Er wordt hard en integer gewerkt, maar het is natuurlijk duidelijke dat de zweep van de economie er niet overheen ligt (4)
Wat heeft Nederland zich met de stormvloedkering in de Oosterschelde op de hals gehaald? En hoe slopend waren de afgelopen tien jaar voor de projectleiders en uitvoerders?
Deze week deel vier over de Oosterscheldewerken. Een gesprek met de projectleider, de hoogste chef, van de pijlerdam ir. Tj. Visser. Over aannemers, ambtenaren, het geld en de integriteit van de Deltadienst, en wat het betekent te werken aan een project waarbij iedereen je op de vingers kijkt.
Buiten lopen de golven schuimend stuk tegen basaltblokken rond omde directiekeet in Burghsluis. Op de dijk in de verte staat de Plompe Toren, een donkerbruin silhouet tegen de avondlucht. Ooit lag daar het gehucht Koudekerke dat bij een dijkdoorbraak in de Oosterschelde verdween. Alleen de kerktoren bleef bestaan. Met zoveel symboliek in de onmiddellijke nabijheid kan projectleider Tj. Visser volstaan met: ‘Daar bouwen we de kering voor.’
Hij heeft een hartgrondige hekel aan dit gesprek. ‘Ik ben niet de Napoleon van dit werk. Ik ben alleen maar de olieman die zorgt dat de radertjes kunnen draaien. In zo’n interview lijkt het al gauw of de persoon een doorslaggevende rol speelt. Dat is niet zo. Goed, ik ben met u dit avontuur begonnen. Ik wil het ook afmaken.’ Maar volgens de hiërarchie van Rijkswaterstaat is Visser de eerstverantwoordelijke man voor het grootste project dat Nederland ooit bouwde – en dat voorlopig ook wel de laatste zal blijven. Een welwillende, correcte man die in bijeenkomsten met vormelijke ambtenaren en bonkige aannemers opvalt door spitsheid die in deze gezelschappen ongewoon is.
Het gesprek begint onvermijdelijk met de kritiek op de kosten en de duur van de bouw van de pijlerdam. De mensen op het werk lijden er onder, ergeren zich eraan, hebben er zelfs slapeloze nachten door – zo heb ik uit de gesprekken begrepen. Nog steeds bestaat er geprikkeldheid over de publiciteit die het CDA-kamerlid drs. H. Eversdijk kreeg toen hij voorspelde dat het projekt wel tien miljard zou gaan kosten. Goed, hij speelde weliswaar de tragische rol van de aanklager die in de beklaagdenbank hoort – want hoe heeft de Tweede Kamer zelf niet verzaakt? – maar hoe kwam hij aan het bedrag? Het is vanzelfsprekend verleidelijk om over een project dat op vijf miljard uitkomt, allerlei vermoedens te hebben, suggesties te doen en de fantasie de vrije loop te laten. Zoals bijvoorbeeld vorige week de grootondernemer prof.dr.drs. A. Dreesmann nog deed. In een gastcolumn in De Volkskrant over de RSV (Rijn-Schelde-Verolme scheepsbouw) trok hij maar meteen de parallel door met de Oosterscheldedam, ‘een drama van zelfs nog grotere omvang waarvoor politiek Nederland geheel alleen de volstrekte en volle verantwoordelijkheid draagt en die in een bijna nationale samenzwering wordt verzwegen. Dat betekent het meten met twee maten en zulks is naar het oordeel van zeer velen in ons land nog het meest onbevredigende; het zou welhaast een tweede diepgravende parlementaire enquête waard zijn.’
