De dijkgraaf, de straatvechter en de fusie
| De machtige heren, die ’t waterschap regeren
Wie heeft der dijken kruin (Anonymus, ca 1945) De dijkgraaf, de straatvechter en de fusie Catch-as-catch-can – in het verzet tegen de opheffing van het polderdistrict is alles geoorloofd. Het duurt dertig jaar, dan komt onvermijdelijk het einde. Hoofdstuk 6 Het was in de nadagen van het lokale gezag. Toen het waterschap nog een boerenrepubliek was en macht geërfd of van Boven gegeven. Ergens aan het eind van de jaren zestig van de vorige eeuw. Voor het eerst vielen woorden als schaalvergroting en reorganisatie. In het provinciehuis te Arnhem noteerde het college van gedeputeerde staten dat op termijn aan ‘samenvoeging van waterschappen en zuiveringsschappen’ (ook aangeduid als beheerders van waterkwantiteit en waterkwaliteit) niet viel te ontkomen. En in het rivierengebied begonnen waterschappen de campagne vertraag en voorkom. Zij zouden het proces dertig jaar weten te rekken. De aankondiging van baron Van Verschuer had toen nog vooral te maken met eigenbelang van het provinciaal bestuur. Een paar jaar eerder, in 1967, had het provinciaal bestuur van Gelderland laten weten dat verdere reorganisatie van de waterschappen niet nodig was. Er was becijferd dat die niet zou leiden tot kostenbesparing. Maar toen de waterschapslasten snel stegen, een vaste bijdrage van het rijk voor de waterschappen uitbleef en de provincie zelf moest bijpassen veranderde de stemming. De gedeputeerde Van Verschuer verordonneerde concentreren. Toen gedeputeerde baron Van Verschuer in 1971 de grootscheepse reorganisatie van het Gelderse waterschapsbestel aankondigde en de dijkgraven op termijn hun congé kregen, liep hij ver voor de troepen uit. De ideeën van het provinciaal bestuur zouden nog minstens vier keer grondig veranderen. Intussen waren in Gelderland tegen alle verdrukking in en zonder de zegen van de waterschappen, drie zuiveringschappen opgericht om de kwaliteit van het water te waarborgen. In Oostelijk Gelderland, op de Veluwe en in Rivierenland. Er waren lange en repeterende discussies aan vooraf gegaan. De provincie had de waterschappen tenslotte laten weten dat ze pas een rol konden krijgen in het beheer van de waterkwaliteit als ze éérst de idee van schaalvergroting omarmden. Deden ze dat niet dan moesten ze aan de kant blijven staan. De waterschappen, vertegenwoordigd in de Gelderse Waterschapsbond, volhardden in hun weigering. Provinciale Staten waren het eens met gedeputeerde Van Verschuer. Zo werd in juni 1969 het voorstel tot oprichting van drie zuiveringschappen goedgekeurd – die bij Koninklijk Besluit van 26 mei 1971 werden ingesteld. Intussen ondernam het provinciaal bestuur van Gelderland in 1974 wederom een poging waterschappen en zuiveringschappen te verenigen. In een nota werd voorgesteld de waterschappen te laten opgaan in de drie zuiveringschappen. In het polderdistrict Nederbetuwe mocht de dijkstoel op 19 maart zeggen wat er van het nieuwe voorstel deugde. Heemraad Wim van der Linde uit Kerk-Avezaath reageerde als door een wesp gestoken. Hij noemde de nota van gedeputeerde staten een onthutsend stuk rechtsverkrachting: ‘Het waterbeheer is in ons land sedert eeuwen buitengewoon goed geregeld door de waterschappen, zodanig dat ons land wereldbekendheid kreeg als tuin van Europa. De landbouw werd in staat gesteld topproducten te leveren en prestaties op wereldniveau. Dit waterbeheer zou nu moeten worden opgeofferd aan een ambtelijk systeem zoals wij dat kennen in de onherbergzame gedeelten van de communistische Sovjet-Unie of de Volksrepubliek China.’ Want het was toen nog volop Koude Oorlog. Van der Linde vermoedde dat de nota afkomstig was van enkele kortgeleden afgestudeerde stedelingen die nog nimmer een spa in hun verwijfde vingers hebben gekneld. In die tijd was in de Betuwe de animositeit tussen stad en land minstens zo groot als nu. Als er iets was dat Van der Linde altijd had gehaat en gewantrouwd, dan waren dat stadse meneren in grote glanzende auto’s. Vandaar zijn afkeer. En hij besloot: ‘Als we deze weg inslaan krijgen we op de duur meer theoretische bestuurders, want de ene bestuurscommissie benoemt de andere commissie en die krijgen het dan zo druk met vergaderen dat ze aan de praktijk niet meer toekomen.’ Bestuurders gingen voorbij, nota’s belandden voor eeuwig in het archief en gedeputeerde Van den Berg kwam. Met hem had Tap minder moeite: ‘Hij was topman geweest bij AKZO. Hij wist niks van waterschappen maar hij moest wel de reorganisatie doen. Toen heb ik hem, tijdens een dineetje en een borrel, even snel bijgepraat. Hij vroeg me of ik achter de plannen stond. Ik zei, nee het wordt allemaal alleen maar slechter. Hoe moet het dan, vroeg hij me. Ik adviseerde hem een tussenfase in te lassen en een paar kleine waterschappen samen te voegen. Gaat dat wel lukken, vroeg Van den Berg me. Ik zei, Over-Betuwe en Nederbetuwe zijn geen probleem. Heb ik zo gedaan. Wij staan erachter. Nou zo ging het tien jaar goed maar toen begon alles opnieuw.’ Zo werd de prelude naar de Grote Fusie alsmaar voortgezet. J. Derksen was twintig jaar secretaris, eerst van het polderdistrict Over-Betuwe en later van Betuwe. Hij begon in het begin van de jaren vijftig als tweede ambtenaar ter secretarie. Meer ambtenaren waren daar trouwens niet. Kort na de verbetering van de Linge begin jaren vijftig werden in Over-Betuwe en Nederbetuwe de ruim veertig dorpspolders opgeheven en ondergebracht bij de twee polderdistricten. Intussen had dijkgraaf Tap zijn belofte aan gedeputeerde drs. R. van den Berg waargemaakt en waren Nederbetuwe en Over-Betuwe in 1982 gefuseerd – althans bestuurlijk en juridisch. Er was een vereveningsplan opgemaakt over alle bezittingen van beide polderdistricten. Omdat Over-Betuwe veel bezittingen had kregen de ingelanden daar geld terug. Er werd afgesproken dat Tap dijkgraaf zou worden en Derksen secretaris. Derksen zei: ‘Het ging allemaal heel geruisloos, de provincie wilde dat we veel verder gingen met de fusie maar wij hadden die weten te beperken. Alle agrariërs waren bovendien ingenomen met Tap omdat die ook boer was.’ De dijkgraaf van Nederbetuwe, drs. A.H. v.d. Berg, was apotheker en ging terug naar zijn pillen en poeders. Hoofd van de technische dienst werd J. Bijnagte, afkomstig uit de Nederbetuwe. En M. Stahlie uit Over-Betuwe werd hoofd dijkverbetering. Voor de rest veranderde weinig. Just Kroese die voortkwam uit polderdistrict Nederbetuwe en in de nieuwe verhouding hoofd dienstkring Nederbetuwe werd herinnerde zich: ‘Het bleven twee aparte gebieden met twee dienstkringen, een werkplaats in Ingen en een in Elst. De uitvoeringsorganisatie zoals die altijd was geweest bleef in stand. Ik denk dat het zo gebeurde om iedereen te sparen. De verschillen bleven ook. In Nederbetuwe heerste een gemoedelijke sfeer, met nog veel kleine boeren met wie je op voet van gelijkheid omging. In Over-Betuwe maakten herenboeren de dienst uit. Daar stonden de medewerkers nog met de pet in de hand.’ Maar alles ging voorbij. In Den Haag kwam een wijziging in de grondwet tot stand die een eerste stap betekende naar een verandering in de waterstaatswetgeving. In de jaren negentig volgden wetten op de waterhuishouding, de waterschappen en de waterkeringen. Er was sprake van een geruisloze omwenteling. Waterschappen werden gedemocratiseerd, de ingezetenen deden hun intrede in het bestuur, het rijk kwam met richtlijnen voor dijken, gaf bevoegdheden, eiste professionele organisaties waardoor kleine waterschappen het veld moesten ruimen. |
|
