Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars

… en de wijsheid van Rijswijk

Hetzelfde water

‘Ons lage land aan zee is een groot lijf
Met aderen, aorta’s, bloedkanalen
En al wat zich vertakt – een druk bedrijf
Dat regelt dat we pijnloos ademhalen.

Geen netwerk dat je ongestraft verbouwd
Het overstroomt bij elke prop meteen.
Wordt het in één arterie te benauwd,
Dan spatten duizend haarvaten uiteen.

(Gerrit Komrij, rijksdichter, 2000)

… en de wijsheid van Rijswijk

Of hoe het polderdistrict zich bekeerde tot nieuwe technieken en de weg van overleg

Hoofdstuk 5

Het oude dorp is een straat met hooguit twintig huizen en dijkboerderijen. Tegenover De Wildeman loopt een weg dood in de buitenpolder. Een hek, een huis en ver weg een steenfabriek op een schiereiland tussen kleiputten. In de verte, over de rivier, een silhouet in de zon met een spitse toren, een nooit afgebouwde domtoren en een molen. Huizen lichten wit op. Als de veerpont aanlegt, rijden auto’s in karavaan slalommend langs obstakels in de weg naast de later gebouwde nieuwe wijk, die het aanzien niet waard is.
Maar de stille strijd die hier ooit gestreden werd ging om de dijkbuurt. Een verzameling van mooi bewaard gebleven Betuwse boerderijen, schuurbergen en dijkhuizen. Het dorp heet Rijswijk en ligt in een kromming van de Neder Rijn die vanaf hier Lek gaat heten. Links begrensd door het Amsterdam-Rijnkanaal. Met de Rijnbandijk en de Kanaaldijk. En met een onbelemmerd gezicht over uiterwaarden en de Lek, op Wijk bij Duurstede. Zoals het altijd moet zijn geweest, ongeschonden, wijd, in diffuus licht.

Het scheelde niet veel of Rijswijk was Brakel achterna gegaan. Lege plekken in de dijkbuurt herinneren aan het begin van een koude sanering toen schoonheid nog niet op waarde werd geschat. En heel lang dreigde afbraak of de aanleg van een hoge nieuwe dijk door de uiterwaarden die het dorp zou scheiden van zijn vergezicht.
In het begin van de jaren zeventig zorgde de heer Meffert van de Rijksdienst voor Monumentenzorg voor bedenkelijk gefrons in de Coördinatiecommissie voor dijkverbeteringsplannen, toen hij voorstelde tot aanleg van een nieuwe, groene dijk, buiten de bestaande dijk in Rijswijk. Op die manier zou alle bestaande bebouwing kunnen blijven bestaan. Dat was een rebels geluid. Breken was toen nog de trend. In dezelfde vergadering zat het geachte kamerlid ir. H. van Rossum (SGP) die liet horen dat van die nieuwe dijk rondom niets kon komen: ‘De bedoeling is dat de dijk aan de binnenzijde verzwaard wordt. Dat is de algemene gedragsregel.’
Daarop bleef het lang stil rondom Rijswijk. Er gebeurde niets. Want onder invloed van de gebeurtenissen in Brakel stonden bewonersgroepen op die zich nadrukkelijk in de discussie mengden. Het polderdistrict Betuwe bekeerde zich in navolging van het polderdistrict Tieler- en Culemborgerwaarden tot nieuwe technieken. Pas jaren later zouden de voorbereidingen voor de dijkverbetering worden hervat.
Het was in het voorjaar van 1994 dat Ger de Vrieze, hoofd dijkverbetering van Betuwe, historicus Ferdinand van Hemmen vroeg een studie te maken naar de ontstaansgeschiedenis van Rijswijk. Hij vroeg hem ook na te denken over een dijk door de uiterwaarden om zo de bestaande situatie aan de oude dijk in tact te laten. Zo ontstonden tenslotte twee varianten voor een oplossing. Van Hemmen pleitte voor handhaving van de oude dijk door de aanleg van een nieuwe groene dijk in de uiterwaarden. De tweede mogelijkheid was het verbeteren van de bestaande dijk door middel van damwanden.
De ontwikkelingen in die tijd waren stormachtig. Eind september vergaderde de adviesgroep opnieuw. De vraag werd gesteld ‘of de heer Van Hemmen heeft kunnen vermoeden dat het met moderne technieken mogelijk is de oude dijk te sparen zonder de aanleg van een nieuwe dijk buitenom’. Iedereen was het tenslotte eens dat de nieuwste technieken zouden worden ingezet.

