‘De sirenen van Den Haag’
De omschrijvingen zijn langzamerhand clichees geworden: Rotterdam ‘havenstad’, Amsterdam ‘financieel centrum’, Utrecht een ‘knooppunt voor distributie’. Den Haag presenteert zich graag als ‘bestuurscentrum’. Maar meer voor de hand ligt de aanduiding ‘de stad van het Grote Verschil’. Een stad met steeds verder uit elkaar groeiende klassen van alles en niets, van macht en machteloosheid, van fantastische plannen die de stad allure moeten geven en van stadsvernieuwing die hortend verloopt en steeds langer op zich laat wachten.
‘In het jaar 2000 zouden wel eens vijftigduizend Hagenaars werkloos kunnen zijn’, zei burgemeester mr. dr. A.J.E. Havermans begin dit jaar. Zonder ‘succesvolle ingrepen’ zullen tegen die tijd 125.000 Hagenaars van een uitkering moeten leven, waarschuwde hij. Havermans hield zijn rede voor een select gezelschap ondernemers, verzameld in de ‘Nieuwe of Literaire Societeit De Witte’ – al sinds de dagen van Couperus een ontmoetingsplaats voor welvaart en deftigheid. De burgemeester naar aanleiding van de toen net verschenen voorjaarsnota): ‘We staan dan nu in Den Haag echt voor de vraag: kunnen we straks nog wel iets aan stadsvernieuwing doen? Moeten soms alle zwembaden dicht? Hoe betalen we de bodemsanering, noodzakelijk omdat de grond toch al schaars is en we geen grond – ook niet vervuilde – braak kunnen laten liggen.’
Er heeft altijd al een grens door de stad gelopen waar geen bewoner overheen ging. Wie op de Hoefkade was geboren kwam nooit in Clingendael. En ook mensen uit het chique Benoordenhout kenden alleen hun eigen buurt, de Hofvijver, de petitsfours van Maison Krul (zaliger nagedachtnis) en de nouveautesvan Maison de Bonneterie.
Den Haag moet niet zielig doen, zeggen de ambtenaren die de stad moeten verkopen aan investeerders. Er zijn ambassades, er is het Congresgebouw – de stad moet zijn sterke punten presenteren.
‘Den Haag, wonen en werken in groen managementcentrum’, belooft de veelkleurige brochure van de Dienst Ruimtelijke en Economische Ontwikkeling.
De stad is een ‘pleisterplaats’, een van de ‘groenste steden’ van Europa, gunstig gelegen, ‘gonzend van bedrijvigheid en rijkelijk voorzien van recreatiemogelijkheden’. Een stad ‘waar de kwaliteit van het bestaan centraal staat’.
‘Mixing business with pleasure‘, zo verkoopt de stad zichzelf. Natuurlijk: voor de mensen aan de goede kant van de grens is het een ‘unieke woonstad’. Maar de zee, de paleizen en het groen kunnen de troosteloosheid en de grauwheid van de oude wijken niet verbergen.
Een verslaggever van het dagblad ‘Het Binnenhof’ wandelde vorige maand samen met raadsleden en buurtbewoners door Schilderswijk-west en noteerde: ‘Elke straat is vervuild. Overal is het wegdek opgebroken. Blind staren de dichtgespijkerde panden voor zich uit.’ Zeventien mensen in een vierkamerwoning is geen zeldzaamheid, de huizen zijn verpauperd en klein. De riolering is er zo slecht dat straten soms onder water staan. Armoede kent grenzen: driekwart van de bewoners is van buitenlandse afkomst.
In de nota van aanbieding bij de laatste begroting schetste het college van burgemeester en wethouders zelf de misères van de stad: ‘Ze variëren van criminaliteit en gevoelens van onveiligheid tot vervuiling en verloedering van straten en buurten; van achteruitgang en verpaupering van met name de oude stadswijken tot grote werkloosheid onder bepaalde groepen van de bevolking; van verkeersoverlast tot welzijnsproblemen; van spanningen die het gevolg zijn van de multiculturele samenleving tot een bijna onbetaalbare bodemsanering.’
