Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars

De waan van de dag

Hoe de journalistiek zich steeds ongeloofwaardiger maakt.

D E W A A N V A N D E D A G

‘Tweeduizend woorden van Boot’, zei meneer Salter
‘Is het wat?’, vroeg de hoofdredacteur
‘Moet je kijken’
De hoofdredacteur keek. Hij zag Russische samenzwering…coup d’etat…de omverwerping van de constitutionele regering…rode dictatuur… geit ramt hoofd politie…gevangen blondine…Britse belangen in gevaar.
Het was genoeg. Dit was nieuws.
‘Dit is nieuws’, zei hij, ‘zet de persen in Manchester en Glasgow stil. Maak een lijn vrij naar Belfast en Parijs. De hele voorpagina omgooien. Zorg dat je er een foto van Boot in krijgt.’ U begrijpt het al, ik citeer Scoop waarin Evelyn Waugh op onweerstaanbare wijze de draak steekt met journalisten. Dat was zestig jaar geleden en ik stel me voor dat het op de redactie van het Algemeen Dagblad vandaag zo gaat.

Peter van Dijk arriveert op de krant en leest een bericht op het computerscherm van zijn rondreizende verslaggever: Russische maffia…handel in paspoorten…invasie van illegalen… fundamentalistische dictatuur…CID-chef handelt in herone…blondine verleidt Doctors van Leeuwen…westerse belangen in gevaar. Ik denk dat Peter van Dijk enthousiast zal roepen: ‘Stop de persen. Dit is nieuws. Gooi de één om.’

Nieuws is toch immers vooral wat journalisten dénken dat nieuws is. Dat is na zestig jaar niet veranderd. Wat wel veranderde is dat nieuws handelswaar werd. En daardoor werd de neiging van de journalist toe te geven aan de waan van de dag en tegemoet te komen aan de op dat moment heersende en altijd grillige publieke opinie groter. Is dat erg? ‘De mens wil de wereld niet, hij wil zijn visie van de wereld. Wie deze tracht te corrigeren, de onjuistheid ervan bewijzen of vernietigen wil, verwerft zijn dank niet’, schreef professor Den Hollander in Het démasqué van de samenleving. Het volgen van de waan zal, met andere woorden, profijtelijk zijn. Laat ik een paar voorbeelden noemen.

Een aantal weken geleden vernam ik uit de dagbladen dat Nederlandse militairen in het voormalig Joegoslavië zich te buiten gaan aan excessen. Ik las dat ze snoepjes gooien op plaatsen waar ze mijnen vermoeden. De bedoeling was dat kinderen er heen zouden snellen om die op te rapen. De rest werd aan de verbeelding overgelaten: kinderen als lokaas en levend schild om mijnen te traceren. Er ontstond grote consternatie. Vooral toen de andere dag nog follow ups kwamen over mogelijke ongewenste intimiteiten tussen onze Nederlandse jongens en de vrouwen aldaar. Na een bliksemonderzoek door het ministerie van defensie, zei minister Voorhoeve een aantal dagen later dat er niets aan de hand was. Sindsdien heb ik er nooit meer over gehoord.
Hier hebben journalisten zich collectief op sleeptouw laten nemen door de waan van het moment. Want kijk, in het voormalig Joegoslavië heerst oorlog. Geweld is nieuws. Maar als het allemaal zo lang gaat duren dan gaat zelfs de bloedigste scene vervelen. Wanhopig heffen de nachtchefs van de ochtendbladen de handen, hoe hou ik Bosnië in het nieuws? En zie, plotseling komt daar als een geschenk uit de hemel een gerucht. Het geweld komt nu zelfs heel dichtbij want onze eigen jongens geven zich over aan oorlogsmisdaden. Dat willen de mensen lezen. Stop de persen.

