Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars

De dijkgraaf, de straatvechter en de fusie

De machtige heren, die ’t waterschap regeren

Wie heeft der dijken kruin
Versterkt met grint en puin?
Beschut de ingeland
En weert de dwingeland
Het knagend, woelend nat,
Dat uitwoelt gat na gat
En dreigt het vruchtbaar erf
Met golven van verderf
(…)
Wie zijn de machtige heren,
Die ’t waterschap beheren
Het zijn de graven van de dijk
Het zijn van ’t heem de raden
Die reikt hun huldeblijk
Voor al hun burgerdaden

(Anonymus, ca 1945)

De dijkgraaf, de straatvechter en de fusie

Catch-as-catch-can – in het verzet tegen de opheffing van het polderdistrict is alles geoorloofd. Het duurt dertig jaar, dan komt onvermijdelijk het einde.

Hoofdstuk 6

Het was in de nadagen van het lokale gezag. Toen het waterschap nog een boerenrepubliek was en macht geërfd of van Boven gegeven. Ergens aan het eind van de jaren zestig van de vorige eeuw. Voor het eerst vielen woorden als schaalvergroting en reorganisatie. In het provinciehuis te Arnhem noteerde het college van gedeputeerde staten dat op termijn aan ‘samenvoeging van waterschappen en zuiveringsschappen’ (ook aangeduid als beheerders van waterkwantiteit en waterkwaliteit) niet viel te ontkomen. En in het rivierengebied begonnen waterschappen de campagne vertraag en voorkom. Zij zouden het proces dertig jaar weten te rekken.
De eerste die de handschoen opnam was gedeputeerde mr. O.W.A. baron van Verschuer. Het gebeurde in het jaar 1971 dat hij alle dijkgraven uit het rivierengebied bij zich op het Provinciehuis ontbood. Daar vertelde hij dat het hogere gezag had gesproken. Er zouden drie grote waterschappen in Gelderland komen. De bestaande zouden worden opgeheven. Daan N.P. Tap, zojuist benoemd als opvolger van zijn vader tot dijkgraaf van Betuwe, herinnerde zich jaren later nog de stilte die viel na de aankondiging van de gedeputeerde. Niemand zei iets. Toen stond Tap op voor z’n eerste openbare optreden en zei: ‘Voorzitter, u heeft ons hier wel mooi bij elkaar laten komen maar er staat nadrukkelijk in de wet dat als sprake is van wijziging van reglementen of anderszins, er eerst met de waterschappen overlegd dient te worden. Ik dacht dat ik hier was voor een eerste overleg. U kunt niet zomaar iets besluiten.’
De gedeputeerde keek hem minzaam aan en sprak: ‘Wij hebben besloten en zo gaat het gebeuren.’
De dijkgraaf: ‘Nou, dat zie ik nog niet zo zitten.’

De aankondiging van baron Van Verschuer had toen nog vooral te maken met eigenbelang van het provinciaal bestuur. Een paar jaar eerder, in 1967, had het provinciaal bestuur van Gelderland laten weten dat verdere reorganisatie van de waterschappen niet nodig was. Er was becijferd dat die niet zou leiden tot kostenbesparing. Maar toen de waterschapslasten snel stegen, een vaste bijdrage van het rijk voor de waterschappen uitbleef en de provincie zelf moest bijpassen veranderde de stemming. De gedeputeerde Van Verschuer verordonneerde concentreren.
Alles was in die periode in beweging en overal in het land was het waterschapsbestel onderwerp van studie. Er was een werkgroep-Steenbeek geweest die onder meer had voorgesteld de lasten van de waterschappen eerlijker te verdelen over het ongebouwde eigendom (zeg maar de boeren) en het gebouwdeeigendom (de huiseigenaren). Langzaam brak het besef door dat de zorg voor waterstaat niet uitsluitend landbouw diende maar ook industrie, ruimtelijke ordening en recreatie.
Vijf jaar lang had de commissie-Kranenburg, alias de diepdelverscommissie die zich voornamelijk beperkte tot het omwoelen van aarde, nagedacht over de ideale organisatie van de regionale waterstaat. De uitkomst was nogal prozaïsch, de zorg voor het water diende in handen te blijven van een aantal grote waterschappen. En er zouden hoofdwaterschappen moeten komen. Wel moest alles moderner, met oog voor natuur en landschap. Die aanbeveling kwam geheel overeen met de strekking van de Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren die in 1970 was verschenen en die aan provincies en waterschappen veel gewicht toekende.
En later, in 1977, zou de regeringsnota ‘Naar een nieuw waterschapsbestel’ ondubbelzinnig kiezen voor het waterschap als doelcorporatie. In de toekomst moest dan wel de aandacht zich toespitsen op problemen als verdroging en vervuiling.
Het was eigenlijk allemaal goed nieuws voor het voortbestaan van de nog overgebleven waterschappen. De achterliggende jaren waren in snel tempo waterschappen opgeheven en opgegaan in andere. Van de bijna drieduizend aan het begin van de Tweede Wereldoorlog waren er omstreeks de jaren zeventig nog enkele honderden over. Aan het einde van het millennium was dat aantal gezakt tot iets meer dan vijftig. Nou was het ene waterschap het andere niet. Er bestonden dorpspolders. Er waren waterschappen van nauwelijks enkele tientallen bunders groot. Sommige waren uitsluitend belast met het peilbeheer en andere met het onderhoud van buitendijken. Elk was bang te worden opgeslokt door de ander. Dat het restant nog zoveel krediet kreeg van al die studie- en werkgroepen wekte de nodige weerstand bij ingenieurs van Rijkswaterstaat. Zij zagen het waterschap als een relikwie uit het verleden. Een speeltuin voor vergaderboeren en grootgrondbezitters. Een agrarische bolwerk met regionale macht. Na de watersnoodramp van 1953 – een van de grootste rampen van de twintigste eeuw – toen dijken niet in orde bleken en lokale bestuurders een bedenkelijk gebrek aan kennis demonstreerden, waren de waterschappen bij Rijkswaterstaat verder in achting gedaald. De sympathie die in het begin van de jaren zeventig aan de waterschappen ten deel viel, bezag een deel van Rijkswaterstaat dan ook als hang naar nostalgie.