Twee jaar later, eind 1996, had de Rijnbandijk door Rijswijk stalen damwanden gekregen, via hoogfrequentietrillen verticaal in het hart van de dijk gedrukt. De dijk zelf zou dertig centimeter hoger worden, een beetje minder steil en in hoog tempo worden aangelegd. Tegelijkertijd voerde de gemeente éénrichtingverkeer in, kwam er een verbod voor vrachtauto’s en werd bereikt wat nagestreefd was: behoud van natuur, landschap en cultuurhistorie én meer veiligheid. Aan het eind was iedereen – zelfs de weifelende minderheid – gelukkig. Dijkbewoner G.P. Smaling, eigenaar van een huis waarin ooit de hoefsmid zat, zei: ‘Wij hebben geluk gehad. Zonder Brakel was er geen Boertien gekomen en zonder Boertien zou Rijswijk nog maar de helft zijn geweest van wat het nu is.’ Sindsdien werd ook wel gesproken over de ‘wijsheid van Rijswijk’.

Het voorbeeld van Rijswijk zou in de jaren daarna overal in de Betuwe worden gevolgd. Maar eerst moest een sprong in de tijd worden gemaakt en laat negentiende-eeuwse opvattingen worden afgezworen. Hans van Leeuwen had een kwart eeuw deel uitgemaakt van het polderbestuur. Eerst als hoofdgeërfde, later als heemraad. Hij was Daan Taps kroonprins. Toen hij in oktober 1993 dijkgraaf werd, verscheen op hetzelfde moment het rapport van de commissie-Boertien I. Van Leeuwen was geen hemelbestormer, maar hij voelde dat er andere tijden kwamen. In de dijkstoel zei hij: ‘Jongens we zijn te introvert. We moeten veel meer naar de burger toe. We moeten met onze tegenstanders aan tafel gaan zitten.’ Het adagium binnen het waterschap luidde toen nog, hard werken, je mond dicht en de hand op de knip. ‘Het grapje ging dat de vader van Daan Tap dat niet voldoende vond. Die zei, de knie op de knip dan heb je beide handen vrij om te werken. Dat was introversie in het kwadraat,’ vond de nieuwe dijkgraaf.
De zuinigheid van het geslacht-Tap is legendarisch. Oud-secretaris J. Derksen herinnerde zich hoe de familie op winterdagen bijeen zat rondom de Betuwse potkachel, met de voeten op de brede warme rand: ‘Elke cent die door het polderdistrict werd uitgegeven, voelde dijkgraaf Tap als een aanslag in de eigen portemonnee. Tap was een grote boer met honderd bunder grond die daardoor veel polderlasten betaalde. Hoe meer activiteiten de polder ondernam, des te meer moest hij betalen. Het polderdistrict werd door de familie Tap beschouwd als eigen erfgoed dat als goed rentmeester diende te worden beheerd. Ze waren zuinig en dat ben ik als secretaris ook geworden.’ En het personeel herinnerde zich hoe het, teneinde in aanmerking te komen voor een nieuw potlood, de noodzaak moest aantonen door het stompje van het oude te overleggen.
Daan de Laatste verhaalde lachend over de strijd die zijn vader, Daan de Eerste, voerde met de provincie over subsidie voor dijkverzwaring. Na 1953 was vastgesteld dat ook de dijken in het rivierengebied omhoog moesten. Het duurde jaren voor duidelijk werd hoe. Vervolgens duurde het andermaal jaren voor de vraag opgelost was wie dat moest betalen. Tap: ‘In het eerste gesprek dat mijn vader had kreeg hij te horen, Over-Betuwe is zo rijk dat heeft helemaal geen subsidie nodig. Die kan zelf wel betalen. Mijn vader antwoordde, maar we zijn toch allemaal gelijk? Als heel de wereld subsidie krijgt wil ik het ook.’ Hij kreeg het niet en aan de dijken veranderde niets.
Pas na 1970, toen de zoon de vader was opgevolgd, kwam schot in de onderhandelingen. Eerst werd veertig procent subsidie geboden. Daarop zestig procent. Tap, die op de paardenmarkt in Elst de technieken van loven en bieden had geleerd, adviseerde in de dijkstoel nog even te wachten. Hij zei: ‘Het werd tachtig procent en later negentig. Daarna zijn wij de meeste dijkverbeteringen gaan uitvoeren.’
Overigens niet altijd even planmatig. Tap beschikte over een groot netwerk waarvan hij gepast gebruik maakte. Hij zei: ‘In mijn tijd hadden de burgemeesters nog gezag, nu hebben ze minder te zeggen dan de dijkgraaf. Ik had goede contacten met Jeuken, de burgemeester van Gendt. We hadden samen in de paardensport gezeten, hij was heemraad geweest in Maas en Waal. Ik zei tegen hem, die dijk bij jou heeft zwakke plekken, die moet verzwaard worden. Dat regel ik, antwoordde hij en we konden aan de slag. Hetzelfde gebeurde in Dodewaard waar een burgemeester kwam die sympathie had voor het waterschap.’
De jonge Daan Tap had nog een reputatie nagelaten. Hij vond die nieuwe technieken zoals kwelschermen en kistdammen duur en verspilling. Hij legde liever met hetzelfde geld een goede dijk aan van klei en zand die langer meeging. Hij nam het offeren van huizen daarbij voor lief. ‘Ik heb er tegen de honderd laten afbreken. Het hadden er veel meer moeten zijn maar het verzet werd te groot,’ zei hij.

