Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars

Een generaal met gebrekkige kennis van topografie

‘En één dag nadat de hoofdingelanden voor vast op hun dijklegers gepost stonden, beval Waterstaat de riviercorrespondentie. De burgemeesters van de langs de dijk gelegen gemeenten werden daarop bijeengeroepen en de noodregelingen en ’t klokkenslag vastgesteld. Er was een hecht verband toen nog, al de bevelen van de dijkgraaf werden stipt nagekomen. De ingelanden die naar de dijk waren gekomen vereerden hem bovenmate. Thans was hij hun aller hulpe, de man van de verantwoordelijkheid, van wiens wil en durf bekant alles afhing. De boden reden tussen de posten af en aan, ’s nachts met fakkels hetgeen bar spookachtig was. En in ‘de Koekoek’ daar zat Gieljan Beijen tegenover kapitein Portheine van de genie en een hoofdambtenaar van Waterstaat. De tafel was met stroomkaarten bedekt. De dijkgraaf zweette. De toestand lag thans wreed en onafwendbaar. Van boven kwamen nòg berichten van was en meerdere was betekende gewisselijk: doorbraak. Doorbraak, hier of gunter of aan de overzij.’

(Het Wassende Water, Hendrik de Man 1925)

Een generaal met gebrekkige kennis van topografie

Over hoog water, ruzies, angst en onwetendheid en hoe het kwam dat de vluchtende massa zelfs de hoge gronden verliet

Hoofdstuk 3

Het had zes dagen vrijwel onafgebroken geregend met honderd millimeter neerslag in het stroomgebied van de Rijn. Door de plotselinge temperatuurstijging was in het Zwarte Woud en de Vogezen de sneeuwgrens tot boven tweeduizend meter gestegen. Door de Main spoelde een golf van smelt- en regenwater die bij Frankfurt een top bereikte van negentienhonderd kubieke meter per seconde. Dat was nooit eerder gebeurd. In de Moezel ontwikkelden zich drie hoogwatergolven. Bij Trier steeg het water in één etmaal met vijf meter.
In het land tussen de grote rivieren heerste voelbare spanning. Al een week lang was de ongerustheid gevoed door berichten over uitbundige regenval in de Franse en Belgische Ardennen. Met beelden van mensen in rubberboten door ondergelopen straten. In Borgharen en Itteren hadden burgers het dringend advies gekregen hun huizen te verlaten. Maar die berichtgeving ging over de Maas, een regenrivier die in die omgeving voorspelbaar haar grenzen verlegt. Niettemin gingen langs de Waal de eerste bewoners spontaan pakken en verlieten met have en goed hun huizen. Anderen begonnen te hamsteren. Een enkel bedrijf had het besluit genomen kostbaar materieel elders in veiligheid te brengen. Mensen namen het gedrag over van een kudde schapen die in de verte een vreemde hond in het weiland ziet verschijnen. Toen de een begon te rennen, gingen ze allemaal rennen. Huiver sloeg hier en daar om in paniek. En veel bestuurders reageerden wankelmoedig.

In die onheilszwangere stemming had het polderdistrict dringend behoefte aan advies. Samen met dijkgraaf Van Leeuwen en dertig vertegenwoordigers van gemeenten en andere waterschappen, had Jan Litjens op zondagavond 29 januari een ‘verwarrende’ vergadering bezocht in het provinciehuis van Arnhem. De commissaris van de koningin J. Terlouw had daar, staande voor een kaart van het Gelders rivierengebied, geprobeerd de ernst van de situatie te schetsen. Helaas deugde die kaart niet. Het was een inderhaast uit de dienst Milieu en Water weggegriste schets die vooral ging over de toekomstige natuurgebieden in de regio. Een andere aanwezige dijkgraaf, drs. W. Wolters van het polderdistrict Rijn en IJssel, zou later in het boek ‘Niets is bestendig’ schrijven dat mede daardoor de aanwezige autoriteiten een ‘pijnlijk gebrek aan topografische kennis’ demonstreerden. Als in het provinciaal coördinatiecentrum goede hoogtekaarten beschikbaar waren geweest, was het misschien nooit tot evacuatie van de Ooijpolder gekomen. Dan hadden de mensen in Kesteren gewoon thuis kunnen blijven. Er zouden dan ook geen ruzieachtige discussies nodig zijn geweest over de evacuatie van bijvoorbeeld Bemmel. Niet gehinderd door topografische kennis stelde Commissaris Terlouw de discussie op scherp. Hij wilde van de dijkgraven weten of er in hun gebied ‘tien procent of meer kans was dat de dijken het zouden begeven’. Die vraagstelling veroorzaakte veel consternatie. Waterschappen zijn immers gewend risico’s te omschrijven met een faalkans van eens in de zoveel honderd jaar. Zij kunnen precies aangeven dat als iemand tachtig jaar aan de dijk woont, hij een kans heeft van bijna honderd procent om één of meer hoge waterstanden (zoals in 1995) mee te maken. Maar tien procent? Wat bedoelde de commissaris? Hier etaleerde zich het verschil in denken over veiligheid. Terlouw was immers fysicus en geen waterbouwer.
Terlouw probeerde het nog een keer. Als, zei hij, er een brug zou zijn met tien procent kans van instorten, dan zou hij die brug onmiddellijk laten sluiten. Mee eens? Iedereen zei ja. Litjens vond het een ‘verdraaid suggestieve vraag’. Hij zei: ‘Als de commissaris gevraagd had, stel je voor, je zit op een schip en dat heeft een kans van tien procent om ten onder te gaan. Spring je er dan vanaf? Natuurlijk niet, dat doet niemand. Het begrip veiligheid is zo relatief.’

Het polderdistrict Betuwe riep op 30 januari alle locale deskundigen op naar het Ambtshuis te komen voor een onafhankelijk advies over de sterkte van de dijken. In een extra vergadering van de dijkstoel onder leiding van dijkgraaf Van Leeuwen, werd allereerst geluisterd naar het oordeel van de heemraden B. Teunissen, F. Verbrugh, A. Tap, H. Zomerdijk, A.E. Leijser en W. Spinhoven. De secretaris had het gevoel dat door de opgeroepen spanning dingen gebeurden ‘buiten het normale verstand om’. Dat de gebeurtenissen zich ‘in een soort roes’ aan het voltrekken waren. De zitting in het provinciehuis had daar aan bijgedragen. Ook Van Leeuwen ergerde zich aan de permanente druk die uitging om te evacueren. Hij wilde beslissingen nemen in een sfeer van rust en niet van exaltatie. Daarom die extra vergadering van de dijkstoel van Betuwe. Toen de heemraden waren uitgesproken gaf de dijkgraaf het woord aan zijn naaste medewerkers – de hoofden van dienst, allen mannen met grote ervaring en kennis van zaken over het gedrag van water. Leen Goedegebure hoorde erbij (onderhoud), Hans van Poelwijk (onderhoud) ing. Johan van Meegen (technische dienst); ing. Just Kroeze (dienstkring Neder-Betuwe); ing. C.G. (Ger) de Vrieze (dijkverbeteringen). Ook oud-secretaris Jan T.M. Derksen was uitgenodigd zijn oordeel te geven.
Ger de Vrieze stond intussen voortdurend in contact met WL/Delft Hydraulics. Alle technische gegevens die De Vrieze verzamelde over waterstanden en kwel, wind en windrichting in de Betuwe, stopte dat bureau in een computer om vervolgens vrijwel onmiddellijk antwoord te geven over de veiligheid. Die bleef steeds binnen de normen – zo berichtte Litjens aan de dijkgraaf. De dijkgraaf zelf werd in die bange dagen voortdurend begeleid en op de hoogte gehouden door Johan van Meegen.

