Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars

‘De eeuwigdurende bespreking over chemische ontwapening’

Het valt niet eenvoudig te achterhalen of het nu twintig of dertig jaar geleden is, dat in Genève besprekingen begonnen over chemische ontwapening. Zeker is dat zelden in zoveel jaren zo weinig is bereikt.
Twee dingen willen de onderhandelaars niet: geen flodderig document zoals dat voor biologische wapens bestaat en dat aan alle kanten ontdoken wordt. Ze willen evenmin een copie van het verdrag tegen verspreiding van kernwapens dat discriminerend is en een vrijbrief voor een paar machtige landen de rest van de wereld te controleren.
Maar wat willen ze dan wél? Krijgen ze de instemming van de almachtige militairen en de industrie? Wanneer kan de Sowjet-Unie twintig miljard investeren om de zelf opgeroepen duivels te vernietigen? En waarom willen de Verenigde Staten perse een deel van hun chemische wapens achter de hand houden? Dat zal allemaal in de komende dertig jaar moeten worden geopenbaard. Een verslag van een nooit eindigend verhaal.

Het Palais de Nations in Genève is een gebouw om in te verdwalen. Aan de muren vertellen ronkende teksten over vrede, veiligheid en vrijheid. Het oudste gedeelte heeft gangen van marmer, zalen met hoge gewelven, brede galerijen en een verschrikkelijke akoestiek. Het gonst en galmt. Stemmen worden onverstaanbaar. Er zijn daarom handige apparaatjes die als een schelp in het oor passen. Zo kan je zelf bepalen wat je wel en niet wilt horen. Dat is zelfs beter zo. Een diplomaat die me amicaal bij de arm vat zal de stijl van het hoofdkwartier van de Verenigde Naties met enig afschuw omschrijven als ‘facistisch’. ‘Maar dat mag je in deze omgeving natuurlijk niet hardop zeggen. ‘ Laat ik het daarom neo-classisistisch noemen. Als de nummering van de documenten correct is, moet dit de 577e sessie zijn van de commissie voor chemische wapens van de ontwapeningsconferentie. Eén dag per week komt de conferentie in gezamenlijke vergadering bijeen en is dan openbaar. Op de tribune luisteren drie journalisten verveeld toe. Want alles is al eerder gezegd. Het aantal lid-staten dat aan de conferentie deelneemt is vandaag gegroeid tot vierenveertig. Daarnaast zijn er ruim dertig niet leden. De ijzeren wet van het alfabet gebiedt dat Irak, Israël en Iran naast elkaar zitten. Het secretariaat van de conferentie beschikt noch over de fantasie, noch over de souplesse dat mechanisme te veranderen. In het begin gaf die rangschikking grote problemen maar inmiddels hebben de landen geleerd althans hier de techniek van de politiek te scheiden. De stoel van Irak is trouwens leeg – er zijn andere dringende zaken. De Oostenrijkse ambassadeur-voor-ontwapening Franz Ceska roemt in lovende woorden de vooruitgang die de conferentie heeft geboekt bij de chemische ontwapening. Zo maakt hij duidelijk dat diplomatie het toppunt van theater is. Eén afgevaardigde maakt zich zorgen om een aantal verkeerd geplaatste ‘slashes’ in de tekst. De Spaanse delegatie wil graag op pagina 256, in de bijlage van artikel 4, sectie 3, subsectie B, paragraaf 3, in alinea a van de derde zin het woordje ‘no’ aan de Spaanse tekst toevoegen. De ernst waarmee de onderhandelaars plotseling, alsof ze reageren op een geheim teken, collectief in hun papieren gaan bladeren is aandoenlijk. Na drie kwartier geeft de voorzitter voor dit jaar, de Zweed Carl-Magnus Hyltenius, de aanwezigen voor de rest van de ochtend vrijaf.