Toen gedeputeerde baron Van Verschuer in 1971 de grootscheepse reorganisatie van het Gelderse waterschapsbestel aankondigde en de dijkgraven op termijn hun congé kregen, liep hij ver voor de troepen uit. De ideeën van het provinciaal bestuur zouden nog minstens vier keer grondig veranderen.
De waterschappen waren evenmin een voorbeeld van consistentie. Ze waren onderling verdeeld. Ze kwamen steeds weer met andere oplossingen soms op het allerlaatste moment, ze vielen elkaar af en lieten zich uit elkaar spelen. ‘Hun onhandigheid in het politiek-bestuurlijke spel leverde gemiste kansen op,’ oordeelden de door Betuwe ingehuurde onderzoekers Van den Heuvel/De Vries in de jaren negentig hard.
In de jaren zeventig nodigde de gedeputeerde dijkgraaf Tap nog eens uit om deel te nemen aan de commissie ‘Toekomst Waterschapsbestel Gelderland’, gevolgd door de ‘Stuurgroep waterschappelijke organisatie Gelderland’. Want creativiteit kende geen grenzen. Alle adviezen en voorstellen zouden tenslotte stranden op heftige onderlinge verdeeldheid en het verlangen baas te blijven op eigen erf. Tap herinnerde zich: ‘Verschuer liet me bij zich komen in zijn kantoor in de Rabobank waar hij voorzitter was van de Raad van Beheer. Hij vroeg, ik wil eerst weten of je voor of tegen bent. Ik zei, ik ben vóór als het beter wordt. Hij antwoordde, ik zie dat anders. De politiek heeft gesproken en zo moeten we handelen. Ik zei, de politiek interesseert me niets. Afijn, ik kreeg allerlei aanvaringen met die man, hij was nogal een paus.’
De formule die Tap voor ogen stond was één groot zuiveringschap in Gelderland die z’n taken zou uitbesteden aan de waterschappen. En hij wilde dat er een eind kwam aan de controlerende functie van de provincie: ‘Ik zei, die kan ik missen als kiespijn. De meesten weten niet waar ze het over hebben. Zet ons maar rechtstreeks onder Rijkswaterstaat, zei ik. Daar wilde provincie niets over horen.’

Intussen waren in Gelderland tegen alle verdrukking in en zonder de zegen van de waterschappen, drie zuiveringschappen opgericht om de kwaliteit van het water te waarborgen. In Oostelijk Gelderland, op de Veluwe en in Rivierenland. Er waren lange en repeterende discussies aan vooraf gegaan. De provincie had de waterschappen tenslotte laten weten dat ze pas een rol konden krijgen in het beheer van de waterkwaliteit als ze éérst de idee van schaalvergroting omarmden. Deden ze dat niet dan moesten ze aan de kant blijven staan. De waterschappen, vertegenwoordigd in de Gelderse Waterschapsbond, volhardden in hun weigering. Provinciale Staten waren het eens met gedeputeerde Van Verschuer. Zo werd in juni 1969 het voorstel tot oprichting van drie zuiveringschappen goedgekeurd – die bij Koninklijk Besluit van 26 mei 1971 werden ingesteld.
Om oorlog te voorkomen werden de grootste vijanden, opstandige dijkgraven en heemraden van waterschappen, uitgenodigd deel te nemen aan het bestuur van de zuiveringschappen. In hun hart waren ze bang ooit te worden opgeslokt door de nieuwe instanties. Ze deden daarom mee beseffend, if you can’t beat them, join them. Zo werden voor- en tegenstanders tot elkaar veroordeeld. Dijkgraaf Tap, toen nog van Over-Betuwe, werd binnen enkele jaren vice-voorzitter van het zuiveringsschap Rivierenland. Zijn ervaringen sterkten hem alleen maar in de overtuiging dat samengaan van zijn waterschap met het zuiveringschap uit de boze was: ‘Het was daar een puinhoop. Personeel en bestuur vochten als kat en hond met elkaar. De één vloog eruit, de ander erin. Het klikte niet, de leiding deugde niet, ze trokken de verkeerde mensen aan. De eerste voorzitter P. van Westrhenen die ook Lingegraaf was, ging eraan kapot en verdween. Er moest een nieuwe komen en ik heb me toen sterk gemaakt voor Don Serrée, een wethouder uit Nijmegen want die vent had capaciteiten. De eerste jaren ging het goed, maar toen begon ook hij te rotzooien met bestuursleden en achter de schermen te werken. Ik heb hem toen gezegd, als je zo doorgaat graaf je je eigen graf. Dat is ook gebeurd. Het heeft allemaal handenvol geld gekost. Iedereen ging daar weg met een gouden handdruk. En met dié mensen, zo wilde de provincie, moesten wij als waterschap gaan samenwerken. Ik heb gezegd, never en nooit. Nee die mensen deugden niet. Een deel van de top deugde niet. Ik heb geprobeerd orde in de chaos te brengen. Later is er een voorzitter gekomen met capaciteiten, daar had ik vertrouwen in.’

Intussen ondernam het provinciaal bestuur van Gelderland in 1974 wederom een poging waterschappen en zuiveringschappen te verenigen. In een nota werd voorgesteld de waterschappen te laten opgaan in de drie zuiveringschappen. In het polderdistrict Nederbetuwe mocht de dijkstoel op 19 maart zeggen wat er van het nieuwe voorstel deugde. Heemraad Wim van der Linde uit Kerk-Avezaath reageerde als door een wesp gestoken. Hij noemde de nota van gedeputeerde staten een onthutsend stuk rechtsverkrachting: ‘Het waterbeheer is in ons land sedert eeuwen buitengewoon goed geregeld door de waterschappen, zodanig dat ons land wereldbekendheid kreeg als tuin van Europa. De landbouw werd in staat gesteld topproducten te leveren en prestaties op wereldniveau. Dit waterbeheer zou nu moeten worden opgeofferd aan een ambtelijk systeem zoals wij dat kennen in de onherbergzame gedeelten van de communistische Sovjet-Unie of de Volksrepubliek China.’ Want het was toen nog volop Koude Oorlog. Van der Linde vermoedde dat de nota afkomstig was van enkele kortgeleden afgestudeerde stedelingen die nog nimmer een spa in hun verwijfde vingers hebben gekneld. In die tijd was in de Betuwe de animositeit tussen stad en land minstens zo groot als nu. Als er iets was dat Van der Linde altijd had gehaat en gewantrouwd, dan waren dat stadse meneren in grote glanzende auto’s. Vandaar zijn afkeer. En hij besloot: ‘Als we deze weg inslaan krijgen we op de duur meer theoretische bestuurders, want de ene bestuurscommissie benoemt de andere commissie en die krijgen het dan zo druk met vergaderen dat ze aan de praktijk niet meer toekomen.’
Maar alles werd ineens weer anders toen een paar maanden later het rapport van de diepdelverscommissie verscheen. Dat dwong het provinciaal bestuur zijn nota drastisch aan te passen.