Ik heb me over twee dingen verbaasd. Over de lichtzinnigheid waarmee krantenredacties – zonder te onderzoeken, zonder bronnen te noemen en te kennen – zulke berichten plaatsen. En vervolgens heb ik me nog meer geërgerd aan de slaafsheid waarmee journalisten een onnozel onderzoek van de minister voor lief nemen. Het woord van de autoriteit is wet.
Natuurlijk is er iets aan de hand. Overal waar soldaten in een oorlogssituatie terecht komen worden excessen begaan. Zoals Alexander Mitscherlich (dat is lang geleden) ooit schreef: ‘De beulen zijn niet van een ander, van een vreemd ras. Meer of minder zijn wij allen te verleiden om de medemens te kwellen’. Waarom zouden ‘onze jongens’ dat niet doen?
Kranten zouden permanent aanwezig moeten zijn in het voormalig Joegoslavië om dat te onderzoeken. Nu falen ze hopeloos.

Een paar dagen later lees ik hoe een Marokkaans meisje in Tilburg voor ‘Turk’ wordt uitgescholden en vervolgens door twee skinheads van haar fiets wordt geslagen. Het meisje valt op de grond maar ziet nog op de grens van het bewustzijn haar twee belagers.
Ik kan me de reactie op de redacties levendig voorstellen. Sinds het communistisch gevaar – op enkele Russische mafioso na – werd bezworen, namen de buitenlanders en de islam de rol van de Russen over. In Duitsland leidde die situatie tot hevige rassenrellen, maar in Nederland bleef alles vreemd genoeg tamelijk rustig. Dan ineens Tilburg. Daar zijn de lezers in geïnteresseerd. Stop de persen. Een paar dagen later bekent het meisje dat ze de mishandeling heeft verzonnen – ze was bang voor haar vader omdat ze te lang had getreuzeld met het naar huis gaan.
Dat is dom van dat meisje maar nog dommer van de kranten die het verslag van de Tilburgse politie blindelings overschreven in hun kolommen. Er is geen enkel excuus. Kranten moeten zelf onderzoeken, ze hadden dat meisje moeten opzoeken, de buurt moeten ingaan, met de ouders spreken. Ik dacht dat het klakkeloos overschrijven van politierapporten uit het begin van de jaren zestig dateerde. Het gebeurt nog steeds en dat is onvergeeflijk. Op dezelfde manier bereikte twee jaar geleden het bericht de kranten dat een Marokkaans meisje in een zandput bij Barendrecht verdronk, terwijl honderden omstanders nietsdoend toekeken. Dat verhaal lag toen ook veel genuanceerder.
Beide berichten komen voort uit hetzelfde mechanisme: er gebeurt iets wat de mensen willen weten en journalisten laten zich sturen door de publieke opinie en dienen de waan van de dag.

Omdat ik zelf bijna m’n hele leven lang aan de dijk heb gewoond, eerst langs het Haringvliet en toen langs de Waal, heb ik met enige wanhoop het werk mijner collega’s aanschouwd begin dit jaar. Er was natuurlijk wat aan de hand. Het was hoog water, zelfs uitzonderlijk hoog. Maar was er nou echt sprake van een noodsituatie? Ik ben – ik geef dat toe, maar wie is dat wel – niet objectief. Water fascineert me, achter de dijk voel ik me veilig. Zelfs na 1953 toen het water twee meter in ons huis kwam en er op het dorp tientallen mensen verdronken. Maar de situatie toen was heel anders. Een onvergelijkbare ramp en daarom vond ik het schandalig dat kranten de watersnood van 1953 vergeleken met het hoge water van februari 1995. Ik vond het irritant hoe journalisten zich op sleeptouw lieten nemen door de kleine autoriteit – de dijkgraaf en de burgemeester. Met samengeknepen tenen las ik dat dijken ‘op springen’ stonden – heus er is nog nooit een dijk gesprongen die kalft op z’n hoogst langzaam af. Dat scheuren in het asfalt de voorbode waren van het uiteenvallen van de dijk – rijdt u nou eens op een zomerse dag langs de rivieren, dan ziet u overal scheuren in het wegdek want de dijk werkt altijd. Langzaam werd de publiciteit opgevoerd tot bijna euforische hoogte. Er moest en zou iets gebeuren. Voor CNN, BBC, SKY en de GEZAMENLIJKHEID stonden verslaggevers in zwemvesten op de kade van Tiel. Kijkers in heel de wereld schaarden zich met Smith-chips en flessen light voor het televisiescherm. Klaar voor de ultieme ramp. Reality-televisie. Stop de persen. Vanuit Japan, Cuba en Amerika kreeg ik verontruste telefoontjes van mensen die bezorgd waren over mijn veiligheid.
Toen was het water overigens al weer enige dagen aan het zakken, tot teleurstelling van de media. Het ergst is ontgoochelde lezers en kijkers, dus deden de journalisten ook aan nazorg. En ik las dat dijken, door het snel vallende water, als een plumpudding in elkaar dreigden te zakken. Afijn, er gebeurde niets. Weer gaven verslaggevers zich over aan windhandel in nieuws. Er bestaat al jaren spanning in het rivierengebied over de dijkverzwaringen. Kort geleden, kerst 1993, braken de waterstanden ook al records. De publieke opinie wacht op een vervolg en de journalist geeft lezers en kijkers de berichten die ze wensen.