Maar goed, ik begrijp dat het échte werk zich voltrekt in de besloten vergaderingen van de werkgroepen en commissies. Daar, zo wordt me gezegd, werken briljante en gewetensvolle mensen aan het uitbannen van de diabolische gevaren die het midden-oosten en de rest van de wereld bedreigen. Daar behandelt bijvoorbeeld de veel geprezen Sowjet-vertegenwoordiger Serguei Batsanov (pas 36) als voorzitter van de werkgroep ‘technische zaken’ menig ‘sticking point’. Daar ook opereert de energieke Nederlander Arend Meerburg in de functie van ‘friend of the chair’. Hier, onbekend door de wereld buiten het Palais, weten goddank collega’s onder elkaar hoe boeiend en geweldig iedereen is.
Ik houd me daarom een aantal middagen op in de wandelgangen naast zaal 5 voor gesprekken op niveau. Helaas is juist tijdens de lunches zwaar gegeten. Ik verneem dat de vertegenwoordiger van Canada zo ongegeneerd heeft zitten slapen dat zijn gesnurk de stem van de voorzitter overstemde. De Japanners, die nooit iets zeggen, hebben een verfijndere manier van slapen zodat het lijkt alsof ze luisteren. Dat is vanmiddag weer het geval. Overigens verzekert een lid van de Nederlandse delegatie dat het werk aanzienlijk serieuzer is geworden: ‘Vroeger werd er veel meer gegeten en gedronken en waren er dagelijks werklunches. ‘
Maar er is ook goed nieuws. Voor de eerste keer in de geschiedenis van de conferentie, heeft de afgevaardigde van Ethiopië, een van de twintig landen die ervan verdacht worden over chemische wapens te beschikken, zich in de discussie gemengd. Hij is voor een verdrag. En voorts is geroepen om een ministersconferentie aan het eind van dit jaar om een zoveelste impasse te doorbreken.

De jongste toestand van hulpeloosheid onder de onderhandelaars is veroorzaakt door de Verenigde Staten. Die willen, simpel gezegd, het recht van het laatste woord. Pas als blijkt dat genoeg staten de conventie ondertekend hebben en elk ander land zijn chemische wapens vernietigd heeft, zal Noordamerika zijn laatste 500 ton chemische wapens van de hand doen. Eerder niet. Zoiets als ontwapening met het pistool op de borst. De Noordamerikaanse ambassadeur voor ontwapening in Genève, S. J. Ledogar, schreef in de NAVO-Kroniek – een blad gespecialiseerd in sombere gezichten en zorgwekkende verhalen: ‘Een aankondiging van de Verenigde Staten om chemische wapens tot nul terug te brengen, onafhankelijk wat andere landen doen, zou in de pers een dag of twee goede sier maken om vervolgens uit het beeld te verdwijnen. ‘ Ledogar voegt eraan toe dat al die landen die het niet fair vinden wat Washington wil, maar eens moeten beginnen ‘zich in te spannen om alle essentiele staten binnen het regime te halen, zodat de volledige eliminatie van chemische wapens kan worden bereikt. ‘
Om te weten hoe ver ze gekomen zijn, willen de Verenigde Staten acht jaar nadat de conventie van kracht geworden is een bijzondere conferentie houden. ‘Het in stand houden van 500 ton chemische wapens door de Verenigde Staten (dat is twee procent van de huidige 25. 000 ton chemische wapens), is in hoofdzaak bedoeld als stimulans voor alle staten om toe te treden tot de conventie over chemische wapens, ‘ zo praat Ledogar recht wat krom is.
Alleen de Sowjet-Unie is het met de Verenigde Staten eens. Maar die bijval lijkt vooral voort te komen uit de deplorabele financiële toestand van de Sowjet-Unie en de hulp die Moskou van Washington op termijn nodig om haar chemische wapens te kunnen vernietigen. Daar is een investering van miljarden voor nodig. Volgens schattingen in het blad ‘Scientific American'(september 1990) zal het verrnietigen van de chemische wapens vijftig keer zo veel bedragen als ooit het maken ervan kostte. Voor de Sowjet-Unie zou dat een bedrag van twintig miljard gulden betekenen.
Voor de andere partners op de conferentie in Genève is de opstelling van de Verenigde Staten ‘onacceptabel’. Gifgas-deskundige dr. A. A. Ooms, adviseur van de Nederlandse delegatie in Genève, zegt: ‘Het is een geweldig probleem. Je kan geen partij worden bij een absoluut bezitsverbod en dan stiekum een deel achterhouden om terug te kunnen slaan. Wij zeggen tegen de Verenigde Staten, veronderstel dat jullie chemisch worden aangevallen dan heb je zoveel in huis om met een geweldige dreun terug te slaan. Dat achterhouden van die 500 ton kan toch nauwelijks van betekenis zijn. Hoe meer de Verenigde Staten aan die 500 ton vasthouden, hoe meer ze de arme landen de idee geven dat chemische wapens toch wel heel belangrijk zijn. ‘

