‘Wij zijn geschrokken van de dingen die mogelijk zijn zonder dat je daarvoor de bak in moet’
De malafide notarissen worden nu door tien van hun eigen vakbroeders aangeklaagd
Rudie van Meurs
Op woensdag 25 maart, om half een in de middag, arriveren vier rechercheurs in burger voor het kantoor van notaris E. Haverschmidt aan de Laan Copes van Cattenburch in Den Haag. Terwijl een van de mannen zich bij de voordeur posteert, nemen de anderen de trap naar de eerste etage.
De notaris verbleekt als het bezoek zijn kamer binnenkomt. Er ontstaat een korte doch forse woordenwisseling, die door het personeel in de aangrenzende vertrekken met zorg wordt aangehoord. Dan wordt het stil. Een paar minuten later gaan de politiemensen, met in hun midden de notaris, de trap af en vertrekt het gezelschap in een voor de deur staande auto naar het politiebureau. Daar wordt de notaris vier dagen vastgehouden en voorgeleid voor de rechtercommissaris die tot voorlopige hechtenis overgaat. Haverschmidt wordt verdacht van ‘valsheid in geschrifte’. Maar de hoogst ongewone ijver waarmee justitie vorige week de notarispraktijk binnendrong, gaf aan dat de situatie veel ernstiger is. ‘Het rommelt binnen het notariaat. We worden geconfronteerd met ontwikkelingen die een aantal jaren geleden niet mogelijk waren. Soms blijkt dat de ereregels die de Koninklijke Notariële Broederschap heeft opgesteld geen ethische begrippen meer zijn. Dan is het tijd voor de tuchtrechter,’ zegt een woordvoerder van de Kamer van Toezicht over de Notarissen in Den Haag. Terwijl Haverschmidt zucht in het gevang, wachten confrères buiten met het zweet in de handen het vervolg van de actie van justitie af. Is dit het begin?
In een reeks van zes publikaties noemde Vrij Nederland eind vorig jaar de namen van negen notarissen die zondigen tegen de wet op het notarisambt en die de ereregels van de broederschap met voeten treden. Haverschmidt is een van hen. Hij werd op latere leeftijd notaris, maar net op tijd om te profiteren van de gouden jaren zestig en begin zeventig die de transacties in onroerend goed de handelaar én de notaris brachten. Haverschmidt beperkte zich niet tot het louter passeren van aktes. Hij ging meedoen in de handel. Zijn kantoor werd ten slotte voornamelijk gefrequenteerd door obscure handelaars en speculanten met wie Haverschmidt zaken deed en voor wie hij als notaris optrad. Zo raakte hij ook op de hoogte van de gewoonten die dat wereldje eigen zijn: grof geschut, intimidatie en geweld. De laatste jaren was het kantoor van Haverschmidt dagelijks doelwit van telefonische dreigementen, hij raakte verwikkeld in talloze processen, werd achtervolgd door rancuneuze oud-cliënten, ontving anonieme brieven en werd gechanteerd met privé-affaires en zaken die hij als notaris fout had gedaan.
In het begin van de jaren zeventig nam hij een medewerker in dienst, genaamd P. A. M. Schuurman die afkomstig was van het notariskantoor J. B. Bonninga uit Den Haag. Schuurman ontwikkelde zich van eenvoudig klerk tot de rechterhand van de notaris die zich belastte met de handel in onroerend goed. Schuurman wist veel van Haverschmidt, té veel en ging met die wetenschap zijn principaal onder druk zetten. Soms streek Schuurman enig judasloon op door in zogenaamde abc-aktes te fungeren als stroman — schakel tussen de verkoper en definitieve koper die soms tien mille en meer in één penne-streek kan binnenhalen. In februari dit jaar zag Schuurman kans via zijn werkgever Haverschmidt een hypotheek te krijgen op zijn twee huizen in ‘s-Graven-zande en Maassluis. Het ging om een nieuwe hypotheek van de Rijkspostspaarbank. Haverschmidt wist dat op elk van de twee huizen een hypotheek stond, één van de Rijkspostspaarbank en de tweede van Mees en Hope. Met die derde hypotheek hadden dan ook de andere moeten worden afgelost. Dat gebeurde niet. In de loop van de dag verdween Schuurman met het geld van de derde hypotheek (ƒ 414.000) en hij is sindsdien voortvluchtig. Twee maanden al bijna.