Ik ga nog even door en nader de Haagse redacties waar de waan van de dag een treurige hoogte heeft bereikt.
Een aantal weken geleden schrok ik op door mededelingen in de kranten dat de positie van de minister van justitie mevrouw Sorgdrager onhoudbaar was geworden. Ze bleek op de hoogte te zijn geweest, althans over voorinformatie te beschikken, van de rol van de Rotterdamse politie in een zelf opgezette drugshandel. Ik wachtte gelaten af want prettige verschijningen in de politiek zijn helaas zeldzaam. Er gebeurde niets. Mevrouw Sorgdrager reageerde niet. Haar woordvoerder kwam niet in actie. Verslaggevers gisten en gniffelden over de onvermijdelijkheid van haar lot.
Tot de minister, monter en ontspannen, duidelijk maakte dat ze bleef. En de publiciteit viel stil. De strijd tegen drugs in Nederland nadert zo ongeveer de fase van The Untouchables. De politie en de autoriteit strijden een verloren gevecht. Een paar rechtvaardigen blijven over. Het beste zou natuurlijk zijn de drooglegging op te heffen en drugs legaal te maken. De politie zelf wordt crimineel. Her en der vallen officieren van justitie en politiecomissarissen in ongenade. Wat is er mooier dat ook de hoogste autoriteit valt? Het publiek wacht daarop.
Er zit nog een tweede kant aan die berichtgeving over the war on drugs. Zo volg ik met een mengeling van bewondering en achterdocht de verslaggevers in NRC/Handelsblad. Prachtige verhalen met onthutsende feiten over ontspoorde inlichtingendiensten en ijdele functionarissen. Alleen, en dat verklaart mijn achterdocht, ik kom geen bronnen tegen. Iedereen is anoniem, alles lijkt te zijn opgeschreven in een donkere kroeg op gezag van een informant die verborgen gaat in een strook duister. En ik krijg het vage, vervelende gevoel dat ik als lezer gebruikt word. Zoals duistere krachten binnen inlichtingendiensten journalisten proberen te gebruiken om de wereld te overtuigen van hun gelijk.
Vooral in de Verenigde Staten en Engeland was het altijd al zo dat anonieme bronnen binnen CIA, FBI of MI-6 fantastische verhalen laten lekken in de hoop dat journalisten ze opschrijven. Journalisten zijn in de terminologie van inlichtingendiensten ‘nuttige idioten’.
Noam Chomsky heeft dat gebruik van de zogenaamde vrije pers om via een één-richting informatiesysteem op een verfijnde manier de publieke opinie te manipuleren, eens een ‘bedriegelijk systeem’ genoemd. President Johnson verzon zo in 1964 het incident in de Golf van Tonkin waarbij zogenaamd communistische patrouilleboten Amerikaanse oorlogsschepen beschoten zouden hebben. De Amerikaanse media hielpen de president door het verhaal wereldkundig te maken. Het was niet waar en Johnson en de kranten wisten het. Maar het Congres gaf toestemming voor een Amerikaanse invasie in Vietnam, met als gevolg miljoenen slachtoffers.
Wat ik wil zeggen is dat die combinatie van geheime orakels binnen inlichtingendiensten en journalisten als brave borsten die klakkeloos opschrijven wat de ander vertelt, ook in Nederland steeds meer succes krijgt. Elk seizoen zie ik weer uit naar de journalist die als eerste het jaarverslag van de Centrale Recherche Informatie krijgt toegezonden om exclusief te kunnen melden hoe Nederland overspoeld wordt door drugs en criminaliteit. En omdat het publiek nu eenmaal begerig is naar wetenschap over kartels, Columbiaanse mafia, corruptie, rijkdom en macht dienen journalisten de waan van het moment. Non-news dat als fast-food door journalisten wordt toegediend aan een aan de media-maatschappij verslaafd publiek.