‘Al jarenlang wordt de wereld wijs gemaakt dat een totaal verbod op chemische wapen elk ogenblik afgesloten kan worden. In werkelijkheid is wat tot dusver bereikt is in hoge mate teleurstellend, ‘ zegt Martin Kaplan – tot voor kort secretaris-generaal van de Pugwash beweging in Genève, een organisatie van kritische, weldenkende wetenschappers.
‘Het lijkt alsof oplossingen dichterbij zijn gekomen maar dat is schijn. Er is na al die jaren van inspanning nog geen jota bereikt. Integendeel, het is waarschijnlijk dat verschillende landen, terwijl ze zogenaamd de conferentie steunen, zich intussen uitrusten met chemische wapens, ‘ schrijft Julian P. Perry Robinson, hoogleraar van de universiteit van Sussex in Brighton en al meer dan twintig jaar één van de lastigste opponenten van de ontwapenings-diplomaten in Genève.
Aan de lunch op de zevende verdieping klaagt, in gezelschap van de verslaggever, in een moment van openhartigheid een internationaal gezelschap van onderhandelaars hartgrondig over de bijrol die zij in Genève vervullen: ‘De echte besprekingen gebeuren niet hier. Die worden in Washington gehouden. Als de Verenigde Staten iets voorstellen volgt de Sowjet-Unie automatisch. Zo liggen de zaken nu. En zo is afspraak tot stand gekomen dat het Pentagon pas zijn laatste 500 ton aan chemische wapens zal vernietigen als alle andere landen dat eerder hebben gedaan. De Amerikaanse delegatie hier in Genève is absoluut niet geïnteresseerd, de meerderheid weet zelfs niet wat besproken wordt. ‘
In een oude villa aan de rand van Genève waken de religieus pacifistische Quakers over het voortbestaan van de wereld. Peter Herby, jong, ernstig, zegt: ‘Het voorbehoud van de Verenigde Staten om als allerlaatste met chemische wapens andere te kunnen dwingen die op te geven, maakt verder onderhandelen bijna onmogelijk. Het gevolg kan zijn dat een aantal landen nu juist aangespoord wordt nog snel chemische wapens aan te schaffen omdat die lonen. ‘
Eigenlijk is de afloop van het conflict in de Golf een godsgeschenk voor de onderhandelaars in Genève – zo begrijp ik uit gesprekken. Als Irak chemische wapens zou hebben ingezet – luidt de theorie – had dat altijd rampzalig uitgepakt voor de conferentie. Want als de wapens niet tot een inferno zouden hebben geleid maar, om het eens banaal uit te drukken, een flop waren geworden – dan zou iedereen zijn belangstelling voor de besprekingen verloren hebben. Maar als de wapens catastrofale gevolgen hadden veroorzaakt, dan zou menig land zijn gaan investeren in chemische wapens die niet voor niets omschreven worden als ‘the poor man’s killer’ en de ‘atoombom van de arme landen’. Het zijn, zoals Colijn en Rusman het eens schreven, ‘surrogaat kernwapens die een politieke en symbolische onafhankelijkheidsverklaring zijn van de Derde Wereld. ‘ Maar omdat tijdens de oorlog in de Golf geen chemische wapens werden gebruikt, sleept de conferentie in Genève zich verder voort.