De Tap-dynastie Meer dan vijftig jaar regeerde de familie Tap uit Elst over de Betuwe. Het begon ver voor de oorlog met de benoeming tot dijkgraaf van D.C. Sipman – een broer van de moeder van Daan.N. Tap, alias junior. ‘Mijn oom was erg conservatief en had een hekel aan geld uitgeven. Laat het maar zoals het is, zei hij altijd. Dan hoeven we ook geen belasting te heffen. Alle werkzaamheden werden in zijn periode opgeschort,’ zei Daan N.P.Tap, de zoon van junior, later. |
| Het net rondom het polderdistrict Betuwe werd steeds strakker aangehaald. Eind 1992 waren provinciale staten van Gelderland akkoord gegaan met een nieuwe structuur voor de waterschappen. Een jaar later waren ze het ook eens met de oplossing om in Gelderland drie grote waterschappen te vormen, bij gebrek aan een beter woord omschreven als all-in waterschappen. Waar het om ging was samenvoeging van waterschappen en zuiveringschappen, een andere wijze van financiering en – de woorden zijn onvermijdelijk – integraal bestuur en bestuurlijke schaalvergroting. Dijkgraaf Tap was het daarmee heftig oneens. Hij had al eerder de toenmalige gedeputeerde J.van Dijkhuizen gewaarschuwd dat er grove fouten waren gemaakt. Als hij toch doorging, had Tap gezegd, gooi ik het voor de rechtbank. Dat doe je niet, zei Dijkhuizen. Dat doe ik wel, zei Tap. Hij meende het. Hij wist waar hij het over had. Tap had een paar dozijn functies. Eén daarvan was dagelijks bestuurder van de Unie van Waterschappen. In die hoedanigheid had hij er persoonlijk voor gezorgd dat in de Waterschapswet artikel 3 was opgenomen dat inhield dat een waterschap zelf moest kunnen meepraten over zijn toekomst. De straatvechter die hij had ingehuurd kwam nu goed van pas.Litjens hield van rechtszaken en wist hoe die gevoerd moesten worden. Hij zei: ‘Ze verweten mij soms dat Betuwe altijd maar procedeerde. Dan antwoordde ik, wij procederen omdat wij voor vitale belangen staan. Als onze mensen van waterbeheer zeiden, dat en dat klopt niet maar de provincie weigert mee te werken, dan besloot ik het hogerop te zoeken. Wij hebben een paar procedures gewonnen en een paar verloren, maar die verloren we op grond van macht en niet op grond van recht.’ Hij procedeerde ook zoveel, omdat hij ervan hield de macht uit te dagen en het geweldig vond zelf macht uit te oefenen. In Elst waren de omstandigheden gunstig voor een straatvechter. Hij maakte ruimschoots gebruik van de vrijheid die de dijkstoel hem liet. Ze leunden op hem, lieten alles aan hem over, waren zelf vrijwel nooit aanwezig en corrigeerden hem nauwelijks. Daardoor was Litjens beladen met haast absolute macht. Maar gezegend met tact was hij geenszins. Iedereen joeg hij tegen zich in het harnas, het managementteam, de ondernemingsraad, bestuurders en medewerkers van het polderdistrict en andere instanties. Regelmatig ontbood hij personeelsleden die iets te onafhankelijk opereerden om hen ontslag aan te zeggen of te verbieden externe vergaderingen bij te wonen. Dat overkwam bijvoorbeeld het hoofd beheer Jan van Engelen menigmaal. Van Engelen zei: ‘Toen Litjens mij in dienst nam verwachtte hij dat ik voor hem zou vechten. Dat ik zijn opvattingen deelde en zou verkondigen – bijvoorbeeld over de reorganisatie van waterschappen via het stroomgebied van rivier tot zee. Dat was niet haalbaar en dat deed ik niet. Hij gedroeg zich als een despoot maar mij kreeg hij er nooit onder. Na zijn vertrek is de sfeer hier veel positiever geworden.’ De ondernemingsraad had identieke ervaringen. Langzaam rezen de conflicten. En de eerste ondernemingsraad werd gevolgd door een andere, met mensen die jong waren en nog meer wilden. Litjens was er niet blij mee. Hij ging mensen onder druk zetten. Zo weigerde hij beoordelingen te tekenen. Twee leden van de ondernemingsraad stapten op zodat een nieuwe verkiezing nodig was. Er werd een nieuwe raad gekozen. De ruzies gingen door. Zo wilde de secretaris niet langer dat OR-leden met de provincie spraken over de waterschapsreorganisatie. Dat terwijl de ondernemingskamer van de rechtbank in een door de ondernemingsraad met zijn steun aangespannen procedure juist had bepaald dat de provincie als mede-werkgever moest worden beschouwd bij de reorganisatie van het waterschap. Daarop trad de provincie in overleg met de OR om hen advies te vragen en tegelijkertijd stelde zij tegen deze uitspraak beroep in bij de Hoge Raad. Pas veel later oordeelde deze dat het provinciale voornemen tot reorganisatie niet onderhevig was aan advies- of instemmingsrecht van de OR. Toen dan ook in 1993 Provinciale Staten hun plan voor reorganisatie van het waterschapsbestel meenden te kunnen doorvoeren, besloten Tap en Litjens het beste advocatenkantoor van Nederland in te schakelen. Tap: ‘Ik zei tegen die advocaat in Amsterdam, wat is onze kans. Hij zei, negentig procent. Ik zei, doe maar.’ Op het provinciehuis in Arnhem was Coen Volp, hoofd van de afdeling Water en Waterkering, eerste tegenspeler van Litjens. Volp was belast met de reorganisatie van de waterschappen. Oók machtig, óók scherpzinnig en gevreesd bij lokale bestuurders, maar anders. Hij zei over Litjens: ‘Een heel slimme man maar hij speelde het spel volgens spelregels die ik niet de mijne wilde maken. Dat was lastig, net alsof je een wedstrijd speelt waarbij niemand zich iets van de regels aantrekt. Hij kon soms dingen doen waarbij ik dacht, hoe haal je het in je hersens. Hij veroorzaakte theatrale toestanden, liet vergaderingen in volstrekte verwarring achter en ik dacht dan, de enige die grinnikend buiten loopt is Litjens. Hij is mijn soort mens niet, maar ja hij was secretaris van het waterschap en je had hem als zodanig serieus te nemen. Ik heb altijd geprobeerd correct te zijn, andersom was dat niet zo. Hij leefde in een totaal andere wereld.’ Om het proces naar de opheffing van de waterschappen te versnellen volgde Volp zo z’n eigen strategie. Op 1 februari 1995, toen het water in het rivierengebied hoog steeg, was hij verantwoordelijk voor een opmerkelijke brief die ondertekend door gedeputeerde J. van Dijkhuizen naar de ministers A. Jorritsma (Verkeer en Waterstaat) en M. de Boer (VROM) ging. De brief was op verzoek van beide dames geschreven en zou later als kwaadaardig worden uitgelegd voor de waterschappen. De brief beschreef de reden waardoor ‘de uitvoering van de dijkversterking zoveel vertraging heeft opgelopen’: Gedeputeerde Johan de Bondt die na het hoge water de fusieproblemen zou erven, herinnerde zich later hoe onwrikbaar het proces vastzat: ‘Eén keer zijn de voorzitters van de waterschappen en het zuiveringschap het twee dagen lang met elkaar eens geweest. Daarna spatte de boel weer uit elkaar. De voorzitter van het Zuiveringsschap Rivierenland werd door zijn bestuur teruggefloten. Hans van Leeuwen wilde persoonlijk wel maar mocht van zijn bestuur niet. De reorganisatie zou dan immers wel eens in een stroomversnelling kunnen komen en daar was Betuwe op tegen.’ Toen alles langer duurde dan verwacht, Van Leeuwen met pensioen ging, Kok hem opvolgde, hield ook de laatste met alles rekening. Onder Gerrit Kok nam het gecombineerd college van het polderdistrict Betuwe een dubbelbesluit. Terwijl de juridische procedure tegen de opheffing onverminderd voortging, werd tegelijkertijd besloten alle zakelijke voorbereidingen te treffen voor een fusie. Het bestuur wilde bij een negatief oordeel van de rechter, onder geen beding in een organisatorisch gat vallen. Zo waren er tenslotte uitsluitend verliezers. |
|
Het Rentambt, een aparte stichting met een apart bestuur Over-Betuwe is altijd een rijk en florissant polderdistrict geweest. Dat komt bijvoorbeeld door de ligging. Bij Lobith zo’n vijftien meter boven de zeespiegel, bij Elst negen meter en verder naar het westen lager en lager. Hellend land dat bijna probleemloos afwatert. Met de beste dijken van het rivierengebied. |