Eindhoven geeft zeven keer zoveel en bouwt honderd klaslokalen in Soedan – Toen SNV vertrok bloeide de relatie Eindhoven-Gedaref op
‘Doe het goed of doe het niet’, is de slogan van Eindhoven bij het aangaan van stedenbanden. En de stad geeft gul. Zeven gulden per inwoner voor internationale projekten. Met als doel het voorkomen van sociale uitsluiting en maatschappelijke tweedeling. De liefdadigheid voorbij. Erkenning in plaats vanbevoogding. En hulp die vanzelfsprekend vraaggericht is. Woorden raken snel versleten. De filosofie werkt. ‘Onze burgemeester zegt altijd, je moet eerst vrienden zijn voor je met elkaar kan samenwerken.’
Vanuit Khartoem is het nog zes uur over de weg naar de zusterstad van Eindhoven. Door vruchtbare landbouwgebieden langs de Nijl. Over stoffige wegen die ineens oases worden, want boeren zijn hier verplicht een deel van hun land met bomen te beplanten. Bij Wad Medani naar links door eindeloze kale vlakten. Daar, in het uiterste oosten van Soedan, op het midden van de landkaart ligt Gedaref. Een provinciestad met vierhonderdduizend inwoners. Ontmoetingsplaats van boeren, trekarbeiders en negotie. Verzamelplaats van vluchtelingen die het inwonertal in korte tijd verdubbelden. In het zuiden van Soedan heerst oorlog en bestaat nog slavernij. Dichterbij, over de grens, smeult de vijandschap tussen Eritrea en Ethiopië. Maar in Gedaref is het rustig.
‘Van alle stedenbanden is die tussen Eindhoven en Gedaref het meest tot wasdom gekomen,’ schrijft Agnes Ovington opgetogen in haar verslag Fruits of Friendship over de samenwerking. Aan haar enthousiasme is trouwens ook het begin van dit verhaal ontleend.
Eindhoven onderhoudt met zes steden in de wereld speciale relaties. Met Bialystok in Polen en Minsk in Wit-Rusland werden ooit banden aangegaan vanuit verlangen naar vrede en veiligheid. Bij de keuze van Lekoa Vaal in Zuid-Afrika speelde anti-apartheid een rol. De overeenkomst met Mugla in Turkije is gebaseerd op het minderhedenbeleid. En ontwikkelingssamenwerking lag ten grondslag aan de stedenbanden met Chinandega in Nicaragua en Gedaref in Soedan. De relatie die het innigst wordt gekoesterd is die met Gedaref.
‘Er bestaat daar een enorme drang om te laten zien dat ze een betrouwbare partner zijn,’ zegt Agnes Ovington, hoofd van het Bureau Internationale Coördinatie van waaruit de stedenbanden worden onderhouden.
Maar er zal toch ook wel zoiets als corruptie bestaan, oppert de verslaggever. Die is toch, als geloof moet worden gehecht aan de technische assistenten die namens de non-gouvernementele organisaties de wereld bevolken, alom in Afrika aanwezig? Agnes Ovington wijst de verdachtmaking resoluut van de hand: ‘Er gaat niks weg aan corruptie. We hebben daar erg goede mensen gevonden. Van alle relaties die we onderhouden is Gedaref het keurigst. Als je ziet wat ze daar klaar maken is Gedaref de netste stad.’
Het verbond tussen de twee steden is bovendien bijzonder, omdat het de enige Nederlands-Soedanese associatie is die nog bestaat. Eerder beëindigde Amersfoort de relatie met Kassala en zegde Almere de band met Port-Soedan op. Bovendien trok SNV Nederlandse Ontwikkelingsorganisatie zich uit Soedan terug. ‘De opvattingen over Soedan zijn erg negatief. De nationale regering schendt de mensenrechten. Miljoenen dollars gaan op aan een hopeloze oorlog in het zuiden. De centrale regering legt het land islamitische wetten en gewoonten op. De gemeente Eindhoven houdt zich daar evenwel verre van. Wij doen zaken met lokale mensen die betrokken zijn bij de ontwikkeling van hun stad,’ zegt Agnes Ovington. ‘Soedan is een paria. Vanuit een heleboel steden is vraag om hulp en samenwerking. Wij zijn de enige die daar vanuit Nederland aanwezig zijn,’ voegt haar assistent Henk Kok toe. Jan Pronk, de vroegere minister van ontwikkelingssamenwerking, waardeerde het werk van Eindhoven zeer. De huidige minister Eveline Herfkens is het althans daarover met haar voorganger eens. Henk Kok: ‘De laatste keer dat ik haar zag zei ze, als de ambassade in Soedan niet reageert laat me dat dan onmiddellijk weten’.