Bestuurders gingen voorbij, nota’s belandden voor eeuwig in het archief en gedeputeerde Van den Berg kwam. Met hem had Tap minder moeite: ‘Hij was topman geweest bij AKZO. Hij wist niks van waterschappen maar hij moest wel de reorganisatie doen. Toen heb ik hem, tijdens een dineetje en een borrel, even snel bijgepraat. Hij vroeg me of ik achter de plannen stond. Ik zei, nee het wordt allemaal alleen maar slechter. Hoe moet het dan, vroeg hij me. Ik adviseerde hem een tussenfase in te lassen en een paar kleine waterschappen samen te voegen. Gaat dat wel lukken, vroeg Van den Berg me. Ik zei, Over-Betuwe en Nederbetuwe zijn geen probleem. Heb ik zo gedaan. Wij staan erachter. Nou zo ging het tien jaar goed maar toen begon alles opnieuw.’
In mei 1977 maakte gedeputeerde Van den Berg een rondgang langs de waterschappen en bezocht het districtshuis te Tiel voor een ontmoeting met de dijkstoel van Nederbetuwe. Van het opheffen van waterschappen was al lang geen sprake meer. Deze keer werd gesproken over de nieuwe variant die was bedacht door de diepdelverscommissie, het instellen van hoofdwaterschappen. Het was amusant om te zien hoe langzaam alle argumenten van de gedeputeerde ondergraven werden door wrevelige heemraden. Van den Berg meende aanvankelijk dat hoofdwaterschappen ‘meer tegenspel’ zouden leveren in de discussie over dijkverbetering. Even later haastte hij zich te zeggen dat die opmerking ‘niet verwijtend’ bedoeld was. Hij wilde zeggen dat ook rijk en provincie in gebreke bleven. Er was op dat moment in bestuurlijk Nederland een flirt aan de gang met de idee van miniprovincies waarvan er vierentwintig moesten komen en die waterstaatkundige grenzen zouden krijgen. Van den Berg zag daar niks in. ‘Maar is het dan wel opportuun om, gezien die reorganisatie van het binnenlandse bestuur, nu nog zoveel dingen overhoop te halen?’ vroeg de dijkgraaf van Nederbetuwe. Dat vond de gedeputeerde ook: ‘Er zal niet zoveel veranderen. Het ligt in de bedoeling wat toe te voegen aan het niveau van het hoofdwaterschap. Maar de waterschappen zullen in agrarische handen blijven.’
In een brief aan het provinciaal bestuur, een paar weken later, bevestigde het polderdistrict nog eens het besprokene: ‘In het bestuur dienen uiteraard de agrariërs de meeste zetels te behouden en zal datgene wat in de loop der jaren door en voor rekening van deze belangengroepering tot stand is gebracht zeker gesteld kunnen worden.’

Zo werd de prelude naar de Grote Fusie alsmaar voortgezet. J. Derksen was twintig jaar secretaris, eerst van het polderdistrict Over-Betuwe en later van Betuwe. Hij begon in het begin van de jaren vijftig als tweede ambtenaar ter secretarie. Meer ambtenaren waren daar trouwens niet. Kort na de verbetering van de Linge begin jaren vijftig werden in Over-Betuwe en Nederbetuwe de ruim veertig dorpspolders opgeheven en ondergebracht bij de twee polderdistricten.
Vervolgens wenste het provinciaal bestuur korte metten te maken met de polderdistricten zelf. Derksen herinnerde zich hoe al z’n tijd opging aan de reorganisatie en het voorkomen daarvan: ‘Vanuit het provinciaal bestuur bleven de nota’s en brieven maar toestromen. Het kostte ontzettend veel tijd. Het adagium was dat schaalvergroting gelijk stond aan meer kwaliteit. Wij waren het daar niet mee eens. De dijkstoel zei, het gaat toch goed. De lasten waren in ons polderdistrict redelijk. In de negentiende eeuw waren hier alle dijken verbeterd, in andere polderdistricten was dat veel minder gebeurd. Bovendien zat Over-Betuwe gunstig. Als de dijken zouden doorbreken liep het water altijd naar beneden. Wij vormden een apart polderdistrict. In de dijkstoel zaten grote boeren die zich gedroegen als eigenaar van het gebied. Zo van, dat is van ons en wij beheren het. Thorbecke had in 1848 dan wel beslist dat waterschappen publiekrechtelijk instellingen waren, Over-Betuwe gedroeg zich als was het nog privaatrechtelijk. Daarom dat voortdurende verzet.’

Intussen had dijkgraaf Tap zijn belofte aan gedeputeerde drs. R. van den Berg waargemaakt en waren Nederbetuwe en Over-Betuwe in 1982 gefuseerd – althans bestuurlijk en juridisch. Er was een vereveningsplan opgemaakt over alle bezittingen van beide polderdistricten. Omdat Over-Betuwe veel bezittingen had kregen de ingelanden daar geld terug. Er werd afgesproken dat Tap dijkgraaf zou worden en Derksen secretaris. Derksen zei: ‘Het ging allemaal heel geruisloos, de provincie wilde dat we veel verder gingen met de fusie maar wij hadden die weten te beperken. Alle agrariërs waren bovendien ingenomen met Tap omdat die ook boer was.’ De dijkgraaf van Nederbetuwe, drs. A.H. v.d. Berg, was apotheker en ging terug naar zijn pillen en poeders. Hoofd van de technische dienst werd J. Bijnagte, afkomstig uit de Nederbetuwe. En M. Stahlie uit Over-Betuwe werd hoofd dijkverbetering. Voor de rest veranderde weinig. Just Kroese die voortkwam uit polderdistrict Nederbetuwe en in de nieuwe verhouding hoofd dienstkring Nederbetuwe werd herinnerde zich: ‘Het bleven twee aparte gebieden met twee dienstkringen, een werkplaats in Ingen en een in Elst. De uitvoeringsorganisatie zoals die altijd was geweest bleef in stand. Ik denk dat het zo gebeurde om iedereen te sparen. De verschillen bleven ook. In Nederbetuwe heerste een gemoedelijke sfeer, met nog veel kleine boeren met wie je op voet van gelijkheid omging. In Over-Betuwe maakten herenboeren de dienst uit. Daar stonden de medewerkers nog met de pet in de hand.’
En binnen in het Ambtshuis keken de heemraden afwachtend naar de dijkgraaf. Oud-secretaris Derksen, terugdenkend: ‘Tja, democratie. Het was eigenlijk meer zo dat de heemraden zeiden, dijkgraaf doe jij het maar. Het waterschap was een doelcorporatie, dat moet je niet vergeten.’ De dijkgraaf bemoeide zich nauwelijks met het personeel, zei Derksen. Hij nam de zaak door met het hoofd technische dienst en verordonneerde op zijn eigen favoriete manier ‘de repen gelijk aan te trekken’. Want als van de twee paarden er één ongelijk is ingespannen raakt de kar uit de koers.