Zijn opvolger Van Leeuwen had daarom veel uit te leggen. Rijswijk zou een van de eerste dijkvakken worden dat volgens het bestek van Boertien werd verbeterd. En daarna trok hij, samen met het toenmalige hoofd technische dienst Johan van Meegen en hoofd dijkverbetering Ger de Vrieze, avonden lang door het district om adviesgroepen voor te zitten die moesten oordelen over de ruim honderd kilometer lange dijkverzwaring in de Betuwe. Dijkvak IJzendoorn-Amsterdam-Rijnkanaal 5,6 km; Loenen-Dodewaard 6,3 km; Elden-Driel 6,3 km; Eck en Wiel-Maurik 4,9 km. En zo verder. Hij haalde een functionaris binnen voor de publiciteit. Hij ging thema-avonden beleggen voor het bestuur. Van Leeuwen zei: ‘We keken eerst zorgelijk tegen de milieueffectrapportage aan. Ik zei, laten we het toch maar proberen, het kan ook helpen om draagvlak te ontwikkelen. Ik bewaar er de fijnste herinneringen aan. We kregen respect voor elkaar. We liepen met al die mensen van de adviesgroepen over de dijk. We keken. We vergaderden in de bus. Ik nodigde iedereen uit aan tafel. Voor het waterschap was het wennen maar uiteindelijk hebben ze ons gediend en geholpen. Ik heb wel eens gedacht, wij waren het tegenbeeld van hoe Nijmegen het toen deed met de Waalsprong. Als bestuurder moet je dienstbaar zijn. Als boer zeg ik, eerst je zaaibed bereiden. Als je zo ver bent om te planten en te poten ligt alles gereed.’
Hij bereikte ermee dat Jan Coopmans, een gevreesd lid van de Groene Long, zich later bijna lyrisch de dijkverzwaring zou herinneren. ‘Er is niks doorgedrukt. Per dijkvak werden alle belanghebbenden bij elkaar geroepen en werd gesproken over oplossingen voor moeilijkheden. Er is geen woord van ongenoegen gevallen. Geen enkel bezwaarschrift, geen enkele procedure.’
John Mulder, bodemkundige uit Oosterhout en ook prominent lid van de Groene Long, zat namens de Historische Kring Oosterhout/Slijk-Ewijk in adviesgroepen voor dijkverzwaring in Dodewaard, Loenen en Lent: ‘Ger de Vrieze en Johan van Meegen van het polderdistrict zeiden: hier is ons plan. Niets ligt nog vast, schiet er maar op. Zo wilden wij een keer zavel in plaats van klei tegen de dijk. Dat is beter voor de vegetatie. Het kiemen gaat sneller en je krijgt een mooie flora. Nee, antwoordde de polder, klei is stevig en beter. Wij kenden onderzoek waaruit bleek dat zavel nog steviger is zodra die goed doorworteld raakt. De volgende vergadering hadden ze hun huiswerk gedaan en besloten ze stukken dijk met zavel te bedekken. Bij Lent konden alle dijkhuizen blijven door te kiezen voor een damwand. Bij camping Tergouw wilden wij per se binnendijks verzwaren omdat buitendijks archeologisch gebied ligt. Wat ik altijd jammer heb gevonden was het rooien van oude eiken uit de heerlijkheid Loenen. Baron Van Boetzelaer is toen zo kwaad geworden. Ik denk dat die eiken zijn dood hebben bespoedigd. Later ben ik nog eens de baronesse tegengekomen. Het polderdistrict had het Jeugdjournaal uitgenodigd omdat een oude linde werd verplaatst. Ja zei ze, mooi hoor al die reclame voor zo’n linde. Maar die eiken zijn wel naar hun mieter.’