Ik erger me op de manier waarop parlementaire journalisten gemene zaken aangaan met politici. Hoe elke luchtballon die door een minister of kamerlid wordt opgelaten, door verslaggevers gerapporteerd wordt. De ene dag zegt mevrouw De Boer van Volkshuisversting, ruimtelijke ordening en milieu dat ze wil bouwen in het kassengebied van het Westland. De andere dag zegt minister Van Aartsen van Landbouw en Visserij dat hij dat niet wil – en de stilte treedt in. Ik zou wensen dat om te beginnen de helft van de journalisten uit Den Haag wordt teruggetrokken en de straat wordt opgestuurd, waar journalisten horen.

Ik verwijt de media dat ze kritiekloos, zonder te onderzoeken en zonder de dossiers te kennen, elke keer weer de tweede hands ideeën van de fractieleider van de VVD, Bolkestein, prominent op de één plaatsen. De laatste keer begreep ik uit het Parool dat Bolkestein het vak Islam op de Nederlandse scholen wil introduceren om zo te voorkomen dat er Imans uit Turkije en Marokko in Nederland worden geparachuteerd. Groot nieuws, een ankeiler op de voorpagina, een intervieuw binnenin en echo in allerlei andere kranten. Maar al vier maanden eerder zond staatssecretaris Netelenbos van onderwijs een voorstel naar de Tweede Kamer over het voegen Islam in het vakkenpakket.
En al die keren daarvoor, over het verplicht leren van Nederlands door buitenlanders op straffe van het inhouden van een uitkering; het opsporen en verwijderen van illegalen; het tegengaan van gezinsvorming en gezinshereniging; het spreiden van immigranten om sociale problemen in de grote steden te voorkomen – al die keren ging het over zogenaamde non-issues. Onderwerpen die allang beleid zijn, voorbereid worden in het beleid opgenomen te worden of onmogelijk in beleid te vangen zijn. Maar Bolkestein verwoordt zaken waarvan het publiek niet genoeg kan krijgen. En de journalist is de nederige boodschapper die de waan van de dag dient. Het kleine mannetje met het kleine potloodje – een omschrijving van Churchill. De wereld wil bedrogen zijn – derhalve worde zij bedrogen.

En overigens denk ik dat het Ebola-virus in Zaïre nauwelijks de kranten gehaald zou hebben, als juist op dat moment niet de film Outbreak in roulatie was geweest. Als je de film gezien hebt dan zijn de berichten over het virus een fantastische follow-up. Als je alleen maar de berichten gelezen hebt, is de film een absolute must. This is reality man.