Van meet af aan was de discussie in het rivierengebied gedomineerd door twee mannen, de burgemeester van Nijmegen mr. E. d’Hondt en de secretaris-coördinator van het polderdistrict Groot Maas en Waal ing. H.H. Kok. De laatste hield niet van Rijkswaterstaat, wantrouwde de voorspellingen van de dienst over het hoge water en was buitengewoon ontstemd dat tijdens het crisisberaad op zondag niemand van Rijkswaterstaat aanwezig was. Op vrijdag voorafgaand aan de bijeenkomst in het provinciehuis was Kok in z’n argwaan gesteund door z’n collega-ambtenaren van de andere waterschappen. Het was trouwens opmerkelijk dat gedurende die spannende dagen rondom februari, Rijkswaterstaat zich nauwelijks liet gelden. Kok had, vertelde hij later, met d’Hondt afgesproken om elkaar tijdens de bijeenkomst op het provinciehuis bij te staan. De burgemeester van Nijmegen was iemand die graag leek te triomferen. Een op het oog statige, kille bestuurder overtuigd van zijn eigen gelijk. Vanuit Arnhem had hij in maart 1994 de opdracht gekregen een blauwdruk te ontwikkelen voor een rampenbestrijdingsplan dat gebruikt zou kunnen worden door de twaalf dijkringen in de provincie. Dat was in alle stilte voorbereid en door de burgemeester begin december 1994 zelf vastgesteld. Later was het door het provinciaal bestuur overgenomen. Op de kaft van het plan stond ‘niet openbaar’. Het kritieke waterpeil was vastgesteld op NAP +16,50 meter. Een handjevol bestuurders was op de hoogte van die rigide grens. Rijkswaterstaat bijvoorbeeld wist er niets van. Omdat er inmiddels voorspellingen waren dat het water kon wassen tot NAP +16,55 meter en meer meldde Kok dat zijn bestuur vanaf 1 februari niet meer kon instaan voor de veiligheid van de dijken. Daarop concludeerde d’Hondt tijdens datzelfde crisisberaad, tot verbazing van de rest van de aanwezigen, dat evacuatie onvermijdelijk was. De secretaris van het Intergemeentelijk Orgaan Rivierenland, drs. R.G. Bransz die op alle bijeenkomsten aanwezig was, zou later zeggen: ‘In feite is het besluit genomen door de burgemeester van Nijmegen, in zijn functie als voorzitter van de regionale brandweer.’ Dat gebeurde op basis van de informatie die Kok aandroeg. Het zou leiden tot een vlucht van tweehonderdduizend mensen uit het rivierengebied.
Dijkgraaf Wolters van Rijn en IJssel – in die dagen voorzitter van de dijkverbeterende waterschappen van Gelderland, een functie die later door Van Leeuwen zou worden overgenomen kon zich jaren daarna nog opwinden over de stille coup van de twee bondgenoten: ‘Ik heb mij verzet tegen de ideeën van Kok en d’Hondt. Ik vond ze zo opgeblazen. Terlouw deed daar aan mee. In mijn polderdistrict is niemand geëvacueerd. Wij kwamen elke dag in Zevenaar bijeen en ieder gedroeg zich kalm en nuchter, heel anders dan dat opgewonden gedoe van die burgemeesters uit het rivierengebied.’

De ochtend na de hectische avond op het Ambtshuis was het vluchtplan een eigen leven gaan leiden. De toenmalige dijkgraaf Van Leeuwen herinnerde zich zijn tochten naar Arnhem als een boze droom: ‘Elke keer als ik in die week het provinciehuis binnenkwam vroeg de commissaris van de koningin me: ‘Leg me eens uit waarom u nog niet gaat evacueren. Hij vroeg niet of het nodig was of hoe de toestand was. Nee, hij zei, leg me eens uit waarom het nog niet gebeurt. Dat was zijn stereotiepe vraag. Hij stelde voorop, het polderdistrict Maas en Waal had inmiddels geadviseerd tot evacuatie over te gaan. De bewoners van de Bommelerwaard was aangezegd te verdwijnen. Daarom moesten wij wel volgen.’
Terlouw kende het gebied onvoldoende en was ook niet deskundig op het gebied van waterkeringen. De Betuwe is een polderdistrict met langzaam afhellend land. Bij Lobith ligt het land dertien meter boven de zeespiegel, bij Elst is het negen meter en Tiel ligt op vijf meter boven het niveau van de zee. Bovendien waren de dijken van de Betuwe historisch van een veel betere kwaliteit dan die van Maas en Waal. D.N.P. Tap, die ruim twintig jaar dijkgraaf in de Betuwe was, zei me een keer terwijl hij slim lachte: ‘Wij hadden de beste dijken van heel het rivierengebied. Je moest je overburen voortdurend een slag voor zijn en dat waren wij. Als de dijk zou doorbreken zou dat niet bij ons zijn maar zou dat aan de overkant gebeuren. Dat was Maas en Waal.’
En Hans van Leeuwen, die Tap opvolgde, had verteld hoe hij na de kerstvloed van 1993 op advies van zijn technische dienst besloten had onmiddellijk acht minder solide dijkvakken in zijn polder onder handen te nemen. Los van de bestaande dijkverbeteringsplannen. Hij herinnerde zich: ‘Daar kreeg ik in de wereld van de waterschappen de handen niet voor op elkaar. Mijn collega’s zeiden me, wij moeten een gesloten front blijven vormen. Als jij er tussen uit gaat en nu al begint, dan doorbreek je ons front. Wat ze wilden was de spanning zo hoog opvoeren dat van bovenaf toestemming zou komen alle dijken te verhogen. Ik weet het nog goed. Ik was een paar maanden dijkgraaf toen de commissie waterkeringen van de Unie van Waterschappen in Druten bijeenkwam. Ik zei wat ik ging doen. M’n collega’s zeiden, jij verpest onze zaak. We moeten de spanning erin houden, alleen zo kunnen we een politieke doorbraak forceren.’

In het regionale dagblad De Gelderlander werd op dinsdagochtend 31 januari 1995 een kaart gepubliceerd die uitging van een doemscenario. Bij overstroming zouden sommige plaatsen negen meter onder water komen te staan. De gegevens voor de nieuwe paniekaanval waren geleverd door de Dienst Milieu en Water van de provincie – dezelfde van de gebrekkige kaart in het commandocentrum van Terlouw. Ze gingen uit van een extreme waterstand van 17,80 meter boven NAP – terwijl op dat ogenblik de zwartste voorspellingen 16,65 meter waren.
Dijkgraaf Wolters noemde de kaart ‘onzinnig’. Alleen ten oosten van Gorinchem, waar de woonwijk Wijdschild lag, en ten oosten van de kade langs het Amsterdam-Rijnkanaal zou het water vele meters hoog kunnen stijgen. Toch was die kaart overal onderwerp van gesprek en werd de angst er bij het grote publiek verder door gevoed. Later zou Delft Cluster – een centrum van onderzoek naar onder meer risico’s van overstromingen – de gevolgen publiceren van een hypothetische dijkdoorbraak bij Echteld. De uitslag luidde dat ‘de uiteindelijke maximale waterstanden in de polder veelal niet hoger zullen zijn dan de laagste dijk. Bij langgerekte gebieden zoals de Betuwe en de Tieler- en Culemborgerwaarden zal bij een doorbraak de maximale diepte in het oostelijk gelegen deel van de polder plaatselijk hooguit enkele meters bedragen, omdat het water direct al naar het lager gelegen deel stroomt.’ En bij een doorbraak in het westelijk deel van de Betuwe zou de Over-Betuwe zelfs helemaal droog blijven.
Zo liep de koorts steeds verder op. Toen, in de hitte van het moment, spoedde burgemeester d’Hondt zich naar de camera’s van RTL-televisie en kondigde eenzijdig de evacuatie af. Achteraf is dat eigengereid optreden ook wel uitgelegd als een meesterzet. Naast een gevecht tegen het water voerden de autoriteiten in de crisiscentra ook een dans op om de macht. Vanuit het zuiden, waar de Maas rustiger was geworden, marcheerde een legertje verslaggevers en cameramensen naar Nijmegen en Arnhem om deel twee van hun prachtonderwerp te verslaan. Het is nooit zo goed vast te stellen waar het hyperventileren begint, maar gedurende het hoge water begin 1995 werden autoriteiten en journalisten beiden aangestoken door hetzelfde virus dat hype heet.
De media troffen d’Hondt als eerste. Een paar kilometer verderop, in het commandocentrum van het provinciehuis te Arnhem, zagen Terlouw en consorten tandenknarsend toe hoe hij op de televisie de aftocht aankondigde van tienduizenden burgers uit het rivierengebied. De burgemeester van Nijmegen was de commissaris een slag voor geweest en liet weten dat het gezag hem toekwam. Pas veel later bleek welke wonden dat optreden sloeg. Jan Terlouw zei tegen Elja Diepenbrock die een politicologisch werkstuk schreef over de evacuatie: ‘De burgemeester van Nijmegen heeft zich veelvuldig gruwelijk vergist. Hij snapte niet hoe het lag met de bevoegdheden.’ D’Hondt noemde Terlouw ‘gefrustreerd’: ‘Die heeft eigenlijk alleen een rol gespeeld daar in het perscentrum (…) Dat was niet slecht, het was ook niet goed (…) Hij was absoluut niet op de hoogte hoe het zat. Hij zat daar om te coördineren.’ De burgemeester meende dat ‘baasje’ Terlouw last had van zijn ‘status en positie’. De commissaris verdedigde zich dat hij in het leger was geweest: ‘Ik voelde mij als een bevelhebber, een generaal, en die zit in een commandopost.’ En hij mokte dat ‘die coördinerend burgemeester geen enkel gezag had.’
Het lot van tenslotte tweehonderdduizend evacués zou worden bepaald door deze bestuurders.