Behalve met de erfenis van traditionele voorgangers, zuinigheid en oude ingesleten gewoonten, had de nieuwe dijkgraaf ook te maken met een behoudende adviseur, Heidemij Adviesbureau. Generaties lang huisadviseur van eerst Nederbetuwe en Over-Betuwe en later het polderdistrict Betuwe. In de laatste dertig jaar van de vorige eeuw trad Theus Kamermans op als vaste gesprekspartner. Want hij was veel meer dan projectleider. Hij was zo omschreef hij zichzelf ‘verlengstuk van de technische dienst van de polder’. Vanaf begin jaren zeventig was hij vrijwel dagelijks met dijken bezig – ‘soms lag de boel een paar maanden plat en dat kwam omdat Becht of Boertien bezig waren’. Alle technische klussen deed Heidemij. Plannen opstellen, bestek maken, controleren, directie voeren tot aan aanbesteden toe. Kamermans schreef zelfs een gunningsadvies dat altijd door de dijkstoel werd overgenomen. Of het nou om ruilverkaveling ging, dijkverbetering, gemaal of een duiker – alles passeerde de ingehuurde sluiswachter. Het polderdistrict had een man en een paardenkop in dienst. De technische dienst bestond – de buitendienst uitgezonderd uit een hoofd, een hoofd dijkverbetering en een tekenaar die ook de legger bijhield. Het polderdistrict concentreerde zich op de procedurele en procesmatige afhandeling van de dijkverbeteringsplannen. Het kwam er op neer, zei Kamermans, dat hij bijna alles deed behalve het onderhoud. Jaarlijks haalde Heidemij uit de Betuwe een omzet binnen van een miljoen gulden. In 1996 ging Kamermans met vervroegd pensioen.
Hij dempte zijn stem toen hij zei: ‘In het polderdistrict Groot Maas en Waal zat Grontmij. Dat was een rooms-katholieke streek en Grontmij was katholiek. Wij, de Heidemij, waren protestant en zaten in de Betuwe. Dat was al heel lang geleden zo ontstaan. Eigenlijk uiterst merkwaardig.’
Maar beide cultuurmaatschappijen waren niet geneigd één stap harder te lopen dan de opdrachtgever wilde. Achteraf zei Kamermans: ‘Landschap, daarmee had ik in al die jaren niets te maken. Het woord kwam gewoon niet voor in onze opdrachten. Natuurlijk, de commissie-Becht had er in het begin van de jaren zeventig over geschreven. We wisten ook alles van uitgekiende ontwerpen en nieuwe technieken van dijkverbetering. Maar die ideeën zaten het waterschap niet lekker. Die boerenbesturen wilden er geen geld aan uitgeven. Een enkele keer staken wij het hoofd wel eens boven het maaiveld uit. Maar we bleven toch altijd balanceren op de rand van het mogelijke. We moesten de dijkstoel tevreden stellen en tegelijk zorgen dat de plannen door de coördinatiecommissie voor dijkverbeteringsplannen (CCD) kwamen.’ Dat lukte altijd wonderwel en als blijk van dankbaarheid voor alle bewezen gunsten, liet de Heidemij bij Dodewaard ooit een monumentje oprichten voor vader en zoon Tap, dijkgraven van het polderdistrict Betuwe.

Want met klantvriendelijkheid en loyaliteit was Heidemij groot geworden. Altijd waren andere de echte boosdoeners. Kamermans zei: ‘Weet je wie de grootste schuldige was? De provincie. Een paar ambtenaren zeiden, de dijk moet honderd procent technisch goed zijn. Er mogen geen damwanden in, want die gaan roesten en over veertig jaar vallen ze uit elkaar. Grond blijft altijd goed dus moet een dijk van grond zijn. Als je dan durfde voor te stellen, laten we er eens een scherm inzetten dan werd je als het ware het provinciehuis uitgeschopt. De provincie hanteerde ook als regel dat je binnen tien meter uit de teen van de dijk niets mocht bouwen. Als ik met een oplossing kwam die dat wel mogelijk maakte, mocht het niet. Je kreeg technici tegen je, je joeg provincieambtenaren tegen je in het harnas. Zij waren absoluut traditioneel. De omslag kwam met Boertien. Toen hebben de waterschappen en de provincie op hun falie gekregen.’

‘Basalt is het allermooiste dat er is.’