Maar alles ging voorbij. In Den Haag kwam een wijziging in de grondwet tot stand die een eerste stap betekende naar een verandering in de waterstaatswetgeving. In de jaren negentig volgden wetten op de waterhuishouding, de waterschappen en de waterkeringen. Er was sprake van een geruisloze omwenteling. Waterschappen werden gedemocratiseerd, de ingezetenen deden hun intrede in het bestuur, het rijk kwam met richtlijnen voor dijken, gaf bevoegdheden, eiste professionele organisaties waardoor kleine waterschappen het veld moesten ruimen.
In het originele taalgebruik van de Betuwse boer heet zoiets het bereiden van een zaaibed.
Het was ook het sein voor de finale afrekening door de provincie Gelderland met de waterschappen. Het zou te eentonig worden en slaapverwekkend bovendien om alle zetten en tegenzetten die volgden in detail te beschrijven. Of om gewag te doen van al die organisatieadviesbureaus die gouden tijden beleefden aan de slangenkuil waarin bestuurders en hun hooggeleerde adviseurs zich kronkelden. Rest daarom de beschrijving van de laatste troef die dijkgraaf Tap inzette om zich te ontworstelen aan de ‘ambtelijke dwingelandij’. Het was begin jaren negentig, Derksen ging met de VUT en Tap mopperde dat hij hem mooi liet zitten met die puinhoop. Er moest een nieuwe secretaris komen en die vond de dijkgraaf in J. Litjens – een notoire dwarsligger en Tap wist dat. Hij zei: ‘Ze verweten me dat ik een straatvechter had binnengehaald. Dat heb ik bewust gedaan. Ik had zo iemand nodig. Litjens kwam van geboorte uit Maas en Waal, was gemeentesecretaris geweest en lag in z’n gemeente overhoop met iedereen. Het was een discutabele figuur. De eerste maanden kreeg ik al een geweldige aanvaring met hem. Ik heb toen gezegd, Jan als je dat nog een keer flikt, vlieg je er met een hoeraatje weer uit. Hij probeerde altijd de baas te spelen. Maar ik had geen problemen met hem.’

De Tap-dynastie

Meer dan vijftig jaar regeerde de familie Tap uit Elst over de Betuwe. Het begon ver voor de oorlog met de benoeming tot dijkgraaf van D.C. Sipman – een broer van de moeder van Daan.N. Tap, alias junior. ‘Mijn oom was erg conservatief en had een hekel aan geld uitgeven. Laat het maar zoals het is, zei hij altijd. Dan hoeven we ook geen belasting te heffen. Alle werkzaamheden werden in zijn periode opgeschort,’ zei Daan N.P.Tap, de zoon van junior, later.
In de periode-Sipman bleef Over-Betuwe weerspannig om de problemen van de Linge aan te pakken. De dijkgraaf wilde niets weten van de vorming van één groot Linge-waterschap. Sipman was een ongetrouwde grote boer die samenwoonde met een broer.
In 1942 werd Daan N. Tap. jr bij secretaris-generaal D.G.W. Spitzen van het ministerie van Verkeer en Waterstaat ontboden. Die zei Tap te zullen benoemen tot dijkgraaf, mits hij beloofde alle medewerking te verlenen de Linge te verbeteren en ruilverkavelingen uit te voeren. ‘Eerst hadden ze geprobeerd een NSB-er als dijkgraaf te benoemen maar dat was mislukt. Mijn vader beloofde de secretaris-generaal zich in te zullen zetten voor de Linge. Die is na de oorlog onderhanden genomen en toen is de ontwatering in de Betuwe veel beter geworden. Dankzij de opstelling van mijn vader heeft het polderdistrict op die manier na de oorlog geprofiteerd van grote herstelbetalingen.’
En Daan N. Tap jr. regeerde dertig jaar. Hij was boer op een bedrijf van vijftig hectare met koeien, paarden en fruitteelt. Bij de gevechten in 1944 werd de boerderij verwoest en kon een brand in het nabijgelegen huize-Sipman ternauwernood worden geblust.
In 1971 volgde zoon Daan N.P. Tap zijn vader op. Hij zei over zijn periode die volgde: ‘Als dijkgraaf was je iemand. Je had gezag en je was baas over de dijken. Onder mijn vader was het polderdistrict machtiger geworden, dorpspolders waren opgeheven en bij Over-Betuwe gevoegd. Die dorpspolders stonden elkaar regelrecht naar het leven. Die lieten het water naar de buren lopen, dan waren zij het kwijt. De ene poldermeester was rijker en machtiger dan de andere. Vergaderingen waren Poolse landdagen. In mijn tijd zijn ook de buitenpolders (in de uiterwaarden) bij het polderdistrict in beheer gekomen.’ In 1982 werden Nederbetuwe en Over-Betuwe één waterschap en werd Tap de baas. Dat duurde tot de herfst van 1993. Toen werd hij opgevolgd door J.G. van Leeuwen, overigens door Tap voorgedragen.
Tap was van 1980 tot 1996 Lingegraaf van het Waterschap van de Linge en hij was lange tijd vice-voorzitter van zuiveringsschap Rivierenland. Zijn neef Arie H. Tap, fruitteler in Hemmen/Dodewaard was er heemraad. En in 1999 zou Daan N. Tap, zoon van toen oud-dijkgraaf Daan N.P. Tap, zijn vader opvolgen in de stichting het Rentambt van Over-Betuwe – een fonds ooit gelieerd aan het polderdistrict Over-Betuwe. En inmiddels heeft zich weer een nieuwe Daan aangediend. De kleine Daan, zoon van de jonge Daan, kleinzoon van Daan en achterkleinzoon van Daan junior.

Het net rondom het polderdistrict Betuwe werd steeds strakker aangehaald. Eind 1992 waren provinciale staten van Gelderland akkoord gegaan met een nieuwe structuur voor de waterschappen. Een jaar later waren ze het ook eens met de oplossing om in Gelderland drie grote waterschappen te vormen, bij gebrek aan een beter woord omschreven als all-in waterschappen. Waar het om ging was samenvoeging van waterschappen en zuiveringschappen, een andere wijze van financiering en – de woorden zijn onvermijdelijk – integraal bestuur en bestuurlijke schaalvergroting. Dijkgraaf Tap was het daarmee heftig oneens. Hij had al eerder de toenmalige gedeputeerde J.van Dijkhuizen gewaarschuwd dat er grove fouten waren gemaakt. Als hij toch doorging, had Tap gezegd, gooi ik het voor de rechtbank. Dat doe je niet, zei Dijkhuizen. Dat doe ik wel, zei Tap.
Hij meende het. Hij wist waar hij het over had. Tap had een paar dozijn functies. Eén daarvan was dagelijks bestuurder van de Unie van Waterschappen. In die hoedanigheid had hij er persoonlijk voor gezorgd dat in de Waterschapswet artikel 3 was opgenomen dat inhield dat een waterschap zelf moest kunnen meepraten over zijn toekomst.
De straatvechter die hij had ingehuurd kwam nu goed van pas.Litjens hield van rechtszaken en wist hoe die gevoerd moesten worden. Hij zei: ‘Ze verweten mij soms dat Betuwe altijd maar procedeerde. Dan antwoordde ik, wij procederen omdat wij voor vitale belangen staan. Als onze mensen van waterbeheer zeiden, dat en dat klopt niet maar de provincie weigert mee te werken, dan besloot ik het hogerop te zoeken. Wij hebben een paar procedures gewonnen en een paar verloren, maar die verloren we op grond van macht en niet op grond van recht.’
Hij procedeerde ook zoveel, omdat hij ervan hield de macht uit te dagen en het geweldig vond zelf macht uit te oefenen. In Elst waren de omstandigheden gunstig voor een straatvechter. Hij maakte ruimschoots gebruik van de vrijheid die de dijkstoel hem liet. Ze leunden op hem, lieten alles aan hem over, waren zelf vrijwel nooit aanwezig en corrigeerden hem nauwelijks. Daardoor was Litjens beladen met haast absolute macht. Maar gezegend met tact was hij geenszins. Iedereen joeg hij tegen zich in het harnas, het managementteam, de ondernemingsraad, bestuurders en medewerkers van het polderdistrict en andere instanties. Regelmatig ontbood hij personeelsleden die iets te onafhankelijk opereerden om hen ontslag aan te zeggen of te verbieden externe vergaderingen bij te wonen. Dat overkwam bijvoorbeeld het hoofd beheer Jan van Engelen menigmaal. Van Engelen zei: ‘Toen Litjens mij in dienst nam verwachtte hij dat ik voor hem zou vechten. Dat ik zijn opvattingen deelde en zou verkondigen – bijvoorbeeld over de reorganisatie van waterschappen via het stroomgebied van rivier tot zee. Dat was niet haalbaar en dat deed ik niet. Hij gedroeg zich als een despoot maar mij kreeg hij er nooit onder. Na zijn vertrek is de sfeer hier veel positiever geworden.’