Het gezag van de burgemeesterDe verhoudingen tussen bestuurders onderling vielen in die chaotische periode het best te omschrijven als recalcitrant. Er was veel verwarring over wie het gezag toekwam en wie het belangrijkst was.
In artikel 175, lid 1 van de Gemeentewet staat: ‘ In geval van oproerige bewegingen (…) of van rampen en zware ongevallen dan wel van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, is de burgemeester bevoegd alle bevelen te geven die hij ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar nodig acht.’ De burgemeester, met andere woorden, is en blijft opperbevelhebber. Burgemeester H.J. Zomerdijk van Echteld demonstreerde dat.
In artikel 12 van de Wet rampen en zware ongevallen (Wrzo) wordt de rol van de commissaris van de koningin omschreven. Die kan ‘in geval van een ramp van meer dan plaatselijke betekenis in een of meer gemeenten, of van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de burgemeesters in de provincie, zoveel mogelijk na overleg met hen, de nodige aanwijzingen geven over het door hen inzake de rampbestrijding te voeren beleid. Hij kan alsdan in de operationele leiding van de rampbestrijding voorzien. (…)’ Dat is het moment waarop alle democratische rechten even buiten werking worden gesteld. Dat is tijdens het hoge water van januari/februari 1995 niet gebeurd.
De artikelen 13 en 23 van de Wrzo gaan over het optreden van de minister. Die kan in het algemeen belang weer de commissaris aanwijzingen geven. De minister kan ook de bevoegdheden van de commissaris en de burgemeester aan zich trekken. Maar ook daar is geen sprake van geweest. In Gelderland bestonden in 1995 zeven zogenaamde brandweerregio’s, waarvan er vier betrokken waren bij de evacuatie. Zodra een ramp dreigt, worden Regionale coördinatiecentra (RCC’s) ingesteld. De voorzitter van zo’n RCC is de coördinerend burgemeester tevens voorzitter van de regionale brandweer die de rampbestrijding coördineert. De burgemeesters E. d’Hondt van Nijmegen en P. Scholten van Arnhem waren daar voorbeelden van. Maar de functie van coördinerend burgemeester is niet omschreven in de wet. Hij staat aan het hoofd van een vrijwillig samenwerkingsverband. Hij heeft wettelijk geen enkel gezag. Dat berustte tijdens die bange dagen dan ook bij de burgemeester van elke afzonderlijke gemeente. De conflicten tussen commissaris van de koningin J. Terlouw en coördinerend burgemeester d’Hondt gingen om gezag en macht waarover alleen de burgemeester beschikte. De commissaris kan de burgemeester hoogstens een aanwijzing geven.
Tenslotte zijn er nog de waterschappen. Hun rol is geregeld in de Waterschapswet. In artikel 90 lid 1 staat dat het dagelijks bestuur van een waterschap bevoegd is bij dringend of dreigend gevaar de maatregelen te nemen die het nodig oordeelt, desnoods met afwijking van andere dan bij de Grondwet gegeven voorschriften. Maar ook daar is matig gebruik van gemaakt.- In het geval van evacuatie mogen zij enkel adviseren.