Wim de Koning is steenzetter. Op elke strekdam in de Waal, van Dalem tot Ochten, is hij geweest. Op elke glooiing van de dijk heeft hij gestaan. Hij begon op z’n veertiende en hij is nu ruim vijftig. Een steenzetter laat dagelijks dertig tot veertig ton steen door z’n handen gaan. Wim de Koning moet in z’n leven daarom zo ongeveer een half miljoen ton steen hebben verplaatst. Voor het eerst heeft hij het in z’n rug. Hij zit thuis in Hardinxveld, heeft een twinkeling in de ogen en zegt liefde voor zijn werk te voelen: ‘Ik begon met opperen en als stopjongen. Ik maakte bedjes van breek- en slooppuin. Tegenwoordig wordt gezet op natuursteen, grauacke noemen we dat. Van lieverlee mocht je stenen mee gaan zetten. Op m’n achttiende was ik vol en vol houdt in dat je zelfstandig naar elk werk kan worden gestuurd.’
Om het zo lang te kunnen volhouden als Wim de Koning heeft gedaan moet je van steen houden. Hij zegt: ‘Basalt is steen voor de steenzetter. Het is het allermooiste wat er is. Basalt is je vak. Ik heb het zien staan in de steengroeven van Duitsland, als pilaren van wel honderd meter hoog. Die laten ze springen en dat worden de stukken op lengte gesorteerd. Dertig/veertig of veertig/vijftig, dan praat je wel over stenen van over de honderd kilo want het soortelijk gewicht van basalt is erg hoog. Die moet je allemaal met de hand verplaatsen. Ik heb enkel een ijzer, daar doe ik alles mee. ’t Is net als een puzzel, als je veel puzzelt weet je welk stukje je nodig hebt. Een goede steenzetter pakt geen steen verkeerd. Je moet je aantal meters halen, per dag twaalf tot vijftien vierkante meter basalt wegzetten. Meestal gok je goed en gebruik je het ijzer om een klap na te geven.’
De vader van Wim de Koning was metselaar. Hij wilde dat zijn zoon een goed vak leerde: ‘Als buitenstaander werd je niet zomaar steenzetter. Een paar families hadden het in de hand, het was een gilde. Na de oorlog en de watersnoodramp van 1953 werd er ontzettend veel geld in verdiend. We werden betaald als chirurgen. Een metselaar kwam in die jaren met zestien gulden per week naar huis. Een steenzetter verdiende tussen de tachtig en negentig gulden. Die kocht geen huis, die kocht drie huizen.’
Maar het beroep van steenzetter sterft uit. Toen Wim de Koning begon waren er nog bijna vierhonderd steenzetters, nu zijn er nog vijftig.
Hij zegt: ‘Er is geen jonge aanwas meer. Onlangs werkte ik in Tiel waar de pont aanmeerde. De mensen verbaasden zich dat je in de eenentwintigste eeuw dat soort werk nog met de hand doet. Al mijn collega’s zijn zo’n beetje in de vijftig. Het vak wordt ook niet meer goed betaald. U mag het gerust opschrijven, ik verdien negenhonderdenvijftig gulden netto per week. Als ik m’n particuliere verzekering betaald heb houd ik achthonderd over. Daar moet ik heel zware arbeid voor doen.’
Basalt verdwijnt en in de plaats komt basalton, basalt van beton. Dat kan voor een deel met machines tegen de dijken worden gezet. Maar handwerk blijft nodig: ‘Twee jaar geleden zat ik in Boxtel. Daar stond basalton van vijftig centimeter lang, de zwaarste weegt honderdtien kilo. Daar sta je helemaal alleen voor, echt moordenaarswerk. Er wordt van je verwacht dat je per dag dertig tot veertig vierkante meter basalton wegzet. Veel van de opzichters hebben geen verstand van steenzetten. Die weten niet waarover ze praten. Het vak verandert. Het was rustgevend, heerlijk alleen aan de rivier achter het riet met de trillingen van warmte boven het water aan het werk te zijn. Maar er wordt steeds meer geknoeid, voor het vaderland weggezet. Ik heb op de Waal dingen meegemaakt, vreselijk. Prachtige zetdammen zijn er afgebroken, onttakeld en in de plaats zijn stortdammen gemaakt. Belse steen met een knijper geëgaliseerd, een lange hoop neergesmeten stukken steen. Overal haakt het zwerfvuil vast. Ik heb daar m’n leven lang gewerkt maar nu schieten de tranen soms in m’n ogen. Alles gaat kapot. Het heeft veel te maken met de directie die aan de macht is. Alles wordt volgepropt met basalton. Vroeger wist een directie dat wat wij doen zwaar werk is en ze gunden ons een boterham. Steenzetten is een echt Nederlands beroep, ik vind het verschrikkelijk jammer dat het gaat verdwijnen. Over tien jaar is er niets meer van over, tenzij het weer beter betaald wordt.’
De meeste steenzetters halen hun pensioen niet: ‘Een keuringsarts heeft me eens gezegd, voor jouw beroep moet je de conditie hebben van een topsporter. Tegenwoordig ga ik om tien uur naar bed, na een dag werken ben ik uitgeteld. Ik had het eens verschrikkelijk in m’n rug. Een fysiotherapeut heeft daarop een videofilm gemaakt van ons gemaakt om in het land te laten zien hoe het niet moet. Je moet bij iedere steen eigenlijk door je knieën zakken maar als je het vijfendertig jaar lang op een bepaalde manier gedaan hebt, verander je dat niet meer. Je staat niet op het gemakkelijkste materiaal. Een talud van één op anderhalf, met je linker been zoekend naar houvast.’
Zijn zoon komt thuis uit de sportschool, hij excuseert zich. Is moe, gaat naar boven. Zijn vader zegt: ‘Toen ik begon werd het basalt met stalen netten uit schepen gelost. Met de hand gooide je die netten vol met duizenden tonnen steen. Door die oude steenzetters werd met de hand over je bol geaaid, wat een sterke jongen zeiden ze tegen me. Ik neem het hen nog kwalijk dat ze mij als jonkie kapot lieten werken. Ik heb onmenselijk zware kinderarbeid verricht. Als ze tegen mij zouden zeggen, je mag eruit voor zeshonderd per week, dan had ik het wel gezien. Maar als ik er op m’n vijfenvijftigste vervroegd uitga, beur ik eenderde van m’n salaris. Daar kan toch niemand van leven.’