In z’n lichte, ruim toegemeten kamer in het Haagse stadhuis, zegt burgemeester Havermans: ‘Weet u dat er kinderen in Den Haag zijn die hun hele lagere schooltijd alleen maar rotzooi en troep om zich heen zien? Die altijd weer stuiten op braakliggende terreinen en dichtgetimmerde panden? Er moeten nog tienduizenden woningen worden aangepakt en opgeknapt. Wij zijn hier later met de stadsvernieuwing dan in andere steden. Als je beseft dat de stadsvernieuwing in 2005 afgelopen moet zijn en dat wij maar de helft krijgen van wat we nodig hebben, dan is het duidelijk dat hier een voedingsbodem ligt voor extreem rechts, voor ontevredenheid.’
Hemelsbreed een kilometer van Havermans’ werkkamer ligt de toekomst van Den Haag die volgens de sirenen van het stadhuis een eind zal maken aan de kommer en benauwdheid van de minstbedeelden. Daar komt het Nieuw Centrum (Orwell had het nog niet bedacht), daar komt plan BANK (alleen het woord had in de jaren zestig al een straatrevolutie veroorzaakt), daar wordt onder de schitterendste architectuur van internationale meesters als Richard Meier en Rob Krier het economische hart van de stad volmaakt waaruit straks de economische zegeningen zullen neerdalen op de verpauperde wijken. Zo wordt het tenminste voorgesteld. Net als elke andere grote stad is ook Den Haag ‘in gesprek met de markt’ wat een eufemisme is voor het verkopen van de stad aan projectontwikkelaars. Het stadsbestuur is trots op de nieuwe ontwikkeling, zoals een jongen die eindelijk tot de wereld van volwassenen wordt toegelaten. Er zijn ‘harde afspraken’, zei burgemeester begin dit jaar, met ondernemingen zoals het MBO en Vita/Zurich Levensverzekeringen ‘die voor de markt willen ontwikkelen’. Projectontwikkelaar Juno gaat met de ‘wereldberoemde architect Pei’ – die van de glazen piramide bij het Louvre – honderdduizend vierkante meter kantoorruimte bouwen in het Beatrixkwartier. Havermans: ‘Zij geloven dus in Den Haag. Dat geldt ook voor Ballast Nedam en Nationale Nederlanden. Daarmee is onlangs een convenant afgesloten voor de ontwikkeling van een groot kantoorgebouw naast het Centraal Station. Ook zij geloven in Den Haag.’
We staan op het stationsplein en bij Babylon – waarvan alleen de hoogmoedige naam al een voortdurend affront is van Genesis 11. Ooit stond hier, op een steenworp afstand van de herten die grazen naast het Malieveld, het witte gebouwtje van het station Staatsspoor dat het bombardement op het Bezuidenhout overleefde maar de vooruitgang niet. Nu wordt er een écht Babel gebouwd en worden stad en stadhuis dan ook regelmatig geslagen met verwarring. Tussen Babylon en de Nieuwe Kerk is een ‘masterplan’ bedacht dat de stad een ‘internationale toplokatie voor kantoren’ moet geven, met winkels, woningen, een nieuwe binnenstad met cultuur en openbare ruimten. Met straten om te flaneren, ‘om zomaar wat rond te slenteren, op een bankje te zitten en van omgeving en medemens te genieten’. Met een nieuw stadhuis ook, waarvan de buitenstaander die het mild gelegen oude stadhuis op het Burgemeester de Monchyplein kent, nooit zal begrijpen waarom dat nodig is. Officieel is een nieuw stadskantoor gewenst om de overal in de stad verspreide gemeentelijke diensten in één ruimte onder te brengen. Maar zal een behaaglijker onderkomen voor de ambtenaren ook maar iets kunnen bijdragen om de Schilderswijk te redden?
Op loopafstand is nog steeds een lidteken in de stad zichtbaar: daar werd nog niet zo lang geleden gesloopt om het Prins Bernhardt-viaduct te kunnen bouwen, een monument van overbodigheid.