Achteraf waren beschouwers verbaasd over de cultuurverschillen van de verschillende waterschappen. ‘Betuwe heeft heel, heel lang gewacht. Ze communiceerden op een heel andere manier, ze hadden daar een ander soort taalgebruik. Ze zeiden niet, we kunnen de veiligheid van de dijken niet meer garanderen. Ze zeiden, we maken ons ernstige zorgen,’ vatte Bransz van het Intergemeentelijk Orgaan Rivierenland zijn ervaringen samen.
Dat had te maken met de argwaan van het polderdistrict Betuwe en de manier waarop kennis was gemobiliseerd. Dat had ook te maken met het geloof van dijkgraaf Van Leeuwen in zijn dijken. Hij had in 1994 de dijken op acht plaatsen extra laten verstevigen. De brief die hij op 31 januari 1995 tegen middernacht per fax naar de coördinerend burgemeesters van Tiel en Arnhem met afschrift naar de commissaris van de koningin stuurde, had niettemin dezelfde intentie als de adviezen van de andere polderdistricten. De dijkstoel schreef: ‘Hedenavond zijn wij in vergadering tot de opvatting gekomen dat de conditie van de primaire waterkeringen langs de Rijntakken waarvoor het Polderdistrict Betuwe verantwoordelijkheid draagt en welke nog niet op de norm van 1/1250 zijn gebracht, verder zal verslechteren. Ondanks het feit dat deze waterkeringen thans nog geen concrete verschijnselen vertonen die aanleiding geven om een direct verlies van de waterkerende functie te kunnen concluderen, baren ons een aantal omstandigheden zodanig zorgen dat niettemin ernstige twijfel aan de waterkerende functie in de loop van deze week gerechtvaardigd is. (…) Wij worden in deze opvatting bevestigd door de uitkomsten van enkele representatieve grondmechanische berekeningen die wij op basis van de meest actuele te verwachten randvoorwaarden door een extern adviseur hebben laten uitvoeren. Gezien de lengte van de trajecten waarbij dit aspect speelt, alsmede de ontoegankelijkheid daarvan, hebben wij niet de mogelijkheid door het uitvoeren van fysieke maatregelen de standzekerheid daarvan te vergroten. (…)’
Toen eind januari het water bleef wassen had hij zandauto’s richting Driel gedirigeerd. Op zondagavond om halfelf was hij gebeld door burgemeester P. Scholten van Arnhem die ‘in alle staten was’. ‘Er zitten hier tienduizenden mensen van Arnhem-zuid in een badkuip,’ had de burgemeester in paniek geroepen: ‘Doe wat.’ Van Leeuwen: ‘Ik zei, je wordt op je wenken bediend. Ik heb honderdvijftig vrachtauto’s staan die komen nu naar de steenfabriek van Malburgen.’ Er werden zanddepots leeg gereden voor steunbermen. En Van Leeuwen had met de Koninklijke Luchtmacht afgesproken dat hij in geval van nood kon beschikken over grote helikopters voor zandtransporten, daar waar vrachtauto’s niet konden komen. Dijkgraaf Wolters van het polderdistrict Rijn en IJssel had – om mensen niet te verontrusten op ‘geheime plaatsen’ containers met zand laten neerzetten. Overal waren maatregelen genomen mochten dijken overlopen of breken. Elke keer als Terlouw weer Van Leeuwen aansprak over evacuatie antwoordde de dijkgraaf dat die van hem niet hoefde. Er was eigenlijk voortdurend een sfeer van wantrouwen en incompatibilité d’humeurs. De kille verstandhouding tussen de provincie en de waterschappen had alles te maken met oud zeer. Er waren niet opgeloste geschillen over de fusie van dertien naar drie waterschappen die het provinciaal bestuur wilde. Omdat de waterschappen tegenstand bleven bieden had de toenmalige gedeputeerde J. van Dijkhuizen hen ‘weerbarstig’ genoemd en waren de contacten verbroken. De commissie-Boertien had de waterschappen gekapitteld omdat ze zich niets hadden aangetrokken van de publieke opinie bij hun plannen voor dijkverzwaringen. De provincie deelde dat vermaan. Bovendien waren de dijkgraven en hun secretarissen verrast over het plotseling gepresenteerde rampenbestrijdingsplan dat Nijmegen had voorbereid en de stand van NAP +16,50 meter die als heilige grens was gaan gelden. Later zou ir. A.W. van der Hoek van de hoofddirectie van Rijkswaterstaat het star vasthouden aan die grens als fout beoordelen. ‘We hoeven niet automatisch te beslissen tot evacuatie bij een dreigende overschrijding van de kritieke waterstand. We zullen wel in samenspel tussen voorspellers en bestuurders een helder proces moeten regisseren voor ieders veiligheid,’ viel hij waterschappen bij. En ing. H.H. Kok, bondgenoot van d’Hondt, zou ruiterlijk erkennen dat ‘zonder het rampenbestrijdingsplan er geen evacuatie was geweest’. Daar waren later ook d’Hondt en Terlouw in hun ontboezemingen tegenover Diepenbrock het over eens.In die situatie werd vanuit het Ambtshuis Daan N.P. Tap, dijkgraaf van Betuwe tot de herfst van 1993, geraadpleegd over de ernst van de situatie. Hij volgde ooit zijn vader Daan N. Tap jr. op, die weer in de voetsporen trad van zijn zwager D.C. Sipman. Samen hadden ze een kleine eeuw en op orthodoxe manier leiding gegeven aan het polderdistrict. Litjens stelde Tap op de hoogte van de situatie en vroeg zijn oordeel. De oud-dijkgraaf had maar een paar minuten nodig om de toestand te overzien. Hij vroeg: ‘Is het water al zo hoog als in 1926?’ Zo hoog stond het niet. In dat jaar werd de hoogste stand in de geschiedenis gemeten, NAP +16,93 meter. Omdat sindsdien de rivierbedding ingrijpend gewijzigd was kwam die stand in 1995 overeen met 16,83 meter. Toen wilde Tap weten hoeveel was er nog kwam. Litjens zei dat de verwachting luidde dat de topstand twintig, misschien vijftien centimeter onder die van 1926 zou blijven. Daarop antwoordde Tap: ‘Ga dan maar rustig slapen. Er is de laatste halve eeuw zoveel aan de dijken gebeurd. Als ze toen niet deur zijn gegaan, gaan ze nu ook niet deur.’ Hij maakte een uitzondering voor Ochten.
‘Zo werkte dat. Er was zorg maar we moesten niet in paniek raken. Steeds zeiden we tegen elkaar, hier in de Betuwe houden we het,’ herinnerde Litjens zich het bezoek van Tap.
Het was 30 januari en de avond viel. Door de straten van Ochten en Echteld reden brandweerauto’s met geluidsinstallaties om de bewoners gerust te stellen. Een aantal mensen had al spontaan de wijk genomen. De burgemeester liet de anderen weten dat het water zou gaan dalen en dat alle onheil zou overgaan. Het dijkvak bij Ochten was het enige echt ondoorgrondelijk stuk dijk rondom de Betuwe. Volgens overlevering ging het daar in 1926 net niet mis. Een verslag over het hoge water van toen verscheen bij de Algemene Landsdrukkerij: ‘Tusschen de dijkpalen 102 en 103 van den rechter Waaldijk bij Ochten ontstond langs de buitenkruinlijn een scheur ter lengte van veertig meter, met grootste wijdte van 2,5 centimeter, op dezelfde plaats als tijdens den hoogen rivierstand in 1920. Zij was vermoedelijk een gevolg van enige zetting van een onlangs aangebrachte dijksverzwaring aan het buitenbeloop. Meetbare verzakking had niet plaats.’ Op de dag dat H.J. Zomerdijk burgemeester werd van Echteld/Ochten later zou hij ook heemraad worden van het polderdistrict Betuwe had Litjens hem gewaarschuwd dat zijn gemeente in een van de gevaarlijkste stukjes Nederland lag. Achter een dijk met een kans op doorbraak van gemiddeld eens in de vijftig jaar.
Het curieuze was dat de dijk sinds de vloed van driekwart eeuw geleden nooit door het polderdistrict onderhanden was genomen. Toen ik Daan Tap, de oud dijkgraaf, daarover vroeg zei hij: ‘Een van de wethouders van Echteld woonde boven op de dijk en die wilde niet dat er verhoogd werd. Hij zei, dat belemmert mijn uitzicht. De plannen lagen al jaren klaar maar we konden ze niet uitvoeren omdat de gemeenteraad het bestemmingsplan niet had aangepast. Toen Litjens me vroeg waar de zwakke plekken zaten heb ik gezegd, dat is Ochten. Als er iets misgaat, gaat het daar mis.’ De burgemeester herinnerde zich dat het bestemmingsplan niet kon worden goedgekeurd omdat er een bezwaarschrift liep. Van Leeuwen sprak van ‘dramatische’ pogingen het dijkvak bij Ochten aan te pakken: ‘Het polderdistrict was al in 1980 begonnen met de voorbereidingen. Het bestek was bijna klaar maar omdat er voortdurend wijzigingen kwamen in de normen voor het ontwerpen van dijken, moesten we steeds terug naar de tekentafel.’ Maar niemand had z’n huiswerk echt goed gedaan. Want volgens Johan van Meegen, het toenmalige hoofd van de technische dienst, was het stuk dijk bij Ochten net voor 1 februari 1995 zelfs al aanbesteed. Na het hoge water van 1995 moest het bestek vanwege de inmiddels uitgevoerde noodmaatregelen over de kop. Daarop werd, waar eerst acht jaar nog onvoldoende was, in precies acht weken een nieuw plan gemaakt en uitgevoerd. Inclusief een één kilometer lang stuk nieuwe dijkverbetering richting IJzendoorn.

Het werd dinsdag, de laatste dag van januari in 1995 en bij Lobith zou het water klimmen tot de hoogste stand van NAP +16,68 meter. In het rivierengebied groeide de angst navenant. Over de hele wereld gaven televisiesatellieten beelden door van wegzinkend Nederland. Een keer reed ik met oud-burgemeester H.W.M. Bergamin door de Bemmelse waarden. Die lopen regelmatig onder water want daar zijn het uiterwaarden voor. Met onderdrukte spot wees Bergamin me de plaats aan waar hij in 1995 staande op de dijk geïnterviewd werd door Japanse, Nieuw-Zeelandse en Australische televisieteams. ‘Achter ons stonden de uiterwaarden blank en daarom dachten ze in de hele wereld dat Nederland onder water stond.’
Dijkgraaf Wolters nam hevig aanstoot aan de telegenieke beelden die burgemeester d’Hondt koos voor z’n doemboodschappen: ‘Op zeker moment begon de burgemeester de gewoonte aan te nemen televisieverslaggevers niet meer in het stadhuis te woord te staan maar, gehuld in windjack en laarzen naar de dertig meter lager gelegen ondergelopen Waalkade af te dalen. Die manier van doen droeg er niet toe bij de ongerustheid bij de bevolking weg te nemen. In het land ontstond het beeld dat de nood in Nijmegen hoog gestegen was terwijl die Waalkade eens in de paar jaar onderloopt.’
Parlementariërs die niet veel ander water zagen dan de Hofvijver, raakten door al die onheilstijdingen compleet van slag en riepen om maatregelen. Het gevolg was dat de aan de televisie gekluisterde massa het zicht op de werkelijkheid verloor. Overal begonnen mensen, door een onzichtbare hand bewogen, als razenden te ruimen en te pakken. Met zwaar eikenhouten meubelen, opgetast op hun Opels met aanhangwagentjes verlieten ze het rampgebied – zonder dat er nog een ramp was uitgeroepen.
Nog herinner ik me de verbazing van Herman Kok van Groot Maas en Waal, die de teerling wierp. Hij vertelde me dat hij na een bijeenkomst in Arnhem naar huis en reed en met stomheid geslagen werd: ‘In Druten bleek de straat waarin ik woon tot m’n verbazing leeg. Helemaal leeg. Alleen mijn vrouw zat er nog, omdat ze met een idioot als ik getrouwd is. In mijn straat was opeens het verschijnsel van het domino-effect ontstaan. Eén was met pakken begonnen, de ander was hem daarin gevolgd en ineens kwamen ze de deur uit. Iedereen stak de ander aan. Er was sprake van zoiets als een psychose. Ik wist vanuit m’n achtergrond dat zelfs als de dijken zouden doorbreken, er in Druten op z’n hoogst dertig centimeter water in de straten zou komen. Als je dat op zo’n moment tracht te verklaren werkt dat niet. Dat kan je de mensen rationeel niet duidelijk maken. De een jaagt de ander op, zo gaat dat.’