Over de rol van de media en de journalist moeten we natuurlijk niet al te grote illussies hebben. Al meer dan 150 jaar geleden schreef Alexis de Tocqueville dat in de Amerikaanse samenleving de pers de publieke opinie volgt en dat de publieke opinie in alles oppermachtig is. Kenmerk van de Amerikaanse maatschappij is volgens De Tocqueville fundamentele gelijkheid tussen burgers – of althans een veronderstelde fundamentele gelijkheid. Het is evident dat mensen met gelijke rechten en een vrij identieke ontwikkeling in welvaart, dezelfde gewoonten, behoeften en voorkeuren bezitten. En ze ontwikkelen ook min of meer dezelfde opinie. In zo’n samenleving moet je het niet wagen er sterk afwijkende meningen op na te houden. John Pilger – een van de beste Engelse journalisten die ik ken – herinnert zich in zijn boek Distant Voices een groep Russen (het is nog voor de Glasnost) op bezoek in de Verenigde Staten. De reizigers zijn verbaasd als ze bij het lezen van kranten en het kijken naar televisie steeds dezelfde meningen tegen komen over belangrijke nieuwsonderwerpen. ‘Vertel ons toch eens hoe jullie dat doen?’ vroegen de Russen aan hun gastheren. ‘Om dat in ons land te bereiken is een dictatuur nodig, zetten we mensen in de gevangenis en trekken we hun vingernagels uit. Wat is toch jullie geheim?’

Goddank gebeurt in Nederland alles altijd vijftig jaar later. Wij hadden onze verzuiling. Bazige kerkvaders die verordonneerden wat we moesten doen. De anti-revolutionaire fractieleider Bruins Slot op Trouw, de roomse Romme bij de Volkskrant de sociaal-democratische voorman Voskuil bij Het Vrije Volk en een CPN-er op de Waarheid. Een kleurrijke, gepolitiseerde pers, loyaal aan de achterban, onverzoenlijk tegenover andersdenkenden. Goed was goed en slecht was slecht. Polariseren mocht en wij bij Trouw met lezers met een gereformeerde publieke opinie veegden de vloer aan met de roomse publieke opinie bij de Volkskrant. De waarheid was hard en die kon gezegd worden. Wij handelden in de geest van Paulus, wie niet voor mij is is tegen mij. En lauwheid, dus kleurloosheid, was uit de boze. Maar toen stortte het bouwwerk ineen. De verzuiling verdween en de verschraling sloeg toe. Wie heeft er nog beginselen? Ik herinner me hoe jaren geleden Richard Schoonhoven, de bewaker van het roomse erfgoed bij de Katholieke Radio Omroepvereniging, werd gevraagd naar de identitieit van de KRO. Hij kwam niet verder dan ‘eh, eh, eh’.
Columnist prof. J.A.A.van Doorn schreef eens dat de gebonden en dienstbare pers, grote afgeleide macht had. Toen de media zich van hun achterban bevrijdden, verloren ze hun macht. Hij schreef: ‘Ze zijn op zichzelf teruggeworpen en kunnen zich alleen handhaven door in grote lijnen de publieke opinie te volgen. Ze deinen voort op de lange golven die de tijdgeest bepalen, ze vissen allemaal in dezelfde zee. Vroeger waren er onderscheiden bevolkingsgroepen met hun eigen media, nu moeten de media met kunst en vliegwerk een profijtelijk marktsegment proberen te vinden.’ En profijt wordt geboekt in het volgen van de waan van de dag.