De ondernemingsraad had identieke ervaringen. Langzaam rezen de conflicten. En de eerste ondernemingsraad werd gevolgd door een andere, met mensen die jong waren en nog meer wilden. Litjens was er niet blij mee. Hij ging mensen onder druk zetten. Zo weigerde hij beoordelingen te tekenen. Twee leden van de ondernemingsraad stapten op zodat een nieuwe verkiezing nodig was. Er werd een nieuwe raad gekozen. De ruzies gingen door. Zo wilde de secretaris niet langer dat OR-leden met de provincie spraken over de waterschapsreorganisatie. Dat terwijl de ondernemingskamer van de rechtbank in een door de ondernemingsraad met zijn steun aangespannen procedure juist had bepaald dat de provincie als mede-werkgever moest worden beschouwd bij de reorganisatie van het waterschap. Daarop trad de provincie in overleg met de OR om hen advies te vragen en tegelijkertijd stelde zij tegen deze uitspraak beroep in bij de Hoge Raad. Pas veel later oordeelde deze dat het provinciale voornemen tot reorganisatie niet onderhevig was aan advies- of instemmingsrecht van de OR.
De tragiek speelde zich voornamelijk binnenshuis af. Naar buiten toe voltrokken de gebeurtenissen zich navenant. Zo had Litjens een keer in een bijeenkomst de vertegenwoordiger van het zuiveringsschap Rivierenland – met wie de waterschappen zouden moeten gaan samenwerken – uitgemaakt voorkoekoeksjong. Een andere keer sloeg hij in het Chinees restaurant Lotus in Tiel zo hard op tafel dat de eigenaar met een groot mes vanuit de keuken kwam aansnellen, in de veronderstelling dat er geschoten was.
De relatie tussen het polderdistrict en de provincie Gelderland werd zwaar beproefd door een ijzige manier van communiceren .’Vaak worden persoonlijke verhoudingen onderschat als een wetenschappelijke verklaring voor bestuurlijke processen wordt gegeven. In dit geval kan slechts geconcludeerd worden dat zij een beslissende factor zijn geweest in het afwijzen en steunen van voorstellen,’ schreven de Amsterdamse VU-onderzoekers over de verwoestende gevolgen van het opgeroepen wantrouwen.
Er ontstond een beetje de sfeer waarin Betuwe zich bij voorbaat blameerde: ‘Daar zal Litjens wel weer achter zitten.’
Litjens zou later bij zijn afscheid omschreven worden als een ‘intelligente rotzak’. De vijand, de provincie Gelderland, was in de ogen van Litjens ‘ziek’. ‘Elke affaire,’ zo somde hij op, ‘of die nou ging over het energiebedrijf NUON, Waalsprong, wetten die niet werden uitgevoerd, dom, frauduleus althans onzorgvuldig gedrag van ambtenaren en gedeputeerden,-werden allemaal afgedekt. En altijd regeerden de grote partijen in het provinciaal bestuur verder.’ Het verwijt van Litjens luidde ‘dat de macht in handen was van een paar bestuurders en topambtenaren en dat geregeerd werd vanuit de skyboxen in Gelredome.’

Toen dan ook in 1993 Provinciale Staten hun plan voor reorganisatie van het waterschapsbestel meenden te kunnen doorvoeren, besloten Tap en Litjens het beste advocatenkantoor van Nederland in te schakelen. Tap: ‘Ik zei tegen die advocaat in Amsterdam, wat is onze kans. Hij zei, negentig procent. Ik zei, doe maar.’
In een kort geding kregen het polderdistrict Betuwe en het waterschap van de Linge – Tap was zowel dijkgraaf als Lingegraaf – van de rechter gelijk. De provincie had willens en wetens de verplichting tot overleg geschonden. Alles moest over. Tap vatte de procedure later samen: ‘We werden op alle punten in het gelijk gesteld. Dat kwam ook omdat de provincie een waardeloze advocaat had. Die man bestond het om voortdurend te praten over de Gelderse watersportbond in plaats van Waterschapsbond. Hij had zich helemaal niet voorbereid.’
Het voortbestaan van het autonome waterschap was weer even gerekt. Maar de verhoudingen raakten nog nooit zo bevroren. Volgens twee door Betuwe ingehuurde bestuurskundigen van de Vrije Universiteit in Amsterdam was sprake van een Pyrrusoverwinning. De provincie was dan wel zo fatsoenlijk de uitspraak van de rechter te erkennen, tegelijkertijd bleef ze onvermurwbaar in het aandragen van alternatieven. Het polderdistrict Betuwe mocht vooral niet beloond worden voor zijn succes bij de rechter, liet de provincie aan de bestuurskundigen weten. Het overleg dat artikel 3 in de Waterschapswet eiste, werd door gedeputeerde staten alsnog gehouden. Maar wel met tegenzin. Het geruzie over data, inhoud, cultuurverschil en alsmaar uitdijende randvoorwaarden nam tragische vormen aan. Uiteindelijk kreeg de provincie wat ze wilde. De Amsterdamse VU-onderzoekers concludeerden later in hun analyse: ‘Het is ongeloofwaardig een voorstel te presenteren dat vrijwel identiek is aan het besluit dat vier jaar geleden op last van de rechtbank moest worden ingetrokken vanwege onzorgvuldigheden in de procedure. Het wekt de schijn dat men zich aan het overleg niets gelegen heeft laten liggen.’
Het conflict zou tenslotte eindigen in één groot Romeins drama. Met partijen die elkaar bestookten vanuit ongenaakbare vestingen. Met verdeeldheid tussen de waterschappen en het isolement van het polderdistrict Betuwe. Overal vielen slachtoffers als gevolg van de verziekte persoonlijke verhoudingen.