Er waren ook bestuurders die hun hoofd verloren. Wolters, toen dijkgraaf van het polderdistrict Rijn en IJssel verhaalde over het zijns inziens ‘zich misdragen’ van de burgemeester van Arnhem P. Scholten. Die wilde overgaan tot evacuatie van veertigduizend inwoners in Arnhem-zuid. Hij dacht die operatie te kunnen versnellen door te beginnen met de wijk Tuindorp in Lobith. Wolters en gedeputeerde Jan van Dijkhuizen wisten dat te voorkomen. Oud-burgemeester Bergamin van Bemmel was verbijsterd: ‘Scholten wilde het, de brandweer en de politie wilden het ook. Mijn collega Haye Galama van Elst en ik hebben toen gezegd, wij doen niet mee. Wij gaan niet evacueren. Scholten had ons niets te gebieden. Wij konden daardoor het massale vertrek uit het gebied verhinderen. Voor zo’n crisis als het hoge water word je als burgemeester niet opgeleid. Je kan niet oefenen en een rampenplan hobbelt altijd achter de feiten aan. Paul Scholten was niet bestand tegen deze spanning.’
Van Leeuwen’s ervaringen met Scholten stemden evenmin blijmoedig. Op zaterdagmorgen 28 januari had de dijkgraaf alle gemeenten uit het district bijeengeroepen voor overleg. De enige die verstek liet gaan was burgemeester Scholten. Op de bijeenkomst werden scenario’s getoond over de mogelijke gevolgen van dijkdoorbraken op zes verschillende plaatsen in de Betuwe. Het polderdistrict had die studies laten maken naar aanleiding van het hoge water tijdens de kerstvloed van 1993. Van Leeuwen wilde die scenario’s niet in de publiciteit brengen omdat ze zo technisch en complex waren maar was wel van mening dat de burgemeesters over die informatie moesten beschikken. Coördinerend burgemeester E.J. van Tellingen van Tiel vond dat ze wèl openbaar gemaakt moesten worden en hij voegde de daad bij het woord. Er ontstond consternatie maar die kon Van Leeuwen, door uitvoerig uitleg te geven, dempen. Dat ging allemaal aan Scholten voorbij. Van Leeuwen herinnerde zich: ‘Laat in de avond belde Scholten me in alle staten thuis op. Hij reageerde opgewonden. Hij eiste een noodvergadering op zondagmorgen. Die heb ik toen bijeengeroepen en tijdens die bijeenkomst raakte Scholten nog meer in paniek. Het bleek dat hij wel een half jaar achterliep op Nijmegen die alle rampen- en evacuatieplannen al gereed had liggen.’
Van Leeuwen had overigens een beetje medelijden met Scholten: ‘Hij voelde zich te kijk gezet. Hij had geen gemakkelijke rol. Hij was coördinerend burgemeester maar had te maken met een hok vol hanen die door elkaar heen kraaiden. Ik vond het allemaal een beetje zielig. Toen we op zondagmiddag, een week later, beiden in een televisieprogramma zaten, heb ik het voor hem opgenomen.’
Want coördinerend burgemeesters mogen dan gezag uitstralen, ze hebben het niet. Ze mogen net zoveel zeggen als de andere burgemeesters hen toestaan te zeggen.

Het werd woensdag 1 februari. In het raadhuis van Echteld kwam om negen uur ’s ochtends de rampenstaf bijeen voor weer een nieuwe vergadering. Die nacht hadden waarnemers van het polderdistrict Betuwe elk uur patrouilles gehouden op de dijk die de reputatie had slecht te zijn. Nauwelijks was de bijeenkomst begonnen of dijkopzichter Willem Maan – die dag formeel in dienst getreden van het polderdistrict maar al op 27 januari, de dag van zijn verjaardag, opgeroepen om de dijkwacht te komen versterken stoof het vertrek binnen en kondigde in staccato aan dat het niet goed ging met de dijk. Hij had aan de hand van op het wegdek uitgezette krijtstrepen en een tussen spijkers gespannen meetlint ontdekt dat scheurvorming in het asfalt was ontstaan op ongeveer één meter uit de buitenkant van de dijk. En Maan vertelde dat de scheur doorzette – de scheur, eigenlijk was het niet veel meer dan een barst, zou van twintig meter uitgroeien tot honderdtachtig meter. Burgemeester en tevens heemraad Zomerdijk greep daarop de telefoon, belde met secretaris Litjens van het polderdistrict Betuwe en vroeg dringend om de komst van experts om de waarnemingen van Maan te bevestigen. Ger de Vrieze (dijkverbetering) en Just Kroese (dienstkring Neder-Betuwe) spoedden zich naar het raadhuis in Echteld maar voor zij hun mening konden geven, had Zomerdijk zijn beslissing al genomen. Hij belde coördinerend burgemeester Van Tellingen te Tiel en de provinciale rampenstaf in Arnhem om te zeggen wat hij ging doen. Later zou Zomerdijk zeggen: ‘Achteraf bezien zou ik vandaag die beslissing weer nemen. Als ik toen trouwens geweten had dat de dijk in Ochten in 1926 zo’n geweldige opdonder had gehad en met lapmiddelen was opgeknapt, dan had ik misschien nog veel eerder m’n besluit genomen.’
Om kwart over tien gelastte hij evacuatie.
Die conclusie was even voor negen uur op het regionaal coördinatiecentrum in de brandweerkazerne te Arnhem ook al getrokken. Dijkgraaf Van Leeuwen en hoofd technische dienst Van Meegen stonden met de deurknop in hun hand, toen De Vrieze zich meldde op de mobiele telefoon en de ontdekking van Maan doorgaf. Even later gaven de twee het onheil door in de vergadering waarop dr. C. Volp van de provincie Gelderland onmiddellijk concludeerde: ‘D’r uit!’
En dat gebeurde.
In zijn landhuis aan de rand van de bossen van Oosterbeek-hoog zou Jan Litjens achteraf het bevel van de burgemeester relativeren. Hij zei: ‘Als ik alle informatie analyseer dan zeg ik, en ik weet het zeker, de ontruiming van Ochten was niet nodig geweest. Toen Willem Maan meldde dat er beweging in de dijk zat verwonderde dat ons niet. Maar van zijn mededeling dat de scheur buitendijks zat schrokken we. Bewoog de dijk alleen maar of was er ook afschuiving? Daarom hebben we onmiddellijk kikvorsmensen naar de plaats gezonden voor controle. Ik heb Zomerdijk geïnformeerd over die inspectie en hem ons dilemma verteld. Als die dijk echt zou gaan schuiven, dan zou je zoiets kunnen krijgen als het afbrokkelen van een zandheuvel in zee. Maar als het niet om afschuiven ging, was er niets aan de hand.’
Litjens vroeg Zomerdijk om een uur respijt, dan kon hij een definitief oordeel vellen. Maar de burgemeester zei, ik ga niet wachten op toestemming van wie dan ook. Ik ga evacueren. Later zou hij me zeggen: ‘Ik heb met Litjens gesproken. Maar als secretaris was hij niet degene met technische kennis over de toestand van de dijken. Toen hij aandrong nog even te wachten gaven tegelijkertijd zijn technische mensen me het dringende advies over te gaan tot onmiddellijke evacuatie.’
Om halfelf begon de vlucht.
Om halftwaalf informeerde Litjens burgemeester Zomerdijk over het resultaat van de inspectie. De dijk zou het houden.
Om tien over half twaalf waren vierhonderd militairen, rijswerkers, zandzakkenvullers en duikers bezig met versterking.
Om omstreeks twaalf uur drong dijkgraaf Van Leeuwen bij Terlouw aan de evacuatie te beperken. Het water viel snel, het gevaar werd met het uur minder. Om twintig over twaalf werd vanuit de commandopost van Terlouw de ontvangst bevestigd van het bevel tot evacuatie in Ochten.
Om kwart over één gaf burgemeester Van Tellingen, mede namens de rampenstaf in Arnhem, telefonisch door dat officieel tot evacuatie mocht worden overgegaan. Het besluit van Zomerdijk was aldus gesanctioneerd.
Want ook in radeloze ogenblikken blijft de bureaucratie overeind. Maar toen bewoog al urenlang een onafzienbare colonne vluchtelingen over land- en hoofdwegen richting hogere gronden.