‘Het ambitieniveau voor Nieuw Centrum is dat Den Haag in het Europa van 1992, als onderdeel van de Randstad, een belangrijk deel van de economische groei naar zich toe zal halen. Daarin ondervindt ze concurrentie van andere Europese agglomoraties. In die concurrentieslag kan het onderscheid alleen maar op kwaliteit worden gemaakt. Er zal dus een kwaliteitsniveau van kantoren, winkels en transport moeten worden geboden dat tot de Europese top behoort.’ Zo zal voor Nederlandse begrippen straks in Den Haag ‘ongekende kwaliteit’ worden geboden, verkondigen ronkende folders (die, met kapitale spellingsfouten, in taalkundig opzicht nog veel aan kwaliteit missen). Met een miljoen vierkante meters ruimte voor bedrijven. ‘Den Haag is in de eerste plaats kantorenstad,’ zegt burgemeester Havermans met ingehouden trots, ‘Ons sleutelprojekt Nieuw Centrum biedt meer werkgelegenheid dan de haven van Rotterdam.’
Maar als straks de markt instort en de kantoren onverkoopbaar blijken? ( Het blad ‘Vastgoed’ van de makelaars in onroerend goed signaleerde al eerder dat in de eerste helft van dit jaar de vraag naar kantoren fors is gedaald).
Havermans: ‘Dat zou niet best zijn, tot dusver zijn voor alles wat wij bouwen gegadigden te vinden. Wat hier in Den Haag gebeurd is een sleutelprojekt waarbij de gehele regering betrokken is.’
Sinds kort beschikt de stad over een nieuwe organisatie die Den Haag moet verkopen. Norbert Schmelzer is afdelingshoofd. Hij vertegenwoordigt het nieuwe elan van de stad: ‘Traditioneel werkte Den Haag nogal produkt-georiënterd. Hoe maak ik een voorziening – daar lag de aandacht. Niet bij: wat zijn de wensen van de gebruikers’ zegt hij. Er was te weinig ‘klant-oriëntatie’. Daar doet Schmelzer nu iets aan. ‘Account-managers’ concentreren zich op ‘account-handling’, de ‘input van projekten’ krijgt volle aandacht. ‘Research’, ‘concurrentie-analyses’ – niets wordt aan het toeval overgelaten. Ook binnen de ambtenarij woekert nu de newspeak die ondernemend Nederland al veel eerder vergiftigd heeft. Er wordt geschermd met ‘markttsegmenten’ en ‘speerpuntbranches’, ‘corporate Randstad-communicatie’. Zo hoort het als je met de Europese top mee wilt doen.
Schmelzer kijkt vanuit zijn kantoor uit over het snel veranderende silhouet van de stad, dat allang niet meer wordt gedomineerd door de toren van het Vredespaleis. Den Haag heeft een zwak imago, zegt hij: ‘Er wordt alleen maar gesproken over de twee main ports, Schiphol en de Rotterdamse haven. En dan houdt het op, of er verder niets bestaat.’ Maar Den Haag is er ook nog. ‘Zet nou eens naast elkaar: hij IJ-oever-project, de Kop van Zuid in Rotterdam en het nieuw Centrum hier in Den Haag. Als je die projecten vergelijkt, dan lopen wij voorop, hier gebeurt pas echt iets. Van der Ende (die van het amusement uit Aalsmeer-red.) gaat investeren in een musical-theater. Van der Valk (van de motelketen en de onderbetaalde hulpen in de keuken-red.) pakt de gedegenereerde pier aan. Er gebeurt van alles, dat is een. Nu komen we toe aan punt twee: we moeten het naar buiten brengen, jongens, er gebeurt iets, in Amsterdam heette dat het Van Thijn-effect, dat moeten we hier ook krijgen. Campagnes en evenementen, maar vanuit onze eigen kracht, we willen niet tegen de anderen aantrappen. Aan zo’n campagne gaan we dit jaar werken.’ The selling of The Hague.
