen staan nog steeds doodstil tussen de stapelbedden. Niemand spreekt. Ik vraag een van hen met me te praten. Hij stemt toe. Het is Juan Bejerano Rojas, 22 jaar, afkomstig uit Florida – een dorp dertig kilometer buiten Camaguey. Hij zegt dat hij op een nacht een huis is binnengedrongen een een radio meegenomen heeft. Daarvoor is hij tot twintig jaar veroordeeld. Later zal de directeur het dossier erbij halen. Rojas heeft inderdaad een radio uit een verlaten huis gehaald en is daarvoor veroordeeld tot dertig jaar gevangenisstraf. Maar hij is ook veroordeeld tot twaalf jaar wegens ‘actieve pederastie in de straat’ – seks met minderjarige jongens. Zijn straf is tenslotte in één slotvonnis op twintig jaar gesteld. Omdat z’n gedrag te wensen overlaat mag hij niet werken. Twee uur per week wordt hij gelucht. De rest van de tijd verblijft hij met 150 anderen op de zaal. Hij speelt zo nu en dan schaak en leest de boeken die z’n familie – die eens in de zes maanden op bezoek mag komen – meebrengt.
De meeste mannen zijn jong, mager en klein. Ze dragen het grijs-grauwe gevangenisuniform. Ze zijn vrijwel kaal geschoren. Ricardo Rodriques Hernando zit twee jaar in de gevangeniszaal opgesloten. Hij is tot acht veroordeeld voor ‘inbraak met geweld’. Hij brak een raam van een huis dat verlaten was en nan een gouden ketting mee. Twee gevangenen duwen een ijzeren pot voor zich uit naar een ander vertrek waar de gedetineerden in kleine groepen aan tafels zitten om brood en macaronisoep te eten. In weer een andere zaal, waar gevangenen tussen de 16 en 27 jaar opgesloten zitten, ontmoet ik Ricardo Marino Campo(23) en Evanjerio Kindelam(22). Ze deserteerden uit militaire dienst. Beiden zeggen dat ze ‘persoonlijke problemen’ in het leger hadden. Ze kregen anderhalf jaar. Volgens de directeur verzetten ze zich bij hun aanhouding. Omdat ze tot de minder zwaar gestraften behoren ontvangen ze een keer in de drie maanden bezoek. Er zijn naast de grote zalen, kleinere vertrekken waar twaalf, acht en vier gevangenen opgesloten zitten. Het ruikt er muf, het is waarschijnlijk dat de temperatuur hier boven de 35 graden stijgt. Hier niet, zoals in Combinado del Este, een bibliotheek, sportvelden en leslokalen. Hier collectieve opsluiting die voor sommigen twintig jaar en langer voortduurt. Er zijn drie televisies die door de tien vertrekken rouleren. De directeur zegt dat in Kilo Siete de gevaarlijkste mensen van het land zitten. ‘In het begin hadden we hier veel gevechten en geweld tussen gevangenen onderling. Sinds in 1980 de gebouwen zijn opgeknapt is dat minder geworden. Dit jaar is er nog maar een keer ernstig geweld geweest waarbij gewonden vielen’.
Zoveel mensen bij elkaar in zulke nare ruimten en dan zo weinig geweld?
De directeur zegt:’Meer dan zestig procent van de gevangenen werkt en dan is er geen tijd om aan geweld te denken’.
Maar die vijfhonderd mensen die niet werken? Als het daar mis gaat heeft de directeur de beschikking over ruimten om te isoleren. Hij mag gevangenen drie maanden in eenzaamheid opsluiten.