Maar misschien is het wel naïef om ongeduldig te zijn. Meer dan honderd jaar geleden betuigden in een verklaring in Brussel de grootmachten hun zorg over de komst van gifwapens op het slagveld. Dat was geen eerlijke manier van oorlogvoeren. Niettemin leverde de chemische industrie in de Eerste Wereldoorlog de grondstoffen voor wolken van giftig mosterdgas die neerdaalden in de loopgraven. Honderdduizenden soldaten gingen er tenslotte aan dood. Het Protocol van Genève dat in 1925 tot stand kwam, verbood het gebrá£áik van chemische wapens maar niet de prodá£áktie. Sommige onderzoekers van de wetenschap van de oorlog, menen dat Hitler geen belangstelling toonde voor chemische wapens – maar dat is een ergerlijke miskenning van wat hij met de chemie deed in de concentratiekampen. Bovendien ontdekten de Russen bij hun opmars naar Berlijn, in een Pools dorp, een complete Duitse fabriek voor zenuwgas.
Na de Tweede Wereldoorlog, zo ontdekte de al eerder genoemde Julian P. Perry Robinson uit Sussex na onderzoek in de staatsarchieven, begon een groot aantal landen zich driftig uit te rusten met chemische wapens. De Amerikanen hoorden daarbij, de Russen én Nederland die – daarover straks meer – een complete fabriek voor chemische wapens in het toenmalige Nederlands-Indië bouwde. Volgens bronnen uit kringen van intelligence – behalve de Verenigde Staten en de Sowjet-Unie gaven andere landen nooit hun geheimen prijs – zouden met het voortschrijden van de jaren landen als Egypte, Irak, Iran, Syrië, Libië, Ethiopië, Noord-Korea en Vietnam dankzij oost-Europese en westerse landen (en ja, ook weer Nederland) de beschikking krijgen over chemische wapens. Omstreeks 1960 werd de produktie van chemische wapens weer op de agenda gezet. Maar het onderwerp ontmoette onverschilligheid en desinteresse.
In 1968 kwam het punt weer terug op de ontwapeningsbesprekingen in Genéve. Maar de Verenigde Staten zetten in die jaren juist op grote schaal Agent White, Agent Blue en vooral Agent Orange in tegen de Vietcong en tegen Vietnam – ontbladeringsmiddelen met dioxine die tot op de dag van vandaag een verwoestende uitwerking hebben. Nog altijd worden mismaakte kinderen geboren en gaan vrouwen dood aan kanker.
Omdat in 1968 de Noordamerikanen hun eigen chemische oorlog voerden, kon er absoluut niet gepraat worden. Zo duurde het tot 1973 voor de conferentie over chemische wapen echt op gang kwam. Inmiddels is het een instituut geworden. En het opmerkelijk is – ik krijg daar later bijna nog ruzie over met een Amerikaanse kolonel – dat nog altijd Agent Orange inclusief de vrijkomende dioxine niet opgenomen zijn als chemische strijdwapens. Want het verschil is immers dat een chemische wapen onmiddellijk doodt terwijl dioxine op termijn doodt en ongelukkig maakt. En zo wordt de Verenigde Staten behoed voor een veroordeling achteraf. Het is een heel exclusief gezelschap dat in Genève de wereld wil behoeden voor de ondergang. De materie is zo specialistisch dat bijvoorbeeld in heel Nederland een handvol mensen op de hoogte is. En die zitten dan vooral op de Nederlandse delegatie in Genève. Zoals mr. H. Wagenmakers, sinds een paar jaar de speciale ontwapenings-ambassadeur voor Nederland. Hij is een ontwapenende man, die veel mensen op de schouders klopt en complimenten uitdeelt. Zijn werk is ‘anderen te overtuigen’. Kersvers uit New York werd hij twee jaar geleden onmiddellijk voorzitter van de conferentie. Hij zegt: ‘Wij hebben als voordeel dat Nederland militair gezien geen grote staat is. Als wij met een idee komen zeggen Egypte, Pakistan en Brazilië niet automatisch, o daar zal wel iets achter zitten. ‘
Tweede man is mr. Arend Meerburg, vijftiger, bourgondiër, die door Wagenmakers ‘een kei’ wordt genoemd. ‘Als weer zo’n rot dag achter de rug is waarop iedereen aan het toeteren was, zit Meerburg de andere dag om zeven uur achter z’n computer om met geheel nieuwe ideeën uit de impasse te komen. ‘ Meerburg is een natuurkundige uit Delft die een jaar op de Zuidpool doorbracht en meteoroloog bij het KNMI was, alvorens hij bij buitenlandse zaken ging werken.
En voorts telt de delegatie een aantal secretarissen zoals mevrouw Loes Miedema die binnenkort overigens weer weggaat. Want dat is het lot van diplomaten, ze komen en gaan en daarmee wordt de continuïteit van de conferentie over chemische wapens voortdurend op het spel gezet. ‘Dta is waar’, zegt Loes Miedema, ‘er bestaat hier geen collectief geheugen en dat is voor zo’n ingewikkeld onderwerp echt slecht. ‘
De enige die er altijd al die twintig jaar was is dr. A. A. (Koos) Ooms (66). Hij is van huis uit farmacoloog, voormalig directeur van het (TNO) Prins Maurits labaratorium, gepensioneerd adviseur-voor-het-leven van de Nederlandse onderhandelaars. Hij is een spin in het web. En tegelijkertijd is hij ook het bewijs van de armoede in kennis voor de rest van Nederland. Want Ooms is naast bestuurslid van het door de overheid gesubsidieerde onderzoekinstituut Clingendael ook lid van de opstandige Pugwash-beweging – waar ook Perry-Robinson toebehoort. Hij is vertrouwensman van de Nederlandse delegatie in Genève en tegelijkertijd verlaat het Interkerkelijk Vredesberaad zich op hem.
Maar Ooms blijft zichzelf. Hij stelde ooit voor de klok in de conferentiezaal van Genève te vervangen door een digitale meter die dollars telt in plaats van minuten: ‘Die delegaties hebben geen idee wat het verdrag al niet gekost heeft. Al die tolken, al die mensen. Honderden miljoenen zijn gespendeerd en er is nog niks bereikt. Al die kerels hadden heel wat nuttiger werk kunnen doen, wat mij betreft waren ze gaan vissen. Ik ben gewend sober te leven. Ik kom van het TNO. Daar werd altijd gezegd we mogen geen winst maken maar zeker geen verlies. ‘ Op een avond zegt Meerburg tegen hem: ‘We hebben een procestechnoloog nodig. Zullen we die man van Akzo weer vragen? ‘ Ooms reageert somber: ‘Die man kost wel 25 mille. Je moet iemand nemen die pas gepensioneerd is. Die kent de allerlaatste technieken en is veel goedkoper. ‘ En hij blijft zich opwinden over het gemak waarmee mensen van de conferentie worden weggehaald: ‘De regel is dat militairen en diplomaten na drie jaar wisselen. Dat is soms een geweldig verlies. Dan komen er nieuwe mensen die weer helemaal van voren af aan beginnen en vragen gaan stellen die vijftien jaar geleden al beantwoord zijn. ‘ Hij reageert beurtelings opgetogen en dan weer vanuit diepe somberheid.
Op een avond bij een maaltijd met witte wijn in ‘Les Armures’ naast de kanonnen in de hooggelegen oude binnenstad voorspelt hij bijna lyrisch: ‘Dit wordt een monument van een verdrag. Als dit afgesloten wordt is een prachtig moment bereikt. Alles wat eerder in de ontwapeningsonderhandelingen bereikt is, zal hierbij vergeleken simpel zijn. ‘ Een dag later, zeven hoog in het Palais de Nations in een troosteloze omgeving met een gewichtig doende Canadese onderhandelaar als gezelschap, verzucht hij: ‘Ik ben hier al te lang om te weten dat nooit iets verandert. ‘