Op het provinciehuis was Kamermans’ gewichtigste contact Coen Volp. Hij maakte lange tijd deel uit van de Technische Adviescommissie voor de Waterkeringen (TAW) en wist daarom als geen ander wat goed is voor de dijk. Hij zei: ‘Een dijklichaam kan vijfhonderd jaar bestaan zonder dat je er iets aan hoeft te doen. Maar die damwanden hebben in principe een veel kortere levensduur, dertig tot veertig jaar misschien. Je weet nooit wanneer ze gaan rotten. Vroeger dachten ze ook al dat die flats en betonnen palen in het water het eeuwige leven hadden. Maar alles gaat ten onder. De TAW heeft vastgesteld dat zodra vreemde elementen in de dijk worden gebruikt, de veiligheid zienderogen afneemt. Het is een onderwerp van studie.’ Carlo Zimmerman, van het projectbureau Veiligheid Nederland in Kaart bevestigde dat. In Sliedrecht en Hardinxveld, waar al omstreeks de jaren tachtig kistdammen in de dijk waren gestopt, werd op grond van ‘vermoeden’ dat de veiligheid daar lager scoorde een onderzoek begonnen.
Volp vertelde hoe in de periode vóór Boertien Rijkswaterstaat, de provincie Gelderland, de waterschappen en de adviseurs van de waterschappen elkaar tot op de millimeter bestreden: ‘Ze sloegen elkaar de hersens in. Pas nadat overeenstemming werd bereikt over nieuwe methoden bij dijkversterkingen, veranderde veel. Rijkswaterstaat ging om. Iedereen ging anders denken en was bereid compromissen te sluiten.’Dijkgraaf van Leeuwen opereerde in een breukvlak van de tijd. De hiërarchie van weleer was verdwenen. Tradities en conservatisme verloren het van nieuwlichterij. Johan van Meegen herinnerde zich dat, toen hij begon, voorstellen hamerstukken waren. ‘Alles was voorbereid in de geest zoals dijkstoel en gecombineerd college dat wilden. Het ambtelijk apparaat was sterk ondergeschikt aan het bestuur. Pas in de afgelopen tien jaar veranderde dat. Voor het eerst gingen ambtenaren en bestuur met elkaar in discussie. Ontzag en angst verdwenen met behoud van respect. Iedereen durfde met ideeën te komen.’
Ook de agenda van dijkstoel en gecombineerd college veranderde drastisch. Werd tot dusver vergaderd over ontegenzeggelijk belangrijke vraagstukken als de aanschaf van een Atlas-kraan, het verlagen van het peil om aardappels te kunnen rooien, de bestemming van een verlaten dienstwoning, muskusrattenbestrijding en ongrondingsaanvragen – nu dienden zich indringende discussies aan over natuurvriendelijke oevers, stedelijk water, ingrijpende veranderingen in het gebied en over duurzaamheid. Het was ook de tijd dat de rapporten van Boertien verschenen. De algehele plicht tot milieueffectrapportage bij dijkverbetering werd ingevoerd. In het provinciehuis en de ambtshuizen sloeg de stemming om en werden nieuwe technieken als min of meer vanzelfsprekend aanvaard. En er was Europese wetgeving gekomen die het in 1993 aannemers verbood nog langer vooroverleg te voeren bij aanbestedingen. Die veranderingen konden weldadig zijn, omdat het mogelijk werd los te geraken uit dat vastgeroeste kringetje van waterschap-huisadviseur-subsidiënt/toezichthouder-huisaannemer – waaruit nog maar zelden een frisse gedachte omhoogkwam.