Dat is niet mis, vergeleken te worden met een bedrijf dat ten onder ging aan machteloos management, bedrog, corruptie, gouden handdrukken en commissarissen die zich omringden met overvloed. Toch heeft de Algemene Rekenkamer geen gulden kunnen vinden die aan de stormvloedkering verspild is. Visser beaamt dat die verhalen van Eversdijk en Dreesmann hem pijn doen. ‘Het besluit om de stormvloedkering te bouwen is niet zo maar een beslissing over veiligheid geweest, naar mijn smaak was het een filosofische beslissing. Het was een antwoord op de vraag hoe ver ga je met je ingreep in het milieu ten behoeve van de mens. Er was het moment dat de samenleving zei: tot hier toe en niet verder. Natuurlijk kom je gemakkelijker tot zo’n besluit als je in je geld zwemt. Maar was het een wijs besluit? Ik weet het niet. Dat zal pas over vijftig jaar gezegd worden.’
De Oosterscheldewerken zullen volgend jaar acht miljard hebben gekost. Drie miljard meer dan de minister in 1976 noemde en daarvan werd twee miljard veroorzaakt door geldontwaarding en de rest door kostenoverschrijding. De pijlerdam – het vitaalste onderdeel in de Oosterscheldewerken – kostte ruim vijf miljard en was bijna dertig procent duurder dan begroot. Slordig, zeker, maar als die meerkosten worden afgezet tegen andere ‘groter dan groot’-projecten in de wereld (zogenaamde megaprojecten) dan zijn in Burghsluis de kosten nog in de hand gehouden. Zo werd de pijpleiding door Alaska zeven keer zo duur als geraamd. De bouw van kerncentrales in Amerika valt steevast vijftig tot honderdvijftig procent duurder uit dan begroot. Trouwens ook vroegere projecten van de Deltadienst zoals Haringvlietsluizen en de Grevelingendam waren steeds ruim twintig procent kostbaarder dan aangekondigd maar toen ging het om bedragen van hoogstens een miljoen of meer terwijl bij de stormvloedkering een kostenstijging van één procent ineens vijftig miljoen betekent. De Algemene Rekenkamer constateerde ook al: de ministers waren in 1976 veel te optimistisch in hun voorspellingen en de Tweede Kamer was te goedgelovig.
Voorlichting
Visser: ‘Ik denk dat de meeste mensen die het functioneren van de maatschappij een beetje kennen zich toen wel gerealiseerd hebben dat met het noemen van een bedrag de zaak niet klaar was. Ik denk ook wel dat men toen wist welke risico’s genomen werden. Dat er nu zo’n nadruk op wordt gelegd heeft twee oorzaken. In de eerste plaats hebben wij gefaald in het behartigen van onze eigen publiciteit door onvoldoende uit te leggen met welke materie we bezig zijn. En verder geloof ik dat als de economie de andere kant was opgegaan en we nog welvarender waren geworden er veel minder over gepraat zou zijn. De vorm waarin kostenontwikkelingen en de inzichten in die kosten naar buiten zijn gebracht heeft zeker een rol gespeeld.’
Had Rijkswaterstaat dat professioneler moeten aanpakken?
Visser: ‘Mijn stijl is de feiten zo helder mogelijk te presenteren en anderen het oordeel te laten vellen. We zijn daar niet op ingesteld. Daar is het apparaat niet voor. We hebben geweldig veel moeite met het departement gehad om de voorlichting tot actieve voorlichting te maken. Toen ik hier kwam was het doga, geef informatie als je iets gevraagd wordt. Als je afwachtend blijft, ben je altijd te laat. Er is de laatste tijd wat veranderd. Wij publiceren nu zelf maandelijks een overzicht over de stand van zaken op het werk.’
Maar dat vindt de afdeling voorlichting van het ministerie waarschijnlijk bedreigend?
‘Laat ik het zo zeggen, eh… afwijkend van het gewone. Traditioneel is het zo dat het ministerie vindt dat wij, mensen van buiten op het werk, voor de techniek moeten zorgen. Er op moeten letten dat het geld goed besteed wordt en het karwei op tijd klaar is. Dan zullen de ambtenaren in Den Haag wel zorgen voor de afdekking van de omgeving – de invloeden van buiten zoals de politiek maar ook de invloed van de Oosterscheldenwerken op de natuur en bijvoorbeeld de geldontwaarding. Maar die scheiding is niet vol te houden, omdat de omgeving zo’n rechtstreekse wisselwerking heeft dat je de projectleiding er niet van kan ontheffen. Zodra wij eigen overzichten gingen publiceren werd gezegd, dat is jullie werk niet. Jullie begeven je op ons gebied, de voorlichting.’