Het resultaat na al die jaren is inmiddels tussen samengevat in een document dat wordt aangeduid als de ‘rolling text’ – dat is zoiets als een toestand van permanente beweging van woorden en zinnen. Niets ligt nog echt vast.
Zo zijn categorieën opgesteld van chemische stoffen die óf absoluut verboden zouden moeten worden, óf onder strenge controle gebracht. Op de lijst van streng verboden middelen(categorie A) komen duivelse wapens voor als de zenuwgassen Sarin, Soman en VX. Maar ook de zogenaamde blaartrekkers, de zwavel- en stikstofmosterdgassen, het middel BZ dat de eigenschap heeft mensen geestelijk onbekwaam te maken, toxines en de onschuldig als DF en QL aangeduide chemische vernietigingsmiddelen. Het zijn allemaal of kant-en-klare chemische wapens of zogenaamde ‘sleutelvoorlopers’ – op een eenvoudige reactie na klaar voor de strijd.
Maar zoals gezegd, de lijst is nog volop in discussie. De Noordamerikanen zijn bezig over te schakelen van de traditionele chemische wapens op binaire munitie. Daarvoor hebben ze twee componenten nodig, bijvoorbeeld – ik moet me nu even in bargoens uitdrukken – de vluchtige zenuwgassen Sarim met DF en QL met VX. Tussen de componenten komt een laagje membraam. Dat procede wordt in een granaat gestopt. Pas als die granaat haar doel bereikt, gaat het spul zich mengen met helse gevolgen. Een chemische fragmentatiebom. Simpel gezegd werkt de vondst van Sickbock ongeveer als twee buisjes met componentenlijm. Zolang ze gescheiden blijven gebeurt niets. Maar zodra de grondstoffen bij elkaar komen ontstaat kleefkracht. VX, dat is nog een overeenkomst, is van een stroperige substantie dat zich vasthecht aan de grond.
Die ongekende mogelijkheden maken dat de gesprekken tussen de onderhandelaars traag en talmend verlopen.