En zo zijn de Nederlandse media veramerikaniseert. Concurrentie en commercie dwingen tot steeds hijgeriger, oppervlakkiger en een behaagzieker berichtgeving. We huldigen allemaal een beetje de lijfspreuk van de mediatycoon van verdachte zeden, Rupert Murdoch die zegt: ‘Modernisering betekent Amerikanisering’. De Amerikaanse media-verslaggever Howard Kurtz heeft in zijn prachtige boek Media Circus een schets gegeven van ons voorland. Wat er gebeurt als journalisten zich laten meevoeren door de waan van de dag. Het boek is één grote opsomming van onnozelheden, ontsporingen, vooroordelen en oppervlakkigheden in de Amerikaanse pers – van de sensationele tabloids tot de serieuze broadsheets. Kurtz geeft ondermeer het voorbeeld van de handelaar in onroerend goed Donald Trump. Door alle media de hemel in geprezen als de rijkste, de schranderste, de weldenkendste en de innemendste man van het continent. ‘Koning Midas’ noemde Newsweek hem. ‘Een eigentijdste Gatsby’, schreef de Washington Post. Toen Nelson Mandela begin 1990 in Zuid-Afrika werd vrijgelaten was het niet dat nieuws dat op de voorpagina’s stond. Nee, de één werd in beslag genomen door de scheiding tussen Donald en Ivana Trump. ‘Jaar in jaar uit waren de beste verslaggevers gehypnotiseerd door Trump’s zorgvuldig geconstrueerde persoonlijkheid,’ schrijft Kurtz. Zelfs The Wall Street Journal, de bijbel voor de bezittende klasse, beschreef gloedvol de voorspoed en rijkdom waarmee Trump zich omringde. Overal waar Trump zich vertoonde volgden verslaggevers zijn spoor. Maar niemand van die journalisten deed moeite of was in staat de gammele financiële constructies van de zakenman te doorgronden. Plotseling bleek hij een schuld van vijf miljard te hebben en stortte zijn bouwwerk ineen.
Toen ik dat las moest ik denken aan Reinder Zwolsman in de jaren zestig in Nederland. Bewierookt als koning van het onroerend goed en omschreven als de zingende nachtegaal. Achteraf bleek hij een ordinaire handelaar in wind, die burgemeesters en politici omkocht.
‘Het was’, schrijft Kurtz, ‘gemakkelijker voor de kranten om ontwikkelaars van onroerend goed te loven en te prijzen, dan grondig onderzoek te doen naar het lichtzinnige gedrag van de banken die de handelaar in staat stelden zaken te doen. En het was gemakkelijker de Trump-mythe te koesteren dan onderzoek te doen naar het falen van de Amerikaanse regering. Want terwijl de verslaggevers in het gevolg van Trump verkeerden, ontmantelde de Reagan-administratie in alle stilte het ministerie voor Housing and Urban Development. Huizen werden verkocht en doorverkocht met grove winsten. Miljoenen aan commissies gingen naar politieke vrienden van Reagan. Er werd gefraudeerd, omgekocht. Senatoren, gouverneurs en oud-ministers ontvingen tonnen voor bemiddeling van de verkoop. En de verslaggevers waren nergens. Ze waren ook niet te vinden toen de Savings and Loan banks aan wanbeleid, bedrog, omkoping en fraude ten ondergingen – een schuld nalatend van 500 miljard voor rekening van de belastingbetaler. Het waren schandalen, schrijft Kurtz, die te moeilijk, te abstract en te saai waren voor verslaggevers die niets van economie wisten en bang waren wegens smaad veroordeeld te worden.
Plotseling komt in me op hoe veel lovende verhalen ik las over wonderdokter Joep van de Nieuwenhuyze en hoe weinig ik vernam van de geheimzinnige strategieën van de Begeman-groep om bedrijven te verwerven, te ontmantelen, mensen te ontslaan en met het beetje dat overblijft door te gaan.
Een week geleden hoorde ik op Nova een financiële expert zeggen dat het op de beurs wemelt van fraude maar dat die vrijwel niet in de openbaarheid komt. Waarom niet? vraag ik me dan af. Hebben we het te druk met de waan van het moment?