Toen Visser in 1979 ir. F. Spraargaren als projectleider van de stormvloedkering opvolgde, was hij jarenlang directeur geweest van het bouwbedrijf Zanen Verstoep.
Levert zo’n overstap van bouwer naar opdrachtgever geen loyaliteitsproblemen op?
Visser: ‘Ik geef toe, dat is een moeilijk punt. Het voordeel was dat Zanen Verstoep niet in Dosbouw zat – de combinatie van aannemers die de kering bouwt. Wat dat betreft was er enige afstand. Maar natuurlijk ken ik al m’n collega’s van Dosbouw. Wat ik gedaan heb is de eerste vier jaar van m’n werk hier een strikte scheiding in acht nemen. Ik deed het zo rigoureus dat mijn vroegere vakgenoten zeiden: waarom zien we je nooit meer? Omdat, zei ik dan, omdat ik een nieuwe functie heb. Ik zit nu aan de andere kant van de tafel en ik wil het zuiver houden. Ik kan niet meer met jullie omgaan op de manier zoals ik dat vroeger deed. Ik wist dat als ik de rol die ik nu vervul goed wilde spelen, ik perse elke loyaliteit met de aannemerij moest verbreken. Toen ik een week in dienst was hier in Burghsluis kwam iemand van Rijkswaterstaat bij me en zei, joh, nu moet je ons eens precies vertellen hoe dat nu gaat met de aanbesteding tussen de aannemers onderling. Toen heb ik gezegd, het spijt me, maar ik ben het vergeten. Ik ga niet als overloper aan de andere kant allerlei dingen uit mijn vroegere periode vertellen. Zó loyaal ben ik nog wel. Ik heb het gevoel dat de aannemers weten wat ze aan me hebben. Ik ben geen meezinger en geen overloper, maar probeer zo integer mogelijk een tegenspeler te zijn.’
Toch, zegt de verslaggever, zou je al snel enige smaak van bederf kunnen proeven. Visser van Zanen Verstoep naar het Rijk, Spaargaren van het Rijk naar Volker Stevin – overstapjes die vaker worden gemaakt.
Hoe kan je nog objectief oordelen over aanbestedingen, bestekken? Hier in Burghsluis zitten de aannemers naast de opdrachtgever, de gelegenheid maakt de dief.
Visser (denkt lang na) zegt: ‘Zou het niet net zoiets kunnen zijn als in de beroepsvoetbal. Dat je de ene keer op de loonlijst staat van Ajax en je ontzettend je best doet om te scoren en je het andere jaar bij Feyenoord hetzelfde probeert? Dat spelelement is hier wel degelijk aanwezig. Ik weet zeker dat ze bij de aannemerij aan de overkant van het pleintje zich onder een borrel lekker afzetten tegen die sufferds van Waterstaat. Omgekeerd gebeurt precies hetzelfde hier. Wij zijn toch veel slimmer dan die jongens van Dosbouw. Dat zijn van die domme doeners. De mens heeft behoefte aan spel en solidariteit in eigen groep en ik denk dat er verrekt weinig mensen zijn die er over piekeren als ze bij Ajax spelen om dan een bal in eigen doel te trappen.’
Maar in de voetbal zijn er spelers die zich laten omkopen, sport verloedert.
Dat zit erin. De parallel gaat gewoon door. Als u mij vraagt zitten hier mensen die zich hebben laten omkopen dan weet ik het niet. Als ik het wist zaten ze hier niet meer. Daar ben ik trouwens ontzettend scherp op. Als er iets gebeurt, is het gedaan.’
Het is verbazingwekkend dat, in tegenstelling tot praktijken die zich afspelen bij RSV, het algemene Burgerlijk Pensioenfonds, Ogem, Rijkswaterstaat een redelijk keurig gedrag vertoont. Afgezien van een aantal kleine ongelukjes bleef de dienst schoon.