Naast de index met verboden middelen zijn drie andere lijsten aangelegd waar namen van chemische stoffen opstaan die alle ‘sleutelvoorlopers’ zijn voor potentiële bommen. Het laagst geklasseerd staan de overbekende maar inmiddels in efficiëntie voorbijgestreefde chemische wapenprodukten als fosgeen, blauwzuur, fosforverbindingen en de grondstoffen chloor en dichloorvos van de omstreden Vaponastrip. Ze staan niet op de laatste plaats omdat ze ook maar een greintje minder gevaarlijk zouden zijn als de andere, maar omdat het godsonmogelijk is de tienduizenden fabrieken die ermee werken te gaan controleren. Ooms zegt: ‘Het probleem is dat die chemische produkten zo geïntegreerd zijn dat ze zonder enige grens overlopen van chemische wapens naar zeer legitieme civiele toepassingen. Stoffen als fosgeen en blauwzuur die in het verleden als chemische wapens werden gebruikt, worden elke dag in reusachtige hoeveelheden door de chemische industrie gebruikt. Wat we in elk geval onder controle willen brengen zijn de chemische wapens-min «één, de voorlopers waarmee je laten we zeggen met één simpele reactie een chemisch wapen kan maken. Dan ontstaat een nieuw probleem omdat die voorlopers dezelfde stoffen zijn die gebruikt worden in geneesmiddelen en onkruidbestrijders in de landbouw. ‘
Als er overeenstemming wordt bereikt welke stoffen op welke lijst thuishoren, doemt een nieuw punt van wrijving op. Hoe krijg je ooit greep op de machtige chemische industrie – die nu al wrevelig spreekt over haar ‘graveyard’ van de toekomst. Want zelfs als je kaarsenfabrieken, leerlooierijen, tandpasta- en zeepfabrieken – die óók veel kwaad kunnen aanrichten – het voordeel van de twijfel gunt, blijven er zo’n honderdduizend chemische bedrijven over om te controleren. ‘We zijn daar nog verschrikkelijk mee bezig, ‘ zegt Ooms.
Zweden heeft al een soort jaarlijkse tombola voorgesteld: elk land gooit een stuk of tien briefjes in een pot met namen van fabrieken die onderzocht zouden moeten worden. Iemand die minstens zo betrouwbaar is als een notaris mag er dan vijfhonderd uithalen en die worden onderzocht.

Ergens, in een hoek van een bar binnen het Palais de Nations, ontmoet ik de Poolse onderhandelaar Sylvin Gizowski. Voorzitter van een werkgroep, sinds een paar jaar bekeerd tot de ondernemingsgewijze produktie en vol geloof in de nobiliteit van de Verenigde Staten. Over het voorstel 500 ton chemische wapens achter te houden zegt hij: ‘Als Europese landen hoef je niet bang te zijn voor het standpunt van Washington. Ik ben het althans niet maar het voorstel kan bij andere wel tot moeilijkheden leiden. ‘ De argwaan over de macht van de industrie in het westen is gebleven. Hij zegt: ‘Polen heeft geen chemische wapens. We beschikken wel over twaalf tot veertien grote bedrijven die in staat zijn ze te maken. Omdat wij tot voor kort een planeconomie haddem, zijn al onze fabrieken in grote eenheden geconcentreerd in een paar steden. Heel anders dan bijvoorbeeld in Zwitserland, Japan en Duitsland die duizenden kleinere bedrijven hebben, verspreid over het hele land die allemaal de mogelijkheden hebben chemische wapens te maken. ‘
Gizowski is bang dat landen met economische moeilijkheden meer inspecties zullen moeten toestaan. Onder het mom van ‘gebrek aan veiligheid’ kan het die landen extra moeilijk gemaakt worden. Hij weet ook precies hoe dat komt: ‘Sommige regeringen in rijke landen zijn heel goede advokaten voor hun eigen industrie. Ik weet dat politici zelfs door de industrie worden beïnvlvoed. Bij ons is dat precies andersom, ik sta niet onder druk van de industrie maar zij van mij. ‘ De Pool noemt de industrie bij de besprekingen een ‘belemmerende factor’: ‘Zij kan wel eens eigenhandig de controle naar haar hand gaan zetten. ‘