Ook de politiek, of misschien wel vooral de politiek, richt zich op de waan van de dag. In zijn boek The Culture of Contentment beschrijft Galbraith de minimale belangstelling van de politici in de Verenigde Staten voor de underdogs – de ontevreden armen die hun geloof in de politiek verloren hebben. Omdat bij die groep geen eer en electorale winst valt te behalen richten de politici zich nog uitsluitend op de tevreden kiezers – de middengroepen, de mensen die het gemaakt hebben. Daar kunnen successen worden geboekt.
Dat fenomeen zie je ook in de journalistiek. Volgens Howard Kurtz heeft zich in de Verenigde Staten de laatste jaren een generatie welgestelde verslaggevers gevormd, die zich gevestigd heeft in de buitenwijken en hun werk doen via modem en fax. Ze begrijpen niets van wat er in de binnensteden gebeurt, ze weten niets van de noden van de onderklasse. Ze schrijven voor de welgestelde lezers die net als zij in de buitenwijken wonen en ze schrijven voor de adverteerders. Net als de politici richten zij zich op de tevreden mensen. Dat leidt tot belabberde politiek en belabberde journalistiek

Het is al naar Engeland overgeslagen – of misschien was het daar al. Susie Ohrbach beschreef in The Guardian Weekend hoe de Britse kranten worden geïnfecteerd door de tabloid-cultuur die smerigheid tot norm heeft verheven. ‘Terwijl de Engelse samenleving geteisterd wordt door een diepe crisis, berichten kranten en teleivisie over triviale zaken. Tabloid-journalistiek heeft een verbond gesloten met de mensen die verantwoording dragen en die denken en het stellen van vragen lastig vinden. De tabloids zijn oorzaak van een omlaaggaande spiraal in de journalistiek,’ schreef ze.
Het is waar, vandaag kan je ook in The Guardian en The Independent verhalen lezen over de homoseksuele escapades van minister A en de buitenechtelijke relaties van parlementslid B. Is dit het voorland voor de journalistiek in Nederland?

Een eigenzinnige selectie van het nieuws wordt steeds moeilijker omdat niet-journalistieke overwegingen een belangrijker rol gaan spelen.
Over de schouder van de hoofdredacteur kijkt de concern-directeur mee. De hoofdredacteur moet ervoor zorgen dat de krant beter verkocht wordt, dat er meer advertenties en abonnees komen en dat zijn journalisten scoren. Dat is één verleiding om de waan van de dag te volgen.
Het andere mechanisme is beschreven door Kundera in het boek Onsterfelijkheid. Hij schrijft over de geleidelijke, algemene en planetaire verandering van ideologie in imagologie. De politicus en de autoriteit is afhankelijk van de journalist. En de journalist is afhankelijk van de imagoloog. De imagoloog is iemand die van de journalist eist dat diens krant beantwoordt aan het imagologische systeem van het moment. En opiniepeilingen zijn het meest doorslaggevende instrument van de imagologische macht. De imagoloog bombardeert het volk met vragen en het antwoord vormt de hogere werkelijkheid waaraan de journalist zich dient te onderwerpen. De imagologen, schrijft Kundera, scheppen systemen van idealen en anti-idealen, systemen van korte duur die elkaar snel opvolgen maar die ons gedrag, onze politieke mening en estetische smaak, de kleur van tapijten en de keuze van boeken net zo sterk benvloeden als vroeger de systemen van de ideologen. Het is de imagoloog die verordonneert welke rubrieken in kranten kunnen blijven en welke moeten verdwijnen, hoe lang de intro’s mogen zijn en het verhaal, welk nieuws interessant is en wat niet. De tragische conclusie is dat de imagoloog ons zegt te geloven in zijn hogere werkelijkheid – en die wordt gevormd door de waan van het moment. ‘Wij zijn er om mensen te vermaken,’ zei Rupert Murdoch toen een van zijn kranten de dagboeken van Hitler publiceerde – hoewel toen al bekend was dat ze vals waren.

In de film Wall Street zegt raider Gordon Gekko: ‘Er bestaat geen democratie, er is alleen de vrije markt.’
Ik haat cynisme. Maar voor helden en stormvogels in de journalistiek ziet de toekomst er somber uit.

(lezing voor de Kring voor journalistiek en levensbeschouwing van de Amsterdamse pers, juni 1995, ondermeer opgenomen in Trouw van 24 juni 1995)

Polderpers