‘Nu spreek ik even als oud-aannemer. Ik heb altijd diep respect gehad voor de integriteit van Rijkswaterstaat. Niet dat de medewerkers nooit eens een fles wijn zullen accepteren, maar dat behoort tot de aardigheidjes. Ik heb in veel landen gewerkt en daar was het heel wat minder. Rijkswaterstaat in z’n geheel is een integer apparaat. Alleen nu moet een ander het zeggen, voor mij is het vanzelfsprekend.’
Projectleider Tj. Visser: ‘Dit contract is een soort eiland en de zee om het eiland is stil geworden’
‘Ik weet niet precies hoe het zit. Ik denk dat het korpsgeest is. Er zijn dingen die je niet doet, Er wordt hier redelijk gehonoreerd zodat je niet uit honger of andere behoeften naar de dingen grijpt. Je hebt ook een grote sociale controle. Als iemand het ineens breed zou laten hangen of als aannemersvriendje bekendstaat, wordt er opgetreden. Dat corrigeert zichzelf. Er zijn mensen die gemakkelijker en minder gemakkelijk zijn in dit opzicht. Ik geloof absoluut niet in kadaverdiscipline. Ik geloof wel in het geven van verantwoordelijkheden. Als je die niet kan dragen is dat het einde van de verhouding. Maar ik zit op heel glad ijs. Morgen kan een enorm schandaal losbarsten. Ik hoop van harte dat me dat bespaard blijft. Wat ik ervaren heb is een soort normbesef, zoiets doe je niet. En ik denk vooral dat het geheim zit in het dragen van verantwoordelijkheden, mensen blijken dan een resistentie te ontwikkelen tegen verleidingen. Ik voeg daar aan toe dat we hier overigens een boekhoudkundige systeem hebben waardoor weinig slechte dingen mogelijk zijn. Je kan van een berg stenen nu eenmaal geen twee bergen maken. Geld gaar hier niet om.’
Maar in Maassluis is toch wel een drie keer zoveel zand in rekening gebracht als was aangebracht?
‘Toch is alles te meten. Maar ja, als je begint de meters om te kopen en dan vervolgens de controleurs van de meters dan kom je heel ver. Maar daar geloof ik niet in. Ik heb het als aannemer nooit gedaan. Ik zei wel, als de scheidsrechter niet kijkt dan mag je een tackle maken’.
Hoe gebeurt dat dan?
Visser (lachend): ‘Nou die bestaat er bijvoorbeeld uit iets goed te meten wat in werkelijkheid niet goed is. Ik heb daar zelf ook wel aan meegedaan. Een sluiswand bijvoorbeeld hoort lood te staan maar door een of andere oorzaak staat die wand niet helemaal gelood. Dan ga je er met de tegenpartij naar toe en je meet hem terwijl die tegenpartij, in dit geval iemand van de Waterstaat, staat te slapen. Nou dan trek je die meestal een centimeter door en dan meet je toch goed. Moet die vent maar wakker zijn. Je weet immers dat het voor de techniek van de sluiswand geen donder uitmaakt. Gevaar is er niet en je benadeelt er niemand mee. Je voorkomt alleen gelazer dat die sluiswand afgebroken moet worden en recht moet. Nou dat noem ik een tackle. Moet die andere partij maar wakker zijn.’
Dat zou kunnen ontaarden in een sluiswand die maar de helft van de sterkte heeft die die moet hebben?
‘In het bedrijf waar ik werkte gold de opvatting, je mag wel een oorlog door slimmigheid winnen, maar nooit via bedrog. Ik herinner me nog een keer in Duitsland waar we een baggerwerk hadden. In het bestek was de clausule opgenomen dat als de gasolieprijzen omhooggingen wij bijbetaald kregen. Maar als ze omlaaggingen moesten wij terugbetalen. Toen kreeg ik een telefoontje van de boekhouder en die zei, de prijzen zijn gezakt maar het is toch doodzonde om terug te betalen. Zal ik Shell maar om een andere factuur vragen? Nee zei ik toen, dat valt buiten de limiet. Dat doen we niet.’