Op papier zal de controle moet gebeuren vanuit een ‘chemisch wapen bureau’, ongeveer opgezet als het Atoombureau(IAEA) in Wenen. Met een duizendtal inspecteurs die routine-, ad-hoc- en uitdagingsinspecties zullen gaan uitvoeren. Zij zullen hun werk alleen maar kunnen doen in goed vertrouwen en eendrachtige samenwerking met de directie van een bedrijf.
De studiegroep ‘chemische oorlogsvoering’ van Pugwash hield januari dit jaar een bijeenkomst en voorspelde dat inspectieteams ‘zeer sterk afhankelijk’ (‘unduely dependent’) van fabrieks-operators worden: ‘De geloofwaardigheid van de inspectie staat dan ook ter discussie. ‘ Eigenlijk komt het verslag erop neer dat alleen effectieve controle kan worden uitgeoefend nadat het ‘absoluut vertrouwen’ van de boekhouders van de tienduizenden fabrieken is gewonnen. Als tegenprestatie zal het ‘chemisch wapenbureau’ op z’n minst moeten beloven niet te zullen wroeten in de fabrieksgeheimen die elk bedrijf kent. Het wordt dan allemaal een beetje amateuristisch. De Nederlandse onderhandelaar in Genève, Meerburg, meent bijvoorbeeld ‘dat het heel gemakkelijk is even een doekje over een torpedo te leggen of een computerscherm uit te zetten als de inspecteur binnenkomt. ‘ Hoe zorgvuldig en betrouwbaar kan een boekhouding van een chemisch bedrijf trouwens zijn? Bij een proefinspectie in een Duitse fabriek bleek dat dertig procent van een zeer giftig produkt (een ‘sleutelvoorloper’ die in Genève op de op één na gevaarlijkste lijst voorkomt) ongemeten via een afvalpijp in het oppervlaktewater verdween. De wetenschapper H. Boter(TNO, Pugwash-groep, adviseur van de Nederlandse regering) weet dat ‘duizenden tonnen fosgeen in Nederland ongecontroleerd worden afgefakkeld’ -in de lucht verdwijnen na verbranding.

Benieuwd hoe de chemische industrie in eigen land de onderhandelingen in Genève volgt, wend ik me tot de Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie(VNCI) in Leidschendam. Voorlichter J. Lutz reageert aanvankelijk verwonderd en meent dat de verslaggever zich vergist: ‘Onze vereniging bundelt alleen de producenten en die hebben een erecode. Zodra een fabrikant vermoedt dat in een bepaald land met zijn spullen wordt gerommeld, dient hij dat te melden aan het ministerie van Economische Zaken. De handel dat is een aparte club, wat daar allemaal mogelijk is weet ik niet. ‘ ‘Ach, ‘ zegt hij zuchtend, ‘van chemie kunnen zulke prachtige dingen worden gemaakt. Chemische wapens zijn geen leuk onderwerp voor ons. ‘ Maar voor alle zekerheid zal hij het navragen. Even later keert de voorlichter opgelucht terug: ‘Wat ik al dacht, er bestaat geen enkel Nederlands chemisch bedrijf dat voorlopers maakt die op de lijsten in Genève voorkomen. U hoeft zich geen zorgen te maken. ‘ Datzelfde beeld van onschuld werd ruim een half jaar geleden ook gekoesterd door bijvoorbeeld de wetenschapsredacteur van NRC Handelsblad die zijn artikel (21-8-90) inleidde met: ‘Gifgas is voor Nederlanders een wapen van horen zeggen – we hebben er nooit iets mee te maken gehad. ‘
Nederland is zo braaf en zo volgzaam dat minister H. van der Broek onder diplomaten schalks ‘minister VanderBusch’ wordt genoemd.
De werkelijkheid is zoals altijd een beetje anders. In de jaren dertig kocht de regering-Colijn een chemisch wapenfabriekje dat werd opgebouwd in het toenmalige Nederlandsch-Indië. Het was een paar jaar nadat het ‘ministerie van oorlog’ eufemistisch ‘ministerie van defensie’ was gaan heten. In het fabriekje – overgebracht vanuit Europa – werd mosterdgas gemaakt dat in bunkers werd opgeslagen. Toen de Japanners Nederlandsch-Indië bezetten, namen zij de bewaking van het mosterdgas over. Vervolgens kwam het gif – na de oorlog – weer in handen van het Nederlandse leger. Dat moest na de tweede politiële actie zo snel de benen nemen dat alleen nog even snel het chemisch wapenfabriekje onttakeld kon worden. De voorraden mosterdgas bleven achter in de bunkers. Vervolgens leek iedereen de episode te hebben vergeten. Niemand herinnerde zich meer welke dodelijke wapens in de voormalige kolonie waren achtergebleven Pas in 1975, toen de Westduitsers hun oude voorraden chemische wapens op de Lááneburgerheide gingen verbranden, herinnerde een betrokkene in Nederland zich weer de voorraden in Indonesië. Hij ging naar het ministerie van defensie, dat van niets wist. Hij ‘dramde’ ( zegt onderhandelaar Arend Meerburg) net zo lang door tot – na jaren – een groepje mensen naar Indië vertrok om de situatie te onderzoeken. Daar werden de vier containers met mosterdgas gevonden die het Nederlandse leger had achtergelaten. De voorraden zijn daarop vernietigd door medewerkers van het Prins Mauritslabaratorium(TNO) in Delft.
De geschiedenis is jarenlang verzwegen. Onlangs is er op de ontwapeningsconferentie van chemische wapens in Genève verslag van gedaan. ‘We zeiden op een gegeven moment, waarom zouden we het niet gewoon vertellen, ‘ zegt Arend Meerburg.