Agnes Ovington zegt: ‘Essentieel was dat Gedaref in een geheel andere verhouding met ons ging werken. Daarvóór beheerde SNV het geld. SNV had een Engelse projektleider en die zei hoe het moest. Het eerste wat wij deden was praten. De Nederlandse ambassade in Khartoem bood ons de kans het waterprojekt af te maken. Op mijn beurt heb ik de lokale watermaatschappij in Gedaref gevraagd of zij dat wilden en of zij het zelf konden doen. Daarop is het projekt met succes en snel afgerond. Wij hebben de vroegere gemeentesecretaris van Gedaref gevraagd onze lokale coördinator in Gedaref te worden. Hij wordt betaald vanuit Eindhoven. Hij beheert het geld voor de projekten. Hij rapporteert aan Nederland. Die zeggenschap hadden ze nooit gekend. Wij boden ze erkenning aan in plaats van bevoogding. In het verleden was het altijd SNV die besliste over de projekten.’
(SNV heeft inmiddels ook de idee van partnership geadopteerd. ‘De tijd dat we beleidsnota’s schreven over hoe het in het veld moet ligt achter ons. Onze eigen agenda speelt steeds minder een rol. De laatste twee, drie jaar maken we steeds meer gebruik van de diensten van lokale mensen. Die hebben betere kennis van de lokale problemen. De minister zegt terecht: wij willen die landen meer zeggenschap geven. Zij moeten zelf vragen om technische assistentie,’ zei Jan Ubels, hoofd beleid SNV in het maartnummer van het blad Vice Versa.)
Het resultaat was dat leidingen van de waterbronnen naar Gedaref werden aangelegd en tappunten in de stad geïnstalleerd. Een bedrag van vijf ton, dat door het ministerie van buitenlandse zaken nog gereserveerd was voor het waterprojekt, werd besteed aan het verder opvoeren van de capaciteit. Inmiddels wordt, naar een idee vanuit Gedaref, een heuvelrij dichtbij de stad herschapen tot een kunstmatig meer voor opslag van drinkwater. Nu is er elke dag water.
Die nieuwe benadering van internationale samenwerking was ook succesvol in de bouw van schoollokalen in Gedaref. Na 1997 werden honderd lokalen gebouwd voor zo’n zesduizend kinderen. Agnes Ovington: ‘In een bijeenkomst met ambtenaren en bestuurders zeiden de mensen in Gedaref dat onderwijs hun eerste prioriteit was, daarna water, gezondheid en een schonere stad.’
Henk Kok: ‘In Soedan werd in 1996 het verplichte onderwijs met twee jaar uitgebreid. Dat betekende de noodzaak van een explosie van klaslokalen. We hebben eerst in Gedaref de vraag voorgelegd, hoe doen jullie het nu? Wat is de rol van de gemeente, van de wijken, wat doen al die mensen en ouders om een school te bouwen. De gemeente had geen geld. We hebben die rollen allemaal nader gedefinieerd, in relatie tot de hulp die wij zouden gaan geven. Toen zei de gemeente Gedaref, vanaf nu gaan wij elk jaar een bedrag reserveren voor scholenbouw. En de stadswijken beloofden een gegarandeerd uren werk of geld in de school te stoppen – tot een bedrag van eenderde van de totale investering. We spraken ook over het beleid. Het bleek bijvoorbeeld dat ze in Gedaref heel lang deden over de bouw. Tussen het slaan van de eerste paal en het moment dat kinderen gebruik konden maken van het klasloklaal lag acht maanden. Soms duur de het jaren voor een projekt werd afgerond door gebrek aan geld en materiaal. We spraken af dat de bouw tot vier maanden werd teruggebracht. Ze raakten eerst ook nogal wat bouwmateriaal kwijt. Nu zijn de opslagplaatsen afgesloten en is er bewaking.’
