Eerste Lentedag
De lente komt met de roep van de koekoek. Een geluid dat ver weg begint, ergens in het elzenbosje bij Van Balens land. Eerst aarzelend, dan winnend in kracht om tenslotte, als geldt het de aankondiging van een heraut, weg te snellen in het verschiet. Toen ik meer dan dertig lentes geleden hier in het rivierengebied kwam wonen, kondigde de koekoek zich steevast aan op de dertigste april. Daarom en daarom alleen hield ik van die dag. Na tien, vijftien jaar werd dat tijdstip steeds vroeger. Het werd 26 april, 24 april, 22 april. En dit jaar, als ultieme indicatie van schuivende klimaatzones, was het geluid er al op de zestiende april. En ik beefde van opwinding over de roep die, in dit bestaan, nooit eerder zo vroeg had geklonken.
Een paar weken eerder was er nog een andere sensatie geweest. Na zeven jaar van afwezigheid had ik weer de roerdomp ontmoet. Peer van de Oven, die in een boerderij woont aan de rivier waar vroeger de oude steenfabriek stond, zag hem het eerst. De volgende dag, toen de zondagochtend nog stil was, ging ik geruisloos door de geknotte griend waar donkere grillige stoven hun gemutileerde armen wanhopig ten hemel hieven. Ik liep langs de zwarte elzen, restanten van een vroeger ooibos waar afgelopen winter een verdwaalde bosuil langzaam verkommerde als gevolg van evenwichtsstoornis of eenzijdige verlamming. Bij elke poging zich te verheffen, knakte het dier naar rechts en tolde hopeloos rond in een woedend gevecht met de zwaartekracht.
Daarna ging ik over de sloot die bedekt is met kroos en geurt naar mint en modder en verrotting. Door het weiland, waar jonge argwanende stieren me bewegingloos bekeken, tot ik de rietkraag bereikte die de kleiput in de uiterwaarden omzoomt. De laatste meters langzaam, bijna sluipend om de geheime wereld van het dier niet te verstoren. Een roerdomp leeft teruggetrokken, verstopt tussen het riet waar hij bij gevaar zich opricht, zich uitstrekt en verstart in paalhouding – één met de rietstengels rondom. Toen Piet de Duif, die paling stroopte in de polder, nog leefde vertelde hij eens de lus van het touw van zijn boot om een paal te hebben geworpen, die later de nek van een roerdomp bleek te zijn. Ooit legde ik achter in mijn griend een akker om toen ik plotseling sterk het gevoel kreeg begluurd te worden. Ik keek links, ik keek rechts maar ontdekte niemand. Het gevoel bleef. Ineens steeg op minder dan een meter bij mij vandaan uit het riet van de sloot een roerdomp omhoog. Minzaam en statig, een beetje spottend ook over mijn naïviteit.
En nu, jaren later, bij de kleiput in de uiterwaarden speur ik het riet af. Maar ik heb me opnieuw verraden. Vier meter voor me uit gaat traag en kalm een vogel omhoog die lijkt op een reiger maar groter is en bruin van kleur. Met zwarte vlekken en een zwarte kruin. En die vlucht, het lijkt wel een uil. En in de nachten die volgen hoor ik ineens weer vanuit de uiterwaarden dat wonderlijke doffe geluid dat het midden houdt tussen een misthoorn en het loeien van een tochtige koe. Ik weet het nu heel zeker, de roerdomp is terug.
En dan komt de eerste lentedag. Ik volg de vloedlijn van de rivier die zich langzaam terugtrekt in het zomerbed. In het zand liggen vuistdikke, geknakte palingen die het slachtoffer werden van de schroeven van duwboten die alsmaar groter worden en meer bakken voor zich uitduwen. Twee mannen in een aluminium boot porren met stroomstokken in het basalt van de strekdam en halen handenvol glasaaltjes omhoog die in een bun worden gestopt, bestemd voor kwekerijen in een ver land.
Vanuit het westen nadert een groot, onheilspellend geluid. Even later begint een invasie van honderden motoren voor het in recordtempo afleggen van de sterke dijken route van de ANWB. Op de tweewielers zitten wezens met insectenkoppen van een vreemd, gevaarlijk ras. Op het veerpad laadt een Honda-jeep een jet-ski uit. De buurman links heeft z’n twaalf PK sterke Stiga uit de garage gehaald, een gehoorbeschermer opgezet en trekt sporen in z’n gestreken gazon. Rechts heeft een andere buurman een four-wheel drive voertuig aangeschaft waarmee cowboys in Arizona vee bijeen drijven en hij loodrecht de dijk op kan gaan. En in de verte roept de koekoek die door niemand wordt gehoord.
Rudie van Meurs
(De Water, mei 2006, over waterbeheer en waterbeleid van het ministerie van Verkeer en Waterstaat)