Op het provinciehuis in Arnhem was Coen Volp, hoofd van de afdeling Water en Waterkering, eerste tegenspeler van Litjens. Volp was belast met de reorganisatie van de waterschappen. Oók machtig, óók scherpzinnig en gevreesd bij lokale bestuurders, maar anders. Hij zei over Litjens: ‘Een heel slimme man maar hij speelde het spel volgens spelregels die ik niet de mijne wilde maken. Dat was lastig, net alsof je een wedstrijd speelt waarbij niemand zich iets van de regels aantrekt. Hij kon soms dingen doen waarbij ik dacht, hoe haal je het in je hersens. Hij veroorzaakte theatrale toestanden, liet vergaderingen in volstrekte verwarring achter en ik dacht dan, de enige die grinnikend buiten loopt is Litjens. Hij is mijn soort mens niet, maar ja hij was secretaris van het waterschap en je had hem als zodanig serieus te nemen. Ik heb altijd geprobeerd correct te zijn, andersom was dat niet zo. Hij leefde in een totaal andere wereld.’
In de wereld van Volp was geen plaats meer voor waterschappen oude-stijl. Hij zag Gelderland op de kaart, met het Knooppunt Arnhem-Nijmegen, burgers waar nu boeren waren, stad waar land was. Hij zei: ‘Luister eens, het gaat hier ingrijpend veranderen. We moeten ons nu voorbereiden om straks de nieuwe taken te kunnen uitvoeren.’
Toen hij daarin tenslotte zou slagen was er een bescheiden moment van triomf. Samen met zijn team vierde hij een feestje op de afdeling. Volgens de VU-onderzoekers, met oog voor details, zouden die dag als gold het een uiting van ultieme wraak, pijltjes zijn afgevuurd op een afbeelding van Litjens. Volp ontkende dat.
Het was, wat er ook gebeurde, allemaal niet zo verheffend. Ook niet die keer toen Litjens tijdens een zitting bij de Raad van State visitekaartjes uitdeelde aan provinciale ambtenaren met het adres van een begrafenisondernemer.

Om het proces naar de opheffing van de waterschappen te versnellen volgde Volp zo z’n eigen strategie. Op 1 februari 1995, toen het water in het rivierengebied hoog steeg, was hij verantwoordelijk voor een opmerkelijke brief die ondertekend door gedeputeerde J. van Dijkhuizen naar de ministers A. Jorritsma (Verkeer en Waterstaat) en M. de Boer (VROM) ging. De brief was op verzoek van beide dames geschreven en zou later als kwaadaardig worden uitgelegd voor de waterschappen. De brief beschreef de reden waardoor ‘de uitvoering van de dijkversterking zoveel vertraging heeft opgelopen’:
‘(…) Hoewel ongebruikelijk mag ook in alle eerlijkheid best worden geconstateerd dat de planning en bemensing bij de waterschappen soms niet het niveau heeft om vraagstukken van dit niveau adequaat aan te kunnen.
Tot aankoop van de benodigde gronden wordt niet expliciet vroegtijdig overgegaan maar pas nadat de planvorming rond is. Dit wordt ingegeven door zuinigheid.
Ook enkele dijkvakken van Rijkswaterstaat zijn nog kwetsbaar. De planvorming en uitvoering dreigen te vertragen als prioriteit wordt gegeven aan de overdracht (aan de waterschappen) in het kader van de decentralisatie van taken.(…)’

In een aangehecht schema werd voorgesteld maar meteen een nieuwe hoofdstructuur voor de dijkverbeteringen in te voeren. Alle macht zou gaan naar een stuurgroep waarin provincie en Rijkswaterstaat, de eeuwige rivaal van de waterschappen, de dienst uitmaakten. Met de brief werd de positie van Van Dijkhuizen voor de waterschappen onmogelijk gemaakt. De gedeputeerde tekende de brief na oppervlakkige lezing, ervan uitgaand dat zijn ambtenaren hem voor domheden zouden behoeden.
Wie de brief in de openbaarheid bracht, werd nooit duidelijk. Toen de waterschappen de notitie lazen, brak georchestreerde woede uit. Voor toenmalige dijkgraaf J.G. van Leeuwen van Betuwe, was de actie duidelijk: ‘Volp bedoelde dat wij, bestuurders van de waterschappen, incompetent waren voor onze taak. En hij wilde van gedeputeerde Van Dijkhuizen af. In die tijd werd ik vanuit het provinciehuis beter geïnformeerd over alle zaken rondom fusie en dijken dan de gedeputeerde. Ik weet zeker, ze hebben Van Dijkhuizen bewust laten struikelen. Ze wilden van hem af.’
Vanuit het Ambtshuis in Elst, waar een vergadering werd gehouden van de waterkerende waterschappen in Gelderland, belde voorzitter W. Wolters met de commissaris van de koningin Terlouw en eiste excuses. Die arriveerde binnen de kortste tijd en ging door het stof. Een dag later werd Van Dijkhuizen ontboden om te verschijnen in een beraad te Utrecht waar de Gelderse waterschappen vergaderd waren. De toenmalige dijkgraaf voor Rijn en IJssel, dr. W. Wolters, herinnerde zich hoe de gedeputeerde ‘z’n diepe excuses kwam maken’ en zich verweet ‘een brief te hebben getekend die hij niet gelezen had.’
‘Iedereen kreeg op zijn falie,’ zei Wolters. ‘Ik heb ook Volp uitgenodigd om te komen praten op mijn kantoor in Zevenaar. Hij was erg terneergeslagen. Hij zei, ik heb een domme zet gedaan. Hoe kan je nou zo’n ingewikkelde brief als een domme zet kwalificeren, antwoordde ik hem. Volp is altijd een beetje een jongen gebleven. Hij dacht toen tijdens het hoge water, nu is het moment rijp om de dijkgraven pootje te lichten.’
Volp zelf zag terug op een ‘heel vervelende periode’ uit z’n leven. Hij zei: ‘Het heeft me erg geraakt. Wolters was de eerste die weer normaal tegen me deed. Ik blijf er ook bij dat ik verkeerd begrepen ben. Er waren in die tijd brieven waarin Rijkswaterstaat de kans schoon zag het versterken van de dijken naar zich toe te trekken. Ik heb begin februari een keer een gepassioneerd betoog gehouden voor de waterstaatscommissie van de Tweede Kamer, dat was in de Statenzaal. Er was geen bestuurder, ik was in m’n eentje en ik vond het spannend. Ik heb tegen die kamerleden gezegd, de waterschappen zijn de enige die het kunnen. Zij hebben de beste contacten, zij moeten het doen. Dat was mijn mening en die intentie zat ook achter de brief die naar de ministers ging. Het was een droeve periode, ook voor Van Dijkhuizen die daar veel pijn over heeft gehad.’