In de vluchtende massa bevond zich dijkbewoner T.J. Keulen, ooit geboren bij de Batterij in Echteld. Op een dag in november kwam ik hem tegen op de nieuwe dijk van Ochten terwijl hij z’n rottweiler uitliet. Hij herinnerde zich 1 februari als een bizarre droom: ‘De avond daarvoor had de brandweer per mobilofoon nog laten weten dat we ons geen zorgen hoefden te maken. ’s Ochtends hoorde ik voor de radio dat we weg moesten. Het was een paniekbesluit, veroorzaakt door mensen die van niets wisten. Ik heb later gezien hoe ze de oude dijk hier hebben weggehaald. Er moest worden gehakt en gebroken, hij was keihard. Mijn vrouw en ik besloten te vertrekken, maar bang zijn we geen minuut geweest. Als de dijk bij Ochten was doorgebroken, was dat al veel eerder gebeurd. Onderweg hoorden we dat mensen in Emmen ruimte aanboden. Ik weet nog hoe we er heen gingen. Stapvoets op de rijksweg, rechts van ons op de vluchtstrook een lange rij landbouwmachines getrokken door tractoren. Links een colonne auto’s. Ik zei tegen m’n vrouw, als er nu iets gebeurt zitten we als ratten in de val. Ach die burgemeester Zomerdijk heeft gedaan wat hij moest doen. Om echt te weten hoe het zat had hij oude mensen moeten raadplegen, die weten precies hoe de dijk zich gedraagt. Na drie dagen waren we weer thuis. Iedereen op het dorp zei, die evacuatie was helemaal niet nodig geweest. Dat was eens maar nooit meer.’ De beelden van de exodus uit Ochten waren voor burgemeester Bergamin van Bemmel reden te volharden in zijn weigering mee te doen: ‘Ik had mensen gezien en gesproken die samen met hun vier kinderen uren opgesloten hadden gezeten in hun auto. Als toen de dijk doorgebroken was, waren ze nooit weggekomen. Ik heb aan het polderdistrict Betuwe gevraagd, hoe lang het na een doorbraak zou duren voor het water eraan kwam. Nou, dat bleek een hele tijd te zijn. Wij beschikten op het gemeentehuis over goede hoogtekaarten, dat was uniek begreep ik later. Wij kenden daarom de hoge plaatsen in de gemeente. Gendt zou bijvoorbeeld droog blijven. We zeiden, als het moet brengen we de mensen toch daar heen? Wat had evacuatie niet tot gevolg? Alles bewoog zich over dezelfde weg en dezelfde brug. Ik wilde dat niet.’ Bergamin voelde zich bovendien gesterkt door een bliksemactie van het polderdistrict. Dat had in de nacht van de eerste februari via een noodbepaling in de Waterschapswet en met behulp van de Onteigeningswet een complete steunberm aangelegd tegen de voet van de dijk op plaatsen tussen Gendt en Lent. ‘Het leek die nacht wel oorlog. Waar die auto’s vandaan kwamen wist ik niet, maar ineens reed daar een lange rij dertig tonners dwars door het dorp. Dat was onze redding.’

Op het moment dat Zomerdijk voor Radio Gelderland de Grote Vlucht aankondigde sloegen alle stoppen door.
Het werd zo druk op de elektronische snelweg dat alles tot stilstand kwam. Telefoon en fax werkten niet meer. Het mobiele net viel uit. Het provinciaal coördinatiecentrum in Arnhem dat toch al kreunend opereerde werd onbereikbaar. Het noodnet werkte niet. Uit de portofoon kwam alleen nog ruis. De radiostilte duurde ruim anderhalf uur. ‘We waren overgeleverd aan de postduif,’ herinnerde Zomerdijk zich. Voor het broodnodige contact met politie en brandweer was hij aangewezen op de fiets. ‘Operatie Market Garden is ooit stukgelopen op onvoldoende verbindingsmiddelen, op die eerste februari gebeurde hetzelfde,’ zei Bergamin.
En even dreigde het noodgebied te vervallen tot een anarchistische deelstaat. Onder commando van ritmeester Luyten marcheerde het 101e tankbataljon uit Soesterberg naar Ochten. Niemand had daarom gevraagd, de ritmeester zelf had de actie bedacht. Zomerdijk noemde de komst van het bataljon eenspontane actie. Het optreden van de ritmeester werd later gesanctioneerd.

Politiefunctionaris Jurcka van het district Over-Betuwe vroeg permissie in te breken in een vergadering op het raadhuis van Bemmel. Uit het evaluatieverslag: ‘De heer Jurcka deelde mede dat de dijk in Ochten was doorgebroken. Hoewel dit nog niet officieel bevestigd was, had het weinig zin deze nieuwe ontwikkeling te ontkennen.’ De mededeling berustte op onzin. Voor het raadhuis in Bemmel arriveerde even later een jeep van defensie voor het installeren van een Zodiac-verbindingsnetwerk. De militairen kondigden aan dat ieder moest vertrekken. Agenten van politie kregen opdracht hun kinderen van school te halen en tot nader order naar huis te gaan. Bergamin zou er nooit achterkomen wie de opdracht had gegeven: ‘Ik had over die militairen niets te zeggen. Ik zei wel, allemaal waanzin, terug die mensen.’ En een enkele keer werd dankbaar gebruikt gemaakt van de uitgeroepen noodsituatie voor het toepassen van ordinaire machtsmiddelen. Zo gaf burgemeester Zomerdijk om halfvier in de ochtend van de tweede februari – toen het water viel en het grootste gevaar geweken was een vergunning af voor het kappen van bomen en het leggen van een steunberm over een afstand van achthonderd meter. Met de beroemdescheur van Ochten had die activiteit niets te maken. Wel met handreiking naar toekomstige dijkverzwaring: ‘Ik wilde het ijzer smeden terwijl het nog heet was,’ zei hij in NRC/Handelsblad.
Er ontstonden ook tragikomische situaties. In Hurwenen, aan de zuidkant van de Waal bij Zaltbommel, zag imker Tini van Doorn ineens een busje met de Mobile Eenheid zijn erf oprijden. Hij diende stante pede te vertrekken want de dijk stond op doorbreken. ‘Weten jullie zeker dat je in Hurwenen moeten zijn,’ vroeg de imker. ‘Ik ben hier toch in Ochten?’ zei de commandant. Het peloton, afkomstig uit Amsterdam, bleek de kaart niet goed gelezen te hebben. Geduldig legde Van Doorn de politiemannen uit dat ze aan de andere kant van de rivier moesten zijn, twintig kilometer naar het oosten. De rayonhoofden van steunpunten op snelwegen waren op de vlucht geslagen. Personeel van benzinestations waar de lange karavaan passeerde, had de benen genomen. Er werden wegen gesloten en weer heropend. Er was niemand meer om de afzettingen te controleren.