Midden in de gang, tussen andere zalen in, een kleine nis achter tralies. Een zwarte man. Hij heet Annjel Luis en is 31 jaar. Hij is tot dertig jaar gevangenisstraf veroordeeld en heeft daarvan elf jaar uitgezeten in beurtelings collectieve en eenzame opsluiting in Kilo Siete. Hij noemt als enig vergrijp samen met dertig anderen een vrouw te hebben aangerand. Later verklaart de directeur dat Luis twintig jaar is veroordeeld voor geweld. Vervolgens is hij tot dertig jaar veroordeeld voor seks met minderjarige jongens onder gebruik van geweld(‘pedestria con violencia’). Dan heeft hij andermaal dertig jaar gekregen voor ongehoorzaamheid in de gevangenis. Tenslotte nog eens vijf jaar voor wederom ongehoorzaamheid en herriemaken. Bij elkaar is dat 85 jaar straf. Die is in één slotvonnis teruggebracht tot dertig jaar.
De directeur vertelt onder schamper gelach van zijn secondanten, hoe Luis ‘regelmatig geweld gebruikt om een coïtus te hebben met een partner van hetzelfde geslacht’.
Het gezelschap achter me laat merken haast te hebben. We passeren in hoog tempo meer zalen met gevangenen die roerloos in het gelid staan. Dan kom ik bij de laatste zaal waar de gevangenen zich niets hebben aangetrokken van het luide commando ‘frontera’. Ze verdringen zich voor de tralies, twee lopen in pyama’s en op een van de onderste bedden ligt een man met een zwachtel om z’n hoofd. Eén maakt zich tot de woordvoerder. Hij klemt zijn handen rond de tralies en vraagt de kolonel te spreken. Het gezelschap reageert verward maar de kolonel kan dat verzoek nu niet negeren. De gevangene, een mulat, vraagt beleefd waarom hij niets hoort op zijn brieven. Hij zegt dat hij herhaaldelijk geslagen is en daarover zijn beklag doet. De kolonel zegt het met de directie te zullen bespreken. Ik vraag de cel binnen te mogen maar de kolonel reageert niet. De bewakers dringen voorzichtig op en even later staan we op de binnenplaats.
De minister van justitie dr. Juan Escalona Reguera had me erop voorbereid dat ik dingen zou zien, die hij wil veranderen. ‘Maar ik wil dat je naar Kilo Siete gaat. Na dertig jaar van gewoonten, dat beloof ik, gaan we hier regels doorbreken’. Escalona is nu – na zevenentwintig jaar lang generaal en advokaat te zijn geweest van het leger – sinds vier jaar minister van justitie. Hij heeft kort geleden Ramon de la Cruz Ochoa benoemd tot procureur-generaal. Hij heeft de nieuwe hoofdredacteur van het partijblad Granma, Enrique Roman, gevraagd om een ‘kritischer houding ten aanzien van de regering’. Escalona en zijn procureur-generaal willen drastisch lagere straffen voor kleine diefstallen en vermogensdelicten. In dse plaats daarvan willen zij straffen met hogere boetes. Ramon de la Cruz wil ‘professionalisering van de politie en toezien op de legaliteit van het optreden van politie en gevangenispersoneel’. Hij wil, zei hij in een gesprek, ‘dat de rechten van gevangenen worden eerbiedigd’.
Vorige week sprak het centraal comité op Cuba over de voorstellen voor hervorming van het strafrecht. Escalona zegt:’Ik weet niet wat de raad van veertig ministers en de vijftien leden van de staatsraad uiteindelijk met onze voorstellen zullen doen. Maar Fidel is het er mee eens dat er veranderingen moeten komen in ons strafrecht’.
El commandante en jefe zelf sprak aan het eind van het congres over de mensenrechten in Havana vier uur lang de juristen toe. Ironisch, met bijtend sarcasme naar de Verenigde Staten, vol retoriek, verbaal geweld en geloof in de eindoverwinning van het socialisme. Vervolgens liet hij zich twee uur lang omstuwen door bewonderaars op een receptie in het paleis van de revolutie. Alleen zijn battle-dress rook nieuw. Sommige zaken op Cuba veranderen nooit.
Vrij Nederland, 10 oktober 1987