En als je als aannemer zo’n controle-ambtenaar meeneemt voor een rijk maal met drank waardoor die later staat te slapen?
Visser: ‘Ja hoor, als die sufferd erin trapt dan mag dat ook. De trucs worden door elk bedrijf anders opgezet. Elk bedrijf heeft z’n eigen atmosfeer en stemming. Er waren ook bedrijven die tegen ons zeiden, jullie stommelingen met je nette gezicht. Wij verdienen veel meer. Die pakten wat ze pakken konden.
Op fluweel
Het gesprek komt op de raamovereenkomst die de Deltadienst met Dosbouw heeft. Een aantrekkelijk contract waarmee de aannemers op fluweel zitten. Visser denkt lang na. ‘De contractomstandigheden zijn hier goed,’ zegt hij, ‘vooral gegeven de verslechtering van de economie. Als de economie de andere kant was opgegaan zou het slecht voor ze zijn geweest. Dit contract is een soort eiland en de zee om het eiland is stil geworden. Op het eiland is het prettiger dan daarbuiten. Er wordt hard en integer gewerkt maar het is natuurlijk duidelijk dat de zweep van de economie er niet overheen ligt.’
Tien jaar geleden was de pijlerdam nog een project ‘aan de grens van het menselijk kunnen’. Daar is nu volgens Visser geen sprake meer van want ‘het kunnen is opgeschoven’.
‘Ik heb veel zeer gerespecteerde technici horen zeggen, wat ze nu willen kan helemaal niet. Om daar tegenin te gaan en te zeggen dat we het wel voor elkaar zouden krijgen, geeft een druk.
Alle pijlers staan nu vast, de druk is er af en de spanning valt weg. Zelf vind ik dat een gevaar, die spanning moet aanwezig blijven. Vandaar dat we voor het laatste stuk in de komende twee jaar een nieuw contract met Dosbouw aangaan waarin weer een element van spanning zit.’
Maar u zult toch genoeg spannende momenten hebben bij het denken aan wat er allemaal in de toekomst nog mis kan gaan. Schuiven die kunnen weigeren, kanaaltjes onder de pijlers die geulen kunnen worden waardoor de zaak kan kantelen. Kan dit geen nieuwe ‘Titanic’ worden?
Visser lacht breeduit: ‘Die vraag wordt me meer gesteld maar ik weet hoe goed de pijlerdam ontworpen en gebouwd is. Honderd procent zeker is het niet maar het helpt geen donder om erover in te zitten. Voor zover ik weet zitten er geen feilen in en als het wel zo is helpt het niets om er zenuwachtig over te worden. Er zijn hier deskundigen uit de hele wereld geweest, we hebben hen alles laten controleren om onszelf er van te vergewissen dat we geen fundamentele vergissing hebben gemaakt. Als u nou een professor in de piping-technologie was zou ik zeggen, we nemen heel de zaak nog eens door maar dat heeft nu geen zin. En de schuiven blijven heus niet vastzitten. Die wet van Murphy dat alles fout kan gaan een keer fout gaat, hebben we hier regelmatig bij de hand gehad. Zoals met de Ostria die de pijlers heeft geplaatst. We hadden ons op alles voorbereid en potverdorie, dan loopt er ergens boven in een lager uit. De dingen gaan mis waar je je niet op geprepareerd hebt. Maar als dat wel is gebeurd gaat het goed. Voordat definitief met het plaatsen van de pijlers werd begonnen, hadden we al buiten de as van de kering acht keer proef gedraaid. Aks we het weer moesten doen, zouden we minder voorzichtig kunnen zijn. De tegelmatten onder de pijlers zouden we bijvoorbeeld weg kunnen laten. We hadden ons ingesteld om elk van de vijfenzestig pijlers bij te stellen met een tegelmat. Later bleek dat tweeënzestig ineens goed stonden en we aan drie iets moesten doen.