Overigens zijn door de dagbladen enige slordigheden begaan bij de berichtgeving over de arrestatie van Haverschmidt. Zo noemde het Algemeen Dagblad de naam van H. (zo hypocriet is dat blad wel om bekende Haagse notabelen met initialen aan te duiden) in één adem met M. P. F. (Feltzer) en J. H. G. (Goudstikker). Twee collega-notarissen die wel eens een akte verleden voor Haverschmidt als deze bij het onderhavige schriftuur óf zelf óf via familie betrokken was. Maar de twee hebben niets met de praktijken van Haverschmidt van doen. Van Feltzer is bekend dat hij volstrekt onkundig was van wat Haverschmidt deed. Dat geldt ook voor Goudstikker. Feltzer zegt: ‘Als ik het nu allemaal bezie, zeg ik dat ik de pech en het ongeluk heb gehad juist aan Haverschmidt gekoppeld te zijn geweest. We deden over en weer familie-akten voor elkaar. Het is als confrères ongepast te vragen waar het voor nodig is. De akten van Haverschmidt worden door hem zelf voorbereid. Ik zie er niks van. Ik zet alleen mijn handtekening onder de minuut. Dat is alles.’
Wie wel met argwaan door justitie worden bezien zijn de Haagse notarissen Peter J. Busch — regelmatig onderwerp van napluizingen van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (Fiod) en vaste notaris van louche handelaren in onroerend goed — en J. B. Bonninga. Bonninga heeft overigens de bui al zien aankomen. Kort na de publikaties eind vorig jaar in VN, besloot hij met pensioen te gaan. Dat zal hem per ingang van l januari aanstaande eervol worden verleend. Eervol? ‘Och,’ zegt de woordvoerder van de Kamer van Toezicht In Den Haag, ‘dat is louter formeel. Zelfs de grootste schurk gaat nog met eervol ontslag. Je rnoet het wel erg bont maken om dat niet te krijgen.’ Van Bonninga is bekend dat hij als (enige actieve) bestuurder van een stichting geld leende in de vorm van een hypotheek aan zijn zoon Bram die in de handel van onroerend goed zit. Dat is een notaris niet toegestaan. Voorts dreef Bonninga sr een opgewekte handel in kleine, slechte huizen die werden verkocht aan gastarbeiders en andere uitgestotenen van onze welvaartsmaatschappij. Intussen is ook nog bekend geworden dat Bonninga vrijmoedig de hand lichtte met de ‘tijdelijke wet huurkoop onroerend goed’. Zo koopt op 2 mei 1975 de heer Hassan Kuru, employé bij de rubberfabriek Vredestein, een etagewoning in de Haagse Smitsstraat 47. De akte wordt bij Bonninga gepasseerd en de tekst geeft de heer Kuru geen been om op te staan. Notaris Bonninga — ik ben bij een confrère van hem te rade gegaan — heeft dan ook een niet gering ambtsverzuim begaan. Hij is in de akte van Kuru afgeweken van de artikelen twee en vijf van de ‘tijdelijke wet huurkoop onroerend goed— terwijl die wet in 1973 nog wel tot stand kwam om aan een aantal Haagse misstanden een eind te maken. De kans is overigens groot dat de actie van justitie (en de Kamer van Toezicht in Den Haag) een vervolg gaat krijgen.
Lopende zaken
Op dit ogenblik zijn medewerkers en oud-medewerkers van aangeklaagde notarissen op het politiebureau ontboden voor verhoor. Bovendien heeft een tiental notarissen uit onder meer Waardenburg, Vianen, Den Bosch, Eindhoven en Friesland een klacht gereed tegen hun (in VN genoemde) confrères. De klacht zal — met de bewijsstukken — eind volgende week verzonden worden aan de Kamers van Toezicht in Den Haag, Amsterdam, Rotterdam en Maastricht. De tien notarissen wilden aanvankelijk al een maand eerder in actie komen. Daartoe nodigden zij de Koninklijke Notariële Broederschap uit hun klacht over te nemen en gezamenlijk het kwaad van de zwakke broeders te bestrijden. Maar de broederschap, die rust in het ‘eigen huis’ zeer op prijs stelt, weigerde met de actie mee te doen. Nu hebben de tien notarissen besloten zelfstandig verder te gaan. Een woordvoerder van de klagers zegt: ‘Het gaat hier om een structurele zaak. We hadden graag gezien dat het hoofdbestuur van de broederschap de zaak had aangepakt. Nu dat niet gebeurt gaan we zelf verder. Wij zijn erg ongerust over datgene wat notarissen zich menen te kunnen permitteren. Wij zijn geschrokken over de marges die bestaan tussen wat als oorbaar wordt gezien en de dingen die mogelijk zijn zonder dat je daarvoor de bak in moet. Zowel het publiek als onze broeders en zusters moeten weten dat als een notaris scheef gaat, hij onmiddellijk wordt aangepakt. Wij moeten fatsoenlijker zijn dan fatsoenlijk.’
Vrij Nederland, Jaargang 41 – 5 april 1980