‘De vluchtmassa wordt door een bedreiging in het leven geroepen. Kenmerkend voor haar is dat alles vlucht, alles wordt meegetrokken. Het gevaar waardoor men bedreigd wordt, is voor allen hetzelfde(…) Met vlucht gezamenlijk, daar het zo beter vluchten is. De impuls is dezelfde, de energie van de een verhoogt die van de ander, de mensen duwen elkaar in dezelfde richting voort.’
(Elias Canetti in ‘Massa en Macht’)

Het gebrek aan topografische kennis zou zich blijven wreken. In het niet openbaar rampenbestrijdingsplan van Nijmegen dat plotseling van toepassing werd verklaard voor het gehele rivierengebied, was gerept over rivierkaarten, topografische kaarten en hoogtekaarten. Die dienden allemaal aanwezig te zijn in het ‘regionaal coördinatiecentrum; op dienstniveau; bij de betrokken gemeenten; en in de actiecentra van de drie betrokken regionale operationele diensten’.
Daar kwam weinig van terecht.
‘Veel autoriteiten gingen er vanuit dat het rivierengebied bestond uit homogene, diepgelegen gebieden die in één keer meters onder water werden gezet,’ zei oud-dijkgraaf Wolters. De crisisstaf in Nijmegen gaf toe dat er gestunteld was: ‘Bij een volgende evacuatie zal meer rekening worden gehouden met de hoogtelijnen.’
Zo kende niemand de loop van de Ressense stroomrug in de Over-Betuwe, die hoog en breed vanaf Hulhuizen, via Bemmel, Elst, Valburg, Andelst, Zetten tot voorbij Randwijk loopt. De staf van de generaal in het commandocentrum wist evenmin van de Ommerenveldse-, de Burense-, de Avezaathse en de Schoonrewoerdse stroomruggen die door de Neder-Betuwe kronkelen.
Het gebied van Opheusden tot aan Randwijk werd ontruimd. Onnodig. Dodewaard daarentegen, op dezelfde hoogte als Opheusden, mocht blijven zitten. Dat had te maken met politiek opportunisme. Kesteren en Opheusden waren één gemeente. De burgemeester vond het op het moment suprème moeilijk aan zijn burgers uit te leggen waarom het ene dorp wel en het andere niet van huis moest.
De inwoners van Tiel werden ten onrechte aangezegd te vertrekken. Het stadje ligt zo hoog dat hooguit dertig centimeter water in de straten zou komen. Burgemeester Van Tellingen gaf dat later ook toe. Het was niet het water geweest dat hij vreesde maar het isolement. De problematische verhuizing van het ziekenhuis, toen patiënten zonder hun statussen en onder begeleiding van stagiaires werden weggereden omdat een groot deel van het vaste personeel de wijk had genomen, werd op de koop toegenomen. De evacuatie van Druten had niet gehoeven. Zaltbommel was een twijfelgeval, ook hier zouden straten doorwaadbaar blijven.
Zomerdijk zou later zeggen dat de regie ook uit handen van burgemeesters dreigde te glippen omdat al zoveel mensen vrijwillig vertrokken waren. In zijn gemeente Echteld schatte hij dat op twintig procent. En hij zei: ‘In zo’n situatie wòrd je geleefd.’ Kok, de eerste ambtenaar van Groot Maas en Waal, bedoelde hetzelfde: ‘Als iedereen weggaat zal je als overheid toch iets moeten regisseren. Anders loopt het uit de hand.’
Ook dijkgraaf Van Leeuwen werd voortdurend geconfronteerd met autonome ontwikkelingen. Met mensen die al lang zelf maatregelen genomen hadden en waren vertrokken – terwijl daar niet altijd een noodzaak voor was. Hij zei: ‘Hoe ging dat, eerst kreeg je Maas en Waal, toen de Bommelerwaard, daarop kwam de evacuatiedrang onze richting. De druk werd steeds opgevoerd. Op de ochtend van de eerste februari hebben we nog heel snel geprobeerd het scenario te wijzigen. Het water begon bovenstrooms te vallen. Wij adviseerden de evacuatie te beperken tot de omgeving van het Amsterdam-Rijnkanaal, het meest riskante gebied, tussen de Waalbandijk en de snelweg. Wij waren absoluut geen voorstander van evacuatie van het gebied bij Kesteren en Opheusden omdat de grond daar veel hoger ligt. Maar de zaak denderde gewoon voort. Er viel niets meer aan te doen.’
Bijna overal ontstonden ook problemen met mensen die zich verzetten, die niet wegwilden omdat ze de dijk vertrouwden. Zomerdijk: ‘Hoe moest ik dáár mee omgaan? Er is door de ME soms krachtdadig opgetreden. Ik wilde niet zo ver gaan om de onwilligen uit hun huizen te halen. Ik heb ze later wel een brief geschreven dat ze een forse boete riskeerden als ze hun erf verlieten. Ze hebben ook geen uitkering gekregen uit het rampenfonds.’

De boeren die de adviezen van de autoriteiten in Arnhem opvolgden en met have en goed vertrokken, werden vaak op een hartverwarmende manier opgevangen door collega’s elders in het land. Maar veel ging mis. Melkgevende koeien werden op de trein gezet en niet gemolken. Koeien die droog stonden werden juist weer wel naar de melkmachine gedreven en gemolken. Veel dieren werden ziek, kregen klauwinfecties en waren wekenlang uit hun doen.
Zeger Stappershoef, kringvoorzitter van de Noord-Brabantse Christelijke Boerenbond (NCB) uit Erlecom, had als opdracht de boeren uit de Ooijpolder en het zuidelijke rivierengebied als coördinator bij te staan. Hij was aanvankelijk sceptisch: ‘Het is moeilijk om overheden duidelijk te maken dat evacueren van vee heel lastig is. Ik dacht in het begin zelfs dat het onmogelijk was. Breng ze maar meteen naar het slachthuis, redeneerde ik. Toen alles achter de rug was besefte ik dat de evacuatie van het vee eigenlijk grandioos verlopen was. Ik heb me nooit voor kunnen stellen dat er overal in het land zoveel ruimte gevonden kon worden om de dieren te stallen. We hadden ook een beetje geluk. Tien dagen voor het hoge water van 1995 was een draaiboek gereed gekomen op basis van onze ervaringen met de kerstvloed van 1993. Daar hebben we ons voordeel mee gedaan door in 1995 een eigen gezamenlijke crisisstaf van het ministerie van Landbouw en het Landbouwschap te formeren die de veetransporten coördineerde. Natuurlijk haperde ook wel wat. Als er iets bijzonders met een koe was kreeg die een rode streep. Maar als je niet weet wat die streep betekent heb je er niks aan. Er waren boeren die niet wisten waar hun koeien gebleven waren. Er ontstond soms chaos, diertransporten die voor dinsdag afgesproken waren begonnen al op maandag. Maar daardoor was er geen politie om het verkeer te regelen. Kleine dingen ook, moet je elektronica in de stallen losschroeven? Moesten de brandstoftanks leeg worden gemaakt? Hoe moet je evacueren en wat? Net in die tijd waren die GSM-telefoontjes op de markt gekomen maar een heleboel boeren wisten niet hoe ze hun huistelefoon moesten doorschakelen waardoor ze dagenlang onvindbaar waren.’
Waar Stappershoef zich nog het meest over verbaasde was de meegaandheid van het publiek: ‘Wij hadden de illusie dat de mensen zouden wachten. Dat ze rustig op hun plek bleven tot wij ze een seintje zouden geven. Dat was een grote inschattingsfout. Iedereen stapte in z’n auto en ging rijden. De angst was te groot.’
Een ding ging mis en dat was de schadevergoeding. Veel boeren bleven ontevreden over wat ze tenslotte betaald kregen.

Die ervaringen van Stappershoef en de zijnen in 1995 leidden ertoe dat aan de provinciale crisisstaf in Arnhem specialisten uit de landbouw werden toegevoegd die bij een nieuwe dreigende ramp verantwoordelijk zijn voor de evacuatie van dieren.