Gedeputeerde Johan de Bondt die na het hoge water de fusieproblemen zou erven, herinnerde zich later hoe onwrikbaar het proces vastzat: ‘Eén keer zijn de voorzitters van de waterschappen en het zuiveringschap het twee dagen lang met elkaar eens geweest. Daarna spatte de boel weer uit elkaar. De voorzitter van het Zuiveringsschap Rivierenland werd door zijn bestuur teruggefloten. Hans van Leeuwen wilde persoonlijk wel maar mocht van zijn bestuur niet. De reorganisatie zou dan immers wel eens in een stroomversnelling kunnen komen en daar was Betuwe op tegen.’
Oud-dijkgraaf Van Leeuwen gaat niet akkoord met die exegese: ‘Er zijn zelfs twee momenten geweest dat we het eens waren. Maar de eerste keer, dat was in 1993 in Berg en Dal, ging het Jan van Dijkhuizen niet ver genoeg. En de tweede keer, begin 1997 toen iedereen het eens was inclusief Johan de Bondt, is het schip plotseling lek geschoten. Ik weet nog altijd niet wat er gebeurd is.’
Het voorstel luidde toen te komen tot één hoogheemraadschap. Waterschappen en De Bondt waren vóór. Maar het Zuiveringsschap Rivierenland opponeerde, zeggende dat zo’n idee ‘trekken aan een dood paard was’. Statenleden, die óók in het bestuur zaten van het zuiveringschap, maakten bij voorbaat elke discussie onmogelijk door op te merken dat één hoogheemraadschap in strijd was met een eerdere uitspraak van provinciale staten. Over die keer dat iedereen het twee dagen eens was zei Van Leeuwen: ‘Dat was in mei 1997 en het ging over de vorming van één hoogheemraadschap met drie inliggende waterschappen.’ Het idee werd afgeschoten door het algemeen bestuur van het zuiveringsschap Rivierenland. Daarop kwamen nog in hetzelfde jaar de vier kwantiteitswaterschappen (polderdistricten) – boos op het zuiveringschap die het eerdere bestand had verbroken -op uitnodiging van de gedeputeerde met een ander voorstel. Zij wilden twee all-in waterschappen met een gemeenschappelijke regeling voor het zuiveringsbeheer. Morrend ging het polderdistrict Betuwe akkoord met een variant op een oud voorstel dat zes jaar eerder uitgangspunt was. Het werd opnieuw door de fracties van de staten verworpen. Van Leeuwen later: ‘Elke keer wordt weer bevestigd dat wij het uiteindelijk bij het goede eind hebben gehad. Het model van nu, Waterschap Rivierenland, heeft geen draagvlak onder de bevolking en spoort evenmin met het advies van de commissie Tielrooij.’

Toen alles langer duurde dan verwacht, Van Leeuwen met pensioen ging, Kok hem opvolgde, hield ook de laatste met alles rekening. Onder Gerrit Kok nam het gecombineerd college van het polderdistrict Betuwe een dubbelbesluit. Terwijl de juridische procedure tegen de opheffing onverminderd voortging, werd tegelijkertijd besloten alle zakelijke voorbereidingen te treffen voor een fusie. Het bestuur wilde bij een negatief oordeel van de rechter, onder geen beding in een organisatorisch gat vallen.
Juridisch liep het tenslotte slecht af voor het polderdistrict. Zo werd de weg vrijgemaakt voor Provinciale Staten van Gelderland om op 13 december 2000 te besluiten tot opheffing van Betuwe. Al een week later – nog steeds zijn betrokkenen beduusd over die ongelooflijke voortvarendheid – keurde de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat die beslissing goed. Op de eerste dag van het jaar 2002 zou de nieuwe situatie ingaan. Restte nog een allerlaatste mogelijkheid zand in de machine te werpen door beroep aan te tekenen tegen de beslissing van het ministerie. Ook dat werd teniet gedaan – vooral omdat het conflict werd bezien als een bestuurlijke aangelegenheid en niet een juridische.
Even werd het nog spannend toen polderdistrict Betuwe samen met enkele andere tegenstrevers plotseling, in een vlucht naar voren, een heel nieuw gezichtspunt aan de orde stelde. Dat was de benadering vanuit het stroomgebied. Op 28 juni 2000 was namelijk een Europese Kaderrichtlijn Water vastgesteld waarin het stroomgebied werd gedefinieerd als ‘een gebied vanwaar al over het oppervlak lopende water via een reeks stromen, rivieren en eventueel meren door een riviermond, estuarium of delta, in zee stroomt.’ Slim concludeerden de tegenstanders dat de gebieden van Betuwe, Tieler- en Culemborgerwaarden, Alblasserwaard en Vijfheerenlanden tot het stroomgebied van de Rijn behoren. Lag het kortom niet in de rede ‘de waterschappelijke organisatie vorm te geven langs de lijnen van dat stroomgebied?’ En was het vervolgens niet beter die vermaledijde fusie van vier waterschappen en een zuiveringschap helemaal te vergeten? Achteraf werd uitgelegd dat de nieuwe Europese filosofie voorbeeldig paste in de verzetsstrategie van Betuwe cum suis. Er werd over de vondst door Betuwe een doorwrochte nota geschreven. Over hoe duurzaam waterbeheer alleen gerealiseerd kan worden binnenintegrale eenheden als stroomgebieden. Het zou gaan om een verhoogde bescherming van grond en oppervlaktewater en verbetering van het aquatisch milieu. Het mocht allemaal niet baten. De Raad van State bestempelde het beroep van de tegenstanders niet-ontvankelijk en ongegrond. In het blad AB rechtspraak bestuursrecht 2001, werd de uitspraak begeleid door een tikkeltje meesmuilende conclusie: ‘En hoe zeer allerlei hoogbekwame adviseurs en hoogleraren, die bovendien begrijpelijk nog wel eens de voice van de master vertolken, anders geoordeeld hebben: de staatssecretaris heeft haar eigen verantwoordelijkheid in het goedkeuringstraject.’
Zo eindigde het laatste verzet.
Voor gedeputeerde Johan de Bondt behoorden alle procedures van Betuwe uitsluitend tot de ‘strategie het proces van opheffing te vertragen’. Hij zegt: ‘Elke dag dat de fusie langer uitbleef, zaten de dijkgraaf en de heemraden langer op hun stoel. Het zijn vergaderboeren die je overal tegenkomt met posities die status en aanzien geven. Ik heb daar wel begrip voor. Al die waterschappen zijn immers ontstaan vanuit de collectieve zorg van boeren. Maar met die kleine waterschappen konden we niet doorgaan. Het ging erom óf een domme uitvoerder te worden van de provincie óf een sterke speler in het veld. Door klein te blijven hadden de waterschappen zichzelf buiten spel gezet.’

Zo waren er tenslotte uitsluitend verliezers.
Jan van Dijkhuizen (CDA) keerde in 1995 niet terug als gedeputeerde. Hij had alle krediet van de waterschappen verspeeld. Zijn portefeuille werd overgenomen door Johan de Bondt (VVD).
Coen Volp die ooit promoveerde op waterbeheer, lid was van de gezaghebbende Technische Adviescommissie voor de Waterkeringen, trok zich terug uit zijn levenswerk en vond een baan bij de droge Waterstaat.
Dijkgraaf Hans van Leeuwen werd in 2000 op 65-jarige leeftijd opgevolgd door Gerrit Kok. Jan Litjens ging medio 2001 met vervroegd pensioen en trok zich terug aan de rand van de Veluwe.
En in de allerlaatste vergadering van het gecombineerd college van het polderdistrict Betuwe werd de rekening gepresenteerd. Voor de strijd om het voortbestaan moest nog weer eens twee ton worden neergeteld. ‘We zijn een vechtlustig college en die strijdbaarheid houdt niet op als het einde in zicht is,’ zei hoofdgeërfde J. van Kleef.
Zo bleef het polderdistrict tot de laatste snik trouw aan zichzelf.