In het oude systeem was alles nog eenvoudig. Concurrentie bestond niet of nauwelijks. Aan aanbestedingen voor advieswerk werd niet gedaan. Heidemij noemde een prijs waar soms met enig onderhandelen wat van af werd geknabbeld. ‘Vijf ton was vijf ton en het kon zes worden want we werkten op basis van tijd en tarief. We moesten soms hemel en aarde bewegen om elk werk gesubsidieerd te krijgen. Het duurde wel eens meer dan een jaar, maar het geld kwam altijd. Het polderdistrict Betuwe had genoeg geld en financierde het bedrag voor,’ zei Kamermans. Er bestond over en weer groot vertrouwen. En aannemers hanteerden onderlinge codes. De oud-projectleider van Heidemij vertelde hoe het tot 1993 toeging als aannemers bij elkaar kwamen voor de vooraanbesteding: ‘Ze legden een prijs op tafel en de aannemer met het laagste bedrag kreeg het werk. Iedereen die serieus had meegedaan kreeg vervolgens een rekenvergoeding. Dat betekende dat de aannemer die het werk werd gegund tien tot twintig keer, afhankelijk van het aantal inschrijvers, een rekenvergoeding betaalde aan z’n collega’s. Soms een paar duizend, soms enkele tientallen duizenden guldens. Dat systeem werd door ieder erkend, een secretaris van de aannemersbond zat er bij en lette op dat alleen geregistreerde leden meededen. Ik heb het meegemaakt dat een van mijn directeuren mee naar binnen wilde om te zien hoe het er aan toe ging. Hij mocht er niet in, want de mensen binnen dachten dat hij een vreemde aannemer was. Ze stonden te posten bij de deur, er gebeurden gekke dingen. Er zaten loonwerkers bij die zich langzaam aan het opwerken waren tot aannemer. Die wilden wel eens diep onder de prijs doorgaan. De mannen die aan de deur stonden te posten probeerden hen tegen te houden. Als wij je nou dit bedrag geven, ga je dan weg? Soms kwamen er onderkruipers, die werden ook ter plekke uitgekocht. Als wij openbaar aanbesteedden en een werk echt aan de vrije concurrentie overlieten, dan hadden die aannemers ook contact met elkaar. Als ze het niet eens konden worden, dan brandden ze elkaar af. Dat is altijd zo geweest. De kentering kwam met de Europese wet. De rekenvergoeding verdween, het werd een economisch delict waarvoor je in de gevangenis kon belanden. Aan de praktijken kwam vanzelfsprekend niet zomaar een eind.’
Kamermans vertelde zijn verhaal in de herfst van 2001. We hadden een afspraak gemaakt juist in de week toen de Nederlandse politiek hevig in beroering was gebracht door alle publiciteit rondom de schaduwboekhouding van een voormalig directeur van Koop Tjuchem, over frauduleus gedrag van bouwondernemingen bij aanbestedingen. Het polderdistrict heeft naar aanleiding van de ‘bouwfraudezaak’ eind 2001 onderzocht of bij de aanbesteding van werken wellicht ook sprake zou kunnen zijn geweest van onrechtmatigheden. Die werden niet gevonden.