Negatief
Er is ook veel misgegaan. De rekenmeester van het Oosterscheldeproject ir.drs. H.J.N. Smits schreef onlangs dat niemand er in 1978 mee rekening hield dat de stormvloedkering een ‘ontwikkelingsproject’ is. Het zou redelijk geweest zijn rekening te houden met een marge in de raming van dertig procent. Dat werden uiteindelijk ook de meerkosten. Er hadden ook afspraken gemaakt dienen te worden over verrekening van prijsstijgingen als gevolg van inflatie. ‘Teleurstelling en negatieve beeldvorming over het project en begrotingsproblemen hadden daarmee voorkomen kunnen worden.’
Visser is ervan overtuigd dat als een commerciële opdrachtgever de pijlerdam had laten bouwen het heel anders verlopen zou zijn. ‘Neem nu de petrochemische industrie, die is bijzonder bedreven in het uitvoeren van megaprojecten. De industrie heeft als stelregel, geen nieuwigheden in een fabriek als die niet elders zijn uitgetest in een proeffabriek.’
We komen weer op de kamerleden en hun (geringe) betrokkenheid.
Hebt u die mensen hier nu wel eens uitgenodigd?
‘Dan kom je weer op zo’n gek ambtelijk puntje. Dat mag ik niet. Ik mag geen kamerleden uitnodigen. Dat is voorbehouden aan het departement. Ik kan hoogstens kamerleden aanmoedigen om te vragen of ze hier eens kunnen komen. Er zijn er trouwens genoeg geweest. De enige partij die ik hier overigens gek genoeg nooit gezien heb is D’66. Ik heb ze wel eens gezegd, vraag toch eens of je mag komen. Maar er is nooit antwoord gekomen. En Eversdijk zie ik ook niet zo veel, maar die wordt kennelijk op een andere manier geïnformeerd. En ja, die kamervragen, daar wind ik me niet zo over op, ik ken de werking niet, ik ken de motieven niet. Ik geloof dat ze in veel gevallen met meer dan één bedoeling gesteld worden.’
U maakt hier de antwoorden op de vragen klaar voor de minister? ‘
Ja, dat is ook onze enige zorg, dat we weer een heleboel vragen moeten beantwoorden. Dan denk ik, mens moet dat nou via de minister? Ze hadden toch veel beter even kunnen bellen. Een keer heeft de minister het op onze suggestie ook in de kamer gezegd, als u kleine vragen heeft bel dan meteen naar Burghsluis. Dat is nooit gebeurd, dat is de grap ook niet natuurlijk. Het is niet alleen de nieuwsgierigheid maar het effect van de vraag. Dat is een onderdeel van het parlementaire spel. Iemand heeft eens tegen me gezegd, maak het nu maar af en vertrek geruisloos. Dat is het verstandigste wat je kan doen. Iedereen kijkt naar je. Maar dat is onzin. Ik wil in de tegenaanval met goede, zakelijke informatie. Je zult ons niet horen roepen dat we het zo goed doen maar wel dat we ons best hebben gedaan.’
(Vrij Nederland 22 december 1984)
‘Als we rekenen op vervolgopdrachten nemen we onszelf in de boot’Het onderhoud van de DeltawerkenAls over twee, drie jaar de Oosterscheldewerken worden opgeleverd, betekent dat het einde van de Deltadienst. Het Deltaplan, dertig jaar geleden begonnen met de bouw van een beweegbare stormvloedkering bij Krimpen aan den Ijsel tegen mogelijk gevaar vanuit de richting van de Nieuwe Waterweg, is dan voltooid. Het heeft een serie indrukwekkende kunstwerken opgeleverd. Het biedt mensen in zuidwest-Nederland een betere, maar niet absolute bescherming tegen vloedgolven uit zee. Het geeft de verzilting van landbouwgronden voor een deel gestopt. En misschien dat het sommige mensen van hun trauma’s geneest die ze in februari 1953 opliepen. |