Voor de Kamer van Koophandel in Den Haag gaat het allemaal nog niet snel genoeg. In een nurks manifest dat vorig maand verscheen, wordt gesproken over slechte verhoudingen veroorzaakt door ‘het gemeentelijk introvert denken’. Er is sprake van een ‘negatieve spiraal’, van ‘localisme’ en een ‘monocultuur’. ‘De aanwezigheid van de rijksoverheid in Den Haag heeft verantwoordelijke bestuurders jaren in slaap gewiegd’. Volgens het manifest van de zakenmensen zal ‘de betekenis van Den Haag als bestuurlijk centrum afnemen ten gunste van Brussel’. Bevangen door de koorts en de mythes van de Groot Europese Gedachte schetst de Kamer van Koophandel de toekomst: of je behoort in de Europese regio’s tot de top, of je bent als agglomoratie nauwelijks relevant. Dat laatste lot lijkt Den Haag beschoren ‘waar men van incident tot incident vooruit en soms achteruitgaat’, waar ‘een status-quo beleid achteruitgang betekent van alle maatschappelijke functies en de bijdrage aan een dynamische ontwikkeling van het totaal van de Randstad frustreert.’
Zo kan het niet meer, somberen de winkeliers en de projekt-ontwikkelaars verenigd in het Breed Beraad. Het ‘Gewest Haaglanden’ dat in september gaat functioneren is een goed begin maar te bescheiden, de negen gemeenten die eraan meedoen zouden hun ‘autonomie’ onmiddellijk moeten opgeven. Het ‘ambitieniveau’ moet nog ‘drastisch omhoog’, met nog meer ‘stedebouwkundige kwaliteit’ en nog meer durf.
In het grensgebied tussen Scheveningen en Den Haag staat het Provinciehuis, ondanks de vele jongere rivalen nog altijd met glans het lelijkste gebouw van de residentie (Toch nog goed nieuws: in het Nieuw Centrum is ruimte gereserveerd voor een stijlvoller en prettiger onderkomen voor de provincie-ambtenaren). Tot in de jaren vijftig stond op deze plaats het oude, nostalgische gebouw van de Dierentuin, omgeven door groen. Den Haag was toen nog de weduwe van Indie, in Scheveningen moest de eerste patat-tent nog gebouwd worden, sociale onrust werd alleen manifest op oudjaar, wanneer de politie traditiegetrouw met de blanke sabel de Boekhorststraat schoonveegde omdat er al te omstuimig feest werd gevierd.
In zijn kamer in het Provinciehuis hoort de Commissaris van de Koningin in Zuid-Holland, S.Patijn, hoofdschuddend de redenering over de Europese uitdagingen aan. De verslaggevers vragen of Parijs en Londen werkelijk concurrenten zijn van de Randstad, zoals de Kamer van Koophandel het doet voorkomen. Patijn: ‘Die steden kunnen we toch niet aan. Dat zijn onze partners niet. Die zijn een maatje te groot voor Nederland. Het gaat erom of je kan meedraaien in de sub-top. Dan doen we het lang niet slecht.’
Hij waarschuwt voor alle ambitieuse projecten: ‘Er is enorm veel gebouwd in Nederland, er is al sprake van overcapaciteit. De huurprijs in Nederland is f 250,- per vierkante meter, in Parijs bedraagt die vier keer zoveel. Maar toch zijn prijzen voor ondernemers geen reden naar Rotterdam of Den Haag uit te wijken.’
Maar hoe stop je een trein die al rijdt? Het gaat met al die vierkante meters kantoorruimte net als met de wapenwedloop: de groei volgt een eigen logica. Wil je de stedenoorlog niet verliezen, dan moet je meedoen. Den Haag kan het zich niet permitteren het grootste dorp van Europa te blijven. ‘Rotterdam is voor de produktie, het management zit in Den Haag – zo profileren we ons’, zegt Stadsverkoper Norbert Schmelzer. ‘Wij bieden een business environment wat voldoende is om goede zaken te doen. Er zijn kantoren beschikbaar, een vliegveld in de buurt – maar dat hebben een heleboel steden, het aantal steden dat zichzelf als gateway betitelt is langzamerhand niet meer te tellen. Wij bieden nog iets meer: een uniek woon- en leefklimaat. We liggen aan zee. We hebben een badplaats. Dat is heel bijzonder voor de quality of live.’
Het is de paradox van Den Haag: de quality of live die de stad een bevoorrechte groep managers en diplomaten kan bieden, moet een oplossing bieden voor de uitzichtloosheid in de Schilderswijk en al die andere grauwe buurten waar je de zee zelfs niet kan ruiken.