Het polderdistrict Betuwe werkte met meerdere aannemers maar de Groep Midden Betuwe van de gebroeders Van de Pol uit Opheusden was, volgens Kamermans, de huisaannemer. Met de komst van de Europese wetgeving moesten alle projecten boven de elf miljoen gulden Europees worden aanbesteed. Advieswerk dat meer dan viereneenhalve ton kostte, ontkwam daar ook niet aan. Vanzelfsprekendheden verdwenen. Nieuwe aannemers, ook van buiten Nederland, gingen in het rivierengebied opereren. Voor het polderdistrict Betuwe veranderde overigens weinig, zei Johan van Meegen die in die periode hoofd technische dienst was. Betuwe was altijd al gewend openbaar aan te besteden. De hausse van werk die na het hoge water van 1995 in de dijkverbetering ontstond, had wel de komst van veel nieuwe, soms ook Belgische, aannemingsbedrijven tot gevolg.

In het begin van de nieuwe eeuw was de dijkverbetering rondom de Betuwe vrijwel voltooid. Echt klaar kwamen de dijken vanzelfsprekend nooit. Op het ogenblik dat bij Opheusden aan de Neder Rijn de laatste bulldozers klei tegen de oude dijk reden, kondigde het kabinet alweer nieuwe grenzen af. Demaatgevende afvoer – dat is de hoeveelheid water bij Lobith die als uitgangspunt wordt genomen voor dijkontwerpen – lag voor de Rijn op 15.000 kubieke meter per seconde en werd verhoogd tot 16.000. De dijken zouden dus duizend kubieke meter water per seconde meer moeten kunnen keren. Een nieuwe ronde dijkverzwaringen lag zo snel niet in de rede. Daarom was besloten dat er Ruimte voor de Rivier moest komen: het extra water moest worden opgevangen door terugleggen van stukken dijk, verlagen van uiterwaarden en verwijderen van knelpunten waar het water te hoop liep. Johan van Meegen waarschuwde wel dat dijkverhogingen ‘niet uitgesloten’ waren, maar ze zouden hoogstens het ‘sluitstuk’ zijn.
Er woedde toen bovendien een opgewonden discussie in Gelderland over nog een andere maatregel. Het kabinet had plannen de Ooijpolder en het Rijnstrangengebied aan te wijzen als noodoverloopgebieden – voor berging van hoog water in tijden van dreigende overstroming. Een noodoverloopgebied aliascalamiteitenpolder heeft een fundamenteel ander doel dan een retentiegebied dat een onderdeel is van de structurele bescherming zoals dijkverbeteringen en uiterwaardverlagingen. In 2000 toen de staatssecretaris voor Verkeer en Waterstaat mevrouw M. de Vries nogal onverhoeds over dat idee was begonnen, hadden gedeputeerden, burgemeesters en heren van de Kamer van Koophandel ach en wee geschreeuwd. Gedeputeerde Johan de Bondt had zo’n noodoverloopgebied het ‘toppunt van kortzichtigheid’ genoemd. Hij had de Haagse paniek over het watergevaar schromelijk overdreven gevonden. Hij voelde niks voor de idee van de staatssecretaris, elke beperking in de provincie betekende immers verlies van economische activiteit.
In het provinciehuis verklaarde De Bondt in het voorjaar van 2002 mij zijn bekering: ‘Als de Kamer van Koophandel, die het hardst ageerde tegen noodoverloopgebieden, als die zich heeft laten overtuigen wie ben ik dan om dat niet te doen? De eerste keer ging het er met name over delen van de Bommelerwaard in te richten als retentiegebied. Dat plan bestaat niet meer. Mijn mening is ook veranderd omdat het hele idee van noodoverloopgebied veranderd is. Dat krijgt namelijk dezelfde manier van bescherming als elk ander gebied in de provincie. Het zal alleen worden gebruikt in extreme omstandigheid, om bijvoorbeeld te voorkomen dat de dijk bij Ochten doorgaat. Daarom heb ik mijn emotionele weerstand tegen de Ooij en Rijnstrangen overwonnen. Ik ga er ook van uit dat de noodoverlooppolders beperkt blijven tot die twee gebieden. Ik verwacht geen gekke dingen. Er zullen generaties zijn die nooit meemaken dat er water komt te staan.’
Overigens zou De Bondt later zijn mening bijstellen. Een paar weken na zijn beroep op de veranderende opvatting bij de Kamer van Koophandel, kwam hij met de idee Duitsland met Europees geld te gaan betalen voor noodoverloopgebieden op Duits grondgebied. Zo zou Gelderland zich kunnen vrijkopen van ingrijpende maatregelen. Een beetje op dezelfde manier zoals vroeger rijke families een remplaçant inhuurden opdat hun eigen zoon niet naar het front hoefde.
Goed voorbereid was de actie niet.
Want Duitsland voelde er helemaal niets voor. En had ook de commissie Waterbeheer 21e eeuw onder leiding van Frans Tielrooij in op 31 augustus 2000 in haar advies al niet geschreven: ‘Voor wat betreft het gedeeltelijk oplossen van het Nederlandse probleem in Duitsland gaat de Commissie er ook vanuit dat Nederland in eerste instantie zijn eigen broek moet ophouden.’

Polderpers