In 1985 kreeg ik een telefoontje uit Washington van een bevriende Amerikaanse journalist die, zoals veel later bleek, weer geïnspireerd was door de CIA. Ik trok de tip na en publiceerde – iedere verslaggever laat zich wel eens gebruiken als ‘nuttige idioot’, zoals geheime diensten dat kernachtig noemen – een verhaal over twee Nederlandse bedrijven die grondstoffen leverden voor een mosterdgasfabriek in Irak. Het ging om ondermeer thiodiglycol dat wordt gebruikt in de textielindustrie maar ook kan worden aangewend voor gifgas. Eén onderneming, KBS Holland bv van J. A. Bravenboer uit Terneuzen, trok zich de erecode van de Vereniging van de Nederlandse Chemische Industrie aan en stopte zelfstandig de leveranties. Het andere bedrijf, Melchemie Holland bv uit Arnhem, leverde willens en wetens gifgas voor het Irakse bedrijf Sepp, ooit opgezet door de Duitse onderneming Karl Kolb. Melchemie werd door de rechter veroordeeld.
En hoe is de situatie in Nederland nu? Samen met Lucas Reinders van de vereniging Natuur en Milieu loop ik een aantal mogelijke bestanddelen voor chemische wapens door.
Fosgeen wordt in grote hoeveelheden gebruikt bij General Electrics in Bergen op Zoom/Halsteren en bij ICI in Rozenburg. De bedrijven zelf zeggen dat die chemische wapens uit de jaren dertig niet van het fabrieksterrein komen. Volgens Reinders is er geen wet in Nederland die vervoer over de weg naar andere verwerkingsfabrieken verbiedt.
Blauwzuurgas is een algemeen gebruikt middel in bijvoorbeeld de metaalindustrie.
Het potentieële strijdgas natriumfluoride is een grondstof bij Dupont in Dordrecht en AKZO in Weert. Akzo stortte het middel dat als voorloper wordt omschreven voor chemische wapens, gewoon als afvalprodukt in de bodem.
In veiligheidsdistrict 21 van Europoort, werkt Shell fabriek CAS met fosforverbindingen voor gewasbeschermers. De produkten zijn opgenomen op de concept-waarschuwingslijsten van Genève. Dan zijn er nog voorlopers als ‘kaliumcyanide’ (gebruikt bij DSM), waterstoffluoride (Dupont in Dordrecht), amines (Delamine in Delfzijl.
Er wordt in Nederland een betonverharder gebruikt die ook voor stikstof en mosterdgas dienstbaar kan worden gemaakt. Etcetera. De VNCI preekt, zoals gezegd, de passie. Weten de gemeenten iets over wat in de fabrieken binnen hun grenzen gebeurt? Reinders zegt: ‘Bij het aanvragen van vergunningen wordt, hoe zal ik het zeggen, een zekere breedte aangehouden. Je kunt niet uitsluiten dat fabrieken iets anders maken dat ze zeggen te zullen maken. Elke keer als ergens weer iets ontploft, wordt vaak duidelijker wat écht gemaakt wordt. Normaal wordt zeker niet permanent gecontroleerd wat er werkelijk gemaakt wordt. ‘
De adviseur van de Nederlandse overheid dr. H. Boter(TNO) zegt: ‘Het is allemaal een beetje een wedloop in inventiviteit. Zodra het ene chemicalie wat minder gebruikt wordt omdat het voorkomt op een waarschuwingslijst, kan het gebruik en de export van een andere vervangend middel ineens toenemen. Er bestaat geen waterdicht systeem van toezien op de stromen chemicaliën die over de aarde gaan. Er zijn een ongelooflijk aantal chemicaliën . Bovendien vindt de chemische industrie het helemaal niet leuk om geïnspecteerd te worden. ‘

Vrij Nederland, 27 februari 1990

Polderpers