Agnes Ovington, juist terug van haar laatste missie naar Gedaref: ‘Ze zijn veel voorzichtiger geworden. Dat komt omdat nu in de stenen en het andere bouwmateriaal naast geld van ons, ook geld van Gedaref zit. Ze werken nu ook op basis van een begroting. Meer geld dan begroot krijgen ze niet. Het is in hun eigen belang te zorgen dat het klaslokaal afkomt. En ze hebben een enorme drang het goed te doen. Als de afspraak is dat een klas op 1 september afmoet, zijn ze meestal een maand eerder klaar. Zo laten ze zien, op ons kan je vertrouwen. Ze doen het allemaal zelf. Wij sturen vanuit Eindhoven geen ambtenaren. Ze zouden het daar heel moeilijk hebben omdat ze de technische gegevens niet kennen. Ze kopen ook het bouwmateriaal in de regio. In het verleden hebben we wel eens leermiddelen vanuit Eindhoven gestuurd. Dat was niet zo’n handig idee. Daar kopen betekent ook dat je de lokale economie stimuleert.’
Een foto van een voorbeeld hoe het was: wanden van riet, een dak van stro en een aangestampte vloer met keien. Daarin tafels en banken.
De honderd klaslokalen die de laatste jaren gebouwd werden zijn van steen. Soms met een verdieping. Met klaslokalen voor zestig kinderen, soms maken meerdere groepen per dag er gebruik van. Er zijn drie modellen ontwikkeld en Gedaref beslist zelf hoe de school er gaat uitzien. De gemeenteraad bepaalt ook waar ze komen. Omdat de raad evenredig is samengesteld uit vertegenwoordigers van de wijken garandeert dat systeem dat elke wijk van de stad aan de beurt komt. Een klaslokaal kost gemiddeld twaalfduizend gulden. Eén keer besloten Eindhoven en Gedaref in een grote actie alle halve en onafgebouwde klaslokalen in de stad te voltooien. Dit jaar staat de bouw van twintig nieuwe gebouwen op het programma voor een bedrag van honderdentwintig duizend gulden. Waar komt al dat geld vandaan?
De ruimhartigheid van de gemeente stimuleert acties vanuit de bevolking en andersom. Scholen in Eindhoven adopteren scholen in Gedaref. De gemeente verdubbelt het bedrag dat wordt opgehaald. Er zijn collectes, stichtingen voor mondiale bewustwording, kringloopbedrijven en donoren. De organisatie Afvalsturing Brabant die de gewoonte had aandeelhouders een jaarlijks cadeau te geven, besteedt nu dat geld voor een proefprojekt in compostverwerking in Gedaref. De Heuvelgalerie in Eindhoven schrapte de kerstcadeautjes en bestemde het geld voor scholengebouw in Gedaref. Toen een aantal nutsbedrijven in Eindhoven en omgeving fuseerden, ging een overtollig waterlabaratorium naar Soedan. Vier vuilniswagens worden vanuit Eindhoven naar Gedaref verscheept. Een actie in Eindhoven voor waterbesparing leverde veertig mille op en dat geld werd(verdubbeld) ter beschikking gesteld van Gedaref. Dit verhaal gaat een beetje op promotie lijken. Maar succes werkt aanstekelijk.
Jaren geleden besloot Eindhoven iedere fractievoorzitter uit de raad een bepaalde stad of projekt te laten adopteren. De lokale politicus kreeg daardoor een verantwoordelijkheid die stimulerend werkte. Kort geleden werden vertegenwoordigers van alle zustergemeenten uitgenodigd om hun visie te geven over de problemen in de Eindhovense wijken Kruidenbuurt, Gijzenrooi en Strijp. ‘Nog nooit was het contact zo interactief,’ oordeelde burgemeester R.Welschen.
Henk Kok spreekt over de ‘wederkerigheid van het stedenbandenbeleid’ dat ‘meerwaarde oplevert voor Nederlandse gemeenteambtenaren’. Hij zegt: ‘Stedenbanden mogen niet incidentele luxe zijn, iets dat je er bijdoet in perioden van overvloed. Stedenbandenbeleid kan een innovatieve en inspirerende kracht zijn voor de nieuwe stedelijke opgaven van deze tijd.’
B&G-magazine, mei 2001