Het Rentambt, een aparte stichting met een apart bestuur

Over-Betuwe is altijd een rijk en florissant polderdistrict geweest. Dat komt bijvoorbeeld door de ligging. Bij Lobith zo’n vijftien meter boven de zeespiegel, bij Elst negen meter en verder naar het westen lager en lager. Hellend land dat bijna probleemloos afwatert. Met de beste dijken van het rivierengebied.
De voorspoed had ook te maken met beheer. Over-Betuwe was niet zomaar een polderdistrict, het was erfgoed dat overging van de ene voorname familie op de andere. Het werd gekoesterd als privaat-eigendom. Dat begon al bij mr. Jacob Rau van Gameren, na de splitsing van macht in 1838 de eerste dijkgraaf van Over-Betuwe. En het werd tot het eind van de twintigste eeuw voortgezet door de Tap-dynastie, van wie Daan N.P. Tap de laatste was. ‘Het polderdistrict was iets van de familie zelf,’ zei oud secretaris-directeur Jan Litjens. ‘Er was altijd geld, er waren altijd reserves,’ weet Johan van Meegen het vroegere hoofd technische dienst. Bezuinigingsrondes of ingrijpen in de begroting kwamen nooit voor. De bewoners van Over-Betuwe worden dan ook wel de zwitsers van het rivierengebied genoemd. Aan hun voordelige materiële toestand wordt ook een beetje bijgedragen door het bestaan van hetRentambt – een stichting met tweehonderd hectare land in eigendom en een vermogen van een slordige vijf miljoen gulden. Heel oud kapitaal voortgekomen uit bezittingen van de Sint Werendfriduskerk en het voormalige klooster Eimeren onder Elst. Ooit in rooms-katholieke handen maar na debeeldenstorm in beheer gegeven aan de ambtman-richter-dijkgraaf van Over-Betuwe. Toen in 1838 het ambt van Over-Betuwe overging naar de dijkstoel van het toen ingestelde polderdistrict, wilde de Staat der Nederlanden dat de dijkstoel het beheer van de geestelijke goederen aan haar overdroeg. Maar de Hoge Raad gaf de polder gelijk en zo bleef de dijkstoel van Over-Betuwe de geestelijke goederen beheren zonder daar aan iemand verantwoording voor af te hoeven leggen. Jan Derksen, tot 1991 secretaris van het polderdistrict, was rentmeester van de stichting. Sinds jaar en dag was het hoofd van de technische dienst van (Over-)Betuwe tevens technisch adviseur van de stichting. De stichting doet goed. In het verleden werd met kerst contant geld uitgedeeld aan behoeftige mensen. Een keer in de vijf jaar kan een Over-Betuwse kerkgemeenschap in aanmerking komen voor een bijdrage in het groot onderhoud van het kerkgebouw of een andere grote uitgave. Eerst uitsluitend aan de protestantse kerken. Daan Tap zei: ‘Vroeger was vrijwel iedereen in deze omgeving protestant. Later is besloten ook geld te geven aan de rooms-katholieke kerk. Want het geld komt toch feitelijk daar vandaan en roomse mensen zijn ook christenen.’ Ze krijgen ze nu beide bijdragen voor restauratie en de diaconie. Incidenteel werd wel eens een hypothecaire lening verstrekt aan een medewerker van Betuwe. Soms vervulde het Rentambt ondersteunende diensten voor het polderdistrict. Bijvoorbeeld door het ruilen van grond, zei oud-dijkgraaf Hans van Leeuwen. Het Rentambt verpachtte grond aan het polderdistrict voor bijvoorbeeld kleiopslag of groenafval. Het polderdistrict verkocht weer grond, die niet langer voor de publieke dienst nodig was, aan het Rentambt. Het kwam voor dat bij de dijkverzwaring het polderdistrict een halve hectare grond nodig had van een boer. Die wilde uitsluitend twee hectare tegelijk verkopen. Dan werd die twee hectare door het Rentambt gekocht en dat verkocht vervolgens een halve hectare door aan het polderdistrict. Door behoedzaam beheer groeide het vermogen. ‘Het Rentambt werd door de families beheerd als was het iets van henzelf,’ zei Jan Litjens. Eén keer per jaar ging het voltallige dagelijkse bestuur van het polderdistrict een dagje uit op kosten van het Rentambt – in ruil voor het recht op vergoeding dat bestuurders afstonden.
In 1979 werd onder Daan Tap het Rentambt losgekoppeld van het polderdistrict Over-Betuwe. Er werd in die tijd een fusie voorbereid tussen Over-Betuwe en Nederbetuwe en daardoor ‘viel het werkgebied van het Rentambt niet meer samen met dat van het polderdistrict’. Rentambt werd daarop de zelfstandige stichting Het Rentambt van Over-Betuwe. ‘Een aparte stichting met een apart bestuur dat zichzelf aanvult’, formuleerde Daan Tap het. In de statutaire terminologie heet dat coöptatie. De bestuursleden werden traditiegetrouw benoemd uit de Over-Betuwse kaste van bestuurders van het polderdistrict Betuwe.
Zo gebeurde het dat het Rentambt in handen bleef van een handvol aanzienlijke Over-Betuwse burgers. Oud dijkgraaf Daan N.P. Tap gaf zijn zetel op en werd opgevolgd door zijn zoon Daan N. Tap. C.M. Breunissen, oud-heemraad van het polderdistrict, werd opgevolgd door zoon J.G. Breunissen. De bestuursfunctie van oud-heemraad B.W. Teunissen werd voortgezet door diens zoon B. Teunissen.
Oud-dijkgraaf J.G. van Leeuwen had geen problemen met die erfopvolging. ‘Het is duidelijk dat het Rentambt in de familie blijft, maar het is een open zaak’, zei hij. In het verleden was de dijkgraaf altijd voorzitter geweest van de stichting Rentambt. Van Leeuwen wilde dat niet. Hij bleef aan als bestuurder maar wilde een jongere voorzitter. Dat werd Teunissen. Teunissen is ook voorzitter van de stichting Fonds Elisabeth van den Mieden, dat jongelui ondersteunt bij hun studie voor predikant.
In de periode dat hij secretaris-directeur was, verzette Jan Litjens zich tegen de stille overname van de stichting Rentambt. Ik legde dit voor aan de nieuwe dijkgraaf Gerrit Kok. Die sprak met de secretaris en de voorzitter van Rentambt. Hij liet zich overtuigen – zo zei hij mij later in een gesprek – ‘dat de huidige positionering van de stichting wel zo goed is voor de toekomst’.

Polderpers