Maar in die laatste dagen van januari was voor echte reflectie ruimte noch tijd. De autoriteit werd gejaagd door de media. De media werden gejaagd door de waan van wat komen ging en nooit kwam. In Hilversum waren alle programmamedewerkers gemobiliseerd voor reportages uit het rampgebied. Uit de hele wereld waren televisieteams gearriveerd voor het finale-verslag van de ondergang van de lage landen. Verslaggevers, verlangend naar de grote scoop, mengden zich tussen de vluchtende massa’s. Ze stelden geen vragen over het waarom en hoe een simpel rampenbestrijdingsplan, met een willekeurig vastgestelde kritieke grens, de beoordeling van het gevaar plotseling had veranderd. Ze waagden zich niet aan een terugblik naar al die keren toen het óók hoog water was in het rivierengebied, zoals in 1970, drie keer in de jaren tachtig en rondom Kerst 1993. Ze permitteerden zich geen kritische opmerkingen over wat nu toch wel de hoogwatergolf onderscheidde van al die andere. Net als het water hadden ook de journalisten geen geheugen. Het enige dat ze zich herinnerden was de vinnige strijd tussen voor- en tegenstanders over de dijkverzwaringen. Het enige waarin ze geïnteresseerd waren was het Grote Drama. En gretig schaarde de overgrote meerderheid van de pers zich achter het gelijk van de bestuurders. In extra ingelaste uitzendingen, live vanaf de Waalkade in Nijmegen en vanuit het raadhuis van Echteld, werd geboodschapt: evacueren, snel en verplicht. Er werden zelfs onzindelijke vergelijkingen gemaakt met de ramp van 1953. Later zou Kok van het polderdistrict Groot Maas en Waal zijn rol in het spektakel beoordelen als die van een figurant in een film: ‘Natuurlijk was ik niet ongevoelig voor al die tv-teams van BBC, Sky en uit Japan. Dat werkte heel raar. Toch probeerde ik zo rationeel mogelijk te blijven denken. Als ik er nu aan terugdenk, geloof ik soms dat het allemaal niet echt geweest is.’
Van Leeuwen werd kort na het hoge water geconfronteerd met weer een heel andere bizarre ervaring. Hij vroeg de provincie een vergoeding voor de kosten die Betuwe gemaakt had voor allerlei noodmaatregelen en voorlopige verbeteringen tijdens de roerige februari-periode. ‘Daar komt niks van in,’ zei gedeputeerde Van Dijkhuizen. ‘Dat heb je aan jezelf te wijten, eigen schuld. Betuwe is het rijkste polderdistrict van heel Gelderland. Je betaalt zelf maar.’ ‘Goed,’ zei Van Leeuwen, ‘maar dan ga ik nu jullie’s weigering in de publiciteit brengen.’
Van Leeuwen: ‘Ineens boog hij als een knipmes en was onmiddellijk bereid te betalen. Zo heb ik een reeks aanvaringen gehad. De sfeer was aardig verziekt.’

En het hield op met regenen. Het water viel. De spanning ebde weg. Maar zelfs toen zouden de kleine autoriteiten in de regio volharden in hun onderlinge rivaliteit, in hun verlangen de belangrijkste te zijn. Wie mocht het goede nieuws vertellen van de terugkeer? En op welk moment? Burgemeester d’Hondt vond dat zoiets een uur van te voren moest gebeuren. Hij zou het doen. Commissaris Terlouw wilde de aankondiging een avond van tevoren. Het werd, herinnerde Van Tellingen zich, de burgemeester van Tiel, ‘een lang en heftig gesprek’. De meerderheid van de rampenstaf volgde de commissaris maar d’Hondt deed niet wat de meerderheid wilde. Het bleef die avond stil in Nijmegen.
Maar toen dook, als een duveltje uit een doosje, de minister van Binnenlandse Zaken H. Dijkstal op. Hij had zich gedurende het hoge water op grote afstand gehouden. Nu stelde hij artikel 13 van de Rampenwet in werking, kon zo nog even zelf gloreren en zette d’Hondt buitenspel.
De volgende dag mochten de evacués naar huis.

Over een opstandige polderbestuurder en een radeloze burgemeester

Soms werd, in die dagen van februari 1995, alle consternatie bestuurders en ambtenaren te veel. Zoals in Buren, een dorp met stadsrechten dat in de oude verhoudingen voor de helft viel in het polderdistrict Betuwe. Wim van der Linde was er wethouder voor de VVD en loco-burgemeester. Razend populair. In z’n eentje goed voor meer dan drieduizend stemmen. Hij was langer dan veertig jaar heemraad. Zat in het Zuiveringsschap, in het Lingeschap en had een dozijn andere functies. Hij woonde op de Hooibeemd, een slank hoog herenhuis met torentje en uitgebouwde serre aan de rand van Kerk-Avezaath. Met een cilinderbureau, mahoniehouten kasten, bokalen en een gedraaide tafel. Ernaast lag zijn boerderij Teisterband, een hoeve met grote lichte vensters die uitzagen over het Lutterveld. Een klein beetje het decor van Anton Pieck maar dan van grotere schoonheid. Van der Linde was een vergaderboer, maar een aardige die het boeren overliet aan zijn broer. Zelfs op zijn vrije ochtend in wit overhemd met stropdas, zwart pak en vleugje parfum.
De burgemeester in die bewuste periode van 1995 was L.J. Hommes, lid van de Partij van de Arbeid maar niet onverschrokken. Hij gaf de opdracht tot evacuatie. Van der Linde zei: ‘Ik heb een paar honderd stieren van achthonderd kilo per stuk. Ik woon op het hoogste punt van de hele omgeving. Ik ga niet weg.’
‘Je moet,’ zei de burgemeester.
‘Ik doe het niet want het is voor mens en dier niet verantwoord die beesten op te laden. Als ze met z’n vieren of vijven in een hokje komen maken ze elkaar dood en maken ze de mensen dood,’ antwoordde Van der Linde.
‘Dan ontneem ik je nu je portefeuille waterstaatszaken en ben je geen loco-burgemeester meer,’ besloot de burgemeester.
Van der Linde later: ‘Hij vond mij burgerlijk ongehoorzaam. Dat was niet goed voor het beeld van bestuurders. Hij zei, als er wat gebeurt komen we je niet helpen.’

Allerlei boeren vroegen de wethouder om raad. Die zei, ik kan verzuipen, m’n dieren kunnen verzuipen maar ik blijf zitten. Dat is m’n eigen verantwoordelijkheid. Ik wil later niet horen dat jullie bleven zitten omdat ik het ook deed.’
Daarop vertrok hij naar Elst voor een vergadering van de dijkstoel.
‘Ik heb Ger de Vrieze van het polderdistrict, een gelovig man, gevraagd wat hij ervan dacht. Hij antwoordde dat we het met een beetje hulp van kikvorsmannen en met veel hulp van Boven het wel zouden redden. Toen wist ik genoeg.’
Op de terugweg naar huis werd hij door de politie tegengehouden. Die zei: ‘Over enkele ogenblikken zal hier op de rijksweg vijf meter water staan. Ik zei, ik moet erdoor. Ik ben loco-burgemeester, ik moet naar m’n mensen en dieren. U gaat niet want u verzuipt, werd me gezegd. Ik zei, dat geloof je toch niet.’
Van der Linde zei later: ‘Wat ik levensgevaarlijk vond was de macht die in zo’n periode politie, leger en burgemeesters krijgen. Als ze iemand vanuit die machtspositie kunnen kleineren, dan doen ze dat.’
Hij besloot via Oosterbeek terug te rijden en bestelde terug in Kerk-Avezaath een paar honderd broden met vlees en worst als wonderbaarlijke spijziging voor al die ‘ondeugende mensen die waren blijven zitten.’ Die ging hij ’s avonds bezorgen. Een uur later werd hij gebeld door de burgemeester: ‘Wil jij Van der Linde direct bij me komen. Wat heb ik nou gehoord. Ben jij die mensen die burgerlijk ongehoorzaam zijn brood en vlees wezen brengen? Dat is toch niet normaal.’
Dat vond de wethouder wel.

Op het stadhuis van Buren, waar normaal de kalmte van een bejaardencentrum heerste, was intussen een opgewonden stemming ontstaan. Wim van der Linde herinnerde zich de catharsis op de eerste februari: ‘We zaten boven in de kamer van burgemeester en wethouders. Ik zag dat de burgemeester een groot pakket bij zich had. Ik vroeg, wat heb je nou bij je? Hij zei, dat is een opblaasbare boot. Vannacht gebeurt het, dan komt het water. Ik zei, maar burgemeester dat wordt toch niks. Je vaart zo tegen de kerk van Buren aan. Om twaalf uur heeft hij de secretaris nog wakker gemaakt omdat hij de luchtpomp kwijt was.’

Toen alle gevaar geweken was sloot de crisisstaf van Buren op zondagavond de veelbewogen week af met een dineetje. Van der Linde ging er ook heen maar de burgemeester zei dat hij niet welkom was: ‘Jij bent een stoorzender geweest. Ik wil jou hier niet hebben.’ Van der Linde: ‘Ik barstte van de honger. Ik zei, maar nou wordt het toch te gek, nou ben je nog niet klaar met me. De andere ochtend was de burgemeester al vroeg bij me. Hij heeft z’n excuses aangeboden. Hij zei, Wim we waren allemaal zenuwachtig. Het is achteraf toch meegevallen.’

Polderpers