In vroeger eeuwen werd op kosten van de rijke burgers riolering in de steden aangelegd, zodat zij gespaard zouden blijven voor een uitbarsting van de zwarte pest. Zal zo straks ook, opnieuw uit eigen belang, de criminaliteit en verpaupering worden aangepakt door de nieuwe elite?
Burgemeester Havermans zucht als wij hem de vraag voorleggen: ‘Stel dat wij straks het Europees Merkenbureau aantrekken, dan zullen er twee of driehonderd academici met aanhang naar Den Haag komen. Daar hebben de ongeschoolden die hier wonen natuurlijk niets aan. Ik weet ook wel dat in het Nieuw Centrum geen banen gevonden zullen worden voor de 40.000 mensen die geen opleiding hebben. Voor hen is het Westland heel belangrijk en de ontwikkelingen bij Wateringen. We hebben industrie nodig, zoals een gebied bij Ypenburg. Misschien ook dat onze goede relaties met Rotterdam daarbij kunnen helpen, we gaan niet voor niets een sneltram aanleggen tussen Rotterdam en Den Haag. Zuiver economisch gezien – Het milieu wil ik er even buiten laten – is het verplaatsen van Zestienhoven een gunstige ontwikkeling. We hebben er al over gesproken de nieuwe luchthaven straks Rotterdam-The Hague-Airport te noemen.’
Op het stadhuis laveert het gemeentebestuur tussen Scylla en Charybdis. ‘Wij beseffen dat voor veel burgers de aanpak van problemen in de directe leefomgeving en levenssfeer voorop dient te staan. Terecht, want van een burger die nu in een vervuilde en verloederde omgeving leeft, kan niet snel begrip worden gevraagd voor de bouw van weer nieuwe kantoren of de uitvoering van ingrijpende verkeersmaatregelen,’ schreef het college van burgemeester en wethouders in de laatste nota van aanbieding.
‘Ik kan niet tegenspreken dat Den Haag een stad is met grote verschillen. Er is maar één stad in Nederland waar het grootste stadsvernieuwingsgebied ligt en waar tegelijk het grootste aantal diplomaten woont,’ zegt burgemeester Havermans. Hij heeft zojuist alle verworvenheden van de stad opgesomd: regeringscentrum, besliscentrum, de woonplaats van het staatshoofd, internationale scholen, prettig wonen. ‘U zou eens moeten weten hoeveel internationale organisaties hier zitten. In dienstverlening zijn we sterk. Laat ik het zo zeggen: onlangs besloot Kodak een nieuw bedrijf in Nederland te vestigen. Het komt waarschijnlijk in Rotterdam of Moerdijk. Mar hun hoofdkantoor vestigen ze hier. Dat openen ze volgend maand, er komen tachtig man te werken omdat hier een goed woonklimaat is. Als je kijkt hoeveel kanbtoren wij hier afgezet hebben, dat is veel meer dan Amsterdam en Rotterdam. We zijn nu weer in de race om het nieuw op te richten bureau voor toezicht op de chemische wapens naar Den Haag te halen.’
Het is ook hard nodig om nieuwe bewoners met eigen inkomsten naar de stad te lokken. Ooit, vijfentwintig jaar geleden, had Den Haag bijna zeshonderdduizend inwoners. Toen trokken er honderdvijftigduizend weg, vooral mensen met hogere inkomens die elders florissanter gingen wonen. Dat betekende een ‘sociale drainage’ van de stad, het percentage ouderen en mensen met een minimum inkomen is daarom nu heel hoog – volgens het rapport ‘Grote steden, grote kansen’ heeft Den Haag het grootste aantal mensen van boven de 65 jaar, is de werkeloosheid er het snelst gegroeid (20 procent van de beroepsbevolking) en is het percentage allochtonen het hoogst.
De burgemeester: ‘In onze stad zeggen de bewoners wel eens: als jullie je nu eens bezig hielden met zaken waarvoor we jullie gekozen hebben, met schone straten, veilig wonen en voorzieningen die we nodig hebben. Maak je wat minder druk over nieuwe kantoren waar we alleen maar overlast van hebben. De stad wordt steeds maar voller, met steds weer nieuwe druk op de woonwijken en groeiende parkeeroverlast.
Maar grote steden zijn ook gemeenten. Natuurlijk moeten we in de eerste plaats zorgen voor veilig en prettig wonen. Maar bepaalde steden – in andere landen is dat ook zo – hebben een functie die uitgaat boven het zuiver plaatselijke. Ergens moeten die gemeenten zaken als de hogesnelheidstrein, een kantoorgebouw, een concertgebouw of het residentieorkest onderbengen. Je moet kiezen zonder de relatie mnet je burgers te verliezen. Dat is de basis van de grote stad.’
Maar hoe lang kan de stad doorgaan met keuzes voor steeds hogere skylines, voortdurend briljantere architectuur, meer groei met onevenredige milieubelasting. Onderzoekers zoals Dennis Meadows en de Wageningse hoogleraar E.H.Adema geven deze beschaving nog veertig, vijftig jaar. Anderen, die optimistischer zijn, zeggen dat de ondergang verder weg is maar dan moeten er wel drastische maatregelen genomen worden?
Havermans (aarzelend): ‘Het zou vreemd zijn als wij als overheden erop uit zouden zijn de groei te bevorderen ter wille van de groei. Dan ben je natuurlijk helemaal gek. Waar je op reageert is een behoefte, in dit geval werkgelegenheid.’
Maar wie maakt die behoefte uit? In z’n Machiavelli-lezing, eind vorig jaar, zei ir.N.G.Ketting, dat ontwikkelingen zoals de hogesnelheidstrein vanuit Brussel worden aangedragen zonder dat ook maar aan de orde is geweest of dat Nederland wel goed uitkomt. Frankrijk heeft bijvoorbeeld een invloedrijke rol gespeeld bij de komst van de snelle trein. Duitse ondernemers hebben vooral aangedrongen op de Betuwespoorlijn en die hoge kantoren die in Den Haag worden gebouwd zijn toch vooral een gevolg van de manier waarop in Brussel over concurrentie wordt gedacht?
Havermans: ‘Die hogesnelheidstrein is toch vooral bedoeld om de ongelijkheid in mobiliteit terug te brengen. Als dat lukt kan de auto worden teruggedrongen. Er is bovendien toch echt wel iets aan het veranderen. Ik kan u zeggen dat wij als grote steden voor het eerst met diverse ministers van het kabinet hebben gepraat over de ontwikkeling van de Randstad. Voor het eerst was er ook de minister van milieu bij. En voor het eerst zijn er afspraken gemaakt over de bevordering van het railvervoer.’
En dan wil Den Haag nog even snel óók een halte in het traject van de hogesnelheidstrein. Dan haalt u toch nog maar alleen meer groei en activiteit naar u toe?
Havermans: ‘Dat laatste kan ik heel eenvoudig uitleggen. Die trein stopt straks toch op Holland Spoor. Over tien jaar komt er een nieuw trace en dan zou Den Haag niet meer worden aangedaan. Dat is voor ons onbegrijpelijk. Nee. we kiezen niet voor de groei, we kiezen om de groei op te vangen. Maar ik ben het met u eens, als je ziet wat in Rio gebeurd is en wat er met de wereld aan de hand is, dan gebeuren er verschrikkelijke dingen. Dan kan je je afvragen of stilstand niet beter is. Ik fiets graag en weet wat er met het dijkenlandschap gebeurt. Dat is een ramp. Met het Groene Hart moeten we heel voorzichtig zijn anders blijft ontreddering over. Maar ik heb ook nog hoop. Dit kabinet – en het is voor de eerste keer dat dit gebeurt – houdt zich nadrukkelijk bezig met de Randstad, in de mooie gebieden mag niet gebouwd worden, er worden keuzes gemaakt. Hier wel en daar niet. Langs de snelweg bouwen kan niet meer. Het moet daar gebeuren waar openbaar vervoer is. Dat doen we ook in Den Haag. Maar de steden zijn en blijven toch culturele brandpunten waar initiatieven ontstaan. De stad is opnieuw in beeld gebracht. In de stad gebeurt het.’
BNG, 6 juni 1992